
De Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP) was een extreemrechtse massapartij die voortkwam uit de Duitse Arbeiderspartij en tussen 1920 en 1945 in Duitsland uitgroeide van een kleine Münchense groepering tot de dragende partij van de nationaalsocialistische dictatuur. Haar ontwikkeling berustte op radicale ideologie, strakke organisatie, propaganda, paramilitair geweld en de ontwrichting van de Weimarrepubliek.
Hoe ontstond de NSDAP?
De NSDAP ontstond uit de Duitse Arbeiderspartij, een kleine völkisch-nationalistische groepering die in München was opgericht in de onrust na de Eerste Wereldoorlog. De nieuwe partij combineerde radicaal nationalisme met antisemitisme, anti-marxisme en verzet tegen het Verdrag van Versailles. Daarmee sloot zij aan bij bredere extreemrechtse stromingen in de Weimarrepubliek.
Van DAP naar NSDAP
Op 5 januari 1919 richtte Anton Drexler in München de Deutsche Arbeiterpartei, de DAP, op. Duitsland verkeerde toen in een periode van politieke ontreddering, economische onzekerheid en scherpe maatschappelijke tegenstellingen. De nederlaag van 1918, de revolutie, het verlies van gebied en de beperkende bepalingen van Versailles vormden voor veel rechts-radicale groepen het uitgangspunt van hun politiek. De DAP was in die eerste fase niet meer dan een van de vele kleine splinterpartijen die in Beieren actief waren.
De partij richtte zich vooral op nationalistisch georiënteerde arbeiders, lagere middenklassen en oud-militairen. Binnen de DAP leefde het idee dat Duitsland alleen kon herstellen door nationale eenheid, herbewapening en afwijzing van parlementaire compromispolitiek. Ook het antisemitisme maakte vanaf het begin deel uit van haar wereldbeeld. De partij sprak over een nationale volksgemeenschap en stelde die tegenover marxistische klassenstrijd, liberale democratie en vermeende buitenlandse invloed.
Naam en programma
Op 24 februari 1920 maakte de partij in München haar naamsverandering bekend: de DAP werd de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei, afgekort NSDAP. Die naam was bewust samengesteld. Het nationale element moest rechts-nationalistische kiezers aanspreken, terwijl de woorden socialistisch en arbeiders de partij aantrekkelijker moesten maken voor kiezers die gevoelig waren voor sociale onvrede, maar niet voor het communisme wilden kiezen.
Op dezelfde bijeenkomst presenteerden Hitler, Drexler en Gottfried Feder het 25-puntenprogramma. Dat programma vroeg onder meer om herziening van Versailles, uitbreiding van Duitsland, uitsluiting van Joden uit het staatsburgerschap, sterke centrale leiding en een economie die ondergeschikt was aan nationale doelen. Het programma bleef formeel tot 1945 van kracht. In deze fase bleef de partij klein. Zij begon haar ledennummering bovendien vanaf 500, zodat zij groter leek dan zij werkelijk was.
Hoe werd Hitler de leider van de partij?
Adolf Hitler trad in 1919 toe tot de DAP en werd binnen korte tijd haar voornaamste spreker en propagandist. Zijn snelle opkomst hing samen met zijn spreekstijl, zijn bereidheid interne tegenstanders uit te schakelen en zijn vermogen de partij van debatclub om te vormen tot een strak geleide beweging. In juli 1921 werd hij partijleider.
Van toehoorder naar propagandist
Hitler kwam in september 1919 in contact met de DAP terwijl hij voor de Reichswehr politieke groepen in München observeerde. Tijdens een vergadering maakte hij indruk met een felle reactie op een spreker die een afscheiding van Beieren overwoog. Kort daarna werd hij lid. Zijn lidmaatschapsnummer 555 ontstond uit de kunstmatige nummering van de partij; later presenteerde Hitler zichzelf graag als een van de eerste leden van de beweging.
Binnen enkele maanden werd Hitler belast met propaganda. Op 16 oktober 1919 hield hij zijn eerste toespraak voor de partij, waarna hij steeds vaker als spreker optrad. Zijn toespraken behandelden doorgaans dezelfde thema’s: het Verdrag van Versailles, de afwijzing van marxistische partijen, antisemitische vijandbeelden en de noodzaak van nationaal herstel. Op 24 februari 1920 trok hij bij de grote bijeenkomst in het Hofbräuhaus ongeveer tweeduizend toehoorders, een omvang die de partij tot dan toe niet had bereikt.
