Interbellum 1918-1939: Chronologisch overzicht

Interbellum 1918 - 1938
Het interbellum verwijst naar de periode tussen het einde van de Eerste Wereldoorlog in 1918 en het begin van de Tweede Wereldoorlog in 1939. Deze jaren vormden een tijd van politieke, sociale en economische veranderingen, gekenmerkt door hoop op herstel, maar ook door groeiende spanningen die uiteindelijk tot een nieuwe oorlog zouden leiden.

Na de Eerste Wereldoorlog werden nieuwe grenzen getrokken en ontstonden veel nieuwe staten in Europa. Het Verdrag van Versailles (1919) legde zware herstelbetalingen en beperkingen op aan Duitsland, wat leidde tot economische problemen en politieke instabiliteit. Veel landen probeerden democratische regeringen op te zetten, zoals in de Weimarrepubliek, maar economische crisis, zoals de Grote Depressie van 1929, maakte deze inspanningen moeilijk.

Tegelijkertijd ontstonden totalitaire regimes, zoals het fascisme in Italië onder Mussolini en het nationaalsocialisme in Duitsland onder Hitler. Deze regimes versterkten hun macht met propaganda, onderdrukking en territoriale ambities. In Azië breidde Japan zijn invloed uit door militarisme, zoals in Mantsjoerije (1931).

Ondanks pogingen tot internationale samenwerking, zoals de oprichting van de Volkenbond, konden conflicten niet worden voorkomen. Het interbellum eindigde met de Duitse invasie van Polen in 1939, die de Tweede Wereldoorlog inluidde.

1918

  • 9 november 1918: Keizer Wilhelm II van Duitsland treedt af en vlucht naar Nederland. Op dezelfde dag roept de socialist Philipp Scheidemann in Berlijn de republiek uit, om een communistische machtsovername voor te zijn . Dit bezegelt het einde van het Duitse Keizerrijk en het begin van de Weimarrepubliek (Duitse republiek).
  • 11 november 1918: Wapenstilstand van Compiègne beëindigt de gevechten van de Eerste Wereldoorlog. Duitsland en de geallieerden ondertekenen een staakt-het-vuren waarmee de oorlog feitelijk ten einde komt. De oorlog heeft ruim vier jaar lang huisgehouden en miljoenen slachtoffers geëist. De voorwaarden in de wapenstilstand (zoals Duitse ontwapening en bezetting van het Rijnland) vormen de basis voor latere vredesonderhandelingen.

1919

  • 25 januari 1919: Oprichting van de Volkenbond (Volkerenbond) tijdens de Vredesconferentie van Parijs. Onder initiatief van de Amerikaanse president Woodrow Wilson wordt deze internationale organisatie in het leven geroepen om door collectieve veiligheid nieuwe oorlogen te voorkomen. Ironisch genoeg blijven de Verenigde Staten zelf buiten de Volkenbond, omdat het Amerikaanse Congres het Verdrag van Versailles niet ratificeert.
  • Leiders verlaten de ondertekeningsceremonie van het Verdrag van Versailles (28 juni 1919). 28 juni 1919: Verdrag van Versailles ondertekend. In het Paleis van Versailles ondertekenen Duitsland en de Geallieerden het vredesverdrag dat de Eerste Wereldoorlog formeel beëindigt. Het verdrag legt Duitsland zware straffen en beperkingen op: aanzienlijke grondgebiedverlies (onder meer Elzas-Lotharingen aan Frankrijk en gebieden aan Polen), hoge herstelbetalingen en strenge ontwapening.Bovendien wordt Duitsland als enige schulddrager aangewezen voor het uitbreken van de oorlog (de omstreden “Alleinschuld”). Deze vernederende voorwaarden wekten grote wrok onder de Duitse bevolking. Het verdrag bleek de voedingsbodem voor radicale bewegingen – met name voor de opkomst van Adolf Hitler en zijn NSDAP, die beloofden de “Versailles-diktaten” ongedaan te maken.

1920

  • 10 januari 1920: Het Verdrag van Versailles treedt officieel in werking nadat het door genoeg landen is geratificeerd. Daarmee gaat ook de Volkenbond formeel van start met zijn eerste vergadering in Genève. De Volkenbond heeft ambitieuze doelen voor wereldvrede, maar kampt van meet af aan met problemen: zo hebben de Verenigde Staten geen lidmaatschap en ontbreekt een eigen machtsmiddel om besluiten af te dwingen.
  • 24 februari 1920: In München wordt de Duitse Arbeiderspartij omgevormd tot de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP). Adolf Hitler, een overtuigd nationalist en fel redenaar, sluit zich aan en presenteert de 25-punten van het partijprogramma. De NSDAP promoot rassenleer, antidemocratische en antisemitische ideeën en zweert wraak voor Versailles. Aanvankelijk is het een kleine extreme partij, maar Hitlers charisma en de onvrede in Duitsland zullen de NSDAP al snel doen groeien.
  • 13 maart 1920: Kapp-Putsch in Duitsland. Freikorps-militairen onder Wolfgang Kapp plegen een staatsgreep en bezetten Berlijn om de democratische regering omver te werpen. De couppoging stort in na een massale algemene staking van vakbonden, waardoor het openbare leven platligt. Deze gebeurtenis toont zowel de fragiliteit van de jonge Weimarrepubliek als het vermogen van de bevolking om antidemocratische krachten tijdelijk te stoppen.

1921

  • Mei 1921: De geallieerden stellen de definitieve herstelschuld van Duitsland vast op 132 miljard goudmark – een astronomisch bedrag. Duitsland protesteert hevig, maar moet zich neerleggen bij dit betalingsschema. De torenhoge herstelbetalingen belasten de toch al zwakke Duitse economie en veroorzaken diepe frustratie onder Duitsers, die het als onrecht en vernedering ervaren.
  • 9 november 1921: In Italië richt Benito Mussolini de Nationaal Fascistische Partij (PNF) op. Het fascisme, voortgekomen uit ontevredenheid na de oorlog, predikt ultranationalisme, verheerlijking van geweld, sterke leidercultus en fel anti-communisme. Mussolini’s partij wint aanhang door onrust en angst voor het communisme, en bereidt de weg voor een fascistische machtsovername in Italië een jaar later.

