Adolf Hitler was een in Oostenrijk geboren Duitse politicus die als leider van de NSDAP in 1933 rijkskanselier werd en vanaf 1934 als dictator regeerde. Onder zijn bewind verdwenen democratische instellingen, begon de Tweede Wereldoorlog in Europa en werd de genocide op de Europese Joden en andere vervolgde groepen staatsbeleid.
Vroege leven en opleiding
Jeugd in Oostenrijk
Adolf Hitler werd op 20 april 1889 geboren in Braunau am Inn, een grensplaats in Oostenrijk-Hongarije. Hij was een zoon van de douanebeambte Alois Hitler en Klara Pölzl, die familie van elkaar waren. Het gezin verhuisde meermaals tussen Oostenrijk en het Duitse grensgebied, onder meer naar Passau, Lambach, Leonding en Linz. De verhouding met zijn vader was gespannen, mede doordat Alois een loopbaan in staatsdienst voor zijn zoon wenste, terwijl Adolf zich aangetrokken voelde tot tekenen, architectuur en schilderkunst.
Hitler bezocht lagere scholen in Opper-Oostenrijk en daarna de Realschule in Linz en later Steyr. Zijn schoolresultaten verslechterden in de tienerjaren, en hij verliet het onderwijs zonder diploma voor hoger onderwijs. In zijn eigen latere voorstelling legde hij de nadruk op een conflict met zijn vader en op zijn wens om kunstenaar te worden. Historici nemen aan dat deze artistieke ambitie echt was, maar wijzen er ook op dat hij geen vast beroepsplan had en al vroeg moeite had met regelmaat en discipline.
Wenen en München
Na de dood van zijn vader in 1903 en die van zijn moeder in 1907 leefde Hitler grotendeels van een weeskindpensioen en een bescheiden erfenis. In 1907 en 1908 werd hij afgewezen door de Weense Academie voor Beeldende Kunsten. Daarna verbleef hij jarenlang in Wenen, waar hij in pensions en mannenhuizen woonde en inkomsten probeerde te verwerven met het schilderen van ansichtkaarten en stadsgezichten. Die periode ging gepaard met sociale neergang, isolement en een toenemende belangstelling voor nationalistische en antisemitische lectuur.
Over het precieze moment waarop Hitlers antisemitisme volledig werd uitgewerkt, verschillen historici van mening. Wel staat vast dat hij in Wenen kennismaakte met radicale Duits-nationalistische, antisemitische en antimarxistische stromingen die later een vaste plaats in zijn wereldbeeld kregen. In 1913 verhuisde hij naar München. Daarmee verliet hij Oostenrijk-Hongarije op een moment dat hij zijn dienstplicht in dat rijk wilde ontlopen, al moest hij zich begin 1914 nog wel melden voor een medische keuring in Salzburg.
Deelname aan de Eerste Wereldoorlog
Dienst in het Beierse leger
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog meldde Hitler zich in augustus 1914 vrijwillig aan bij het Beierse leger. Hij diende in het Reserve-Infanterieregiment 16, ook bekend als het List-regiment, en werkte vooral als ordonnans en boodschapper tussen stafposten. Die taak bracht gevaar met zich mee, maar hij verbleef niet permanent in de voorste loopgraven. Tijdens de oorlog werd hij ingezet aan het westfront in Frankrijk en België en raakte hij in 1916 gewond aan zijn been.
In oktober 1918 werd Hitler slachtoffer van een gifgasaanval en tijdelijk blind. Kort daarna hoorde hij in een hospitaal van de Duitse nederlaag en de Novemberrevolutie. Hij ontving tijdens de oorlog onder meer het IJzeren Kruis tweede klasse, het IJzeren Kruis eerste klasse en het Verwundetenabzeichen in zwart. Opvallend is dat hij, ondanks zijn lange diensttijd en onderscheidingen, niet verder kwam dan de rang van Gefreiter, vergelijkbaar met korporaal.
