Stefan Palko, geboren in 1916 en met een onbekende overlijdensdatum, was een Duitse kapper, SS-Rottenführer en Blockführer in concentratiekamp Mittelbau-Dora. Hij diende daar van november 1943 tot 5 april 1945. Een Amerikaans militair gerecht veroordeelde hem in december 1947 aanvankelijk tot 25 jaar gevangenisstraf. Na herziening bleef een veroordeling wegens mishandeling over en werd de straf tot 15 jaar verminderd.
Vroege leven en opleiding
Over Palko’s jeugd en opleiding zijn weinig verifieerbare gegevens bewaard gebleven. De Amerikaanse processtukken noemen 1916 als zijn geboortejaar en vermelden dat hij in 1948 31 jaar oud was. Zijn geboorteplaats, de namen van zijn ouders en zijn gezinssituatie staan niet in de geraadpleegde dossiers. Ook over zijn schooltijd, een eventuele beroepsopleiding en zijn woonplaats vóór de oorlog geven deze stukken geen betrouwbare informatie.
Het ontbreken van zulke persoonsgegevens beperkt een biografische beschrijving van zijn eerste levensjaren. De beschikbare documenten zijn vooral opgesteld voor de strafzaak en behandelen daarom zijn werkzaamheden in Mittelbau-Dora en de tegen hem afgelegde verklaringen. Zij vormen geen volledig personeels- of bevolkingsdossier. Een nadere invulling van zijn jeugd of opleiding zonder aanvullende archiefstukken zou daardoor niet op controleerbare feiten berusten.
Interbellum: beroep als kapper
Palko was vóór of naast zijn dienst bij de SS van beroep kapper. Dit burgerberoep staat in het Amerikaanse herzieningsdossier, maar de stukken noemen geen werkgever, vestigingsplaats of periode waarin hij het uitoefende. Evenmin is vastgelegd wanneer hij lid werd van de SS of welke werkzaamheden hij vóór november 1943 voor die organisatie verrichtte. Zijn loopbaan tijdens het interbellum kan daarom niet verder worden gereconstrueerd.
De bronnen geven ook geen uitsluitsel over een aansluiting bij de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij of een andere nationaalsocialistische organisatie. Lidmaatschap van de SS mag niet zonder afzonderlijk bewijs worden gelijkgesteld aan een bekende datum van partijlidmaatschap. Wel staat vast dat Palko tijdens de oorlog de rang van SS-Rottenführer droeg. De eerste nauwkeurig gedateerde functie in zijn dossier is die van Blockführer in Mittelbau-Dora vanaf november 1943.
Deelname aan de Tweede Wereldoorlog
Mittelbau-Dora bij Nordhausen
De SS vestigde het kamp Dora op 28 augustus 1943 bij de Kohnstein, ten noorden van Nordhausen. Het was aanvankelijk een buitenkamp van concentratiekamp Buchenwald. De eerste 107 gevangenen moesten een bestaand tunnelstelsel ombouwen tot een ondergrondse fabriek voor de Duitse wapenindustrie. De verplaatsing van de raketproductie naar deze locatie volgde op het geallieerde bombardement op Peenemünde in augustus 1943.
Palko begon zijn gedocumenteerde dienst in november 1943, tijdens de aanleg van de ondergrondse productielocatie. Veel gevangenen werkten en verbleven toen nog in de tunnels, waar sanitaire voorzieningen, slaapplaatsen en medische zorg onvoldoende waren. Zij moesten zwaar werk uitvoeren onder omstandigheden die tot ziekte, uitputting en sterfte leidden. In de Mittelwerk-fabriek werden later vooral A4-raketten vervaardigd, door het naziregime aangeduid als V2-wapens.
Op 28 oktober 1944 werd Mittelbau een zelfstandig concentratiekamp, los van Buchenwald. Dora vormde vervolgens het bestuurlijke centrum van een stelsel van bijna veertig kampen in de Harz. Tussen 1943 en 1945 werden ongeveer 60.000 mensen uit verschillende Europese landen in dit kampstelsel gevangengehouden. Minstens 20.000 gevangenen overleefden de detentie, dwangarbeid en ontruimingstransporten niet.