1922

  • 28 oktober 1922: Mars op Rome. Duizenden zwartehemden (aanhangers van Mussolini’s fascisten) marcheren naar Rome. Uit angst voor een burgeroorlog weigert koning Victor Emmanuel III hard op te treden en benoemt Mussolini tot premier van Italië. Mussolini vormt vervolgens een autoritaire regering – het begin van het fascistische bewind in Italië. In de jaren erna schakelt hij oppositie uit en vestigt een dictatuur met hemzelf als “Il Duce” (de leider). Italië is hiermee de eerste moderne fascistische staat.
  • 30 december 1922: Oprichting van de Sovjet-Unie (USSR). Na het einde van de Russische burgeroorlog worden Rusland, Oekraïne en andere gebieden officieel samengevoegd tot de USSR, een communistisch éénpartijstaat geleid door de bolsjewieken. Vladimir Lenin is de eerste leider. De Sovjet-Unie vormt een ideologisch tegenwicht in Europa: het communisme tegenover de westerse democratieën en opkomend fascisme. (Lenin zal kort hierna, in januari 1924, overlijden, waarna een machtsstrijd begint die Jozef Stalin uiteindelijk wint.)

1923

  • 11 januari 1923: Frans-Belgische bezetting van het Ruhrgebied. Omdat Duitsland achterloopt met herstelbetalingen, sturen Frankrijk en België troepen om het industriële Ruhrgebied te bezetten. Ze nemen controle over kolen- en fabrieksopbrengsten als compensatie. De Duitse regering roept op tot “passief verzet”: stakingen en sabotages. Dit verzet verergert echter de economische crisis in Duitsland, want zonder productie verliest de mark snel waarde.
  • 1923 (voorjaar-herfst): Hyperinflatie teistert de Duitse economie. Om het stakende Ruhrgebied te financieren, drukt Duitsland enorme hoeveelheden papiergeld bij. De muntwaarde keldert: prijzen stijgen dagelijks, spaargeld verdampt en salarissen moeten haast elk uur aangepast worden. Voor een brood zijn manden vol bankbiljetten nodig. Deze hyperinflatie ruïneert de Duitse middenklasse en zorgt voor grote sociale onrust, waardoor steeds meer mensen radicale oplossingen gaan steunen.
  • 8–9 november 1923: Bierkellerputsch in München. Adolf Hitler en generaal Erich Ludendorff proberen in Beieren de macht te grijpen door een staatsgreep. Ze onderbreken een politieke bijeenkomst in een bierkelder en kondigen een “nationale revolutie” af, met de bedoeling daarna door te marcheren naar Berlijn. De opstand wordt echter de volgende dag door de politie neergeslagen; zestien nazi’s en vier politieagenten komen om. Hitler wordt gearresteerd en wegens hoogverraad tot vijf jaar gevangenis veroordeeld. Hij zit uiteindelijk slechts iets meer dan acht maanden uit en schrijft tijdens zijn gevangenschap Mein Kampf, het boek waarin hij zijn ideologie en plannen (zoals het vernietigen van Versailles en het veroveren van Lebensraum in Oost-Europa) uiteen zet.

1924

  • 21 januari 1924: Sovjetleider Vladimir Lenin overlijdt. In de USSR ontstaat een machtsstrijd binnen de communistische partij. Leon Trotski, Lev Kamenev, Grigori Zinovjev en Jozef Stalin wedijveren om de opvolging. Uiteindelijk weet Stalin zijn rivalen uit te schakelen (Trotski wordt in 1927 uit de partij gezet en in 1929 verbannen) en concentreert hij de macht in zijn handen. Stalin zal de Sovjet-Unie in de daaropvolgende jaren transformeren met gedwongen industrialisatie en collectivisatie – maar ook met brute onderdrukking van bevolking en partijgenoten.
  • 1 september 1924: De geallieerden accepteren het Dawesplan, een plan om de Duitse herstelbetalingen werkbaarder te maken en de Duitse economie er bovenop te helpen. Het plan, opgesteld door de Amerikaan Charles Dawes, verschuift de betalingsschema’s en voorziet in grote leningen uit de Verenigde Staten aan Duitsland. Hierdoor stabiliseert de Duitse mark (de hyperinflatie wordt bedwongen) en krijgt Duitsland financiële ademruimte. De tweede helft van de jaren 1920 wordt daardoor een periode van relatieve economische opleving en politieke rust in Duitsland.

1925

  • 25 april 1925: Paul von Hindenburg (77), oud-veldmaarschalk, wordt tot Reichspräsident (rijkspresident) van Duitsland gekozen, na de dood van Ebert. Hindenburg is een symbool van de oude conservatieve elite. Hoewel hij als monarchist weinig opheeft met de republiek, zweert hij de grondwet trouw. Zijn gezag onder conservatieven zorgt eerst voor enige stabiliteit. Toch regeert hij al snel per noodverordeningen wanneer parlementaire kabinetten steeds moeilijker te vormen zijn.
  • 16 oktober 1925: Verdragen van Locarno. In Locarno (Zwitserland) sluiten Duitsland, Frankrijk, België, Italië en Groot-Brittannië een serie overeenkomsten om het vredesbestel te versterken. De belangrijkste is dat Duitsland vrijwillig zijn westgrens definitief erkent: het belooft geen aanspraak te maken op Elzas-Lotharingen, Eupen-Malmédy (België) en het Rijnland blijft gedemilitariseerd. Deze Locarno-akkoorden creëren optimisme – men spreekt van de “geest van Locarno”. Als beloning mag Duitsland toetreden tot de Volkenbond in 1926, waarmee het diplomatiek uit zijn isolement komt.