Politieke uitwerking van de oorlogservaring
De oorlog gaf Hitler een sterk gevoel van verbondenheid met Duitsland en versterkte zijn afkeer van de ineenstorting van het keizerrijk in 1918. Zoals veel radicale nationalisten na de oorlog verwierp hij de opvatting dat Duitsland militair verslagen was en nam hij de gedachte over dat politieke tegenstanders in eigen land de nederlaag hadden veroorzaakt. In zijn latere redevoeringen en geschriften koppelde hij dat aan antisemitische en antimarxistische voorstellingen, waarin Joden, socialisten en communisten werden neergezet als ondermijners van de staat.
Na zijn terugkeer naar München bleef Hitler aanvankelijk in militaire dienst. Het leger gebruikte hem in 1919 als verbindingsman en spreker bij politieke cursussen voor soldaten. In die rol kwam hij in contact met kleine nationalistische groeperingen in München. Zijn overgang van oud-frontsoldaat naar propagandist en partijman vond dus niet buiten, maar deels binnen de omgeving van de naoorlogse Reichswehr plaats.
Interbellum: politieke opkomst en machtsovername
Van DAP naar NSDAP
In september 1919 bezocht Hitler een bijeenkomst van de Deutsche Arbeiterpartei, de DAP. Nog in datzelfde jaar werd hij lid. Dankzij zijn spreekstijl, scherpe polemiek en talent voor agitatie groeide hij snel uit tot een van de opvallendste leden. In 1920 kreeg de partij de naam Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei, kortweg NSDAP. Hitler koppelde Duits nationalisme aan antisemitisme, antimarxisme en afwijzing van het Verdrag van Versailles, en gebruikte massabijeenkomsten om zijn boodschap te verspreiden.
In juli 1921 werd Hitler partijleider met verregaande bevoegdheden. Rond de partij ontstonden geüniformeerde en gewelddadige organisaties. De SA beschermde vergaderingen, intimideerde tegenstanders en speelde mee in het straatgeweld van de laatste jaren van de Weimarrepubliek. Later werd ook de SS opgericht, aanvankelijk als kleine lijfwacht. De NSDAP profileerde zich in deze fase als een beweging die parlementaire politiek minachtte, maar tegelijk moderne propaganda, partijsymboliek en massamobilisatie doelgericht inzette.
Bierkellerputsch en gevangenschap
Op 8 en 9 november 1923 probeerden Hitler en zijn medestanders in München de macht te grijpen in wat bekendstaat als de Bierkellerputsch. De poging mislukte snel. Bij de confrontatie met de politie vielen doden onder de putschisten en de politie, Hitler werd gearresteerd en wegens hoogverraad veroordeeld. Tijdens het proces gebruikte hij de rechtszaal om zich nationaal bekend te maken als woordvoerder van radicaal rechts. Zijn straf van vijf jaar werd in de praktijk sterk verkort.
In de gevangenis van Landsberg dicteerde Hitler het eerste deel van Mein Kampf aan Rudolf Hess. Dat boek was deels autobiografisch, maar vooral politiek-programmatisch. Het bevatte een samenhangende combinatie van antisemitisme, rassenleer, antimarxisme, verwerping van Versailles en het streven naar Lebensraum in Oost-Europa. Na zijn vrijlating in december 1924 koos Hitler openlijk voor een andere tactiek: niet een directe staatsgreep, maar een legale machtsverovering via verkiezingen, propaganda en institutionele ondermijning.
Verkiezingsgroei in de crisisjaren
In de tweede helft van de jaren twintig bleef de NSDAP aanvankelijk een kleine partij. De situatie veranderde na de wereldwijde economische crisis van 1929. Massawerkloosheid, politieke instabiliteit en afnemend vertrouwen in de parlementaire democratie werkten in het voordeel van radicale partijen. Bij de Rijksdagverkiezingen van 1930 behaalde de NSDAP 107 zetels en werd zij de op een na grootste partij. Hitlers massabijeenkomsten, strak geregisseerde campagnevoering en eenvoudige vijandbeelden bereikten steeds meer kiezers.
