Home Planning, Doctrines en Tactieken Lipetsk: geheime Duitse vliegschool, 1925 tot 1933

Lipetsk: geheime Duitse vliegschool, 1925 tot 1933

Geheime vliegschool Lipetsk, waar de Reichswehr tussen 1925 en 1933 vliegers opleidde en vliegtuigen beproefde.
De vliegschool Lipetsk bood de Reichswehr op Sovjetgrondgebied mogelijkheden voor militaire vliegopleiding en vliegtuigproeven.

De vliegschool Lipetsk, in het Duits Kampffliegerschule Lipezk, was een geheime opleidings- en proefinstelling van de Duitse Reichswehr in de Sovjet-Unie. De overeenkomst werd in 1925 gesloten; de reguliere opleiding begon in 1926. Duitsland omzeilde hiermee het militaire luchtvaartverbod van het Verdrag van Versailles. De school sloot in 1933 en leverde personeel voor de latere Luftwaffe.

Achtergrond

Het Verdrag van Versailles

Na de Eerste Wereldoorlog kreeg Duitsland vergaande beperkingen op militair gebied opgelegd. Het op 28 juni 1919 ondertekende Verdrag van Versailles verbood in artikel 198 zowel militaire luchtstrijdkrachten voor de landmacht als voor de marine. Het bestaande luchtvaartpersoneel moest worden gedemobiliseerd en militair luchtvaartmaterieel moest worden overgedragen. Daarmee verdwenen de officiële organisaties waarin Duitse vliegers hun vak hadden uitgeoefend.

Artikel 201 bevatte daarnaast een tijdelijk verbod op de vervaardiging en invoer van vliegtuigen, onderdelen en vliegtuigmotoren. De beperkingen troffen daardoor aanvankelijk ook de burgerluchtvaart. In 1922 werden de mogelijkheden voor de bouw van civiele vliegtuigen verruimd, terwijl Duitsland begin 1923 weer zeggenschap over zijn luchtruim kreeg. Deze veranderingen maakten de wederopbouw van burgerluchtvaart mogelijk, maar hieven het verbod op een militaire luchtmacht niet op.

Binnen de Reichswehr bleef behoefte bestaan aan kennis van luchtverkenning, luchtgevechten en vliegtuigtechniek. De ervaringen uit de Eerste Wereldoorlog hadden aangetoond welke militaire functies vliegtuigen konden vervullen. De legerleiding wilde daarom ervaren personeel behouden en nieuwe vliegers laten opleiden. Voor opleiding met bewapende vliegtuigen en militaire proeven zocht zij mogelijkheden buiten Duitsland.

Toenadering tot Sovjet-Rusland

Op 16 april 1922 sloten Duitsland en Sovjet-Rusland het Verdrag van Rapallo. Beide landen herstelden hun diplomatieke betrekkingen en deden wederzijds afstand van bepaalde financiële aanspraken uit de oorlog. De overeenkomst bood ruimte voor economisch contact en verminderde hun internationale afzondering. De Sovjet-Unie ontstond pas op 30 december 1922, zodat bij de ondertekening van Rapallo nog sprake was van Sovjet-Rusland.

Het verdrag bevatte geen bepaling over de oprichting van een Duitse vliegschool. De militaire samenwerking kreeg vorm via afzonderlijke afspraken tussen de betrokken autoriteiten. Duitsland zocht oefenruimte en ontwikkelingsmogelijkheden buiten het bereik van de geallieerde controle in eigen land. De Sovjetleiding verwachtte voordeel van Duitse technische kennis en militaire ervaring bij de verdere ontwikkeling van haar strijdkrachten.

De Ruhrbezetting en de bestelling bij Fokker

De Franse en Belgische bezetting van het Ruhrgebied in januari 1923 verscherpte de spanningen tussen Duitsland en de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog. Aanleiding was een conflict over achterstallige Duitse herstelbetalingen en leveringen. De Duitse legerleiding bestelde in deze periode honderd vliegtuigen bij Fokker in Nederland. Daaronder bevonden zich vijftig toestellen van het nieuwe jachtvliegtuigtype Fokker D.XIII; ook de Duitse marine plaatste vliegtuigbestellingen.

Toen de Duitse regering in september 1923 het passieve verzet tegen de bezetting beëindigde, bleef de bestemming van het bestelde materieel een probleem. De toestellen waren vanaf 1924 voor levering beschikbaar, terwijl militair gebruik in Duitsland verboden bleef. Daarom onderzocht de Reichswehr of zij de vliegtuigen in de Sovjet-Unie kon onderbrengen en gebruiken. Er bestond al een industrieel aanknopingspunt: Junkers had sinds 1923 een vliegtuigfabriek in Fili bij Moskou.