1926

  • 8 september 1926: Duitsland treedt toe tot de Volkenbond als permanent lid van de Raad. Dit volgt uit het verzoenende Locarno-verdrag en markeert de rehabilitatie van Weimar-Duitsland op het wereldtoneel. Duitsland belooft zich te houden aan de Volkenbondregels en de status-quo in West-Europa te respecteren. Veel Duitsers zien dit lidmaatschap als een stap richting gelijkwaardigheid met andere mogendheden, al blijft er rechts-nationalistische kritiek dat Duitsland nog steeds gebonden is aan Versailles.
  • 1926: In Italië consolideert Mussolini zijn dictatuur. Oppositiepartijen en vrije pers zijn al verboden; dit jaar schaft hij ook de titel van premier af en noemt zich “Hoofd van de Regering”. Italië wordt formeel een éénpartijstaat onder fascistische leiding. Ook in de Sovjet-Unie boekt Stalin voortgang in zijn machtsovername; Leon Trotski wordt uit het Politbureau gezet.

1927

  • 1927: Relatieve rust en welvaart. Deze periode midden jaren 1920 wordt gekenmerkt door economische groei en culturele bloei in grote delen van de wereld. De VS en Europa beleven de “Roaring Twenties” (Les Années Folles); massaproductie, radio en film floreren en er heerst optimisme. In Duitsland spreken we van de Goldene Zwanziger: met hulp van Amerikaanse kredieten bloeit de economie weer enigszins op en grootstedelijke cultuur (cabaret, Bauhaus, jazz) kent een opleving. Internationale conflicten lijken even op de achtergrond – een fragile vrede waarvan men hoopt dat die blijvend is.

1928

  • 27 augustus 1928: Kellogg-Briand Pact (Pact van Parijs). 63 landen – waaronder Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, de VS, Italië, Japan en de Sovjet-Unie – ondertekenen een verdrag waarin zij oorlog afzweren als instrument van nationaal beleid. Dit idealistische verdrag (genoemd naar de Amerikaanse en Franse ministers die het initieerden) wordt met veel loftuitingen ontvangen; het symboliseert het verlangen naar wereldvrede. In de praktijk ontbreekt echter een handhavingsmechanisme. Het pact zal agressors niet stoppen in de jaren die volgen, maar het legt wel formeel de basis voor het latere verbod op agressieoorlog in het internationale recht.
  • 1928: Jozef Stalin start in de USSR zijn eerste vijfjarenplan, een ambitieus economisch plan om versneld te industrialiseren. Fabrieken en zware industrie worden opgebouwd, terwijl landbouw wordt gecollectiviseerd (boeren worden gedwongen hun land samen te voegen in kolchozen). De productie stijgt, maar de sociale kosten zijn enorm: miljoenen mensen worden van het land verdreven, en hardnekkig verzet van boeren leidt tot strenge straffen en grote hongersnoden (zoals de Holodomor in Oekraïne 1932–1933 waarbij miljoenen omkwamen). Ondanks de menselijke tol verandert de Sovjet-Unie in een industriële grootmacht – een factor die later van belang zal zijn in de Tweede Wereldoorlog.

1929

  • 24 oktober 1929: Beurskrach op Wall Street (New York). Op deze “Zwarte Donderdag” stort de beurs in elkaar na een periode van wilde speculatie. In de weken erna verdampen miljarden aan vermogen. De Amerikaanse beurscrisis slaat al snel over op Europa en de rest van de wereld, waarmee de Grote Depressie begint. Banken gaan failliet, bedrijven sluiten en de werkloosheid stijgt explosief. Duitsland wordt bijzonder hard getroffen omdat het afhankelijk was van Amerikaanse leningen; tegen 1932 zijn miljoenen Duitsers werkloos. De massale economische malaise zorgt voor onzekerheid en wanhoop. In veel landen, waaronder Duitsland, radicaliseren kiezers politiek: communistische en extreemrechtse (fascistische/nationaalsocialistische) bewegingen krijgen een grote aanhang als gevolg van de crisis.

1930

  • 14 september 1930: Verkiezingsdoorbraak van de NSDAP in Duitsland. Bij de Rijksdagverkiezingen van dit jaar boekt Hitlers nationaalsocialistische partij een sensationele winst: ze stijgt van 12 naar 107 zetels en wordt de op één na grootste partij. Veel teleurgestelde kiezers, getroffen door de crisis, keren zich af van traditionele partijen. De regering onder kanselier Brüning moet nu leunen op noodverordeningen van president Hindenburg om te kunnen regeren. De democratie verzwakt dus verder, terwijl de nazi’s juist aan momentum winnen.
  • 1930: In Japan nemen militaristische en ultranationalistische kringen de overhand. Democratische politici verliezen invloed nadat premier Hamaguchi in november door een rechtse extremist is neergeschoten. Het Japanse leger krijgt meer autonomie en bereidt expansieplannen voor. Dit luidt een periode in waarin Japanse militairen de buitenlandse politiek domineren – een koers die spoedig zal leiden tot agressie tegen de buurlanden.

1931

  • 18 september 1931: Japan valt Mantsjoerije binnen. In China escaleert een incident bij de spoorlijn bij Mukden (Shenyang) tot een grootschalige invasie: Japan gebruikt een vermeende Chinese sabotage als excuus om de noordoostelijke regio Mantsjoerije te bezetten. Binnen enkele maanden veroveren de Japanners het gebied (dat bijna vier keer zo groot is als Nederland) en roepen er begin 1932 de marionettenstaat Mantsjoekwo uit onder een door hen gecontroleerde keizer. De Chinese regering protesteert tevergeefs bij de Volkenbond. De Volkenbond veroordeelt de Japanse agressie wel, maar treuzelt met ingrijpen; uiteindelijk zal Japan in 1933 gewoon uit de Volkenbond stappen in plaats van Mantsjoerije te verlaten. Deze Japanse expansie is de eerste openlijke breuk met de internationale vredesorde en voorbode van verdere oorlog in Azië.
  • 1931 (wereldcrisis): De economische depressie verdiept zich. In Europa komen financiële systemen onder druk: in mei 1931 gaat de grote Oostenrijkse bank Creditanstalt failliet, wat een ketenreactie veroorzaakt. Duitse banken wankelen en de regering in Berlijn moet een bankholiday en importstop afkondigen. Het Verenigd Koninkrijk verlaat in september 1931 de gouden standaard (laat de koppeling van het pond aan goud los) om de crisis het hoofd te bieden. Overal voeren regeringen harde bezuinigingen door. De sociale onrust neemt toe, met protesten en straatgevechten als gevolg.
  • 14 december 1931: In Utrecht wordt de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) opgericht door Anton Mussert en Cornelis van Geelkerken. De NSB is een Nederlandse fascistische partij, duidelijk geïnspireerd door Hitlers NSDAP en Mussolini’s fascisten. Ze pleit voor een autoritair bestuur, corporatisme en afschaffing van de parlementaire democratie. Hoewel de NSB in de jaren ’30 nooit meer dan enkele procenten van de stemmen haalt, markeert haar ontstaan de aanwezigheid van antidemocratische stromingen in Nederland tijdens het Interbellum.

