
De Nacht van de Lange Messen, ook Operatie Kolibrie (Duits: Unternehmen Kolibri) genoemd, was een politieke zuivering in nazi-Duitsland van 30 juni tot 2 juli 1934. Adolf Hitler liet de leiding van de SA, politieke tegenstanders en enkele conservatieve rivalen arresteren en doden. Daarmee verstevigde hij zijn gezag, stelde hij de Reichswehr gerust en gaf hij de SS blijvende ruimte om te groeien.
Militaire en Politieke Situatie
In de eerste helft van 1934 had het naziregime de meeste democratische instellingen al buitenspel gezet, maar Hitlers positie was nog niet volledig onaantastbaar. President Paul von Hindenburg leefde nog, de Reichswehr bewaakte haar eigen gezag en binnen de NSDAP bestond spanning over de koers van de revolutie. Juist in die situatie werd de SA een probleem. De organisatie had miljoenen leden, een reputatie van straatgeweld en een leiding die zich niet altijd wilde schikken naar de bestaande machtsverhoudingen.
Ernst Röhm, stafchef van de SA en een oude bondgenoot van Hitler, wilde de beweging niet beperken tot partijmilitie of hulpkorps. Hij zag voor de SA een grotere rol weggelegd in de herordening van de Duitse staat en sprak over een voortzetting van de revolutie. Dat botste met de belangen van de Reichswehr, van conservatieve bestuurders en van industriële kringen, die vooral stabiliteit, herbewapening en bestuurbaarheid verlangden.
De spanning nam verder toe doordat Röhm aandrong op een fusie van SA en leger. Voor de Reichswehr, die door Versailles formeel klein was gehouden maar haar status wilde behouden, was dat onaanvaardbaar. Na de Marburg-rede van vicekanselier Franz von Papen en waarschuwingen uit de kring van Hindenburg groeide de druk op Hitler om in te grijpen. Ook binnen de partij groeide de weerstand. Himmler, Göring en Heydrich zagen in de zelfstandige positie van de SA een bedreiging voor hun eigen macht en voor het model van een strak geleide staat.
Locatie
De zuivering speelde zich niet af op één plek, maar op meerdere locaties in Duitsland. De eerste fase concentreerde zich in Beieren. Hitler vloog in de vroege ochtend van 30 juni 1934 naar München, waar hij eerst ingreep tegen de Münchense politiechef August Schneidhuber, die ook een hoge SA-rang bekleedde. Daarna reed hij door naar Bad Wiessee, waar Röhm en andere SA-leiders verbleven in Hotel Hanselbauer.
Na de arrestaties in Bad Wiessee verschoof het zwaartepunt naar München, Berlijn en enkele andere steden. In de gevangenis van Stadelheim werden gevangengenomen SA-officieren geëxecuteerd. In Berlijn werden tegenstanders van het regime en personen uit de kring van vicekanselier Franz von Papen gearresteerd of gedood. Ook op andere plaatsen, waaronder huizen van politieke tegenstanders, vonden arrestaties en executies plaats. Daarom was de operatie geografisch verspreid, maar centraal aangestuurd.
Militaire Leiders
Hoewel de gebeurtenis geen veldslag was, speelden militaire en paramilitaire leiders een directe rol. Adolf Hitler nam zelf het politieke besluit en was persoonlijk aanwezig bij de arrestaties in Bad Wiessee. Ernst Röhm stond aan de andere kant als leider van de SA en als degene op wie de beschuldiging van een op handen zijnde staatsgreep werd gericht. Zijn verhouding met Hitler was in 1934 zichtbaar verslechterd door meningsverschillen over de rol van de SA en de richting van het regime.
Heinrich Himmler, Hermann Göring en Reinhard Heydrich vormden het uitvoerende machtsblok rond Hitler. Himmler leidde de SS, Heydrich stuurde de veiligheidsdienst en de politieke politie aan, en Göring gebruikte zijn invloed in Pruisen en zijn politiemacht voor arrestaties en liquidaties. Hun samenwerking maakte het mogelijk om lijsten op te stellen, communicatie te beveiligen en de operatie snel uit te voeren.
Aan de zijde van de reguliere strijdkrachten waren minister van Defensie Werner von Blomberg en generaal Walther von Reichenau van belang. Zij zorgden ervoor dat de Reichswehr de actie niet blokkeerde en zij hielpen Hitler om de zuivering als een maatregel in het belang van de staatsorde te presenteren. Dat was doorslaggevend, omdat Hitler de steun van het leger nodig had voor de volgende fase van zijn machtsopbouw.
