De Schemeroorlog duurde van 3 september 1939 tot 10 mei 1940. Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië waren formeel in oorlog, maar aan het Westelijk Front werd slechts beperkt gevochten. De grote landlegers bleven grotendeels achter hun verdedigingslinies. Intussen woedde de oorlog wel in Polen, op zee, in de lucht en later in Scandinavië.
Begrip en tijdsafbakening
De benaming Schemeroorlog verwijst naar de onduidelijke toestand tussen oorlogsverklaring en grootschalige landstrijd in West-Europa. In Groot-Brittannië raakte de term phoney war ingeburgerd, in Frankrijk sprak men van drôle de guerre en in Duitsland van Sitzkrieg. Winston Churchill gebruikte later de aanduiding Twilight War. De verschillende namen benadrukken dezelfde tegenstelling: Europa verkeerde officieel in oorlog, terwijl aan de Frans-Duitse grens geen herhaling van de grote veldslagen uit de Eerste Wereldoorlog plaatsvond.
De gebruikelijke tijdsafbakening loopt van de Britse en Franse oorlogsverklaringen op 3 september 1939 tot de Duitse aanval op Nederland, België, Luxemburg en Frankrijk op 10 mei 1940. De aanval op Denemarken en Noorwegen van 9 april doorbrak de voorafgaande rust al een maand eerder. Toch bleef het Westelijk Front tot 10 mei grotendeels onveranderd. Daarom geldt die datum doorgaans als het einde van de Schemeroorlog en het begin van de Duitse veldtocht in West-Europa.
De term kan ten onrechte de indruk wekken dat er nauwelijks oorlog werd gevoerd. In Polen vonden vanaf september 1939 zware gevechten, bombardementen en bezettingen plaats, terwijl de Sovjet-Unie op 17 september vanuit het oosten binnenviel. Ook op de Atlantische Oceaan begonnen direct onderzeebootoorlog, mijnenoorlog en aanvallen op koopvaardijschepen. De relatieve stilstand gold dus vooral voor de landlegers langs de Frans-Duitse grens en niet voor de oorlog als geheel.
Oorlogsverklaringen en eerste landoperaties
De inval in Polen
Duitsland viel Polen op 1 september 1939 aan met landstrijdkrachten, luchtmacht en marine-eenheden. Groot-Brittannië en Frankrijk eisten vervolgens dat de Duitse troepen zich zouden terugtrekken, maar Berlijn gaf daaraan geen gehoor. Beide landen verklaarden Duitsland op 3 september de oorlog. Daarmee ontstond opnieuw een Europees conflict tussen grote mogendheden, hoewel de westelijke geallieerden niet onmiddellijk een grootschalige veldtocht tegen Duitsland begonnen.
Polen had verdragen met Frankrijk en Groot-Brittannië, maar geografisch lag het land buiten het directe bereik van hun hoofdlegers. Frankrijk kon Duitsland alleen over de gemeenschappelijke grens aanvallen, terwijl Groot-Brittannië eerst een expeditieleger naar Frankrijk moest overbrengen. De Poolse strijdkrachten werden intussen vanuit het westen, noorden en zuiden aangevallen. Na de Sovjetinval en de val van Warschau eind september was georganiseerd Pools verzet op grote schaal niet meer vol te houden.
Het Saaroffensief
Frankrijk begon op 7 september 1939 een beperkte opmars in het Saarland, bekend als het Saaroffensief. Franse eenheden trokken over de grens, bezetten enkele dorpen en naderden vooruitgeschoven delen van de Westwall. Het grootste deel van het Duitse leger vocht op dat moment in Polen, maar de Duitse grensverdediging bestond uit bunkers, mijnenvelden en voorbereide stellingen. De Franse legerleiding wilde zonder volledige mobilisatie, zware artillerie en uitgewerkte bevoorrading geen brede doorbraak forceren.
De opmars kwam na enkele dagen vrijwel tot stilstand. Tijdens de geallieerde bijeenkomst in Abbeville op 12 september werd besloten geen omvangrijke aanval tegen de Westwall te beginnen. Nadat de Poolse nederlaag duidelijk was geworden, trokken de Franse eenheden vanaf eind september terug. Midden oktober stonden zij opnieuw achter de eigen grens en de Maginotlinie. Daarmee eindigde de enige Franse landoperatie van enige omvang tijdens de eerste oorlogsmaand.