1932

  • 1932: Politieke impasse in Duitsland. De economisch-politieke crisis bereikt een hoogtepunt. In april verslaat zittend president Hindenburg Adolf Hitler weliswaar bij de Rijkspresident-verkiezingen (Hindenburg krijgt ~53%, Hitler ~36%), maar Hitler’s aanzien is enorm gestegen. Bij de Rijksdagverkiezingen van juli 1932 behaalt de NSDAP 37% van de stemmen en wordt daarmee de grootste partij in het parlement. De Communisten worden tweede. De gematigde democratische partijen verliezen zwaar, zodat geen stabiel regeringskabinet meer gevormd kan worden. Hindenburg weigert Hitler tot kanselier te benoemen, maar benoemt een reeks conservatieve minderheidsregeringen (kanseliers Papen en Schleicher) die geen parlementaire steun vinden. Het land wordt praktisch per decreet bestuurd onder Hindenburgs autoriteit. Deze patstelling vergroot de druk achter de schermen om Hitler toch te laten regeren als enige met voldoende massale steun.
  • 1932: Wereldontwapeningsconferentie in Genève. In februari 1932 komen delegaties van meer dan 60 landen bijeen onder auspiciën van de Volkenbond om algemene wapenvermindering te bespreken, in de hoop oorlog te voorkomen. Duitsland eist gelijke behandeling – het wil net zo veel wapens mogen hebben als andere grote landen, of anders dat de anderen tot Duits niveau afbouwen. De besprekingen slepen zich voort zonder resultaat. Uiteindelijk zal Hitlers Duitsland de conferentie in 1933 verlaten, waarmee het streven naar internationale ontwapening mislukt. De onwil of onmacht om te ontwapenen tekent de groeiende tegenstellingen tussen landen.

1933

  • 30 januari 1933: Hitler wordt Rijkskanselier. Onder druk van adviseurs en elites benoemt president Hindenburg de NSDAP-leider Adolf Hitler tot kanselier (regeringsleider) van Duitsland. Hitler vormt een coalitiekabinet waarin zijn partij nog geen absolute meerderheid heeft. Conservatieve ministers denken hem te kunnen temmen, maar dit blijkt een misrekening. Meteen nadat Hitler aan de macht is, zet hij koers naar totale dictatuur (Machtergreifung).
  • 27 februari 1933: Brand in de Rijksdag. Het Duitse parlementsgebouw in Berlijn staat in lichterlaaie. De Nederlander Marinus van der Lubbe, een radicaal communist, wordt als brandstichter gearresteerd. De nazi-regering beweert dat dit onderdeel is van een communistische opstand en grijpt de brand aan om de noodtoestand uit te roepen. Op 28 februari worden met het Rijksdagbrand-noodverordening de burgerrechten opgeschort: politie kan op grote schaal politieke tegenstanders oppakken en pers en bijeenkomsten worden beperkt.
  • 23 maart 1933: Machtigingswet. Onder intimiderende omstandigheden stemt een tweederde meerderheid van de Rijksdag (met uitsluiting van communistische afgevaardigden) voor de Machtigingswet, die Hitler voor vier jaar lang vrijwel onbeperkte wetgevende bevoegdheid geeft. Hiermee schakelt Hitler het parlement en de grondwettelijke democratie effectief uit. In de daaropvolgende maanden verbieden de nazi’s alle oppositiepartijen en onafhankelijke vakbonden; Duitsland wordt een éénpartijstaat onder Nazi-heerschappij. Tegen het einde van 1933 zijn ook alle deelstaatregeringen gelijkgeschakeld en staan rechterlijke macht, media en onderwijs onder nazi-controle.
  • 1933: Begin van anti-Joodse maatregelen. Kort na de machtsovername start het nazi-regime met systematische Jodenvervolging. In april 1933 organiseren ze een boycot van Joodse winkels en advocaten/bankiers; tevens worden Joden massaal ontslagen uit overheidsdienst (wet op het herstel van de beroepsambtenarenkorps). Er worden speciale concentratiekampen opgericht voor tegenstanders, zoals Dachau (maart 1933), en de Geheime Staatspolizei (Gestapo) wordt ingesteld om dissidenten op te sporen. Deze stappen vormen het begin van een lange reeks steeds radicalere anti-Joodse en repressieve maatregelen in Duitsland.
  • 24 oktober 1933: Duitsland stapt uit de Volkenbond. Hitler trekt Duitsland terug uit zowel de ontwapeningsconferentie als de Volkenbond, officieel vanwege de “ongelijke behandeling” van Duitsland. In werkelijkheid is dit een bewuste breuk met de internationale diplomatie van Versailles. Niet lang daarvoor, in maart 1933, had ook Japan de Volkenbond verlaten naar aanleiding van de kritiek op zijn bezetting van Mantsjoerije. De uittreding van deze twee grote mogendheden verzwakt de Volkenbond aanzienlijk en kondigt een tijdperk aan waarin agressieve naties zich niets meer aantrekken van collectieve sancties.