In 1932 stelde Hitler zich kandidaat voor het presidentschap tegen Paul von Hindenburg. Hij verloor, maar behaalde miljoenen stemmen en bevestigde zijn positie als nationale politieke kracht. In juli 1932 werd de NSDAP met 230 zetels de grootste partij in de Rijksdag. Hoewel zij geen meerderheid had, werd zij voor conservatieve elites een onmisbare machtsfactor. Franz von Papen en anderen gingen ervan uit dat Hitler als kanselier in een overwegend conservatief kabinet te sturen zou zijn.
Van kanselier naar dictator
Op 30 januari 1933 benoemde president Hindenburg Hitler tot rijkskanselier. De NSDAP leverde aanvankelijk slechts enkele ministers, maar beheerste met Wilhelm Frick en Hermann Göring al snel de politie en het binnenlands bestuur. De Rijksdagbrand van 27 februari 1933 bood het voorwendsel om via een noodverordening burgerrechten op te schorten en politieke tegenstanders te arresteren. In maart 1933 volgde het Ermächtigungsgesetz, waarmee Hitlers regering zonder parlement kon regeren.
Daarna begon de gelijkschakeling van staat en samenleving. Partijen verdwenen, vakbonden werden opgeheven, de persvrijheid werd ingeperkt en deelstaten verloren hun zelfstandigheid. In juni 1934 liet Hitler tijdens de Nacht van de Lange Messen de SA-top en andere tegenstanders vermoorden. Na de dood van Hindenburg op 2 augustus 1934 verenigde hij de functies van staatshoofd en regeringsleider in zijn eigen persoon. Vanaf dat moment regeerde hij als Führer und Reichskanzler en werd de eed van de strijdkrachten op hem persoonlijk gericht.
Expansie voor 1939
Vanaf 1933 werkte Hitler systematisch aan de herziening van de naoorlogse orde in Europa. Duitsland trad uit de Volkenbond, voerde in 1935 de dienstplicht opnieuw in en remilitariseerde in 1936 het Rijnland. In maart 1938 volgde de Anschluss van Oostenrijk. Vervolgens eiste Hitler het Sudetenland op, dat na de Conferentie van München in september 1938 door de westerse mogendheden aan Duitsland werd afgestaan. In maart 1939 bezette Duitsland ook de rest van Tsjecho-Slowakije.
Deze stappen maakten duidelijk dat Hitler zich niet beperkte tot herziening van Versailles, maar een expansiepolitiek voerde die uitmondde in oorlog. De volgende inzet was Polen. Om een tweefrontenoorlog te vermijden, sloot Duitsland op 23 augustus 1939 met de Sovjet-Unie het Molotov-Ribbentrop-pact, met een geheime regeling voor de verdeling van Oost-Europa. Daarmee was de diplomatieke weg naar oorlog geopend.
Deelname aan de Tweede Wereldoorlog
Oorlog in Europa, 1939–1941
Op 1 september 1939 viel Duitsland Polen binnen. Twee dagen later verklaarden Groot-Brittannië en Frankrijk Duitsland de oorlog, waarmee de Tweede Wereldoorlog in Europa begon. De snelle nederlaag van Polen werd gevolgd door een periode van betrekkelijke rust aan het westfront. In april 1940 bezette Duitsland Denemarken en Noorwegen, waarna in mei en juni Nederland, België, Luxemburg en Frankrijk werden verslagen. De Duitse successen vergrootten Hitlers prestige binnen Duitsland sterk.
Het Duitse leiderschap verwachtte daarna dat Groot-Brittannië tot een vergelijk zou komen, maar die verwachting kwam niet uit. De luchtstrijd boven Engeland in 1940 leverde geen beslissende doorbraak op. Hitler zag zich daarom geplaatst voor een langduriger oorlog dan voorzien. Intussen verbond Duitsland zich steviger met Italië en Japan. De mislukking om Groot-Brittannië uit te schakelen maakte zijn volgende grote besluit des te ingrijpender: de aanval op de Sovjet-Unie.