De machtsovername binnen de partij
In 1921 ontstond een conflict over de koers van de NSDAP. Hitler verzette zich tegen plannen om de partij samen te voegen met verwante groepen en gebruikte zijn ontslagdreiging als machtsmiddel. Op 29 juli 1921 werd hij met vrijwel algemene instemming tot voorzitter gekozen. Vanaf dat moment gold binnen de partij het Führerprinzip: besluiten liepen van boven naar beneden en Hitlers positie werd het middelpunt van de organisatie.
Rond Hitler vormde zich in de eerste jaren een kring van trouwe medewerkers. Daartoe behoorden onder anderen Dietrich Eckart, Rudolf Hess, Ernst Röhm, Alfred Rosenberg en Julius Streicher. Joseph Goebbels en Hermann Göring sloten later aan, maar kregen vanaf de tweede helft van de jaren twintig en vooral na 1930 een steeds grotere rol. De partij verwierf in december 1920 ook een eigen krant, de Völkischer Beobachter, waarmee zij haar boodschap systematischer kon verspreiden.
Wat betekenden de SA, de SS en de Bierkellerputsch?
De NSDAP bouwde al vroeg een eigen geweldsapparaat op. De SA beveiligde partijbijeenkomsten, intimideerde tegenstanders en hielp de partij een straatmacht op te bouwen. Na de mislukte Bierkellerputsch van november 1923 werd de partij tijdelijk verboden. Die mislukking dwong Hitler later tot een andere strategie, terwijl de SS vanaf 1925 uitgroeide tot een afzonderlijk machtsinstrument.
De opkomst van de SA
In 1921 ontstond de Sturmabteilung, de SA, als paramilitaire tak van de partij. Zij bestond voor een belangrijk deel uit oud-frontsoldaten, Freikorpsleden en jonge mannen die aangetrokken werden door kameraadschap, uniformen en politiek straatgeweld. De SA trad op als ordedienst bij vergaderingen, maar gebruikte geweld ook tegen socialisten, communisten en andere politieke tegenstanders. Daarmee werd zij een zichtbaar onderdeel van de partijcultuur.
Ernst Röhm speelde een grote rol bij de uitbouw van de SA. Hij zag in deze organisatie meer dan een ordedienst en dacht aan een volksleger dat de bestaande militaire verhoudingen moest doorbreken. Dat idee sloot in de jaren twintig gedeeltelijk aan bij Hitlers behoefte aan een partijmilitie. Rond 1933 telde de SA ongeveer twee miljoen leden en was zij groter dan het reguliere Duitse leger, wat later spanningen opriep met de legerleiding en binnen de partij zelf.
De Bierkellerputsch van 1923
De bezetting van het Ruhrgebied, de hyperinflatie en de algemene politieke crisis van 1923 brachten Hitler ertoe te denken dat de tijd rijp was voor een greep naar de macht. In de avond van 8 november 1923 probeerden Hitler, Ludendorff, Röhm en andere medestanders in München een opstand in gang te zetten die vanuit Beieren naar Berlijn moest doorwerken. De volgende dag liep de mars door München echter vast op gewapend verzet van de autoriteiten.
De mislukte putsch had directe gevolgen. De NSDAP werd verboden, de partijstructuur viel uiteen en Hitler werd wegens hoogverraad berecht. Het proces gaf hem landelijke bekendheid, mede doordat hij de rechtszaal gebruikte voor politieke propaganda. Tijdens zijn gevangenschap in Landsberg schreef hij met medewerking van Rudolf Hess het eerste deel van Mein Kampf. In dat boek werkte hij de kern van zijn wereldbeeld verder uit: racisme, antisemitisme, expansiepolitiek en afkeer van democratie en marxisme.
De vorming van de SS
Na het verbod en de heroprichting van de partij in 1925 ontstond ook de Schutzstaffel, de SS. Aanvankelijk was dit een kleine lijfwacht rond Hitler en andere kopstukken. Anders dan de veel grotere SA presenteerde de SS zich als selectiever, ideologisch harder en persoonlijker aan Hitler gebonden. Onder leiding van Heinrich Himmler kreeg de organisatie later een zelfstandige plaats in het nationaalsocialistische machtssysteem.