1934

  • 30 juni 1934: Nacht van de Lange Messen. Een grootschalige interne zuivering binnen de nazi-partij en -militie vindt plaats. In de nacht van 30 juni op 1 juli laat Hitler tientallen prominenten vermoorden, waaronder Ernst Röhm, de leider van de paramilitaire SA (Sturmabteilung) die hij als bedreiging ziet. Ook oud-kanselier Kurt von Schleicher en andere tegenstanders worden gedood. Door deze actie wint Hitler de steun van het reguliere leger (Reichswehr), dat de macht van de SA vreesde. De zuivering verstevigt Hitlers greep op Duitsland: alle potentiële rivalen binnen het nazi-apparaat zijn nu uitgeschakeld.
  • 2 augustus 1934: Hitler wordt “Führer” van Duitsland. President Hindenburg sterft op deze dag. Hitler grijpt de gelegenheid aan om het presidentsambt met de kanselier te combineren. Hij neemt de titel Führer und Reichskanzler aan, en alle officieren en soldaten van de Wehrmacht moeten nu een eed van onvoorwaardelijke trouw zweren aan Hitler persoonlijk (in plaats van aan de constitutie). Duitsland is nu volledig een dictatuur met Hitler als absoluut leider van staat, regering en leger.
  • 25 juli 1934: Mislukte nazi-staatsgreep in Oostenrijk. In Wenen plegen Oostenrijkse nazi’s een couppoging: ze dringen het kanseliergebouw binnen en vermoorden bondskanselier Engelbert Dollfuss. Ze hopen een Anschluss (aansluiting) van Oostenrijk bij Duitsland te bewerkstelligen. De opstand krijgt echter geen brede steun; het Oostenrijkse leger onderdrukt de coup. Bovendien verplaatst Mussolini Italiaanse troepen naar de Brennerpas om Hitler te waarschuwen zich niet in Oostenrijk te mengen. De putsch mislukt dus en Oostenrijk blijft voorlopig zelfstandig. Dit incident toont echter duidelijk Hitlers expansiedrang – iets wat vier jaar later alsnog zou leiden tot de Anschluss.
  • 18 september 1934: Sovjet-Unie toegelaten tot de Volkenbond. Na jaren van diplomatieke isolatie wordt de USSR lid van de Volkenbond, mede op initiatief van Frankrijk dat een tegenwicht zoekt tegen de opkomst van Hitler en Mussolini. Sovjet-commissaris Maksim Litvinov spreekt in Genève zijn steun uit voor collectieve veiligheid tegen agressie. Het lidmaatschap is bedoeld als samenwerking tegen fascistische dreiging, maar de samenwerking blijft moeizaam door wederzijds wantrouwen tussen Stalin en het Westen. (In 1939 zal de Sovjet-Unie overigens weer uit de Volkenbond gezet worden na haar aanval op Finland.)

1935

  • 1935: Hitler negeert Versailles – herbewapening. In openlijke strijd met het Verdrag van Versailles begint Nazi-Duitsland zichzelf te herbewapenen. In januari 1935 stemt het Saargebied (onder Volkenbond-bestuur sinds 1919) in een volksraadpleging met overweldigende meerderheid voor terugkeer naar Duitsland, wat een propagandistische overwinning voor Hitler is. Op 16 maart 1935 voert Hitler de algemene dienstplicht weer in en kondigt hij de opbouw van een luchtmacht (Luftwaffe) aan – allemaal verboden stappen volgens Versailles. De Westerse mogendheden reageren lauw: Frankrijk en Groot-Brittannië protesteren diplomatiek, maar ondernemen geen actie. Sterker nog, op 18 juni 1935 sluit het Verenigd Koninkrijk een Marineovereenkomst met Duitsland die de Kriegsmarine beperkt tot 35% van de Britse vloot, maar daarmee feitelijk de Duitse herbewapening legitimeert. Het Versailles-regime brokkelt zo verder af, terwijl Hitler’s militaire kracht groeit.
  • 15 september 1935: Neurenberger rassenwetten. Op de jaarlijkse NSDAP-partijdag in Neurenberg voert Hitler discriminerende wetten in die Joodse Duitsers tot tweederangsburgers maken. De Reichstag bekrachtigt de wet “ter bescherming van Duits bloed en eer” die huwelijken of seksuele relaties tussen Joden en Ariërs verbiedt, en de Rijksburgerwet die bepaalt dat alleen Duitse of gelijkgestelde bloedgenoten volle burgerrechten hebben. Joden verliezen daarmee hun burgerschapsrechten en worden uitgesloten van overheidsfuncties. Deze Neurenberger wetten geven een juridisch fundament aan het racistische nazibeleid en luiden een periode in van nog zwaardere antisemitische maatregelen.
  • 3 oktober 1935: Italië valt Ethiopië binnen. Fascistisch Italië onder Mussolini start een oorlog om Abessinië (Ethiopië), een van de laatste onafhankelijke landen in Afrika, te veroveren. Zonder formele oorlogsverklaring vallen Italiaanse troepen vanuit Eritrea en Italiaans-Somaliland Ethiopië aan. Ze gebruiken moderne wapens en zelfs chemische gasaanvallen tegen het slecht bewapende Ethiopische leger. De Volkenbond bestempelt Italië als agressor en kondigt economische sancties af, maar die sluiten essentiële grondstoffen (zoals olie) niet in en blijven ineffectief. In mei 1936 wordt de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba ingenomen; keizer Haile Selassie vlucht naar ballingschap. Ethiopië wordt bij Italiaans Oost-Afrika gevoegd. De Abessinië-crisis onthult de zwakte van de Volkenbond – collectieve veiligheid faalt opnieuw. Mussolini raakt geïsoleerd van de westerse mogendheden en beweegt zich dichter naar Hitler.