Doelstelling en planning
De directe doelstelling van Operatie Kolibrie was het uitschakelen van de top van de SA als zelfstandig machtscentrum. Tegelijk wilde Hitler de Reichswehr geruststellen, conservatieve bondgenoten behouden en interne rivalen uitschakelen. De zuivering was daarom breder dan een aanval op Röhm alleen. Ook oude tegenstanders, voormalige bondgenoten en personen uit conservatieve kringen werden doelwit wanneer zij als onbetrouwbaar of lastig golden.
De planning begon met politieke isolatie. In het voorjaar van 1934 werd de druk op Röhm opgevoerd, onder meer door waarschuwingen van de legerleiding en door publieke signalen dat de revolutionaire fase voorbij was. Hindenburg liet via Werner von Blomberg verstaan dat de staat desnoods met harde middelen orde zou laten herstellen. Tegelijk verzamelden Himmler en Heydrich belastend materiaal en stelden zij lijsten op van personen die gearresteerd of gedood konden worden. Een deel van het bewijs voor een zogenoemde Röhm-Putsch was geconstrueerd of sterk overdreven, maar het diende wel als bruikbaar voorwendsel.
De uitvoering berustte op verrassing, centralisatie en snelheid. SA-leiders werden naar Bad Wiessee gelokt voor overleg met Hitler. De Reichswehr werd in verhoogde staat van paraatheid gebracht, zodat de operatie niet door een gewapende reactie van de SA zou ontsporen. Toen Joseph Goebbels op 30 juni het codewoord Kolibri doorgaf, konden SS-eenheden, politieformaties en speciale executieploegen in verschillende steden vrijwel gelijktijdig optreden.
Militaire eenheden
De belangrijkste organisatie die werd getroffen was de Sturmabteilung, of SA. Deze partijmilitie was in 1934 numeriek veel groter dan de Reichswehr, maar zij beschikte niet over dezelfde militaire opleiding, discipline en institutionele positie. De SA was vooral gevormd voor intimidatie, partijmobilisatie en straatgeweld. Juist die massale omvang en losse structuur maakten haar in de ogen van Hitler en het leger zowel bruikbaar als gevaarlijk.
De voornaamste uitvoerders waren de SS, de Sicherheitsdienst en de Gestapo. Binnen de SS speelde de Leibstandarte SS Adolf Hitler een zichtbare rol bij arrestaties en executies. De Gestapo leverde arrestatiecapaciteit en inlichtingen, terwijl de SD personen in kaart bracht en de operatie hielp coördineren. De Reichswehr bleef grotendeels op de achtergrond, maar haar steun was van groot belang. Zij hoefde niet massaal in te grijpen, omdat haar bereidheid om Hitler te steunen al genoeg was om de SA te isoleren.
Van conventionele landmacht, luchtmacht of marineoperaties was geen sprake. Er werden geen fronten gevormd en er vond geen reguliere slag plaats. Het ging om een combinatie van politieactie, paramilitair geweld en politieke repressie. Daarom lag de werkelijke kracht van de operatie niet in zwaar materieel, maar in arrestatielijsten, commandostructuur, bewapende escortes en snelle controle over communicatie en detentieplaatsen.
Het verloop van de Nacht van de Lange Messen
Op 30 juni 1934 begon Hitler de operatie in Beieren. Na aankomst in München liet hij August Schneidhuber arresteren en vernederen. Vervolgens reisde hij naar Bad Wiessee, waar Röhm en andere SA-leiders in de vroege ochtend werden overvallen. Hitler nam persoonlijk deel aan de arrestaties. De verrassing was volledig. De meeste aanwezigen waren onvoorbereid en boden geen georganiseerd verzet.
Nog dezelfde ochtend werd in Berlijn en elders het volgende deel van de operatie gestart. Nadat Goebbels het codewoord had doorgegeven, trokken SS- en politie-eenheden eropuit om vooraf aangewezen personen vast te zetten. Niet alleen SA-officieren werden getroffen. Ook Gregor Strasser, oud-kanselier Kurt von Schleicher, Herbert von Bose, Edgar Jung, Erich Klausener en Gustav Ritter von Kahr behoorden tot de slachtoffers. Daarmee werd duidelijk dat de zuivering tegelijk een afrekening was met bredere politieke tegenstand.
In München werden meerdere SA-leiders opgesloten in Stadelheim en kort daarna geëxecuteerd. In Berlijn vonden executies plaats in kazernes en detentiecentra, vaak na zeer korte of louter schijnprocedures. De officiële voorstelling van zaken sprak over het verijdelen van een staatsgreep, maar in de praktijk ging het om vooraf geselecteerde liquidaties. De staat gebruikte bestaande politie- en veiligheidsorganen om politieke moord als bestuurlijk middel in te zetten.
