
De Marder III was een reeks Duitse tankjagers die tijdens de Tweede Wereldoorlog werden ingezet. Deze voertuigen werden gebouwd op het chassis van de Tsjechoslowaakse Panzer 38(t) en bewapend met ofwel buitgemaakte Sovjet-kanonnen, ofwel Duitse antitankwapens. Hoewel ze beperkt waren in bepantsering en bescherming voor de bemanning, konden ze vijandelijke tanks zoals de T-34 effectief uitschakelen. Tussen 1942 en 1944 werden drie hoofdvarianten van de Marder III geproduceerd: de originele versie, de Ausf. H en de Ausf. M. Deze voertuigen werden ingezet op vrijwel alle fronten tot het einde van de oorlog.
Ontwikkeling en productie
Achtergrond
Tijdens de vroege fasen van Operatie Barbarossa werd duidelijk dat de bestaande antitankmiddelen van de Wehrmacht onvoldoende waren tegen moderne Sovjettanks zoals de T-34 en de KV-1. Zowel de getrokken antitankkanonnen, zoals de 3,7 cm PaK 36, als eerdere zelfrijdende tankjagers voldeden niet meer aan de eisen van het slagveld. In reactie hierop begon men in 1942 met de productie van geïmproviseerde tankjagers op bestaande chassis.
Er werden verschillende basismodellen gebruikt voor de Marder-reeks. De Marder I gebruikte onder meer Franse voertuigen zoals de Lorraine. De Marder II was gebaseerd op de Panzer II, en de Marder III op de Panzer 38(t), oorspronkelijk van Tsjechoslowaakse makelij. De gemeenschappelijke factor was dat deze tankjagers werden uitgerust met krachtige antitankwapens, maar relatief zwakke bepantsering en een open bovenkant hadden.
Marder III (Sd.Kfz. 139)
De eerste versie van de Marder III werd ontwikkeld op het chassis van de Panzer 38(t) Ausf. G. Deze was toen als gevechtstank verouderd, maar nog steeds bruikbaar als platform voor een antitankwapen. Het voertuig kreeg een nieuw bovenbouw waarin een buitgemaakt Sovjetkanon werd gemonteerd: het 76,2 mm F-22 Model 1936, dat in Duitse dienst hernoemd werd tot de 7,62 cm PaK 36(r). Dit kanon werd aangepast om krachtigere Duitse munitie te gebruiken.
De nieuwe constructie bood enkel bescherming aan de voor- en zijkanten van de bemanning met een geschutschild. De bovenkant en achterkant waren volledig open, waardoor de bemanning kwetsbaar bleef voor vijandelijk vuur van boven en achter. In totaal werden 344 voertuigen van dit type gebouwd tussen april en november 1942. Elk voertuig kon dertig granaten voor het hoofdkanon vervoeren, en was daarnaast uitgerust met een 7,92 mm machinegeweer in de romp.
Marder III Ausf. H (Sd.Kfz. 138)
De tweede versie van de Marder III, aangeduid als Ausf. H, werd geproduceerd vanaf november 1942. Deze variant maakte gebruik van de Panzer 38(t) Ausf. H als basis, waarbij het kanon, de Duitse 7,5 cm PaK 40, centraal in het voertuig werd geplaatst. De motor bleef zoals bij het originele ontwerp achterin gepositioneerd. Hierdoor kon de gevechtsruimte in het midden worden gesitueerd, wat de bemanning in staat stelde om lager en beschutter te opereren dan bij de voorgaande versie.
Hoewel de bepantsering enigszins verbeterd was, bleef de bescherming beperkt tot de voorkant en zijkanten. De bovenkant en achterkant van het voertuig bleven open. Dit maakte de bemanning nog steeds kwetsbaar voor artillerievuur, luchtbombardementen en vijandelijke infanterie in stedelijke omgevingen.
Er werden 275 voertuigen nieuw gebouwd tussen november 1942 en april 1943, en nog eens 175 werden omgebouwd vanuit bestaande Panzer 38(t)-chassis. Het voertuig kon 38 granaten voor het hoofdkanon meenemen, en beschikte over een Tsjechisch 7,92 mm machinegeweer in de romp.
Marder III Ausf. M (Sd.Kfz. 138)
De derde en laatste versie, de Ausf. M, betekende een verdere technische verfijning. Deze variant werd speciaal ontworpen voor gebruik als gemechaniseerd antitankwapen. De motor werd verplaatst naar het midden van het voertuig, tussen de bestuurder en de rest van de bemanning. Dit maakte het mogelijk om het kanon en de bemanning achterin het voertuig te plaatsen, op een lager niveau dan in de vorige modellen. Hierdoor werd het silhouet van de Marder III M verlaagd, wat het voertuig minder kwetsbaar maakte voor vijandelijk vuur.
De gevechtsruimte was aan de achterkant gedeeltelijk afgesloten, waardoor de bemanning beter werd beschermd tot aan de middel. De bovenkant bleef echter open, net als bij de eerdere modellen. De machinegeweeropening in de romp werd in deze versie weggelaten; in plaats daarvan droeg de bemanning een losse MG 34 of MG 42 voor zelfverdediging.
Het voertuig kon slechts 27 granaten voor het 7,5 cm PaK 40 kanon vervoeren, maar de gevechtseffectiviteit was verbeterd doordat de commandant niet langer zelf het kanon hoefde te bedienen. De rol van lader werd overgenomen door de radio-operator. Van deze versie werden 942 exemplaren geproduceerd tussen mei 1943 en mei 1944.