Hoe werd de NSDAP opnieuw opgebouwd na 1925?
Na zijn vrijlating koos Hitler voor een legale weg naar de macht. De heropgerichte NSDAP werd een landelijke organisatie met een vaste hiërarchie, een uitgebreid netwerk van regionale leiders en een steeds professionelere propaganda. Tussen 1925 en 1929 bleef de partij electoraal nog beperkt, maar organisatorisch legde zij in deze jaren de basis voor haar latere doorbraak.
Legale strategie en strakke organisatie
Op 26 februari 1925 werd de NSDAP officieel opnieuw opgericht. Hitler maakte duidelijk dat de partij niet opnieuw een improviserende opstand moest wagen, maar via verkiezingen en politieke druk aan de macht moest komen. Tegelijk bleef zij revolutionair in haar doelstelling: de vervanging van de parlementaire democratie door een autoritaire staat. De legaliteit was dus een methode, geen inhoudelijke matiging.
De partij werd hiërarchisch ingericht. Duitsland werd opgedeeld in Gaue, geleid door Gauleiter die rechtstreeks aan Hitler rapporteerden. Daaronder volgden onder meer Kreisleiter, Ortsgruppenleiter, Zellenleiter en Blockleiter. Die opbouw maakte het mogelijk propaganda, ledenwerving en toezicht lokaal te organiseren. De NSDAP breidde daarnaast haar nevenorganisaties uit, waaronder jongerenorganisaties, beroepsverenigingen en propagandadiensten. Vanaf 1930 beschikte de partij in München over het Braune Haus als centrale zetel.
Kiezers, leden en financiering
De NSDAP groeide in de tweede helft van de jaren twintig sneller als organisatie dan als kiesmachine. Eind 1925 telde zij ruim 27.000 leden, in 1929 ongeveer 130.000. Haar aanhang was ongelijk verdeeld. In protestantse plattelandsgebieden, onder kleine zelfstandigen, studenten, ambtenaren en delen van de lagere middenklasse vond zij relatief veel steun. Het katholieke milieu en de sterk georganiseerde industriële arbeidersbeweging bleven voor de partij lastiger te winnen, al behaalde zij ook daar later stemmen.
De financiering van de NSDAP vóór 1933 kwam niet alleen uit grote ondernemerskringen. Contributies, entreegelden voor bijeenkomsten, de verkoop van partijmateriaal en giften uit middenstands- en industriële kring waren samen belangrijker dan één enkele geldbron. Enkele ondernemers, zoals Fritz Thyssen, steunden Hitler wel, maar brede en structurele steun uit de grootindustrie werd pas na de machtsoverdracht duidelijker. Deze nuance is van belang omdat het beeld van een uitsluitend door grootkapitaal gefinancierde partij de partijopbouw tekortdoet.
In 1929 kreeg de partij bovendien landelijke aandacht door haar deelname aan de campagne tegen het Young-Plan, samen met de DNVP en de Stahlhelm. De campagne slaagde politiek niet, maar vergrootte de zichtbaarheid van Hitler en zijn beweging buiten Beieren. Via massabijeenkomsten, partijpers en de steun van conservatieve mediamagnaten kon de NSDAP haar regionale basis verbreden voordat de economische crisis haar werkelijk groot maakte.
Hoe groeide de NSDAP uit tot een massapartij?
De grote doorbraak van de NSDAP kwam pas na de economische crisis van 1929. Massawerkloosheid, wantrouwen tegenover de parlementaire politiek en de verscherping van maatschappelijke tegenstellingen vergrootten de aantrekkingskracht van radicale partijen. De NSDAP koppelde die crisis aan een eenvoudig vijandbeeld en presenteerde zichzelf als nationale uitweg uit economische en politieke ontwrichting.
De crisis als keerpunt
De beurskrach van 1929 en de daaropvolgende wereldwijde depressie troffen Duitsland zwaar. Banken wankelden, bedrijven gingen failliet en miljoenen mensen verloren hun baan. De Weimarrepubliek was hierdoor steeds minder in staat stabiele meerderheden te vormen. Presidentiële noodverordeningen vervingen vaker het gewone parlementaire proces. Voor veel kiezers leek de bestaande orde haar probleemoplossend vermogen te verliezen.
