Franz von Papen was een Duitse officier, diplomaat en politicus uit de conservatieve elite van het keizerrijk en de Weimarrepubliek. Hij werd in 1932 kanselier en speelde kort daarna een rol bij de benoeming van Adolf Hitler tot regeringsleider. Zijn loopbaan verbond militaire dienst, diplomatieke missies en machtspolitiek. Daardoor behoort hij tot de vaak besproken bestuurders uit de Duitse geschiedenis van de eerste helft van de twintigste eeuw.
Vroege leven en opleiding
Afkomst en militaire vorming
Franz Joseph Hermann Michael Maria von Papen werd op 29 oktober 1879 geboren in Werl, in Westfalen, binnen een katholieke adellijke familie. Zijn milieu was monarchistisch, plichtsgericht en sterk verbonden met het Pruisische officierskorps. Al op jonge leeftijd koos hij voor een militaire loopbaan. Hij bezocht kadettenscholen en werd opgeleid in de traditie van discipline, hiërarchie en dienst aan staat en leger. Die vorming bepaalde later ook zijn politieke stijl, die formeel, behoudend en gericht op gezag bleef.
Netwerken en maatschappelijke positie
Na zijn opleiding trad Von Papen toe tot de cavalerie van het Pruisische leger. Daarmee kreeg hij toegang tot een kring van officieren, aristocraten en hofkringen die in het Duitse keizerrijk grote invloed uitoefenden. Zijn huwelijk met Martha von Boch-Galhau, afkomstig uit een welgestelde industriële familie, versterkte zijn maatschappelijke positie verder. Daardoor bewoog hij zich zowel in militaire als in economische en katholieke netwerken. Die combinatie gaf hem later speelruimte in de diplomatie en in de politiek van de jaren twintig en dertig.
Deelname aan de Eerste Wereldoorlog
Militair attaché in Noord-Amerika
In 1913 werd Von Papen benoemd tot militair attaché bij de Duitse ambassade in Washington, met ook taken in Mexico. Die post viel samen met een periode van internationale spanning en met de Mexicaanse Revolutie. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog probeerde hij Duitse belangen in Noord-Amerika te dienen, terwijl de Verenigde Staten formeel neutraal bleven. Amerikaanse autoriteiten verdachten hem van betrokkenheid bij sabotage, geheime financiering en andere activiteiten die de neutraliteit van het land ondermijnden. In december 1915 werd hij daarom persona non grata verklaard en naar Duitsland teruggeroepen.
Terugkeer naar legerdienst
Na zijn terugkeer diende Von Papen opnieuw in het Duitse leger. Tijdens de oorlog vervulde hij staf- en verbindingstaken, onder meer in gebieden waar Duitse en Ottomaanse belangen samenkwamen. Zijn loopbaan in deze jaren leverde hem ervaring op in diplomatie, inlichtingenwerk en militaire organisatie. Tegelijk werd duidelijk dat hij politiek gevoel had voor informele invloed en voor het gebruik van persoonlijke netwerken. Die combinatie van officier en bemiddelaar bleef kenmerkend voor zijn optreden in de rest van zijn carrière.
Interbellum: Van Centrum-politicus tot vicekanselier
Van officier naar parlementariër
Na 1918 verschoof Von Papen zijn werkterrein van het leger naar de politiek. Hij sloot zich aan bij de katholieke Centrumpartij en werd in 1921 lid van de Pruisische Landdag. Binnen zijn partij hoorde hij bij de behoudende rechtervleugel. Hij stond gereserveerd tegenover parlementaire massapolitiek en gaf de voorkeur aan een sterke staat, geleid door traditionele elites. Daardoor bleef hij in de Weimarrepubliek een wat eigenzinnige politicus: formeel verbonden aan het centrum, maar inhoudelijk vaak dichter bij monarchistische en nationaal-conservatieve kringen.
In de jaren twintig bouwde hij vooral invloed op via netwerken buiten de grote partijorganisaties. Hij bewoog zich in katholieke adelskringen, onderhield contacten met legerofficieren en stond open voor presidentieel bestuur als alternatief voor partijpolitieke fragmentatie. Dat profiel bracht hem geregeld op afstand van de partijleiding van het Zentrum. Toen hij in 1932 kanselier werd, verloor hij dan ook snel de bescherming van zijn partij en werd hij uit de Centrumpartij gezet. Zijn politieke basis bleef daardoor smal en sterk afhankelijk van steun uit conservatieve topkringen.
Kanselier zonder meerderheid
Op 1 juni 1932 benoemde president Paul von Hindenburg hem tot kanselier. Die keuze kwam niet voort uit een sterke parlementaire basis, maar uit vertrouwen van presidentiële en militaire kringen rond Hindenburg en Kurt von Schleicher. Het kabinet-Von Papen stond bekend als een regering van notabelen en moest vooral met noodverordeningen bestuur voeren. In dezelfde maand werd het verbod op de SA en SS opgeheven, waarna het politieke geweld verder toenam. Op 20 juli 1932 volgde de zogenoemde Preußenschlag, waarbij de Pruisische landsregering buiten werking werd gesteld en de rijksregering de macht in Pruisen overnam.