Oorlog in het oosten en radicalisering
Op 22 juni 1941 begon Operatie Barbarossa, de Duitse invasie van de Sovjet-Unie. De aanval was niet alleen militair, maar ook ideologisch opgezet. Hitler zag de strijd als een oorlog tegen het bolsjewisme, tegen vermeende Joodse invloed en voor verovering van landbouwgrond, grondstoffen en vestigingsruimte in Oost-Europa. In de eerste maanden rukten de Duitse legers snel op, maar zij slaagden er niet in de Sovjet-Unie tot instorting te brengen. Het offensief tegen Moskou liep in de winter van 1941 vast.
De oorlog in het oosten ging gepaard met systematische massamoord. Achter het front schoten Einsatzgruppen Joden, communistische functionarissen en andere geselecteerde groepen dood. Tegelijk ontwikkelde het regime een beleid dat uitmondde in de industriële vernietiging van de Europese Joden. Hitler gaf zelden schriftelijke bevelen, maar zijn toespraken, besluiten en voortdurende druk op ondergeschikten maakten duidelijk dat de vervolging niet beperkt moest blijven tot uitsluiting of deportatie. Vanaf 1941 en vooral 1942 werd uitroeiing het doel.
Holocaust en oorlogseconomie
Onder Hitlers bewind werd de Holocaust staatsbeleid. Ongeveer zes miljoen Europese Joden werden vermoord in getto’s, bij massa-executies en in vernietigingskampen zoals Auschwitz, Treblinka, Sobibór en Bełżec. Ook Roma en Sinti, Sovjet-krijgsgevangenen, mensen met een beperking, politieke tegenstanders, homoseksuelen en andere vervolgde groepen werden op grote schaal vermoord. De besluitvorming verliep via een samenspel van Hitlers ideologische doelen, bevelen aan de top en een bestuurlijk apparaat dat steeds radicaler handelde.
Ondertussen werd Duitsland omgevormd tot een oorlogseconomie waarin dwangarbeid, roof en plundering centraal stonden. Miljoenen mensen uit bezette gebieden werden naar Duitsland gebracht om in fabrieken, mijnen en landbouw te werken. De militaire successen van 1939 tot 1941 maskeerden tijdelijk de structurele grenzen van die economie. Toen de oorlog zich verlengde, de geallieerde bombardementen toenamen en de bevoorrading verslechterde, namen de tekorten toe en werd het regime steeds afhankelijker van geweld en uitputting.
Keerpunt, nederlaag en dood
Vanaf eind 1942 keerde het militaire tij. In Noord-Afrika ging het Duitse initiatief verloren en in februari 1943 capituleerde het Duitse Zesde Leger bij Stalingrad, een nederlaag die aantoonde dat de Wehrmacht niet onoverwinnelijk was. In 1943 landden de geallieerden op Sicilië en later in Italië. Op 6 juni 1944 openden zij met de landing in Normandië een westelijk front, terwijl het Rode Leger vanuit het oosten bleef oprukken. Duitsland raakte daardoor steeds verder in het defensief.
In december 1944 liet Hitler nog een offensief in de Ardennen uitvoeren, maar dat mislukte. Vanaf januari 1945 stortte de militaire positie van Duitsland snel in, waarna Hitler grotendeels in de Führerbunker in Berlijn verbleef. Op 29 april 1945 trouwde hij met Eva Braun en een dag later pleegden beiden zelfmoord. Op 2 mei capituleerde Berlijn en op 7 en 8 mei 1945 volgde de algehele Duitse overgave. Het regime waarvoor Hitler politiek en militair de eindverantwoordelijkheid droeg, was daarmee ingestort.