Deze algemene slachtoffercijfers beschrijven het gehele kampstelsel en kunnen niet persoonlijk aan Palko worden toegeschreven. Zijn strafzaak had betrekking op drie concrete voorvallen uit december 1943, maart 1944 en juli 1944. De Amerikaanse aanklagers onderzochten daarbij of hij zelf geweld tegen gevangenen had gebruikt en welke gevolgen dat geweld had gehad. Zijn functie binnen het kamp vormde de context, maar verving het bewijs per beschuldiging niet.
Werk als Blockführer
Palko diende in Mittelbau-Dora als Blockführer van november 1943 tot 5 april 1945. Een Blockführer was een SS-functionaris die toezicht hield op gevangenen en op een of meer woonblokken binnen het kamp. Gebruikelijke taken betroffen de controle van appèls, de bezetting en orde van barakken en de uitvoering of melding van disciplinaire maatregelen. Het procesdossier vermeldt niet aan welk afzonderlijk blok Palko was toegewezen.
De functie bracht hem rechtstreeks in contact met gevangenen, zowel bij de verblijven als op werklocaties. Getuigen plaatsten hem onder meer in de tunnels van het complex, waar gevangenen onder SS-toezicht werkten. Een getuige voor de verdediging verklaarde Palko meermaals gevangenen met zijn handen te hebben zien slaan, maar zei daarbij geen verwondingen te hebben waargenomen. Palko had eerder zelf verklaard dat hij twee Russische gevangenen wegens vermeende diefstal met zijn blote handen had geslagen.
Die verklaring bewees niet dat Palko ook ieder later ten laste gelegd voorval had gepleegd. Voor elke aanklacht moest het gerecht afzonderlijk vaststellen wie het geweld had gebruikt, wat een getuige zelf had gezien en welk letsel daarvan het gevolg was. Vooral bij de twee beschuldigingen met een dodelijke afloop moest een oorzakelijk verband worden aangetoond. De latere juridische herziening maakte daarom onderscheid tussen rechtstreekse waarnemingen en verklaringen die op mededelingen van anderen berustten.
Einde van zijn kampdienst
Begin april 1945 liet de SS het grootste deel van Mittelbau ontruimen wegens de naderende Amerikaanse troepen. Duizenden gevangenen werden te voet of per trein weggevoerd; velen stierven tijdens de transporten en dodenmarsen. Palko’s vastgelegde diensttijd eindigde op 5 april 1945. Amerikaanse eenheden bereikten het kamp Dora op 11 april en troffen daar nog enkele honderden zieke en uitgeputte gevangenen aan.
De geraadpleegde processtukken beschrijven niet waar Palko zich tussen 5 april en zijn arrestatie bevond. Zij vermelden wel dat zijn latere gevangenisstraf vanaf 2 mei 1945 werd berekend. Die datum geldt in het procesoverzicht als aanvangsdatum van de straf, maar geeft op zichzelf geen volledige beschrijving van zijn aanhouding. Over militaire gevechtshandelingen door Palko buiten het concentratiekamp zijn geen gegevens aangetroffen.
Na de oorlog
De Amerikaanse strafzaak
Palko verscheen na de oorlog voor een Amerikaans militair gerecht in Dachau. De zaak droeg het nummer 000-Nordhausen-6 en behoorde tot de vervolging van personeel uit het Mittelbau-Dora-complex. Zij stond los van het Internationale Militaire Tribunaal in Neurenberg. De Verenigde Staten behandelden in Dachau zowel een groter Nordhausen-proces tegen Kurt Andrae en achttien medeverdachten als vijf afzonderlijke zaken, waaronder die tegen Palko.
Het proces tegen Palko begon op 3 december 1947 en eindigde met de uitspraak op 12 december. De oorspronkelijke aanklacht was hem op 14 november betekend, waarna op 20 november een gewijzigde versie volgde. Na de eerste zittingsdag werd de behandeling onderbroken omdat de hoofdverdediger bij een andere zaak betrokken was. Op 11 december werd de zaak voortgezet met de burgeradvocaat Claudio Delitala als aanvullende raadsman.