Val van het kabinet en machtsverschuiving
De verkiezingen van juli en november 1932 maakten duidelijk dat Von Papen geen stabiele meerderheid kon opbouwen. Zijn regering bleef afhankelijk van presidentiële macht en verloor snel draagvlak in de Rijksdag. In november trad hij af, waarna Schleicher hem als kanselier opvolgde. Toch verdween Von Papen niet uit de kern van de macht. Integendeel, hij bleef deelnemen aan overleg tussen conservatieve bestuurders, ondernemers en presidentiële adviseurs die naar een nieuwe regeringsvorm zochten buiten het normale parlementaire patroon om.
Wegbereider van Hitlers benoeming
In januari 1933 speelde Von Papen een grote rol in de onderhandelingen die leidden tot de benoeming van Adolf Hitler tot kanselier. Hij steunde een coalitie waarin nationaalsocialisten samenwerkten met conservatieve ministers en verwachtte dat Hitler binnen zo’n constructie kon worden begrensd. Zelf werd hij vicekanselier. Die opzet mislukte snel. Na de Rijksdagbrand, de verkiezingen van maart 1933 en de Machtigingswet verschoof het werkelijke gezag in hoog tempo naar Hitler en de nationaalsocialistische partij, terwijl de invloed van Von Papen afnam.
Marburg en Oostenrijk
Op 17 juni 1934 liet Von Papen in de zogenoemde Marburger Rede scherpe kritiek uitspreken op politieke intimidatie, propaganda en wetteloos optreden binnen het regime. Kort daarna, tijdens de zuivering van eind juni 1934, werden medewerkers uit zijn omgeving vermoord en werd zijn speelruimte verder beperkt. Vervolgens werd hij uit de binnenlandse politiek verwijderd en als gezant naar Oostenrijk gestuurd. Daar werkte hij van 1934 tot 1938 aan een beleid dat de Oostenrijkse zelfstandigheid verzwakte en de Duitse invloed vergrootte. Zijn optreden droeg bij aan de druk die voorafging aan de Anschluss van maart 1938.
Deelname aan de Tweede Wereldoorlog
Ambassadeur in Turkije
Kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd Von Papen benoemd tot ambassadeur in Turkije. Die post was voor Berlijn van groot belang, omdat Turkije de toegang tot de Zwarte Zee, de Balkan en het oostelijke Middellandse Zeegebied beïnvloedde. Zijn opdracht was tweeledig: de Turkse neutraliteit behouden zolang dat gunstig was voor Duitsland en tegelijk de mogelijkheid openhouden van een nauwere oriëntatie op het Duitse kamp. In Ankara trad hij op als ervaren onderhandelaar die oude diplomatieke methoden combineerde met informatievergaring en informele contacten.
Diplomatie, spionage en beperkte resultaten
Tijdens zijn jaren in Turkije werkte Von Papen in een omgeving waarin diplomatie en inlichtingenwerk voortdurend in elkaar overliepen. Britse, Sovjetische, Duitse en later ook Amerikaanse diensten volgden elkaar nauwgezet. In 1942 overleefde hij in Ankara een bomaanslag, die doorgaans in verband wordt gebracht met Sovjetische operaties. Bekend werd ook de Cicero-affaire, waarbij geheime documenten uit de Britse ambassade bij de Duitsers terechtkwamen. Ondanks zulke inlichtingenvoordelen bleef het resultaat van zijn missie beperkt. Turkije hield vast aan een politiek van voorzichtig evenwicht en trad niet aan Duitse zijde in de oorlog.
Een deel van zijn werk bestond uit het bewaken van economische en strategische belangen, waaronder grondstoffenhandel, transportverbindingen en de positie van de Zwarte Zee-regio. Von Papen moest daarbij rekening houden met snelle verschuivingen aan het oostfront en op de Balkan. Naarmate de oorlog vorderde, werd het voor Ankara minder aantrekkelijk om zich aan Berlijn te verbinden. Zijn diplomatie kon dat structurele probleem niet opheffen. Daardoor bleef zijn succes vooral beperkt tot het rekken van Turkse neutraliteit, niet tot het behalen van een duidelijke politieke doorbraak.
Einde van zijn oorlogstaak
Naarmate de militaire positie van Duitsland verslechterde, nam ook de diplomatieke waarde van Von Papens werk af. Turkije verbrak in 1944 de diplomatieke betrekkingen met Duitsland, waarna zijn missie eindigde. Daarmee sloot hij de oorlog niet af als zelfstandig machtscentrum, maar als vertegenwoordiger van een regime waarin de hoofdkeuzes elders werden gemaakt. Zijn rol tijdens de Tweede Wereldoorlog laat daarom zowel continuïteit als verandering zien: continuïteit in zijn voorkeur voor informele invloed, maar verandering in de mate van zelfstandige macht die hij nog bezat.