De NSDAP profiteerde hiervan met een brede, op verschillende doelgroepen afgestemde propaganda. Boeren kregen bescherming tegen prijsdalingen en schulden in het vooruitzicht gesteld, middenstanders bescherming tegen warenhuizen en grote ketens, werklozen nationale wederopbouw en werknemers werk en orde. Tegelijk bleef de partij haar antisemitische en anti-marxistische kernboodschap handhaven. Die combinatie van flexibel campagnegebruik en ideologische hardheid maakte de electorale groei van de beweging mogelijk.
Verkiezingen en propaganda
Bij de Rijksdagverkiezingen van september 1930 steeg de NSDAP van 2,6 naar 18,3 procent en werd zij de tweede partij van Duitsland. In enkele deelstaten droeg zij al regeringsverantwoordelijkheid, onder meer in Thüringen en Braunschweig. Toch bleef zij zich presenteren als anti-systeempartij. Dat werkte politiek effectief: regeringsdeelname op lokaal niveau leverde bestuurlijke ervaring op, terwijl de landelijke propaganda bleef spreken over nationale vernieuwing en afrekening met het bestaande bestel.
Onder leiding van Goebbels werd de propaganda verder geprofessionaliseerd. De partij maakte gebruik van moderne affiches, massabijeenkomsten, film, radio en in 1932 zelfs intensief van vliegtuigen om Hitler op één dag op meerdere plaatsen te laten spreken. Bij de presidentsverkiezingen van 1932 verloor Hitler van Hindenburg, maar zijn campagne vergrootte zijn landelijke bereik. Bij de Rijksdagverkiezingen van juli 1932 werd de NSDAP met 37,3 procent de grootste partij. In november 1932 zakte zij terug naar 33,1 procent, maar zij bleef de grootste fractie.
Hoe bereikte Hitler in 1933 de rijkskanselarij?
Hitlers benoeming tot rijkskanselier was het resultaat van electorale kracht, politieke verlamming en onderhandelingen binnen conservatieve elites in Berlijn. President Hindenburg wantrouwde Hitler lang, maar een werkbare parlementaire meerderheid bleef uit. Conservatieve politici als Franz von Papen dachten daarom dat een kabinet onder Hitler beheersbaar zou zijn. Die inschatting bleek onjuist.
De weg naar 30 januari 1933
In 1932 mislukten verschillende pogingen om stabiele regeringen te vormen. Kanseliers als Brüning, Von Papen en Von Schleicher bestuurden grotendeels via noodverordeningen. Intussen stonden NSDAP en KPD vijandig tegenover de republiek, terwijl centrum- en middenpartijen steeds verder verzwakten. De NSDAP had wel veel zetels, maar Hitler weigerde een ondergeschikte rol in een kabinet te aanvaarden. Hij wilde uitsluitend de kanselarij.
Na het electorale hoogtepunt van juli 1932, de terugval van november en de interne spanningen rond Gregor Strasser leek de partij even te verzwakken. Toch openden de politieke intriges in Berlijn opnieuw de deur. Von Papen wist Hindenburg ervan te overtuigen dat Hitler als rijkskanselier in een overwegend conservatief kabinet ingekaderd kon worden. Op 30 januari 1933 benoemde Hindenburg Hitler tot rijkskanselier van een coalitie van NSDAP en DNVP.
Van benoeming naar dictatuur
Na de benoeming handelde de nieuwe regering snel. Op 27 februari 1933 brandde het Rijksdaggebouw af. De daaropvolgende Rijksdagbrandverordening schortte fundamentele vrijheden op en maakte grootschalige arrestaties van politieke tegenstanders mogelijk, vooral van communisten. Bij de verkiezingen van 5 maart 1933 behaalde de NSDAP 43,9 procent van de stemmen. Dat was geen absolute meerderheid, maar samen met coalitiepartners kon zij de parlementaire situatie naar haar hand zetten.
Op 23 maart 1933 nam de Rijksdag de Machtigingswet aan. Daarmee kreeg Hitlers regering de bevoegdheid om zonder parlement wetten uit te vaardigen. De wet kwam tot stand onder zware druk, in een klimaat van intimidatie en nadat communistische afgevaardigden al waren uitgeschakeld. Hiermee werd de constitutionele basis van de Weimarrepubliek leeggemaakt. In juli 1933 volgde het wettelijke verbod op nieuwe partijen, waarna de NSDAP de enige toegelaten partij in Duitsland was.