Oprichting van de vliegschool

De overeenkomst van 15 april 1925

In juni 1924 werd in Moskou een permanente Duitse militaire vertegenwoordiging ingericht onder de gepensioneerde kolonel Hermann von der Lieth-Thomsen. Deze vertegenwoordiging onderhield de contacten namens het Truppenamt, dat binnen de Reichswehr taken van de opgeheven generale staf uitvoerde. In dezelfde periode gingen zeven Duitse adviseurs en instructeurs bij de Sovjetluchtmacht werken. Deze contacten gingen vooraf aan de inrichting van een afzonderlijke Duitse opleidingsplaats.

Op 15 april 1925 sloten Lieth-Thomsen en Pjotr Baranov, het hoofd van de Sovjetluchtmacht, de overeenkomst voor Lipetsk. De gekozen plaats lag ongeveer vierhonderd kilometer ten zuidoosten van Moskou. De instelling combineerde de opleiding van vliegend personeel met het beproeven van vliegtuigen en uitrusting. Duitsland kon er militair luchtvaartwerk uitvoeren dat volgens Versailles niet in eigen land mocht plaatsvinden.

Leiding en geheimhouding

Walter Stahr werd de eerste leider van de school, die intern ook Schule Stahr heette. Een andere aanduiding was WIVUPAL, ook geschreven als WIWUPAL, voor Wissenschaftliche Versuchs- und Personalausbildungsstation. De Duitse medewerkers droegen burgerkleding en de vliegtuigen hadden geen Duitse nationale herkenningstekens. De civiele presentatie verhulde de militaire taak; de uitgaven werden door het Reichswehrministerium gedragen.

De geheimhouding diende om de Duitse betrokkenheid bij de verboden activiteiten af te schermen. De Sovjetautoriteiten waren als verdragspartner op de hoogte van de doelstellingen en stelden de locatie beschikbaar. Ook Sovjetvliegers en technisch personeel kregen er scholing. Lipetsk was daarmee een Duitse militaire instelling op Sovjetgrondgebied, waarvan beide partijen gebruikmaakten.

Vliegopleiding en proefvluchten

Inrichting van het terrein

Het beschikbare vliegveld moest worden verbouwd en uitgebreid voordat het de opleiding volledig kon ondersteunen. In juni 1925 begonnen de vliegactiviteiten; de reguliere opleiding van uit Duitsland afkomstige leerlingen volgde in het voorjaar van 1926. Tot 1929 verrezen onder meer vijf vliegtuighangars, woningen en barakken. Daarnaast beschikte de basis over werkplaatsen, leslokalen, proefstanden en medische voorzieningen.

Opleiding van jachtpiloten en waarnemers

De school leidde ongeveer 120 Duitse jachtpiloten en circa 100 waarnemers op. Een waarnemer verzorgde vanuit het vliegtuig onder meer verkenning en het verzamelen van militaire informatie. Deze taak verschilde van het besturen van het toestel. Naast het vliegende personeel werden Duitse en Sovjetmedewerkers opgeleid voor technische werkzaamheden op de grond.

De jachtvliegopleiding bouwde stapsgewijs op van individuele oefenvluchten naar vliegen in kleinere groepen en vervolgens naar optreden in een Staffel. Zo’n oefenverband telde in deze opleiding negen vliegtuigen. Voor luchtgevechtsoefeningen konden twee Staffeln tegenover elkaar worden ingezet. Deelnemers oefenden daardoor zowel hun eigen vliegvaardigheid als het samenwerken met andere piloten.

Waarnemers kregen onderwijs in onder meer navigatie, radiocommunicatie, luchtfotografie en schieten. Bij oefeningen met Sovjetgrondtroepen werd ook het begeleiden van artillerievuur vanuit de lucht beoefend. Instructeurs gebruikten de opgedane ervaringen voor de verdere uitwerking van opleidingsmethoden. De school combineerde daarmee praktische lessen met de ontwikkeling van procedures voor militair optreden.

Vliegtuigen en bewapening

De vijftig Fokker D.XIII-jachtvliegtuigen vormden de basis van de Duitse jachtvliegopleiding. Zij waren in Nederland gebouwd en kwamen in 1925 in Lipetsk aan. De levering maakte het mogelijk om daadwerkelijk met militaire toestellen te oefenen, ondanks de beperkingen die Duitsland waren opgelegd. Daarmee kreeg de eerdere bestelling uit de periode van de Ruhrbezetting een bestemming binnen de geheime samenwerking.