1936

  • 7 maart 1936: Duitsland hermilitariseert het Rijnland. In een gewaagde zet stuurt Hitler troepen het Rijnland in, een gebied langs de grens met Frankrijk dat volgens Versailles en Locarno permanent ontmilitariseerd moest blijven. Franse troepen, die sterker zijn, zouden de Duitsers makkelijk kunnen verdrijven, maar Frankrijk aarzelt om zonder Brits steunmandaat op te treden en is intern politiek verdeeld. Groot-Brittannië toont weinig animo voor een confrontatie. Er gebeurt niets – de Franse troepen blijven achter de Maginotlinie. Hitler’s gok slaagt: zonder een schot te lossen herbezet Duitsland het Rijnland. Deze overwinning versterkt Hitler’s binnenlandse prestige enorm en geeft hem het vertrouwen dat de democratieën terugdeinzen voor conflict. Het militair belangrijke Rijnland is nu weer versterkt gebied, wat later van groot belang zal zijn.
  • 17 juli 1936: Uitbraak van de Spaanse Burgeroorlog. In Spanje begint een gewapende opstand tegen de linkse Volksfront-regering. Generaal Francisco Franco leidt een deel van het leger (gestationeerd in Spaans Marokko) in een rebellie tegen de Spaanse Republiek. Al snel verdeelt het land zich: de Nationalisten (rechtse rebellen, bestaande uit een coalitie van falangisten, monarchisten, conservatieve militairen) controleren een groot deel van het westen en zuiden, terwijl de getrouwe Republikeinen (linkse regering, socialisten, communisten, anarchistische milities en Baskische/Catalaanse autonomisten) het centrale en oostelijke deel houden. De burgeroorlog trekt internationale aandacht.Hitler en Mussolini schieten Franco te hulp: Duitsland stuurt het Condor Legioen (luchtmacht en tanks) en Italië tienduizenden “vrijwilligers” en wapens. De Sovjet-Unie biedt beperkte steun aan de Republiek (wapens, adviseurs), zij het tegen hoge betaling in goud, en organiseert internationale vrijwilligers (de Internationale Brigades) om mee te vechten aan republikeinse zijde. Groot-Brittannië en Frankrijk blijven officieel neutraal (Non-Interventie), uit angst dat de oorlog zich anders tot een grotere Europese oorlog uitbreidt. De Spaanse Burgeroorlog wordt zo een proxy-oorlog tussen fascisme en communisme. Het is tevens een gruwelijk laboratorium voor nieuwe oorlogstactieken: zo bombarderen Duitse en Italiaanse vliegtuigen openlijk Spaanse steden in republikeins gebied, wat de wereld shockeert.
  • 25 oktober 1936: As Rome-Berlijn. Duitsland en Italië vormen een samenwerkingsas. Na maanden van toenadering – vooral door gezamenlijke steun aan Franco in Spanje en wederzijdse bewondering – kondigt de Italiaanse minister Galeazzo Ciano de “As Rome-Berlijn” aan. Dit is geen formeel verdrag, maar wel een politieke alliantie: fortan zullen Duitsland en Italië hun buitenlandbeleid op elkaar afstemmen. Italië, dat door de Ethiopië-incidenten de steun van Groot-Brittannië en Frankrijk is kwijtgeraakt, kiest nu voluit de kant van Hitler. De term “asmogendheden” (Duitsland en Italië, later ook Japan) ontstaat.
  • 25 november 1936: Anti-Kominternpact. Nazi-Duitsland sluit met Keizerlijk Japan een pact gericht tegen de Communistische Internationale (Komintern). Beide landen beloven elkaar te informeren en te steunen in de strijd tegen het communisme (lees: tegen de Sovjet-Unie). Hoewel het pact vooral symbolisch is, verstevigt het de banden tussen Berlijn en Tokio. Mussolini’s Italië zal een jaar later tot dit pact toetreden (november 1937), waarmee de drie asmogendheden hun samenwerking formaliseren als anti-communistisch blok.
  • 1–16 augustus 1936: Olympische Spelen in Berlijn. Het nazi-regime organiseert met groot ceremonieel de XIe Olympiade. Duitsland presenteert zich als vreedzaam, modern en gastvrij land. De antisemitische maatregelen worden tijdelijk verhuld (antisemitische borden verwijderd, joodse atleet Gretel Bergmann mocht echter niet meedoen namens Duitsland). De Spelen verlopen zonder incidenten en leveren Duitsland veel propaganda op; Hitler ontvangt internationale gasten en Nazi-symbolen zijn alom aanwezig. Tegelijk dienen de prestaties van onder anderen de Afro-Amerikaanse atleet Jesse Owens (vier keer goud) als stille kritiek op de rassenideologie van de nazi’s. Ondanks die ironie beschouwen Hitler en Goebbels het evenement als PR-succes dat Duitsland’s status in de wereld verhoogt.