Na de oorlog
Proces in Neurenberg
Na de Duitse nederlaag werd Von Papen gearresteerd en berecht tijdens het eerste proces van Neurenberg. De aanklacht richtte zich onder meer op samenzwering en misdaden tegen de vrede. Het tribunaal keek daarbij niet alleen naar zijn werk als diplomaat, maar ook naar zijn aandeel in de afbraak van de Weimarrepubliek en de benoeming van Hitler in 1933. In oktober 1946 volgde vrijspraak, omdat het tribunaal geen voldoende direct bewijs zag voor strafrechtelijke verantwoordelijkheid volgens de aanklachten die daar voorlagen. Die uitkomst riep meteen discussie op.
Denazificatie en laatste jaren
De vrijspraak in Neurenberg betekende niet het einde van de juridische procedures. In 1947 werd Von Papen in een Duitse denazificatieprocedure alsnog veroordeeld tot een zware straf wegens zijn politieke rol in het nationaalsocialistische tijdvak. Die uitspraak hield later geen stand in dezelfde vorm, waarna hij in 1949 vrijkwam. In de jaren daarna leefde hij grotendeels buiten de dagelijkse politiek. Hij publiceerde memoires waarin hij zijn handelen verdedigde en zijn eigen aandeel beperkt voorstelde. Franz von Papen overleed op 2 mei 1969 in Obersasbach in Baden.
In zijn naoorlogse teksten legde Von Papen de nadruk op staatsdienst, persoonlijke loyaliteit en beperkte eigen verantwoordelijkheid. Daarmee sloot hij aan bij een bredere naoorlogse tendens waarin voormalige elites hun rol in 1933 en daarna kleiner voorstelden dan later historisch onderzoek deed. Voor onderzoekers zijn zijn memoires daarom vooral bruikbaar als bron voor zelfbeeld en politieke rechtvaardiging. Juist het verschil tussen die zelfpresentatie en latere studies maakt zijn plaats in de Duitse geschiedschrijving blijvend relevant.
Militaire Rangen
Von Papen begon zijn loopbaan als officier in de Pruisische cavalerie en ontwikkelde zich daarna tot stafofficier en militair attaché. Zijn vorming bleef die van een beroepsmilitair, ook toen hij later als politicus en diplomaat werkte. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bereikte hij de rang van luitenant-kolonel. Die rang markeert het hoogste niveau van zijn formele militaire loopbaan. Daarna lag zijn invloed niet meer in bevelvoering aan het front, maar in diplomatieke posten en in de hoogste regionen van de Duitse politiek.
Onderscheidingen
Tijdens zijn militaire loopbaan ontving Von Papen Pruisische oorlogsonderscheidingen. In biografische overzichten worden in elk geval het IJzeren Kruis, tweede klasse, en het IJzeren Kruis, eerste klasse, genoemd. Daarnaast droeg hij als diplomaat buitenlandse orden die verbonden waren aan zijn vertegenwoordigende functies. Omdat zulke lijsten per naslagwerk kunnen verschillen, is een beperkte en controleerbare vermelding hier passender dan een lange opsomming zonder vaste context. Voor de duiding van zijn loopbaan zijn zijn politieke en diplomatieke functies bovendien belangrijker dan zijn decoraties.
Conclusie
De loopbaan van Franz von Papen laat zien hoe nauw leger, diplomatie en conservatieve machtspolitiek in Duitsland tussen keizerrijk, republiek en dictatuur met elkaar verbonden konden zijn. Hij begon als officier, werkte daarna als diplomaat en bereikte in 1932 het kanselierschap zonder parlementaire meerderheid. Zijn aandeel in de benoeming van Hitler vormt een vast onderdeel van de historische beoordeling van zijn loopbaan. Daarna verschoof zijn werk naar diplomatieke opdrachten in Oostenrijk en Turkije. Na 1945 bleef zijn plaats in de geschiedschrijving omstreden, vooral omdat politieke verantwoordelijkheid en strafrechtelijke aansprakelijkheid niet samenvielen.
Bronnen en meer informatie
- Shirer, William L. (1990). The Rise and Fall of the Third Reich: A History of Nazi Germany. New York: Simon & Schuster. ISBN 0-671-72868-7.
- Kershaw, Ian (1998). Hitler 1889-1936: Hubris. New York: W. W. Norton & Company. ISBN 0-393-04671-0.
- Bullock, Alan (1993). Hitler and Stalin: Parallel Lives. New York: Vintage Books. ISBN 0-679-72994-1.
- Evans, Richard J. (2003). The Coming of the Third Reich. New York: Penguin Press. ISBN 1-59420-004-1.
- Fest, Joachim C. (2001). Speer: The Final Verdict. San Diego: Harcourt. ISBN 0-15-100556-7.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.