Voor de opleiding van waarnemers waren ook tweezitsvliegtuigen beschikbaar. Daartoe behoorden de Heinkel HD 17 en toestellen van Albatros, waaronder de L 76 en L 78. Vanaf 1928 werd de technische proefafdeling verder uitgebouwd. In de laatste jaren kreeg het beproeven van militaire vliegtuigen en uitrusting een groter aandeel in de werkzaamheden.

Naast opleiding vonden in Lipetsk proeven plaats met vliegtuigen, bewapening en methoden voor het afwerpen van bommen. Bij dergelijke beproevingen werd onderzocht hoe het toestel en zijn uitrusting tijdens militaire taken functioneerden. Ook de bruikbaarheid van richtmiddelen en bommenafwerpinrichtingen kon in de lucht worden beoordeeld. Het terrein bood daardoor mogelijkheden die een civiele vliegopleiding in Duitsland niet bood.

De waarde van het beschikbare materieel veranderde gedurende het bestaan van de school. De Fokkers bleven jarenlang in gebruik, terwijl elders nieuwe vliegtuigtypen werden ontwikkeld. Veroudering en slijtage beperkten de mogelijkheden van het opleidingsmaterieel. Voor de Sovjetzijde werd het daardoor minder aantrekkelijk om de samenwerking uitsluitend rond deze toestellen voort te zetten.

Personeel en financiering

De personeelsbezetting wisselde met het opleidingsseizoen en de werkzaamheden op het terrein. Voor de school worden ongeveer 140 Duitse aanwezigen in de zomer genoemd, inclusief leerlingen, tegenover circa veertig in de winter. Daarnaast werkten er ongeveer 340 plaatselijk aangeworven Russische medewerkers. Deze bezettingscijfers beschrijven de organisatie en vormen geen totaaltelling van alle mensen die tussen 1925 en 1933 een opleiding volgden.

Ook buiten het zomerse lesprogramma bleef Duits personeel op de basis aanwezig. Vliegtuigen en gebouwen moesten het hele jaar worden onderhouden en de voorbereiding van nieuwe cursussen ging door. De Duitse financiering omvatte personeel, voorzieningen, opleiding en materieel. Het jaarlijkse budget bereikte in 1929 een maximum van bijna vier miljoen Reichsmark.

Andere Duitse militaire instellingen in de Sovjet-Unie

Lipetsk maakte deel uit van een bredere samenwerking tussen de Reichswehr en de Sovjetstrijdkrachten. Bij Kazan lag de tankschool Kama, waarvoor in december 1926 een overeenkomst werd gesloten. De daadwerkelijke opleiding vond daar van 1929 tot 1933 plaats en omvatte ongeveer dertig Duitse tankspecialisten. Bij Volsk lag bovendien Tomka, waar van 1928 tot 1931 onderzoek en proeven op het gebied van chemische oorlogvoering werden uitgevoerd.

Deze instellingen richtten zich op afzonderlijke militaire vakgebieden die door de naoorlogse verdragsbepalingen voor Duitsland sterk waren beperkt. Lipetsk behandelde luchtvaart, Kama tankoorlogvoering en Tomka chemische strijdmiddelen. De samenwerking bood de Reichswehr gelegenheid om personeel en technische kennis op die gebieden verder te ontwikkelen. Voor de Sovjetautoriteiten lag het belang in toegang tot buitenlandse deskundigheid en praktische militaire kennis.

Sluiting van de vliegschool

Veranderende verhoudingen

Aan het begin van de jaren dertig veranderden de politieke omstandigheden waarin de samenwerking was ontstaan. De Sovjet-Unie zocht toenadering tot andere Europese staten en sloot in 1932 niet-aanvalsverdragen met Polen en Frankrijk. Duitsland onderzocht eveneens mogelijkheden voor een betere verhouding met Frankrijk. Daardoor nam het bijzondere gewicht van de eerdere Duits-Sovjetsamenwerking af.

Tegelijkertijd bestond aan Sovjetzijde ontevredenheid over de opbrengst van Lipetsk. Moskou had toegang verwacht tot verdergaande technische vernieuwing en militaire proeven. Ondanks de uitbreiding van het proefprogramma bleef onvrede bestaan over de toegang tot nieuwe Duitse ontwikkelingen. De verschillen in doelstellingen speelden daardoor al vóór de Duitse machtswisseling van 1933 een rol.

