Home Militaire Organisatie Asmogendheden Reichswehr: Duitse strijdmacht tussen 1919 en 1935

Reichswehr: Duitse strijdmacht tussen 1919 en 1935

Reichswehr soldaten leggen in augustus 1934 de eed af op Adolf Hitler tijdens ceremonie met zichtbaar gedragen rouwbanden
Reichswehr manschappen met rouwbanden leggen in augustus 1934 de eed af op Adolf Hitler als staatshoofd

De Reichswehr was de Duitse krijgsmacht tussen 1921 en 1935 en bestond uit het Reichsheer en de Reichsmarine. Deze kleine beroepsmacht ontstond onder de beperkingen van het Verdrag van Versailles, maar bleef tegelijk een zelfstandige machtsfactor binnen de Weimarrepubliek. Zij moest orde en grensveiligheid handhaven, werkte in de praktijk ook aan militaire continuïteit en vormde daardoor een directe schakel tussen het keizerlijke leger en de latere Wehrmacht.

Ontstaan van de Reichswehr

Van revolutie naar vredesleger

Na de val van het keizerrijk in november 1918 stond Duitsland voor de taak om een leger van miljoenen frontsoldaten te ontbinden en tegelijk de openbare orde te bewaren. De wapenstilstand van 11 november 1918 versnelde de terugtocht van het westfront en maakte demobilisatie onvermijdelijk. In deze overgangsperiode werkten de Raad van Volkscommissarissen en de legerleiding samen om delen van de oude strijdkrachten in een vredesleger om te vormen. Dat gebeurde niet alleen uit politieke overtuiging, maar vooral uit bestuurlijke noodzaak.

Van voorlopige organisatie naar wettelijke krijgsmacht

De eerste wettelijke stap volgde op 6 maart 1919 met het besluit tot vorming van een voorlopige Reichswehr. Een maand later werd ook de voorlopige Reichsmarine geregeld. De oorspronkelijke sterkte lag nog veel hoger dan later was toegestaan, maar tussen oktober 1919 en januari 1921 werd het leger stapsgewijs verkleind van een overgangsheer naar een vaste beroepsmacht. Met het Wehrgesetz van 23 maart 1921 kreeg deze organisatie haar definitieve juridische vorm. Soldaten legden daarbij een eed af op de grondwet van Weimar.

Structuur en beperkingen

Opbouw van heer en marine

De Reichswehr was verdeeld in twee delen. Het Reichsheer bestond uit zeven infanteriedivisies en drie cavaleriedivisies, terwijl de marine over twee hoofdstations aan de Noordzee en Oostzee beschikte. Het rijk was daarnaast verdeeld in zeven Wehrkreise en twee hogere groepscommando’s in Berlijn en Kassel. Voor manschappen en onderofficieren gold een lange diensttijd van twaalf jaar, voor officieren zelfs vijfentwintig jaar. Daardoor ontstond een kleine, stabiele en professioneel gevormde strijdmacht.

Beperkingen van het Verdrag van Versailles

Het Verdrag van Versailles beperkte de Duitse strijdkrachten zeer sterk. Duitsland mocht nog slechts een beroepsleger van 100.000 man en een marine van 15.000 man behouden. Een generale staf bleef verboden, evenals tanks, zware artillerie boven de vastgelegde kalibers, onderzeeboten, grote oorlogsschepen en luchtstrijdkrachten. Officieel mocht de Reichswehr alleen voor binnenlandse ordehandhaving en grensbewaking worden gebruikt. Tot 1927 hield de Intergeallieerde Militaire Controlecommissie toezicht op deze bepalingen.

Omzeiling van de militaire grenzen

De legerleiding legde zich niet neer bij deze beperkingen. Binnen het Truppenamt bleef de kennis van de vroegere generale staf behouden, terwijl de zogenoemde Führergehilfenschulung de verboden stafopleiding in aangepaste vorm voortzette. Daarnaast werd via burgerlijke dekmantels gewerkt aan luchtvaartinfrastructuur, en voor oefeningen gebruikte men soms tankattrappen of nagebouwde voertuigen. Ook ontstonden met steun uit militaire kring illegale formaties die later bekend werden als de Schwarze Reichswehr. De organisatie dacht dus niet alleen in termen van handhaving, maar ook in termen van toekomstig militair herstel.

Kaderleger en voorbereiding op groei

In de eigen opvatting was de Reichswehr een kaderleger. Dat betekende dat zij niet vooral op massa was ingericht, maar op een kleine groep goed opgeleide militairen die bij een latere uitbreiding leiding konden geven aan veel grotere formaties. Die keuze sloot aan bij de lange diensttijden en de nadruk op opleiding. Daarom functioneerde de Reichswehr niet alleen als vredesmacht, maar ook als bewaarplaats van ervaring uit het keizerlijke leger. In 1935 bleek precies deze structuur bruikbaar voor de snelle uitbreiding onder het nationaalsocialistische regime.

