Home Wapensystemen Artillerie Nebelwerfer 1939–1945: Duitse raketartillerie

Nebelwerfer 1939–1945: Duitse raketartillerie

Duitse militairen laden een 15 cm Nebelwerfer van de Wehrmacht tijdens inzet in Rusland in 1943.
Duitse militairen laden een 15 cm Nebelwerfer tijdens inzet aan het Oostfront in Rusland, 1943

De Nebelwerfer was een Duitse familie van mortieren en raketwerpers die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Nebeltruppen en later de Werfertruppen werd gebruikt. De systemen waren bedoeld voor rook-, brisant- en aanvankelijk ook chemische munitie. Vanaf 1940 verschoof het zwaartepunt naar raketartillerie voor snelle salvo’s tegen grotere doelen en concentraties van troepen.

Naam en oorsprong

De naam Nebelwerfer betekent letterlijk ‘nevelwerper’ of ‘rookwerper’ en hangt samen met de oorspronkelijke taak van de Duitse Nebeltruppe. Deze eenheden werden in oktober 1935 opgebouwd rond de Nebel-Abteilungen 1 en 2 en een opleidings- en proefafdeling. Zij waren voorbereid op het gebruik van rookmiddelen en op chemische oorlogsvoering, maar kregen later een bredere artillerierol. De benaming bleef daardoor bestaan toen raketwerpers de oudere mortieren grotendeels vervingen.

De naam wordt soms verbonden met de Duitse raketpionier Rudolf Nebel, maar de ontwikkeling van de militaire Nebelwerfer kan niet aan hem worden toegeschreven. De eerste wapens met deze naam waren namelijk mortieren en geen raketwerpers. Rudolf Nebel had tijdens de Eerste Wereldoorlog en het interbellum wel met rakettechniek gewerkt en leverde bijdragen aan de vroege Duitse raketontwikkeling. De benaming van de militaire eenheden en wapens sloot echter aan bij hun rook- en chemische taak.

Nebelwerfer 35 en 40

De eerste Nebelwerfer-systemen waren 10 cm-mortieren die een relatief zware nuttige lading konden verschieten. De 10 cm Nebelwerfer 35 werd in 1934 ontworpen en had een bereik van ongeveer 3.000 meter. Door de lagere mondingssnelheid konden mortiergranaten dunnere wanden hebben dan veel artilleriegranaten van vergelijkbaar gewicht. Daardoor bleef meer ruimte beschikbaar voor rook-, chemische of brisante inhoud.

Het Duitse leger wilde vervolgens een groter bereik en ontwikkelde de 10 cm Nebelwerfer 40. Na proeven met prototypes in mei 1940 werden kenmerken van verschillende ontwerpen gecombineerd in een achterlaadwapen met terugstootmechanisme en een eigen affuit. Het bereik lag ongeveer tweemaal zo hoog als dat van de Nebelwerfer 35. Daar stond tegenover dat het systeem veel zwaarder en duurder was, waardoor de overgang naar raketartillerie aantrekkelijker werd.

15 cm Nebelwerfer 41

De 15 cm Nebelwerfer 41 werd vanaf 1940 het belangrijkste vroege raketsysteem van de Nebeltruppen. De lanceerinrichting bestond uit zes buizen op een getrokken affuit die was afgeleid van de 3,7 cm PaK 36. Een volledig salvo kon in korte tijd worden afgevuurd, waardoor meerdere raketten vrijwel gelijktijdig op een doelgebied terechtkwamen. Het bereik bedroeg ongeveer 6.900 meter, wat de bemanning meer afstand tot het doel gaf dan bij de zware korteafstandsraketten.

De 15 cm-raket woog ongeveer 34 kilogram en had een ongebruikelijke constructie. De raketmotor bevond zich voorin, terwijl de uitlaatopeningen verder naar achteren in de romp waren aangebracht. Schuin geplaatste openingen brachten het projectiel in rotatie en stabiliseerden de vlucht. De springkop bevond zich in het achterste deel, zodat deze bij detonatie boven de grond kon blijven en fragmenten zich over een groter gebied konden verspreiden.

De productie maakte van dit systeem een veelgebruikt Duits raketwapen. Tijdens de oorlog werden ongeveer 5,5 miljoen 15 cm-raketten en circa 6.000 lanceerinrichtingen vervaardigd. De Nebelwerfer 41 werd op verschillende fronten ingezet tegen troepenconcentraties, artilleriestellingen en andere grotere doelen. De combinatie van meerdere projectielen per salvo en een relatief lichte lanceerinrichting gaf de eenheden veel vuurkracht zonder het gewicht van zware conventionele artillerie.

28/32 cm Nebelwerfer 41 en zwaar Wurfgerät

Voor zwaardere ladingen gebruikte het Duitse leger de 28 cm-brisant- en 32 cm-brandraketten. Beide typen maakten gebruik van dezelfde aandrijving, maar de 28 cm-raket droeg een zware springlading en de 32 cm-uitvoering een brandlading. Hun bereik was beperkt tot ongeveer 1.900 tot 2.200 meter. Daardoor moesten de lanceerstellingen dichter bij het doel liggen dan bij de 15 cm- en 21 cm-systemen.

De 28 cm-raket woog ongeveer 82 kilogram en bevatte circa 50 kilogram springstof. De 32 cm-raket woog ongeveer 79 kilogram en vervoerde ongeveer 50 liter brandstof plus een kleine verspreidingslading. Beide konden vanuit hun transportkisten worden afgevuurd met het schwere Wurfgerät 40 van hout en later het stalen schwere Wurfgerät 41. Voor mobieler gebruik werden ook lanceerframes aan voertuigen bevestigd, waaronder de Wurfrahmen 40 op Sd.Kfz. 251-halftracks.