Het Saaroffensief verminderde de Duitse druk op Polen niet in beslissende mate. Duitsland kon na afloop van de Poolse veldtocht steeds meer divisies naar het westen verplaatsen en de grensverdediging versterken. De geallieerde terughoudendheid kwam voort uit mobilisatieproblemen, de herinnering aan de verliezen van 1914–1918 en vertrouwen in een langdurige oorlog. Daardoor ging de periode voorbij waarin het Duitse leger nog grotendeels in Polen was gebonden, zonder dat Frankrijk een algemene aanval inzette.
Geallieerde strategie voor een langdurige oorlog
De Franse verdedigingsopvatting
De Franse strategie was gericht op bescherming van het eigen grondgebied en op een zorgvuldig voorbereide veldslag. De Maginotlinie dekte een groot deel van de grens met Duitsland en moest een rechtstreekse aanval vertragen of naar België dwingen. Frankrijk beschikte over omvangrijke strijdkrachten, maar veel divisies waren afhankelijk van paarden, spoorwegen en vaste bevoorradingsschema’s. De legerleiding gaf daarom de voorkeur aan gecontroleerde operaties met sterke artilleriesteun boven snelle, zelfstandige bewegingen van grote formaties.
België en Nederland wilden hun neutraliteit behouden, waardoor voorafgaande geallieerde samenwerking beperkt bleef. De Franse en Britse planning ging er desondanks van uit dat een Duitse aanval waarschijnlijk via België zou komen. Bij zo’n aanval zouden de geallieerde legers naar voren trekken en een verdedigingslijn in Midden-België innemen. Deze aanpak moest Noord-Frankrijk beschermen, maar vereiste snelle verplaatsingen op het moment dat de oorlog in het westen werkelijk begon.
De Britse militaire opbouw
Groot-Brittannië stuurde vanaf september 1939 de British Expeditionary Force naar Frankrijk. Het expeditieleger groeide geleidelijk, legde verdedigingswerken aan en trainde samen met Franse eenheden. Tegelijkertijd breidde de Britse regering de landmacht, luchtmacht en oorlogsindustrie uit. De Britse bijdrage was aanvankelijk kleiner dan de Franse, maar Londen verwachtte dat tijd, productiecapaciteit en toegang tot grondstoffen de geallieerde positie zouden versterken.
De economische blokkade
De Britse zeeblokkade vormde een vast onderdeel van de geallieerde oorlogsvoering. De Royal Navy controleerde scheepvaartroutes, onderzocht ladingen en probeerde de invoer van olie, ertsen, voedsel en andere goederen naar Duitsland te beperken. Deze aanpak was gebaseerd op de ervaring van de Eerste Wereldoorlog, toen langdurige economische druk de Duitse economie en bevolking zwaar had belast. Londen en Parijs verwachtten dat blokkade, herbewapening en financiële druk samen de Duitse oorlogsvoering zouden verzwakken.
De blokkade kon echter niet op korte termijn een Duitse nederlaag veroorzaken. Duitsland beschikte over voorraden, handel met neutrale landen en aanvoer uit gebieden in Midden- en Zuidoost-Europa. Bovendien leverde de Sovjet-Unie op grond van Duits-Sovjetovereenkomsten graan, olie en andere grondstoffen. De Britse controle op zee beperkte bepaalde handelsstromen, maar sloot Duitsland niet volledig af. Het geallieerde vertrouwen in economische uitputting hield daarom onvoldoende rekening met de tijd die daarvoor nodig was.
Oorlog buiten de Frans-Duitse grens
Strijd op zee
Op zee begon de oorlog vrijwel direct. De Duitse onderzeeboot U-30 bracht op 3 september 1939 het Britse passagiersschip Athenia tot zinken, waarbij ook burgers omkwamen. In oktober drong U-47 de Britse marinebasis Scapa Flow binnen en torpedeerde het slagschip Royal Oak. Duitse onderzeeboten, zeemijnen en oppervlakteschepen dwongen Groot-Brittannië vervolgens konvooien te organiseren en grote aantallen oorlogsschepen voor bescherming van de handelsvaart in te zetten.
De jacht op het Duitse pantserschip Admiral Graf Spee liet eveneens zien dat de oorlog op zee geen stilstand kende. Het schip viel geallieerde koopvaardij aan in de Atlantische en Indische Oceaan en werd in december 1939 bij de Río de la Plata door Britse kruisers onderschept. Na schade en diplomatieke druk liet de Duitse commandant het schip buiten Montevideo tot zinken brengen. Zulke operaties hadden geen direct gevolg voor de landgrens, maar bonden wel geallieerde schepen en middelen.