Politieke rol in de Weimarrepubliek

Steun aan de nieuwe staat

In de eerste maanden van de republiek ondersteunde de legerleiding de regering van Friedrich Ebert. De samenwerking tussen Ebert en Wilhelm Groener gaf de nieuwe staat militaire rugdekking op een moment dat de politieke orde nog broos was. Daarmee hielp de Reichswehr het voortbestaan van de republiek mogelijk maken. Tegelijk was deze steun begrensd. De legerleiding wilde vooral rust, bestuurbaarheid en het behoud van eigen invloed, niet een hechte binding aan parlementaire democratie.

Inzet tegen linkse opstanden en radenrepublieken

De Reichswehr werd in de eerste naoorlogse jaren herhaaldelijk ingezet tegen revolutionaire en linkse bewegingen. Dat gold voor de Spartakusopstand van 1919, maar ook voor latere conflicten zoals de strijd tegen de Rode Ruhrarmee. Omdat de officiële strijdmacht te klein was of door het verdrag aan regels was gebonden, werkte zij vaak samen met vrijkorpsen en andere rechtse paramilitaire verbanden. In 1919 en 1923 trad zij bovendien op tegen radenrepublieken en tegen linkse landsregeringen in onder meer Beieren, Saksen en Thüringen. Ook separatistische spanningen, vooral in het Rijnland, speelden mee in de binnenlandse inzet.

Passiviteit tijdens de Kapp-Putsch

Toen de Kapp-Putsch in maart 1920 uitbrak, verdedigde de Reichswehr de republikeinse regering niet met dezelfde vastberadenheid. De bekende uitspraak dat Reichswehr niet op Reichswehr schiet, werd later het symbool van deze houding. Juridisch en organisatorisch lag de situatie ingewikkelder, maar politiek was het effect duidelijk. De legerleiding wilde niet voluit tegen rechtse putschisten optreden, terwijl zij tegen linkse opstanden wel hard ingreep. Dat verschil tastte het vertrouwen in de neutraliteit van de strijdmacht aan.

Een staat binnen de staat

Door haar positie in de grondwet en haar eigen interne cultuur ontwikkelde de Reichswehr een hoge mate van autonomie. De opperbevelhebber was formeel de rijkspresident, terwijl de Reichswehrminister politiek verantwoordelijk bleef. In de dagelijkse praktijk behield de militaire leiding echter grote vrijheid in opleiding, benoemingen en interne rechtspraak. Soldaten hadden geen kiesrecht en vielen grotendeels buiten het normale politieke leven. Daardoor raakte de strijdmacht los van de parlementaire cultuur waarin zij officieel hoorde te functioneren.

Conservatieve waarden en afstand tot de republiek

Het officierenkorps was overwegend conservatief, nationaal georiënteerd en vaak monarchistisch van instelling. Veel officieren accepteerden de republiek als staatsvorm slechts zolang zij de orde handhaafde en herstel van Duitse macht mogelijk leek te maken. De dolkstootlegende vond in deze kring veel aanhang. Daarin werd de nederlaag van 1918 niet vooral verklaard uit militaire uitputting, maar uit vermeend verraad in het binnenland. Dat denkbeeld vergrootte de afstand tussen legerleiding en democratische partijen.

Officierskorps en militaire continuïteit

Selectie van officieren

Omdat de strijdmacht zo klein was, kon de leiding zeer streng selecteren. Een groot deel van de officieren kwam uit de oude keizerlijke armee en had front- of stafoorlogservaring. De sociale achtergrond bleef smal. Adellijke families waren sterker vertegenwoordigd dan in de bevolking als geheel, vooral bij de cavalerie. Ook kwamen veel nieuwe officieren uit militaire gezinnen. Daardoor kreeg de Reichswehr een gesloten karakter, waarin traditie, onderlinge netwerken en loyaliteit aan het korps zwaarder wogen dan maatschappelijke representatie.

Rekrutering en opleiding

Ook onder manschappen en onderofficieren koos de Reichswehr niet voor een brede afspiegeling van de samenleving. Rekruten uit landelijk en ambachtelijk milieu golden als betrouwbaarder dan jongeren uit sterk geïndustrialiseerde steden, waar de sociaaldemocratie en het communisme meer invloed hadden. Democratisering van de troep kreeg daarom weinig ruimte. Opleiding stond juist centraal. De organisatie wilde soldaten vormen die later meer verantwoordelijkheid konden dragen, zodat een beperkte vredesmacht tegelijk een school voor toekomstige uitbreiding werd.