Na de oorlog
Hitler maakte het einde van de oorlog niet meer mee, maar zijn beleid bepaalde wel de vorm van de naoorlogse afrekening. De geallieerde bezetting, de processen van Neurenberg, de ontmanteling van nazi-organisaties en de verdeling van Duitsland en Europa stonden in direct verband met de oorlog en de misdaden van zijn regime. In de geschiedschrijving werd Hitler het centrale punt van onderzoek naar dictatuur, radicalisering, genocide en moderne massapropaganda. Zijn naam bleef verbonden aan de vernietiging van democratische instellingen, de Holocaust en een oorlog die tientallen miljoenen mensenlevens kostte.
Militaire Rangen
Tijdens de Eerste Wereldoorlog bereikte Hitler in het Beierse leger de rang van Gefreiter, in Nederlandse termen het best te vergelijken met korporaal. Hij werd geen onderofficier of officier. Nadat hij in 1938 het opperbevel over de Wehrmacht naar zich toe trok, kreeg hij wel de feitelijke positie van hoogste militaire beslisser van Duitsland, maar dat was een politieke ambtsmacht en geen reguliere militaire rang in de gebruikelijke hiërarchie van het leger.
Onderscheidingen
Hitlers bekendste militaire onderscheidingen stammen uit zijn dienst in de Eerste Wereldoorlog. Hij ontving het IJzeren Kruis tweede klasse in 1914 en het IJzeren Kruis eerste klasse in 1918. Daarnaast kreeg hij het Verwundetenabzeichen in zwart nadat hij gewond was geraakt. Vooral het IJzeren Kruis eerste klasse had voor hem blijvende symbolische waarde, omdat deze onderscheiding onder soldaten van zijn rang niet vaak werd toegekend.
Conclusie
Adolf Hitler groeide vanuit een marginale partijpolitieke omgeving uit tot de leider van een dictatuur die de Weimarrepubliek vernietigde, Europa in oorlog bracht en genocide tot staatsbeleid maakte. Zijn politieke loopbaan was nauw verbonden met de crisis van het interbellum, maar zijn eigen ideologische doelen gaven richting aan de radicalisering van het regime. De combinatie van persoonsverheerlijking, institutionele afbraak, expansieoorlog en systematische vervolging maakt zijn bewind tot een kernonderwerp in de geschiedenis van de twintigste eeuw.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Bundesarchiv, Bild 183-H1216-0500-002 / CC-BY-SA, CC BY-SA 3.0 DE , via Wikimedia Commons
- Browning, Christopher R. (1992). Ordinary Men: Reserve Police Battalion 101 and the Final Solution in Poland. New York: HarperCollins. ISBN 0-06-019013-2.
- Evans, Richard J. (2003). The Coming of the Third Reich. New York: Penguin Books. ISBN 978-0-14-303469-8.
- Evans, Richard J. (2005). The Third Reich in Power. New York: Penguin Books. ISBN 978-0-14-303790-3.
- Evans, Richard J. (2008). The Third Reich at War. New York: Penguin Books. ISBN 978-0-14-311671-4.
- Hamann, Brigitte (2010). Hitler’s Vienna: A Portrait of the Tyrant as a Young Man. London; New York: Tauris Parke Paperbacks. ISBN 978-1-84885-277-8.
- Kershaw, Ian (2008). Hitler: A Biography. New York: W. W. Norton & Company. ISBN 978-0-393-06757-6.
- Kershaw, Ian (2012). The End: Hitler’s Germany, 1944–45. London: Penguin. ISBN 978-0-14-101421-0.
- Kolb, Eberhard (2005). The Weimar Republic. London; New York: Routledge. ISBN 978-0-415-34441-8.
- Longerich, Peter (2005). The Unwritten Order: Hitler’s Role in the Final Solution. History Press. ISBN 978-0-7524-3328-8.
- Weber, Thomas (2010). Hitler’s First War: Adolf Hitler, The Men of the List Regiment, and the First World War. Oxford; New York: Oxford University Press. ISBN 978-0-19-923320-5.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.