Beperkte luchtoorlog
De luchtoorlog boven Duitsland en West-Europa bleef aanvankelijk begrensd door politieke voorschriften. Britse bommenwerpers wierpen in de eerste oorlogsmaanden vooral pamfletten af en vielen marinedoelen aan wanneer burgers naar verwachting niet werden geraakt. Een Britse aanval bij Wilhelmshaven op 18 december 1939 leidde tot zware verliezen onder bommenwerpers. Daarna verschoof Bomber Command een groter deel van zijn operaties naar de nacht, terwijl brede aanvallen op Duitse steden nog uitbleven.
Aan het front voerden beide luchtmachten verkenningen uit en probeerden zij vijandelijke vliegtuigen te onderscheppen. De Luftwaffe verzamelde gegevens over geallieerde vliegvelden, spoorwegen en troepenbewegingen, terwijl Franse en Britse toestellen hetzelfde boven Duits gebied deden. Luchtgevechten en verliezen kwamen voor, maar bereikten niet de omvang van mei en juni 1940. De beperkte inzet weerspiegelde de verwachting dat de oorlog nog lang zou duren.
Patrouilles aan het Westelijk Front
Langs de grens bestond het dagelijkse militaire werk uit patrouilles, observatie, artillerievuur en plaatselijke overvallen. Franse en Duitse eenheden legden mijnenvelden aan, verbeterden bunkers en probeerden gevangenen te maken voor inlichtingen. Daarbij vielen doden en gewonden, ook al bleven grote aanvallen uit. De benaming Sitzkrieg beschreef daarom vooral het ontbreken van beweging op legerniveau en niet de volledige afwezigheid van gevechtshandelingen.
Mobilisatie en dagelijks leven
Maatregelen voor de burgerbevolking
De oorlogsverklaringen leidden in Groot-Brittannië en Frankrijk tot evacuaties, verduistering en voorbereiding op luchtaanvallen. Britse kinderen werden uit grote steden naar minder kwetsbare gebieden gebracht, terwijl bewoners van Franse grensstreken tijdelijk hun woonplaatsen moesten verlaten. Straatsburg werd grotendeels ontruimd en langs de Maginotlinie kwamen militaire zones tot stand. Toen grote bombardementen uitbleven, keerden delen van het openbare leven terug, maar de noodmaatregelen bleven van kracht.
In Groot-Brittannië begon de rantsoenering van enkele levensmiddelen in januari 1940. Overheden controleerden productie, transport en grondstoffen steeds sterker, terwijl bedrijven overschakelden op militaire opdrachten. De mobilisatie veranderde het dagelijks leven zonder dat de meeste burgers al direct met landgevechten werden geconfronteerd. Daardoor bestond de periode uit een combinatie van zichtbare oorlogsvoorbereiding en onzekerheid over het tijdstip en de plaats van de verwachte Duitse aanval.
Het leven van de soldaten
Voor veel soldaten werd de winter van 1939–1940 gekenmerkt door training, wachtlopen en aanleg van verdedigingswerken. De strenge winter bemoeilijkte verplaatsingen en maakte het verblijf in tijdelijke onderkomens zwaar. Lange perioden zonder grote operaties veroorzaakten verveling en verslapping, waarop legerleidingen reageerden met oefeningen, inspecties en onderwijs. Tegelijkertijd konden eenheden hun verbindingen, bevoorrading en samenwerking verbeteren voordat de veldtocht in het westen begon.
Duitse voorbereiding op de aanval in het westen
De ontwikkeling van Fall Gelb
Adolf Hitler gaf op 9 oktober 1939 opdracht een aanval in het westen voor te bereiden. Zolang Groot-Brittannië en Frankrijk bleven doorvechten, dreigde een langdurige oorlog waarin Duitsland economisch en militair steeds zwaarder werd belast. De eerste plannen voorzagen in een opmars door Nederland en België die in hoofdlijnen leek op de noordelijke beweging van 1914. De begindatum werd herhaaldelijk uitgesteld door slecht weer, logistieke problemen en twijfels binnen de legerleiding.
Daardoor kreeg Duitsland maanden om de strijdkrachten uit Polen naar het westen over te brengen en het operatieplan verder aan te passen. Een Duits vliegtuig met delen van het aanvalsplan landde op 10 januari 1940 bij Mechelen in België. Het incident vergrootte de vrees dat de geallieerden de noordelijke opzet kenden, terwijl binnen de Duitse legerleiding al voorstellen voor een andere operatie circuleerden. Generaal Erich von Manstein had voorgesteld het zwaartepunt zuidelijker te leggen.
Pantserformaties zouden volgens het aangepaste plan door de Ardennen oprukken, de Maas oversteken en vervolgens naar het Kanaal draaien. Ondertussen moest de aanval in België de geallieerde hoofdlegers naar het noorden trekken. Het plan concentreerde een groot deel van de mobiele Duitse eenheden bij Legergroep A. De Ardennen golden aan geallieerde zijde niet als ondoordringbaar, maar wel als lastig terrein voor een snelle opmars van grote pantsercolonnes.