Loopbanen binnen een kleine beroepsmacht

De Reichswehr was ook een omgeving waarin latere militaire leiders hun loopbaan opbouwden. Hans von Seeckt, Wilhelm Heye, Kurt von Hammerstein-Equord en Werner von Fritsch bepaalden het legerbeleid in wisselende fasen. Daarnaast bood deze beroepsmacht plaats aan officieren als Erwin Rommel, die na 1918 in dienst bleef, ordehandhavingstaken uitvoerde en later opleidingsfuncties kreeg. Zijn loopbaan laat zien hoe de Reichswehr niet alleen een instelling van de Weimarrepubliek was, maar ook een personele brug vormde naar de Wehrmacht.

Geheime herbewapening en buitenlandse samenwerking

Samenwerking met de Sovjet-Unie

Vanaf het begin van de jaren twintig zocht de Reichswehr naar manieren om de bepalingen van Versailles in het geheim te omzeilen. De samenwerking met de Sovjet-Unie was daarbij bijzonder belangrijk. Op Sovjetgrond konden Duitse militairen ervaring opdoen met luchtvaart, pantserwapens en chemische middelen die in Duitsland zelf verboden waren. Plaatsen als Lipezk, Kazan en Tomka werden onderdeel van dit netwerk. Tegelijk hielp Duitsland bij industriële en organisatorische opbouw aan Sovjetzijde. Beide staten profiteerden dus van een verborgen militaire uitwisseling.

Industrie, reisdiplomatie en verborgen planning

Naast de samenwerking met Moskou onderhield de Reichswehr ook nauwe contacten met de Duitse industrie en volgde zij buitenlandse ontwikkelingen zorgvuldig. In de Statistische Gesellschaft en samen met industriële organisaties werd al nagedacht over de voorwaarden voor een latere oorlogsindustrie. Vanaf de jaren twintig werden bovendien studiereizen naar de Verenigde Staten belangrijker. Daar ging het niet om een formeel bondgenootschap, maar om kennis van organisatie, luchtvaart, chemische oorlogsvoering en moderne militaire planning. Achter de façade van een kleine vredesmacht bleven dus bredere ambities bestaan.

Verhouding tot de NSDAP en overgang naar de Wehrmacht

Laatste jaren van de republiek

In de laatste jaren van de Weimarrepubliek nam de politieke invloed van de Reichswehr opnieuw toe. De presidentiële kabinetten maakten de rijkspresident en zijn militaire adviseurs zwaarder dan het parlement. Generaals en hoge ambtenaren zoals Kurt von Schleicher dachten openlijk na over een autoritaire herordening van de staat. Het debat over Panzerschiff A liet bovendien zien dat militaire prioriteiten steeds zwaarder op de begroting drukten. Tegelijk bleef herziening van Versailles een vast doel. De strijdmacht wilde weer groter en zwaarder bewapend worden, maar zocht daarvoor een politieke vorm die haar eigen positie veiligstelde.

Verhouding tot de nationaalsocialisten

De relatie met de NSDAP was voor 1933 dubbelzinnig. De legerleiding wantrouwde de massapolitiek van de partij en vreesde vooral de miljoenenorganisatie van de SA. Toen Wilhelm Groener in 1932 de SA verbood, verloor hij juist daardoor veel politieke steun. Toch lagen er ook gedeelde doelen, zoals afwijzing van Versailles, herstel van militaire kracht en verzet tegen links. Toen Hitler na de machtovername aan de generaals duidelijk maakte dat de Reichswehr de enige officiële drager van wapengeweld zou blijven, nam de bereidheid tot samenwerking snel toe. Daarmee werd het leger geen nationaalsocialistische organisatie, maar wel een instelling die met het regime samenwerkte.

Van eed op de grondwet naar eed op Hitler

De machtsverschuiving werd zichtbaar in 1934. Na de uitschakeling van de SA-top tijdens de Nacht van de Lange Messen koos Hitler bewust voor steun van de beroepsstrijdmacht. Op 2 augustus 1934, de dag van Hindenburgs overlijden, werd de eed van de Reichswehr niet langer op de grondwet, maar op Adolf Hitler persoonlijk afgelegd. Daarmee veranderde de verhouding tussen staat en leger ingrijpend. De formele band met de republikeinse rechtsorde verdween en maakte plaats voor persoonlijke trouw aan de nieuwe machthebber.