Röhm zelf werd eerst vastgezet. Op 1 juli kreeg hij in zijn cel de gelegenheid om zelfmoord te plegen. Toen hij dat niet deed, werd hij door SS-personeel doodgeschoten. Op 2 juli liep de eerste golf van executies en arrestaties ten einde. Daarna volgde de politieke afhandeling: de propaganda rechtvaardigde de gebeurtenissen, terwijl het kabinet en de rechterlijke macht de moorden achteraf van een schijn van legaliteit voorzagen.
Resultaat
Het tactische resultaat was dat de SA-top in zeer korte tijd werd uitgeschakeld en geen georganiseerde tegenreactie kon vormen. De operatie bereikte daarmee haar onmiddellijke doel. De leiding van de SA werd onthoofd, de organisatie verloor haar politieke speelruimte en Röhm was verdwenen. De SS kwam juist sterker uit de actie en kon zich daarna ontwikkelen tot een zelfstandig en veel invloedrijker machtsinstrument van het regime.
Het strategische resultaat was nog groter. De Reichswehr zag dat Hitler bereid was de eisen van het leger serieus te nemen en de ambitie van Röhm te breken. Daardoor groeide de bereidheid van de legerleiding om met Hitler samen te werken. Toen Hindenburg op 2 augustus 1934 stierf, kon Hitler kort daarna zonder noemenswaardige militaire weerstand de functies van president en kanselier samenbrengen. De zuivering had die stap politiek voorbereid.
De politieke gevolgen waren verstrekkend. De operatie maakte duidelijk dat de hoogste leiding van het regime buiten de gewone rechtsorde kon handelen. Het kabinet legaliseerde de gebeurtenissen al op 3 juli met terugwerkende kracht, en Hitler verdedigde de actie op 13 juli in de Rijksdag. Daarmee werd staatsgeweld niet alleen toegepast, maar ook juridisch genormaliseerd. Voor de machtsstructuur van het Derde Rijk was dat een beslissende verschuiving.
Ook de maatschappelijke gevolgen waren groot. Veel Duitsers namen de officiële lezing van een verijdelde putsch over, mede door de propagandacampagne van Goebbels. Anderen begrepen dat politieke veiligheid voortaan volledig afhing van Hitlers oordeel. Daardoor groeide een klimaat waarin open kritiek riskanter werd. In het buitenland werd de zuivering met argwaan gevolgd, maar zij leidde niet tot directe buitenlandse ingrepen tegen het regime.
Miltaire en burger slachtoffers
Het vastgestelde aantal doden ligt op ten minste 85, maar veel historici gaan uit van een hoger werkelijk totaal. Regelmatig worden aantallen tussen ongeveer 150 en 200 genoemd, terwijl oudere schattingen nog verder oplopen. Meer dan 1.000 personen werden gearresteerd. De slachtoffers bestonden uit SA-leiders, politieke tegenstanders, conservatieve critici en enkele personen die door vergissing of door persoonlijke afrekening op de lijsten waren beland.
Aan de kant van de uitvoerders waren de verliezen gering. Er was geen grootschalig vuurgevecht, zodat SS, politie en Reichswehr nauwelijks gevechtsverliezen leden. De SA had numeriek genoeg reservepersoneel om opengevallen posities formeel op te vullen, maar dat veranderde niets aan de werkelijke uitkomst. De organisatie verloor haar zelfstandige politieke functie. Onder Viktor Lutze werd zij kleiner, gehoorzamer en veel minder invloedrijk dan onder Röhm.
Er vielen ook burgerslachtoffers. Daarbij ging het niet om toevallige schade van een slagveld, maar om doelbewuste politieke moorden buiten een reguliere rechtsgang. Herbert von Bose, Edgar Jung en Erich Klausener waren geen SA-militairen. De musicoloog Willi Schmid werd zelfs door persoonsverwisseling gedood. Dat laat zien dat de zuivering niet alleen tegen een paramilitaire leiding was gericht, maar tegen een bredere kring van personen die het regime wilde uitschakelen of afschrikken.
Materiele verliezen
Het materiële verlies was beperkt in vergelijking met de politieke gevolgen. Er gingen geen grote troepenformaties, vlooteenheden of luchtstrijdkrachten verloren, en van zware beschadiging aan infrastructuur was geen sprake. De operatie vereiste vooral voertuigen, vuurwapens, arrestatiecapaciteit en detentieruimte. Daarom bleef het verbruik van munitie en brandstof relatief laag en ontstond er geen zichtbaar tekort in de nationale voorraden.