De verdediging voerde later aan dat de voorbereiding onvoldoende was geweest en dat het bewijs niet aan de vereiste maatstaf voldeed. De toetsende juristen verwierpen het bezwaar over de voorbereiding, omdat Delitala schriftelijk had bevestigd gereed te zijn voor de behandeling. Palko kreeg gelegenheid om zelf een verklaring voor het gerecht af te leggen, maar maakte daarvan geen gebruik. Twee verdedigingsgetuigen zeiden niet te hebben gehoord dat hij een gevangene had gedood.
De drie aanklachten
De aanklacht omvatte drie schendingen van de wetten en gebruiken van de oorlog. Het eerste feit betrof de vermeende dood van een niet-Duitse gevangene in december 1943, het tweede een sterfgeval in juli 1944. Het derde feit ging over de mishandeling van twee Franse gevangenen in maart 1944. Palko verklaarde zich bij alle drie de onderdelen niet schuldig.
Bij het eerste voorval verklaarde de voormalige Franse majoor Michel dat hij Palko een Franse gevangene met een rubber beklede elektriciteitskabel zag slaan. Het slachtoffer, in het dossier gespeld als Armand Dan Pierre, zakte in elkaar en werd volgens Michel daarna geschopt. Hij kreeg ademhalingsproblemen en vertrok ongeveer tien dagen later met een transport voor zieke gevangenen. Zijn naam stond vervolgens op een overlijdenslijst, maar de doodsoorzaak was niet afdoende vastgelegd.
De tweede beschuldiging betrof een Russische gevangene die in juli 1944 bewusteloos naar de ziekenafdeling werd gebracht. Een arts stelde een schedelbreuk, gebroken ribben en een open hoofdwond vast; de gevangene overleed diezelfde avond. De arts had niet zelf gezien wie het slachtoffer had mishandeld. Zijn informatie dat Palko de dader was, kwam van een eerstehulpverlener die niet rechtstreeks en uitvoerig over zijn waarneming werd ondervraagd.
Het derde feit betrof twee Franse gevangenen die in maart 1944 met snijwonden en kneuzingen bij de ziekenafdeling kwamen. Volgens een arts waren zij geslagen nadat zij lichamelijk niet in staat bleken een als latrine gebruikte ton te verplaatsen. Een van hen hield blijvend letsel aan het hoornvlies en gedeeltelijk verlies van gezichtsvermogen over. De medische verwondingen waren beschreven, maar de identificatie van Palko als dader berustte niet op afdoende rechtstreeks bewijs.
Vonnis en juridische herziening
Het militaire gerecht verklaarde Palko op 12 december 1947 aanvankelijk schuldig aan alle drie de feiten. Hij kreeg een gevangenisstraf van 25 jaar, gerekend vanaf 2 mei 1945. De uitspraak werd daarna volgens de Amerikaanse militaire procedure juridisch getoetst. Daardoor moet onderscheid worden gemaakt tussen het oorspronkelijke vonnis en de schuldvaststellingen die na deze herziening in stand bleven.
Het Deputy Judge Advocate’s Office van de 7708 War Crimes Group voltooide zijn advies op 5 februari 1948. De juristen onderzochten de bevoegdheid van het gerecht, het optreden van de verdediging en de bewijskracht van de verklaringen. Zij vonden geen procedurele tekortkoming die Palko een behoorlijke verdediging had ontnomen. Voor twee aanklachten vonden zij het bewijs echter onvoldoende om de eerdere schuldvaststelling te handhaven.
De schuldvaststellingen voor het tweede en derde feit werden afgekeurd omdat de koppeling tussen Palko en het beschreven geweld te veel op verklaringen van horen zeggen rustte. Dat oordeel betekende niet dat de verwondingen of het overlijden niet hadden plaatsgevonden. Het betekende dat Palko’s persoonlijke daderschap volgens de gehanteerde bewijsmaatstaf niet afdoende was aangetoond. Korte levensbeschrijvingen vatten deze uitkomst soms samen als vrijspraak voor twee van de drie aanklachten.