Einde van de Reichswehr

In 1935 werd deze ontwikkeling institutioneel afgerond. Op 1 maart ontstond de Luftwaffe, op 16 maart werd de dienstplicht opnieuw ingevoerd en tegelijk werd de naam Reichswehr vervangen door Wehrmacht. Enkele maanden later werden Reichsheer en Reichsmarine omgedoopt tot Heer en Kriegsmarine. Wat in 1919 als beperkte vredesmacht was begonnen, eindigde dus als basis voor openlijke herbewapening. De organisatorische continuïteit bleef daarbij groot. Veel personeel, opleidingsvormen en denkbeelden gingen rechtstreeks over in het nieuwe militaire apparaat.

Conclusie

De Reichswehr was meer dan een kleine beroepsmacht onder toezicht van Versailles. Zij hielp de Weimarrepubliek in haar eerste jaren overeind te blijven, maar behield tegelijk een zelfstandige positie die democratische controle beperkte. Door strenge selectie, lange diensttijden, geheime herbewapening en buitenlandse samenwerking bewaarde zij militaire kennis en organisatorische continuïteit uit het keizerrijk. Daardoor werd de Reichswehr uiteindelijk niet alleen een instrument van ordehandhaving, maar ook de directe voorloper van de Wehrmacht die vanaf 1935 het centrum van de Duitse herbewapening vormde.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Bundesarchiv, Bild 102-16108 / CC-BY-SA 3.0CC BY-SA 3.0 DE, via Wikimedia Commons
  2. Militärgeschichtliches Forschungsamt (Hrsg.) (1983). Deutsche Militärgeschichte in sechs Bänden. Band VI: Reichswehr und Republik (1918–1933). Herrsching: Manfred Pawlak. ISBN 3-88199-112-3.
  3. Wohlfeil, Rainer; Dollinger, Hans (1972). Die deutsche Reichswehr. Bilder, Dokumente, Texte. Zur Geschichte des Hunderttausend-Mann-Heeres 1919–1933. Frankfurt am Main: Bernard und Graefe. ISBN 3-7637-5109-2.
  4. Reinicke, Adolf (1986). Das Reichsheer 1921–1934. Ziele, Methoden der Ausbildung und Erziehung sowie der Dienstgestaltung. Osnabrück: Biblio. ISBN 3-7648-1457-8.
  5. Voß, Heinfried (1992). Das neue Haus der Reichswehr. Militärische Sozialisation im politischen und militärischen Übergang. St. Katharinen: Scripta-Mercaturae. ISBN 3-922661-99-8.
  6. Zeidler, Manfred (1993/1994). Reichswehr und Rote Armee 1920–1933. Wege und Stationen einer ungewöhnlichen Zusammenarbeit. München: Oldenbourg. ISBN 3-486-55966-4.
  7. Kahlenberg, Friedrich P.; von Jena, Kai (1995). Reichswehr und Rote Armee. Dokumente aus den Militärarchiven Deutschlands und Russlands 1925–1931. Koblenz: Bundesarchiv. ISBN 3-89192-050-4.
  8. Keller, Peter (2014). Die Wehrmacht der Deutschen Republik ist die Reichswehr. Die deutsche Armee 1918–1921. Paderborn: Schöningh. ISBN 978-3-506-77969-4.
  9. Heinemann, Patrick Oliver (2018). Rechtsgeschichte der Reichswehr 1918–1933. Paderborn: Schöningh. ISBN 978-3-506-78785-9.
  10. Neitzel, Sönke (2020). Deutsche Krieger. Vom Kaiserreich zur Berliner Republik – eine Militärgeschichte. Berlin: Propyläen. ISBN 978-3-549-07647-7.
  11. Butler, Daniel Allen (2015). Field Marshal. The Life and Death of Erwin Rommel. Havertown; Oxford: Casemate. ISBN 978-1-61200-297-2.
  12. Fraser, David (1993). Knight’s Cross. A Life of Field Marshal Erwin Rommel. New York: HarperCollins. ISBN 978-0-06-018222-9.
  13. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946
Previous articleHeinrich Himmler: SS, politie en genocide in 33-45
Next articleDeutsche Wehrmacht 1933 – 1945
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in de Tweede Wereldoorlog. Sommigen hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring en strategisch inzicht mee, terwijl anderen een academische of wetenschappelijke opleiding hebben gevolgd, zoals aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) of in historisch onderzoek. Deze combinatie van expertise zorgt voor diepgaande, goed onderbouwde artikelen die zowel feitelijk accuraat als analytisch sterk zijn. De redactie streeft ernaar om objectieve en goed gedocumenteerde informatie te bieden, waarbij kennis en ervaring samenkomen om een genuanceerd beeld te schetsen van deze ingrijpende periode in de geschiedenis.