De verdediging langs de Maas was daardoor minder sterk dan in Midden-België. Duitsland koppelde de verrassende route aan luchtsteun, tijdelijke bruggen, radioverbindingen en ruime beslissingsvrijheid voor commandanten ter plaatse. Deze middelen moesten voorkomen dat de opmars na een plaatselijke doorbraak tot stilstand kwam. Het plan was erop gericht het geallieerde front niet over de volle breedte terug te dringen, maar de noordelijke legers af te snijden van de rest van Frankrijk.
De betekenis van de term Blitzkrieg
De Duitse aanvalsmethode werd later vaak samengevat met het woord Blitzkrieg. Dat was in 1939–1940 geen uitgewerkte officiële doctrine die tijdens de Schemeroorlog plotseling was ontworpen. Het Duitse leger bouwde voort op bewegingsoorlog, opdrachtgerichte bevelvoering en samenwerking tussen tanks, infanterie, genie, artillerie en luchtmacht. De snelle uitkomst van de veldtocht ontstond uit de concentratie van middelen, operationele verrassing en het vermogen om plaatselijke doorbraken direct uit te buiten.
De geallieerden beschikten eveneens over moderne tanks en vliegtuigen, maar verdeelden veel pantservoertuigen over infanterieformaties of reserveopdrachten. Franse pantserdivisies bestonden wel, maar waren nog jong en hadden minder geoefende verbindingen. Bovendien verliep besluitvorming vaak via meerdere hoofdkwartieren. Het verschil lag daarom niet alleen in aantallen of technische kwaliteit, maar vooral in inzetwijze, tempo, communicatie en bevelvoering.
Scandinavië en het einde van de stilstand
De Winteroorlog en het Scandinavische vraagstuk
De Sovjetaanval op Finland van 30 november 1939 verplaatste de aandacht tijdelijk naar Noord-Europa. Groot-Brittannië en Frankrijk bespraken militaire hulp aan Finland via Noorwegen en Zweden. Zo’n operatie zou tegelijk invloed geven op de aanvoer van Zweeds ijzererts naar Duitsland, die in de winter voor een deel via de Noorse haven Narvik liep. Noorwegen en Zweden wilden hun neutraliteit echter bewaren en gaven geen toestemming voor een grote geallieerde doortocht.
De strijd om handelsroutes maakte Noorwegen steeds belangrijker. In februari 1940 enterden Britse marinemensen het Duitse bevoorradingsschip Altmark in Noorse wateren en bevrijdden Britse gevangenen. Het incident liet zien dat de Noorse neutraliteit door beide oorlogvoerende kampen onder druk stond. Duitsland vreesde Britse controle over de kust en de ertstransporten, terwijl Groot-Brittannië de Duitse toegang tot Narvik wilde beperken.
De aanval op Denemarken en Noorwegen
Groot-Brittannië legde op 8 april 1940 mijnen in delen van de Noorse kustwateren. Een dag later begon Duitsland Operatie Weserübung, de aanval op Denemarken en Noorwegen. Denemarken staakte de georganiseerde tegenstand binnen enkele uren, terwijl Noorwegen met geallieerde steun langer doorvocht. Duitse luchtlandingstroepen, marineschepen en landstrijdkrachten bezetten belangrijke havens en vliegvelden, ondanks verliezen bij onder meer Oslo en Narvik.
De geallieerden landden troepen bij Narvik, Namsos en Åndalsnes, maar de operaties leden onder gebrekkige samenhang, Duits luchtoverwicht en moeilijke bevoorrading. In juni werden de geallieerde eenheden uit Noorwegen teruggetrokken vanwege de gebeurtenissen in Frankrijk. Vanaf april bleef de oorlog niet langer beperkt tot blokkade en grensbewaking. Het Britse debat over Noorwegen droeg bovendien bij aan het aftreden van premier Neville Chamberlain.
De Duitse aanval van 10 mei 1940
Duitsland viel op 10 mei 1940 Nederland, België en Luxemburg binnen en begon tegelijk de aanval op Frankrijk. Luchtlandingseenheden werden ingezet bij bruggen, vliegvelden en het Belgische fort Eben-Emael. Zoals voorzien trokken Britse en Franse legers naar België om daar de Duitse opmars op te vangen. Daardoor bewogen sterke geallieerde formaties weg van de sector waar de Duitse hoofdaanval door de Ardennen naderde.