Hoe bestuurde de NSDAP Duitsland na 1933?
Na 1933 veranderde de NSDAP van een verkiezingspartij in de kern van een dictatuur. De partij versmolt geleidelijk met de staat, benoemde haar eigen mensen in bestuur en maatschappij en dwong organisaties tot aanpassing of opheffing. Tegelijk ontwikkelde zij een systeem van uitsluiting, vervolging en geweld dat uiteindelijk uitmondde in oorlog en genocide.
Gleichschaltung en partijstaat
Onder het proces van Gleichschaltung werden politieke partijen ontbonden, vakbonden vervangen door de Deutsche Arbeitsfront en media, cultuur en onderwijs onder toezicht geplaatst. Op 1 december 1933 trad de wet in werking die de eenheid van partij en staat moest verzekeren. Vanaf dat moment kreeg de NSDAP een bijzondere publiekrechtelijke status en werd de grens tussen partijorganisatie en staatsapparaat steeds vager.
De partij bleef sterk hiërarchisch georganiseerd. Regionale Gauleiter kregen grote invloed op bestuur, propaganda en toezicht in hun gebied. De jeugd werd via de Hitlerjugend en de Bund Deutscher Mädel in nationaalsocialistische organisaties ondergebracht. Partijlidmaatschap nam snel toe: eind 1933 telde de NSDAP ongeveer 3,9 miljoen leden. Juist door die snelle instroom beperkte de leiding tijdelijk nieuwe aanmeldingen, om opportunistische toetreders af te remmen.
De machtsstrijd tussen SA en SS
De machtspositie van de SA vormde in 1934 een probleem voor Hitler. Röhm wilde dat zijn organisatie een grotere rol zou krijgen in het militaire bestel, terwijl Hitler juist de steun van de Reichswehr nodig had. Van 30 juni tot 2 juli 1934 liet Hitler tijdens de Nacht van de Lange Messen Röhm en andere SA-leiders doden. Ook andere politieke tegenstanders werden in dezelfde zuiveringsactie vermoord.
Na deze ingreep verloor de SA haar politieke gewicht. De SS won juist aan invloed en ontwikkelde zich onder Himmler tot een organisatie die politie, inlichtingendienst, concentratiekampen en later grote delen van het bezettings- en vervolgingsapparaat beheerste. In 1936 werden de functies van Reichsführer-SS en chef van de Duitse politie samengebracht. De Blomberg-Fritsch-affaire van 1938 liet bovendien zien dat ook de legerleiding verder onder Hitlers politieke controle kwam te staan.
Rassenpolitiek en vervolging
Antisemitisme was geen bijproduct van de NSDAP, maar een dragend onderdeel van haar ideologie. Dat kreeg na 1933 een steeds scherpere juridische vorm. De Neurenberger rassenwetten van september 1935 ontnamen Joden hun volwaardige burgerschap en verboden huwelijken en seksuele relaties tussen Joden en niet-Joden. Daarmee werd uitsluiting door de staat in wetgeving vastgelegd.
De vervolging intensiveerde verder in de tweede helft van de jaren dertig en tijdens de oorlog. De Kristallnacht van november 1938 markeerde een openlijke escalatie van georganiseerde anti-Joodse geweldpleging. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de uitsluiting omgezet in systematische deportatie en genocide. Onder leiding van de nationaalsocialistische staat en partij werden ongeveer zes miljoen Joden vermoord, naast miljoenen andere slachtoffers, onder wie Roma en Sinti, Sovjet-krijgsgevangenen, mensen met een beperking, politieke tegenstanders en anderen die door het regime als ongewenst waren aangemerkt.
Hoe eindigde de NSDAP?
De NSDAP bleef tot het einde van de Tweede Wereldoorlog de dragende partij van het Duitse regime. Naarmate de militaire situatie verslechterde, nam de partij een steeds directere rol in mobilisatie, toezicht en dwang op zich. Met de nederlaag van Duitsland in 1945 stortte ook het partijapparaat in, waarna de geallieerden de organisatie formeel ophieven en verboden.