Bij het eerste feit achtte de herziening het slaan met de kabel wel bewezen door een rechtstreekse ooggetuigenverklaring. Niet bewezen was dat de Franse gevangene als rechtstreeks gevolg van die mishandeling was overleden. Tussen het geweld en het gemelde overlijden lagen ongeveer tien dagen, terwijl het dossier de doodsoorzaak niet voldoende vastlegde. De schuldvaststelling bleef daarom alleen staan voor de in de aanklacht besloten mishandeling en het toegebrachte letsel.
De oorspronkelijke gevangenisstraf van 25 jaar werd na deze beperking teruggebracht tot 15 jaar. Juridisch is het daarom onjuist om te stellen dat een definitieve veroordeling wegens het doodslaan van de Franse gevangene bleef bestaan. Palko werd uiteindelijk gestraft voor de bewezen mishandeling met een kabel. De twee overige schuldvaststellingen hielden bij de herziening geen stand wegens onvoldoende bewijs over zijn daderschap.
Detentie en onbekende levensloop
De bewaarde Amerikaanse dossierbeschrijving bevat stukken over Palko tot 22 november 1952. Uit die datum kan niet worden afgeleid wanneer hij werd vrijgelaten, omdat een procesdossier ook verzoeken, beoordelingen en gevangenisadministratie kan omvatten. De geraadpleegde openbare bronnen vermelden niet hoeveel van de straf van 15 jaar hij daadwerkelijk heeft uitgezeten. Zij geven evenmin betrouwbare gegevens over zijn woonplaats of beroep na zijn detentie.
Ook Palko’s overlijdensdatum is niet vastgesteld. Het ontbreken van latere informatie bewijst niet dat hij kort na de laatste bewaarde dossierstukken overleed, maar alleen dat zijn verdere levensloop hiermee niet kan worden gevolgd. Gelijknamige personen uit latere bronnen kunnen zonder aanvullende identificatie niet aan hem worden gekoppeld. Een feitelijke biografie eindigt daarom bij de bekende gegevens over zijn veroordeling en detentie.
Militaire rangen
Palko droeg de rang SS-Rottenführer, in de Amerikaanse stukken omschreven als SS corporal. Rottenführer was geen officiersrang en stond in de SS-rangorde boven Sturmmann en onder Unterscharführer. De Schutzstaffel was een nationaalsocialistische en paramilitaire organisatie met een eigen rangenstelsel. De vermelding van corporal in het Engelstalige dossier is een functionele weergave en hoeft niet op ieder onderdeel overeen te komen met een rang in een regulier leger.
De aanduiding Blockführer was geen militaire rang, maar een functie binnen het concentratiekampsysteem. Deze taak gaf Palko rechtstreeks gezag over gevangenen, ook al bekleedde hij geen officiersrang. Hij moet daarom worden onderscheiden van gevangenen die als kapo of Blockältester toezichtstaken uitvoerden. Palko behoorde als SS’er tot het kamppersoneel en oefende zijn functie uit namens de kamporganisatie.
Conclusie
Stefan Palko was een in 1916 geboren kapper die als SS-Rottenführer en Blockführer van november 1943 tot 5 april 1945 in Mittelbau-Dora diende. Een Amerikaans militair gerecht veroordeelde hem op 12 december 1947 aanvankelijk voor drie feiten tot 25 jaar gevangenisstraf. Na herziening vervielen twee schuldvaststellingen en bleef alleen de bewezen mishandeling van een Franse gevangene met een kabel over. De straf werd tot 15 jaar verminderd; zijn latere levensloop en overlijdensdatum zijn niet bekend.
Bronnen en meer informatie
- Wagner, Jens-Christian (red.) (2007). Konzentrationslager Mittelbau-Dora 1943–1945. Begleitband zur ständigen Ausstellung in der KZ-Gedenkstätte Mittelbau-Dora. Göttingen: Wallstein Verlag. ISBN 978-3-8353-0118-4.
- Sigel, Robert (1992). Im Interesse der Gerechtigkeit. Die Dachauer Kriegsverbrecherprozesse 1945–1948. Frankfurt am Main: Campus Verlag. ISBN 978-3-593-34641-0.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