Duitse pantserformaties bereikten de Maas en forceerden op 12 en 13 mei overgangen bij Dinant, Sedan en Monthermé. De doorbraak bij Sedan ontregelde de Franse verdediging, waarna mobiele eenheden snel westwaarts trokken. Op 20 mei bereikten Duitse troepen de Kanaalkust en sneden zij grote Britse, Franse en Belgische strijdkrachten in het noorden af. Daarmee veranderde de maandenlange stilstand binnen tien dagen in een geallieerde operationele nederlaag.
Neville Chamberlain trad op 10 mei af en Winston Churchill vormde dezelfde dag een nieuwe Britse regering. De omsingeling in Noord-Frankrijk leidde eind mei tot de evacuatie bij Duinkerke. Frankrijk zette de strijd daarna voort, maar vroeg in juni om een wapenstilstand, die op 22 juni werd ondertekend. De Schemeroorlog eindigde dus niet door diplomatieke ontspanning, maar door een Duitse aanval die de bestaande geallieerde plannen in korte tijd ontwrichtte.
Betekenis van de Schemeroorlog
De Schemeroorlog was geen periode waarin regeringen en legers niets deden. Groot-Brittannië en Frankrijk mobiliseerden, breidden de productie uit, bouwden stellingen en voerden economische oorlog. Duitsland herstelde zijn eenheden, verplaatste strijdkrachten en wijzigde het plan voor de aanval in het westen. Het verschil lag vooral in het doel waarvoor de beschikbare tijd werd gebruikt: de geallieerden bereidden een lange verdedigingsoorlog voor, terwijl Duitsland een geconcentreerde operationele doorbraak organiseerde.
De geallieerde strategie berustte op de verwachting dat tijd, blokkade en grotere economische middelen in hun voordeel zouden werken. Deze verwachting steunde op toegang tot wereldhandel, koloniale grondstoffen en een groeiende gezamenlijke productiecapaciteit. Zij bood echter geen antwoord op een snelle Duitse doorbraak voordat de economische druk haar volledige werking kon bereiken. Bovendien maakte de opmars naar België de geallieerde noordelijke legers kwetsbaar voor een doorstoot naar het Kanaal.
Militaire stilstand betekende tijdens de Schemeroorlog geen afwezigheid van voorbereiding. Achter de rustige frontlijn vonden productie, inlichtingenwerk, diplomatieke druk, planning en verplaatsing van miljoenen militairen plaats. De oorlog op zee en in Noord-Europa ging ondertussen door. Toen Duitsland op 10 mei aanviel, kwamen maanden van voorbereiding in één veldtocht samen en verdween de scheiding tussen formele oorlog en grootschalige strijd in het westen.
Conclusie
De Schemeroorlog duurde van 3 september 1939 tot 10 mei 1940 en werd gekenmerkt door beperkte landstrijd aan de Frans-Duitse grens. Frankrijk voerde kort het Saaroffensief uit. Daarna kozen Frankrijk en Groot-Brittannië voor verdediging, militaire opbouw en economische blokkade. Tegelijkertijd werd wel gevochten in Polen, op zee, in de lucht, in Finland en vanaf april 1940 in Scandinavië.
De periode gaf beide kampen tijd, maar zij gebruikten die op verschillende manieren. De geallieerden rekenden op een langdurig conflict waarin blokkade en productie steeds zwaarder zouden wegen. Duitsland concentreerde mobiele eenheden, wijzigde Fall Gelb en bereidde een aanval via de Ardennen voor. De inval van 10 mei 1940 maakte een einde aan de stilstand en opende de snelle Duitse veldtocht in West-Europa.
Bronnen en meer informatie
- Churchill, Winston S. (1986). The Second World War, Volume I: The Gathering Storm. Boston: Houghton Mifflin. ISBN 978-0-395-41055-4.
- Weinberg, Gerhard L. (2005). A World at Arms: A Global History of World War II. Cambridge: Cambridge University Press. ISBN 978-0-521-61826-7.
- Hastings, Max (2011). All Hell Let Loose: The World at War 1939–1945. London: HarperPress. ISBN 978-0-00-733809-2.
- Frieser, Karl-Heinz (2005). The Blitzkrieg Legend: The 1940 Campaign in the West. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-294-2.
- Doughty, Robert A. (1985). The Seeds of Disaster: The Development of French Army Doctrine, 1919–1939. Hamden: Archon Books. ISBN 978-0-208-02096-3.
- Horne, Alistair (1969). To Lose a Battle: France 1940. London: Macmillan. ISBN 978-0-333-10264-0.
- Rohwer, Jürgen (2005). Chronology of the War at Sea 1939–1945: The Naval History of World War Two. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-119-8.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.