Oorlog, mobilisatie en instorting
Tijdens de oorlog werd de partij verder met de staat verweven. Zij hielp bij personeelsselectie, propaganda, evacuaties, luchtbescherming, toezicht op dwangarbeid en de organisatie van de Volkssturm in de laatste oorlogsmaanden. De partijleiding bleef tot het einde vasthouden aan totale inzet, ook toen de militaire situatie zeer ongunstig was geworden. Binnen het regime verschoof de invloed verder naar een kleine kring rond Hitler, Himmler, Goebbels en Martin Bormann.
Na Hitlers zelfmoord op 30 april 1945 viel de partijtop uiteen. Bormann werd nog kort als partijminister aangewezen, maar het regime stortte ineen voordat er van werkelijke leiding nog sprake kon zijn. Op 8 mei 1945 capituleerde Duitsland. Daarmee kwam een einde aan de staat die door de NSDAP sinds 1933 was beheerst.
Verbod en nasleep
De geallieerden verklaarden de NSDAP in 1945 volledig ontbonden en illegaal. De geallieerde Controleraad legde dat vast in de proclamatie van 20 september 1945 en in wetgeving van 10 oktober 1945, waarbij ook onderorganisaties en nevenverbanden werden opgeheven en het partijvermogen werd geconfisqueerd. In Neurenberg werden leidende vertegenwoordigers van het regime berecht wegens oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en andere ernstige feiten.
De naoorlogse denazificatie was gericht op verwijdering van nationaalsocialistische invloed uit bestuur, rechtspraak, onderwijs, economie en maatschappelijke organisaties. In Duitsland en Oostenrijk kwamen daarnaast verboden op nationaalsocialistische symbolen en propaganda. De NSDAP verdween daarmee als georganiseerde politieke macht, maar haar erfenis bleef bepalend voor de naoorlogse omgang met dictatuur, massapolitiek en staatsgeweld in Europa.
Conclusie
De geschiedenis van de NSDAP laat zien hoe een kleine extreemrechtse partij in een ontregelde republiek kon uitgroeien tot een massabeweging en vervolgens tot de dragende partij van een dictatuur. Die ontwikkeling berustte op ideologische hardheid, een strak geleide organisatie, doelgerichte propaganda, straatgeweld en de benutting van constitutionele zwaktes. Na 1933 schafte de partij het politieke pluralisme af, versmolt zij met de staat en gaf zij leiding aan vervolging, oorlog en genocide. In 1945 eindigde de NSDAP met de militaire nederlaag van Duitsland en het daaropvolgende verbod door de geallieerden.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Bundesarchiv, Bild 119-0289 / Unknown authorUnknown author / CC-BY-SA 3.0, CC BY-SA 3.0 DE, via Wikimedia Commons
- Bauer, Yehuda; Rozett, Robert (1990). Encyclopedia of the Holocaust. New York: Macmillan Library Reference. ISBN 0028960904.
- Beck, Hermann (2013). The Fateful Alliance: German Conservatives and Nazis in 1933: The Machtergreifung in a New Light. Berghahn Books. ISBN 978-0857454102.
- Benz, Wolfgang (2009). Wie wurde man Parteigenosse? Die NSDAP und ihre Mitglieder. Frankfurt am Main: Fischer. ISBN 978-3-596-18068-4.
- Childers, Thomas (1983). The Nazi Voter: The Social Foundations of Fascism in Germany, 1919–1933. Chapel Hill: University of North Carolina Press. ISBN 0-8078-4147-1.
- Evans, Richard J. (2003). The Coming of the Third Reich. New York; Toronto: Penguin. ISBN 978-0143034698.
- Evans, Richard J. (2005). The Third Reich in Power. New York: Penguin. ISBN 978-0143037903.
- Evans, Richard J. (2008). The Third Reich at War. New York: Penguin Group. ISBN 978-0143116714.
- Falter, Jürgen W. (1991). Hitlers Wähler. München: C.H. Beck. ISBN 3-406-35232-4.
- Falter, Jürgen W. (2016). Junge Kämpfer, alte Opportunisten. Die Mitglieder der NSDAP 1919–1945. Frankfurt am Main: Campus. ISBN 978-3-593-50614-2.
- Falter, Jürgen W. (2020). Hitlers Parteigenossen. Die Mitglieder der NSDAP 1919–1945. Frankfurt am Main: Campus. ISBN 978-3-593-51180-1.
- Fritzsche, Peter (1998). Germans into Nazis. Cambridge, Massachusetts: Harvard University Press. ISBN 978-0674350922.