Gevechtsinzet van de Marder III
Operationele inzet aan het oostfront en elders
De verschillende Marder III-varianten werden ingezet op vrijwel alle Europese fronten, met de meeste exemplaren actief aan het Oostfront. De Sd.Kfz. 139 kwam vooral daar in actie, maar sommige eenheden werden ook naar Noord-Afrika gestuurd. In februari 1945 bevonden zich nog ongeveer 350 voertuigen van het type Ausf. M in operationele staat.
De Marder III werd gebruikt door Panzerjäger-eenheden binnen de pantserdivisies van zowel het reguliere Duitse leger (Heer) als de Waffen-SS. Daarnaast werden enkele exemplaren ingezet door onderdelen van de Luftwaffe, waaronder de Hermann Göring-divisie.
De voertuigen waren mechanisch betrouwbaar, wat kenmerkend was voor het onderstel van de LT-38, de oorspronkelijke Tsjechoslowaakse tank waarop de Panzer 38(t) en daarmee de Marder III waren gebaseerd. In termen van vuurkracht konden de Marder III’s de meeste Sovjettanks op normale gevechtsafstanden uitschakelen.
Toch bleven ze kwetsbaar. De combinatie van een hoog silhouet en een open gevechtsruimte betekende dat ze makkelijk werden ontdekt en geraakt, vooral door artillerie en luchtbombardementen. De bepantsering bood slechts bescherming tegen klein kaliber wapens en granaatscherven aan de voor- en zijkanten. In stedelijke of nauwe omgevingen was het risico voor de bemanning aanzienlijk.
Beperkingen in tactisch gebruik
De Marder III was niet ontworpen voor directe gevechten of frontale aanvallen. Door de open constructie was hij bijzonder kwetsbaar bij gevechten in stedelijke gebieden of in hinderlagen. Het voertuig werd daarom meestal ingezet in defensieve rollen of als overwatch-platform waarbij het vanaf een afgeschermde positie vijandelijke tanks kon uitschakelen.
Vanaf maart 1942 werden andere voertuigen met vergelijkbare antitankcapaciteiten ontwikkeld, zoals de Sturmgeschütz III (StuG III), waarvan de latere versies ook uitgerust waren met het 7,5 cm PaK 40 kanon. In tegenstelling tot de Marder III was de StuG III volledig gepantserd. Op basis van het Panzer 38(t)-onderstel werd in 1944 ook een meer gepantserde tankjager geproduceerd: de Jagdpanzer 38(t). Deze ontwikkeling leidde ertoe dat de Marder III geleidelijk uit productie werd genomen, al bleven ze tot het einde van de oorlog in gebruik.
Slowaakse Nationale Opstand
In juni 1944 kreeg het leger van de Slowaakse Republiek achttien voertuigen van het type Marder III Ausf. H. Vier daarvan namen actief deel aan de Slowaakse Nationale Opstand. Twee voertuigen werden ingezet door de partizanenbrigade Čapajev. Eén daarvan werd vernietigd tussen de steden Vranov nad Topľou en Prešov, terwijl het tweede voertuig betrokken was bij gevechten in de buurt van Hermanovce nad Topľou. De commandant, Rajták, raakte daarbij gewond, waarna het voertuig werd achtergelaten.
De andere twee Marders werden door de Slowaakse opstandelingen gebruikt bij Strečno. In de Slag bij de Strečno-kloof speelden deze voertuigen een belangrijke rol. Onder bevel van soldaat Matej Buc wist één Marder drie Duitse tanks en twee antitankkanonnen uit te schakelen. Tijdens een Duitse aanval op 3 september werden Buc en zijn lader, Štefan Kováč, dodelijk getroffen terwijl ze zich in de open gevechtsruimte bevonden. De chauffeur, František Smolnický, wist te ontkomen met het voertuig. Dit werd hersteld en opnieuw ingezet, maar op 8 en 9 september werden beide Marders vernietigd in de gevechten bij Vrútky en Priekopa.
Conclusie
De Marder III was een tijdelijk en pragmatisch antwoord op de dreiging van Sovjettanks in de beginfase van de oorlog aan het oostfront. Door gebruik te maken van bestaande onderstellen en beschikbare wapens konden de Duitse troepen snel beschikken over voertuigen met voldoende vuurkracht. Hoewel de Marder III’s hun waarde bewezen als mobiele antitankwapens, bleven ze kwetsbaar door hun gebrekkige bepantsering en open constructie. Ze waren niet geschikt voor directe gevechten of gevechtsomstandigheden in bebouwd gebied. De latere ontwikkeling van volledig gepantserde tankjagers, zoals de Jagdpanzer 38(t), maakte hun ontwerp uiteindelijk overbodig.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Bundesarchiv, Bild 101I-022-2949-28 / CC-BY-SA 3.0, CC BY-SA 3.0 DE, via Wikimedia Commons
- Chamberlain, Peter & Doyle, Hilary (1993). Encyclopedia of German Tanks of World War Two: A Complete Illustrated Directory of German Battle Tanks, Armoured Cars, Self-Propelled Guns and Semi-Tracked Vehicles, 1933–1945 (revised ed.). London: Arms and Armour. ISBN 978-1-85409-214-4.
- Jentz, Thomas L.; Doyle, Hilary Louis (2011). Panzer Tracts No.23 – Panzer Production from 1933 to 1945. Boyds, Maryland: Panzer Tracts. ISBN 978-0-9815382-5-1.
- Kliment, Charles K. & Francev, Vladimír (1997). Czechoslovak Armored Fighting Vehicles 1918–1948. Atglen, Pennsylvania: Schiffer Publishing. ISBN 978-0-7643-0141-6.
- Bronnen Mei1940