1937

  • 26 april 1937: Bombardement op Guernica (Spanje). Tijdens de Spaanse Burgeroorlog voeren Duitse vliegtuigen van het Condor Legioen een luchtaanval uit op het Baskische stadje Guernica. Het is marktdag; een reeks bombardementen en mitrailleurbeschietingen vernietigt het stadje vrijwel volledig in de loop van enkele uren. Honderden burgers komen om bij deze aanval (exacte aantallen variëren tussen ~200 en 1.600) en duizenden raken gewond. Guernica heeft geen strategisch belang – de aanval was bedoeld om paniek te zaaien en de wil tot verzet te breken. Het bombardement op Guernica, een van de eerste op een grotendeels onbeschermde civiele doelwit, choqueert de wereld en wordt later door Pablo Picasso vereeuwigd in zijn beroemde schilderij “Guernica”. Het incident is een grimmige voorbode van de totale oorlog die Europa te wachten staat.
  • 7 juli 1937: Tweede Chinees-Japanse Oorlog breekt uit. Nabij Peking (Beijing) vindt het Marco Polo-brugincident plaats: een schotenwisseling tussen Chinese en Japanse troepen mondt uit in een oorlog. Het Japanse Keizerrijk valt vanuit Mantsjoerije met een groots leger het hart van China binnen. Binnen enkele maanden veroveren de Japanners de steden Peking, Tianjin en Shanghai. In december 1937 valt de hoofdstad Nanking; de daaropvolgende weken richten de Japanse troepen er een bloedbad aan onder de Chinese bevolking (Bloedbad van Nanking), met tienduizenden doden en wreedheden.  De Chinese regering (onder leiding van Chiang Kai-shek) trekt zich landinwaarts terug en zint op langdurig verzet, terwijl communistische partizanen onder Mao Zedong in Noord-China eveneens tegen de indringer strijden. De Volkenbond kan wederom niets uitrichten tegen deze agressie. De oorlog in Azië is hiermee in volle gang, jaren vóórdat de Europese oorlog uitbreekt – en zou later opgaan in de wereldoorlog.
  • 5 november 1937: Hitler onthult zijn oorlogsplannen (Hoßbach-notitie). In een geheime bijeenkomst met zijn top-generaals en ministers legt Hitler zijn voornemen uit om Lebensraum in Oost-Europa te veroveren, ten koste van Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije, uiterlijk in 1943–45 of eerder zodra de gelegenheid zich voordoet. Enkele militaire topfiguren (Blomberg, Fritsch) aarzelen over deze risicovolle koers; dit leidt ertoe dat Hitler hen begin 1938 zal vervangen. De Hoßbach-conferentie markeert Hitlers definitieve besluit om naar oorlog toe te werken. (Deze plannen blijven toen nog binnenskamers, maar ze vormen het draaiboek dat Hitler kort daarna al in uitvoering begint te brengen.)
  • 6 november 1937: Italië sluit zich aan bij het Anti-Kominternpact en stapt uit de Volkenbond. Mussolini kiest nu formeel kamp met Duitsland en Japan tegen het communisme en kondigt aan dat Italië de Volkenbond verlaat (net als Japan en Duitsland eerder deden). Hiermee voltooien de drie asmogendheden hun alliantie. De Volkenbond, nu zonder Japan, Duitsland, Italië (en de VS waren al nooit lid geweest), is tandeloos tegenover verdere agressie.

1938

  • 4 februari 1938: Hitler neemt persoonlijk het opperbevel over het leger. Tijdens een grote herstructurering (de Blomberg-Fritsch crisis) ontdoet Hitler zich van traditionele elites in het Duitse leger. Hij ontslaat veldmaarschalk Blomberg (minister van Defensie) en kolonel-generaal Fritsch (legerbevelhebber) en neemt zelf de titel van opperbevelhebber van de Wehrmacht aan. Loyalisten zoals Keitel en Göring krijgen hogere posities. Vanaf nu controleert Hitler direct het leger; eventuele gematigde of kritische stemmen in de militaire leiding zijn kaltgestellt. Dit stelt hem in staat zijn buitenlandse agressieplannen voortaan zonder intern weerwerk uit te voeren.
  • 12 maart 1938: Anschluss van Oostenrijk. Nazi-Duitsland lijft Oostenrijk in. Onder dreiging van een invasie was de Oostenrijkse kanselier Schuschnigg al gedwongen af te treden; de pro-Duitse nazi Arthur Seyss-Inquart nam de leiding over en “verzocht” om aansluiting. Op 12 maart trekken Duitse troepen de grens over en worden overal jubelend onthaald.. Hitler, zelf geboren Oostenrijker, rijdt triomfantelijk Wenen binnen. Oostenrijk houdt op te bestaan als onafhankelijk land en wordt een provincie (Ostmark) van het Derde Rijk. De Anschluss is een flagrante schending van Versailles (dat vereniging van Oostenrijk en Duitsland verbood) – maar opnieuw reageren Groot-Brittannië en Frankrijk niet met meer dan diplomatieke protesten. De sterke wens tot vermijden van oorlog en het idee dat Duitsers “in eigen huis” herenigd worden, maken dat deze agressie wordt geaccepteerd. Ondertussen begint in Oostenrijk direct de vervolging van Joden en tegenstanders volgens nazi-model.
  • 30 september 1938: Conferentie van München – hoogtepunt van appeasement. In een ultieme poging vrede te bewaren overleggen de Britse premier Neville Chamberlain en de Franse premier Édouard Daladier met Hitler en Mussolini in München. Hitler eist het Sudetenland (de grensregio van Tsjecho-Slowakije met een grote etnisch-Duitse bevolking) op, onder dreiging van oorlog. Zonder vertegenwoordiging van Tsjecho-Slowakije besluiten de westerse leiders in de nacht van 29 op 30 september Hitlers eis in te willigen. Het Verdrag van München bepaalt dat Tsjecho-Slowakije het Sudetenland aan Duitsland moet afstaan in ruil voor een Duitse garantie van de restgrens. Chamberlain keert terug in Londen en declareert dat hij “vrede voor onze tijd” heeft bereikt. Hoewel het conflict voorlopig is bezworen zonder oorlog, voelt Tsjecho-Slowakije zich verraden – het land verliest zijn verdedigingslinie en industriële kerngebied aan Duitsland. Hitler heeft nu zijn zin zonder strijd te hoeven leveren en belooft schijnheilig geen verdere territoriale ambitie te hebben. München geldt achteraf als symbool van appeasement: het toegeven aan een agressor in de hoop vrede te bewaren.
  • Gebroken ruiten van een Joods winkelpand na de Kristallnacht (Berlijn, 10 november 1938). 9–10 november 1938: Kristallnacht (Novemberpogrom). In heel Duitsland (en Oostenrijk, Sudetenland) ontketent het Nazi-regime een georganiseerde pogrom tegen Joodse burgers. SA-stormen SS-eenheden vernielen en verbranden in de nacht van 9 op 10 november meer dan 1.400 synagogen, gebedshuizen en Joodse begraafplaatsen, plunderen duizenden Joodse winkels en bedrijven en dringen Joodse huizen binnen. Ramen en etalages liggen aan diggelen – vandaar de cynische naam Kristallnacht (Nacht van het Gebroken Glas). Ongeveer 90 Joodse mensen worden vermoord en rond de 30.000 Joodse mannen worden opgepakt en naar concentratiekampen gestuurd. De Duitse bevolking reageert geschokt; internationaal is er verontwaardiging, maar tot concrete hulp of acties leidt dat niet. De Kristallnacht markeert een ijzingwekkende escalatie van de Jodenvervolging: van economische en sociale uitsluiting naar openlijk fysiek geweld en massa-arrestaties. Veel Joden beseffen nu dat er in Nazi-Europa voor hen geen toekomst meer is en proberen te vluchten – helaas zullen maar weinigen een veilig heenkomen vinden, aangezien de meeste landen hun grenzen gesloten houden.