De belangrijkste materiële gevolgen troffen de SA als organisatie. Wapens, archieven, kantoren en communicatiemiddelen konden door de staat worden overgenomen of onder strakker toezicht worden geplaatst. Het ging daarbij minder om herstel of modernisering van beschadigd materieel en meer om bestuurlijke onteigening en herverdeling van middelen. De verschuiving van middelen en bevoegdheden werkte in het voordeel van de SS en van de politieorganen die rechtstreeks aan Hitler en Himmler verbonden waren.
Voor de Reichswehr en de Duitse economie waren de materiële gevolgen gering. Er hoefden geen grote verliezen te worden aangevuld en er was geen langdurige verstoring van bevoorrading, vervoer of productie. Juist dat maakte de operatie voor Hitler aantrekkelijk: met relatief beperkte inzet van middelen bereikte hij een grote verschuiving in de machtsbalans van de staat.
Conclusie
Operatie Kolibrie haalde haar directe doelstellingen. De top van de SA werd uitgeschakeld, Röhm verdween, de Reichswehr werd gerustgesteld en de SS kreeg een veel sterkere positie binnen het regime. Ook de planning werkte in praktische zin: verrassing, centrale aansturing en steun van politie en leger voorkwamen dat de SA een samenhangende reactie kon organiseren. Daardoor veranderde de zuivering binnen enkele dagen de machtsverhoudingen in nazi-Duitsland.
De gevolgen reikten verder dan de slachtoffers van 30 juni tot 2 juli 1934. Politieke moord werd door de staat achteraf gelegitimeerd, de rechterlijke macht paste zich aan en de drempel voor latere repressie werd lager. De personele verliezen waren voor de SA niet alleen numeriek, maar vooral bestuurlijk en politiek onherstelbaar. De materiële schade bleef beperkt, maar juist daarom was de opbrengst voor Hitler groot: met weinig middelen en zonder open burgeroorlog maakte hij zijn heerschappij steviger en afhankelijker van geweld buiten het recht.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Bundesarchiv, Bild 102-14886 / CC-BY-SA 3.0, CC BY-SA 3.0 DE, via Wikimedia Commons
- Bessel, Richard (1984). Political Violence and the Rise of Nazism: The Storm Troopers in Eastern Germany 1925–1934. New Haven, CT: Yale University Press. ISBN 978-0-300-03171-3.
- Carradice, Phil (2018). Night of the Long Knives: Hitler’s Excision of Röhm’s SA Brownshirts, 30 June – 2 July 1934. Barnsley: Pen & Sword Books. ISBN 978-1-5267-2894-4.
- Evans, Richard J. (2005). The Third Reich in Power. New York: Penguin Group. ISBN 978-0-14-303790-3.
- Frei, Norbert (1987). National Socialist Rule in Germany: The Führer State 1933–1945. Oxford: Oxford University Press. ISBN 978-0-631-18507-9.
- Kershaw, Ian (1999). Hitler: 1889–1936 Hubris. New York: W. W. Norton & Company. ISBN 978-0-393-32035-0.
- O’Neill, Robert (1967). The German Army and the Nazi Party 1933–1939. New York: James H. Heineman. ISBN 978-0-685-11957-0.
- Reiche, Eric G. (2002). The Development of the SA in Nürnberg, 1922–1934. Cambridge: Cambridge University Press. ISBN 978-0-521-52431-5.
- Wheeler-Bennett, John W. (2005). The Nemesis of Power: The German Army in Politics 1918–1945. Basingstoke: Palgrave Macmillan. ISBN 978-1-4039-1812-3.
- Optionele bronnen
- Kershaw, Ian (2001). The “Hitler Myth”: Image and Reality in the Third Reich. Oxford: Oxford University Press. ISBN 978-0-19-280206-4.
- Kershaw, Ian (2008). Hitler: A Biography. New York: W. W. Norton & Company. ISBN 978-0-393-06757-6.
- Layton, Roland V. (1979). “Kurt Ludecke and ‘I Knew Hitler’: An Evaluation”. Central European History, 12(4), 372–386. DOI 10.1017/S0008938900022470. ISSN 0008-9389. JSTOR 4545876.
- Spielvogel, Jackson J. (1996). Hitler and Nazi Germany: A History. New York: Prentice Hall. ISBN 978-0-13-189877-6.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