Gelijkberechtiging en de afwikkeling in 1933

In december 1932 werd tijdens de ontwapeningsonderhandelingen in Genève het beginsel van Duitse gelijkberechtiging op bewapeningsgebied aanvaard. Dat beginsel was verbonden aan een stelsel dat alle staten veiligheid moest bieden. Het betekende geen onmiddellijke opheffing van alle militaire beperkingen van Versailles. Wel veranderde het de politieke uitgangspositie waarin Duitsland zijn militaire mogelijkheden probeerde uit te breiden.

De Reichswehr besprak de mogelijke beëindiging van de vliegschool al in 1932. Op 11 januari 1933 werd de Sovjetlegerleiding door een Duitse vertegenwoordiger over de voorgenomen sluiting geïnformeerd. Als officiële reden voor dit besluit werd kostenbesparing genoemd. De voorbereiding van het vertrek was daarmee al begonnen voordat Hitler rijkskanselier werd.

Na de benoeming van Adolf Hitler tot rijkskanselier op 30 januari 1933 verslechterde de politieke basis voor verdere samenwerking met de Sovjet-Unie. De nationaalsocialistische regering stond ideologisch vijandig tegenover het communistische bewind. Die tegenstelling kwam boven op de eerdere diplomatieke veranderingen en de ontevredenheid over de technische opbrengsten. De sluiting van Lipetsk was daarmee het gevolg van meerdere ontwikkelingen.

Bij de beëindiging werden door de betrokken autoriteiten afspraken gemaakt over personeel, vliegtuigen en de vaste installaties. Duits personeel vertrok en een deel van het verplaatsbare materieel ging naar Duitsland terug. De Sovjetluchtmacht nam de basis en achterblijvende opleidingsvliegtuigen over. Op 15 september 1933 werd de Duitse instelling definitief opgeheven.

Betekenis voor de latere Luftwaffe

Het personeel uit Lipetsk kon zijn ervaring vervolgens gebruiken bij de verdere Duitse militaire luchtvaartopleiding. Vanaf 1935 stonden voormalige leerlingen en instructeurs ter beschikking van de openlijk opgebouwde Luftwaffe. Hun ervaring omvatte vliegen, waarneming, onderhoud en het organiseren van een opleidingsbedrijf. De betekenis van de school lag daardoor mede in de overdracht van kennis aan volgende groepen personeel.

De invloed beperkte zich niet tot de vliegers die persoonlijk in Lipetsk waren opgeleid. In Duitsland werden eveneens opleidingen verzorgd die voortbouwden op de daar opgedane ervaring. Voor deze gezamenlijke opleidingsinspanning wordt een kern van ongeveer 450 leden van het vliegende personeel genoemd. Dit ruimere aantal omvatte ook in Duitsland opgeleide vliegers en waarnemers.

In de populaire cultuur

De geheime vliegschool komt voor in het tweede seizoen van de Duitse misdaadserie Babylon Berlin. In de verhaallijn reist rechercheur Gereon Rath naar de locatie om illegale militaire activiteiten vast te leggen. De serie verwerkt daarmee een bestaande instelling uit de geschiedenis van de Weimarrepubliek. Het bezoek van de rechercheur behoort tot de fictieve handeling.

Conclusie

De vliegschool Lipetsk stelde de Reichswehr in staat om tussen 1925 en 1933 militaire luchtvaartkennis te behouden en verder te ontwikkelen op Sovjetgrondgebied. Vanaf 1926 werden er reguliere opleidingen verzorgd, naast technische en tactische proeven. Ongeveer 120 jachtpiloten, honderd waarnemers en technisch personeel vormden een bijdrage aan de latere Duitse luchtmacht. Veranderende politieke verhoudingen en uiteenlopende belangen beëindigden de samenwerking in september 1933.

Bronnen en meer informatie

  1. Speidel, Helm (1953). Reichswehr und Rote Armee. Vierteljahrshefte für Zeitgeschichte, jaargang 1, nummer 1, bladzijden 9–45. München: Institut für Zeitgeschichte. ISSN 0042-5702.
  2. United States Department of State (1947). Foreign Relations of the United States, Diplomatic Papers, 1932, General, Volume I. Washington: United States Government Printing Office. Document 333. ISSN 0071-7355.
  3. Sobolev, D. A., en Khazanov, D. B. (2001). The German Imprint on the History of Russian Aviation. Moskou: Rusavia. ISBN 978-5-900078-08-3.
  4. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946