1939

  • 15 maart 1939: Duitsland bezet Tsjecho-Slowakije. Ondanks de beloften in München valt Hitler enkele maanden later toch de rest van Tsjecho-Slowakije aan. Op 15 maart marcheren Duitse troepen Praag binnen en bezetten zij Bohemen en Moravië (het Tsjechische kernland). Deze gebieden worden een Duits protectoraat (Protectoraat Bohemen en Moravië). Slowakije wordt onder druk een vazalstaat onder Jozef Tiso. Dit is de eerste Duitse expansie zonder het excuus van “Duitse volkseenheid” – een niet-Duitse natie wordt onderworpen. Groot-Brittannië en Frankrijk beseffen dat Hitlers woord niets waard is; de appeasementpolitiek is bankroet. Ze stappen nu af van toegeven: in eind maart geven Londen en Parijs garanties aan Polen (en later Roemenië en Griekenland) dat zij die landen te hulp zullen komen bij een Duitse aanval.
  • 28 maart 1939: Einde van de Spaanse Burgeroorlog. Na een bloedige strijd van bijna drie jaar behalen Franco’s nationalisten de overwinning. Madrid capituleert voor Franco’s troepen (die al Barcelona en het noorden hadden ingenomen). Op 1 april 1939 verklaart generaal Francisco Franco zichzelf tot staatshoofd; hij installeert een autoritair regime. Spanje is verwoest en blijft neutraal in de komende wereldoorlog, maar de fascistische zege in Spanje versterkt het gevoel dat democratieën overal op de terugtocht zijn.
  • 7 april 1939: Italië bezet Albanië. Om niet achter te blijven bij Hitler’s annexaties, valt Mussolini het kleine koninkrijk Albanië binnen op Goede Vrijdag 1939. Italiaanse troepen landen in Durres en trekken snel het land door; significante weerstand blijft uit. Na enkele dagen is Albanië volledig in Italiaanse handen. Koning Zog I vlucht, en de Italiaanse koning Victor Emanuel III wordt uitgeroepen tot koning van Albanië (personalunie). Deze agressie van Italië zorgt ervoor dat Groot-Brittannië en Frankrijk hun garantiestellingen uitbreiden naar ook Griekenland en Roemenië (om verdere Italiaanse of Duitse expansie in de Balkan af te schrikken).
  • 22 mei 1939: Staalpact tussen Duitsland en Italië. Berlijn en Rome versterken hun alliantie met een officieel militair bondgenootschap, bijgenaamd het “Pact van Staal”. Ze beloven elkaar bij te staan in geval van oorlog en coördineren hun militaire strategieën. Dit formaliseert de asmogendheden. Italië weet echter niet dat Hitler al zeer binnenkort oorlog zal voeren; Mussolini, die militair nog niet klaar is, gaat ervan uit dat grote conflicten pas over enkele jaren komen.
  • 23 augustus 1939: Molotov-Ribbentrop Pact (Duits-Sovjet Niet-aanvalsverdrag). In een diplomatieke aardverschuiving sluiten aartsvijanden Nazi-Duitsland en de communistische Sovjet-Unie plotseling een pact in Moskou. De Duitse minister Joachim von Ribbentrop en Sovjetminister Vjatsjeslav Molotov ondertekenen een verdrag waarin beide landen beloven elkaar niet aan te vallen en neutraal te blijven als de ander in oorlog raakt.Cruciaal is een geheim protocol waarbij Hitler en Stalin Oost-Europa in invloedssferen verdelen: Finland, Estland, Letland en Oost-Polen vallen toe aan de USSR, terwijl Duitsland West-Polen en Litouwen zal krijgen. Deze verborgen afspraken betekenen dat beide dictators Polen zullen opsplitsen en dat Stalin vrij spel krijgt in een deel van Oost-Europa. Het pact shockeert de wereld, maar voor Hitler is het rationeel: hij voorkomt zo een tweefrontenoorlog bij zijn aanstaande aanval op Polen. Stalin wint tijd om zijn leger te hervormen en verschuift zijn grens westwaarts. Ideologie wordt ondergeschikt gemaakt aan strategisch opportunisme.
  • 1 september 1939: Duitsland valt Polen binnen – Begin Tweede Wereldoorlog. In de vroege ochtend begint de Duitse invasie van Polen onder codenaam Fall Weiss. Zonder formele oorlogsverklaring overschrijden ongeveer 1,5 miljoen Duitse soldaten de Poolse grens vanuit het westen, noorden (Oost-Pruisen) en zuiden (Slowaakse bondgenoot). Duitse bommenwerpers hebben op 1 september al de stad Wieluń in puin gelegd en de Westerplatte (bij Danzig) aangevallen, waarmee de eerste schoten van de Tweede Wereldoorlog zijn gelost.De Poolse verdediging, hoewel dapper, is niet opgewassen tegen de moderne Blitzkrieg-tactieken: luchtoverwicht en snel oprukkende pantsercolonnes. Op 3 september 1939 stellen Groot-Brittannië en Frankrijk Hitler een ultimatum om de aanval te staken; wanneer dit verstrijkt, verklaren zij hun plichtgetrouw volgens hun garanties de oorlog aan Duitsland.De Tweede Wereldoorlog is nu officieel begonnen. Het Interbellum, de twee decennia durende tussenperiode sinds 1918, komt hiermee ten einde. Frankrijk en Groot-Brittannië mobiliseren hun legers, maar kunnen Polen niet meer redden. (Sovjet-Rusland zal op 17 september 1939 ook Oost-Polen binnenvallen, conform het geheime pact met Hitler, waardoor Polen binnen enkele weken volledig onder de voet wordt gelopen en verdeeld.) De wereld staat aan de vooravond van een nieuw, nog verwoestender conflict.