- Gigliotti, Simone; Lang, Berel (2005). The Holocaust: A Reader. Malden, Massachusetts; Oxford; Carlton: Blackwell Publishing. ISBN 978-1405114004.
- Grant, Thomas D. (2004). Stormtroopers and Crisis in the Nazi Movement: Activism, Ideology and Dissolution. London; New York: Routledge. ISBN 978-0415196024.
- Jablonsky, David (1989). The Nazi Party in Dissolution: Hitler and the Verbotzeit, 1923–1925. Routledge. ISBN 978-0714633220.
- Kater, Michael H. (1983). The Nazi Party: A Social Profile of Members and Leaders, 1919–1945. Oxford: Blackwell. ISBN 0-631-13313-5.
- Kellerhoff, Sven Felix (2017). Die NSDAP. Eine Partei und ihre Mitglieder. Stuttgart: Klett-Cotta. ISBN 978-3-608-98103-2.
- Kershaw, Ian (1998). Hitler: 1889–1936: Hubris. New York: W. W. Norton & Company. ISBN 0393046710.
- Kershaw, Ian (2008). Hitler: A Biography. New York: W. W. Norton & Company. ISBN 978-0393067576.
- Kolb, Eberhard (2005). The Weimar Republic. London; New York: Routledge. ISBN 978-0415344418.
- Longerich, Peter (1992). Hitlers Stellvertreter. Führung der Partei und Kontrolle des Staatsapparates durch den Stab Heß und die Partei-Kanzlei Bormann. München: Saur. ISBN 3-598-11081-2.
- Mautner, Franz H. (1944). Nazi und Sozi. Modern Language Notes, 59(2). DOI 10.2307/2910599. JSTOR 2910599.
- McDonough, Frank (2003). Hitler and the Rise of the Nazi Party. Pearson/Longman. ISBN 978-0582506060.
- Mitchell, Otis C. (2008). Hitler’s Stormtroopers and the Attack on the German Republic, 1919–1933. Jefferson, North Carolina: McFarland & Company. ISBN 978-0786477296.
- Niewyk, Donald L.; Nicosia, Francis R. (2000). The Columbia Guide to the Holocaust. New York: Columbia University Press. ISBN 978-0231112000.
- Nolzen, Armin (2005). Charismatic Legitimation and Bureaucratic Rule: The NSDAP in the Third Reich, 1933–1945. German History, 23(4). DOI 10.1093/0266355405gh355oa.
- Orlow, Dietrich (2010). The Nazi Party 1919–1945: A Complete History. Enigma Books. ISBN 978-0982491195.
- Pätzold, Kurt; Weißbecker, Manfred (2002). Geschichte der NSDAP. 1920–1945. Köln: PapyRossa. ISBN 3-89438-260-0.
- Rademacher, Michael (2000). Handbuch der NSDAP-Gaue, 1928–1945. Vechta: M. Rademacher. ISBN 3-8311-0216-3.
- Reibel, Carl-Wilhelm (2002). Das Fundament der Diktatur. Die NSDAP-Ortsgruppen 1932–1945. Paderborn: Schöningh. ISBN 3-506-77528-6.
- Rösch, Mathias (2002). Die Münchner NSDAP 1925–1933. München: Oldenbourg. ISBN 3-486-56670-9.
- Shirer, William L. (1991). The Rise and Fall of the Third Reich. London: Arrow Books. ISBN 978-0099421764.
- Snyder, Timothy (2010). Bloodlands: Europe Between Hitler and Stalin. New York: Basic Books. ISBN 978-0465002399.
- Steber, Martina; Gotto, Bernhard (2018). Visions of Community in Nazi Germany: Social Engineering and Private Lives. New York: Oxford University Press. ISBN 978-0199689590.
- Weale, Adrian (2010). The SS: A New History. London: Little, Brown. ISBN 978-1408703045.
- Wildt, Michael (2012). Hitler’s Volksgemeinschaft and the Dynamics of Racial Exclusion: Violence Against Jews in Provincial Germany, 1919–1939. New York: Berghahn Books. ISBN 978-0857453228.
- Zentner, Christian; Bedürftig, Friedemann (1997). The Encyclopedia of the Third Reich. New York: Da Capo Press. ISBN 978-0-3068079-3-0.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.