De getrokken 28/32 cm Nebelwerfer 41 bood een oplossing waarbij zes zware raketten vanaf een aanhanger konden worden afgevuurd. Het systeem kon door voertuigen zoals de Sd.Kfz. 10 of Sd.Kfz. 11 worden getrokken en maakte een snellere verplaatsing na het schieten mogelijk. De grote projectielen bleven zwaar om te hanteren en het korte bereik beperkte de inzet. Toch waren de wapens bruikbaar tegen grotere oppervlaktedoelen, waar nauwkeurigheid op een klein punt minder bepalend was.

21 cm Nebelwerfer 42

De 21 cm Nebelwerfer 42 werd in 1942 ingevoerd als een zwaarder systeem met groter bereik. De raket woog ongeveer 110 kilogram, had een springkop met circa 38,6 kilogram springstof en kon ongeveer 7.850 meter bereiken. De lanceerinrichting beschikte over vijf buizen op een affuit dat verwant was aan dat van de 15 cm Nebelwerfer 41. Met extra geleiderails konden sommige 21 cm-lanceerinrichtingen ook 15 cm-raketten verschieten.

De constructie van de 21 cm-raket was eenvoudiger dan die van de 15 cm-uitvoering. De uitlaatopeningen bevonden zich achteraan en zorgden door hun lichte schuine stand voor rotatie. In de praktijk trad meer spreiding op dan gewenst, onder meer door onregelmatigheden in de verbranding van de drijflading. Toch bood het grotere kaliber een zwaardere springlading en meer bereik, waardoor het systeem geschikt was voor aanvallen op grotere doelen op middellange afstand.

Van de 21 cm-raket werden meer dan 400.000 exemplaren geproduceerd, terwijl ongeveer 1.400 lanceerinrichtingen werden gebouwd. Het kaliber kreeg daarnaast een tweede toepassing in de luchtmacht. De Luftwaffe paste het projectiel aan tot de Werfer-Granate 21 voor gebruik tegen geallieerde bommenwerperformaties. Daarmee kreeg dezelfde basisraket zowel een rol bij grondartillerie als bij luchtgevechten.

30 cm Nebelwerfer 42 en Raketenwerfer 56

De 30 cm Nebelwerfer 42 werd in 1943 ingevoerd om de korte dracht van de 28 en 32 cm-raketten te verbeteren. De ongeveer 127 kilogram zware 30 cm-raket droeg circa 45 kilogram springstof en bereikte ongeveer 4.550 meter. De ontwikkeling van drijfladingen verminderde bovendien de rookvorming bij de lancering. Oudere lanceerframes konden met aanpassingen voor de nieuwe raket worden gebruikt.

Voor het 30 cm-kaliber bestond ook de 30 cm Raketenwerfer 56. Dit getrokken systeem kon zowel 30 cm-raketten als, met passende geleidingen, 15 cm-raketten afvuren. Daardoor konden eenheden verschillende soorten munitie gebruiken zonder voor elk kaliber een volledig afzonderlijke voertuigbasis nodig te hebben. Van de Raketenwerfer 56 werden ongeveer 500 exemplaren gebouwd, terwijl van de 30 cm-raket minder dan 200.000 stuks werden geproduceerd.

8 cm Raketen-Vielfachwerfer

De Waffen-SS ontwikkelde daarnaast een 8 cm Raketen-Vielfachwerfer naar voorbeeld van de Sovjet M-8-raketwerper. De fin-gestabiliseerde raketten waren eenvoudiger te produceren dan de Duitse spin-gestabiliseerde projectielen en konden vanaf een meervoudige lanceerinrichting worden afgevuurd. Ook buitgemaakte Sovjetmunitie kon worden gebruikt. Het systeem kwam echter niet op dezelfde schaal in productie als de belangrijkste Nebelwerfer-modellen van het leger.

Foto’s tonen 8 cm-lanceerinrichtingen op onder meer halftracks van Franse oorsprong en op voertuigen uit de Sd.Kfz. 4-familie. De ontwikkeling verliep deels buiten de normale productielijnen van het Heereswaffenamt. Proeven en beperkte inzet liepen door tot in 1944. Daardoor bleef de 8 cm Raketen-Vielfachwerfer een aanvullend systeem en geen standaardwapen van de Duitse raketartillerie.

Panzerwerfer

De Panzerwerfer bracht de 15 cm-raketartillerie op een gepantserd halftrackchassis. De bekendste uitvoering was de 15 cm Panzerwerfer 42 auf Selbstfahrlafette Sd.Kfz. 4/1 op basis van de Opel Maultier. Het voertuig droeg een draaibare lanceerinrichting met tien buizen en kon sneller van vuurstelling veranderen dan een getrokken Nebelwerfer. De lichte bepantsering bood de bemanning enige bescherming tegen granaatscherven en klein kaliber vuur.

Van de Maultier-uitvoering werden 300 voertuigen vervaardigd, verdeeld over raketwerpers en vrijwel gelijk uitgevoerde munitievoertuigen. Later verscheen een uitvoering op de schwerer Wehrmachtschlepper, die betere terreinvaardigheid en meer munitieruimte bood. Van deze latere versie werden volgens de beschikbare productiecijfers minder dan honderd voertuigen voltooid. De Panzerwerfer gaf Werfer-eenheden daardoor een mobieler middel om salvo’s af te geven en daarna van positie te wisselen.

Werfer-Granate 21 in de lucht

De Werfer-Granate 21 was een aangepaste 21 cm-raket voor gebruik door de Luftwaffe tegen geallieerde zware bommenwerpers. Het wapen werd op 17 augustus 1943 ingezet tijdens de verdediging tegen de aanval op Schweinfurt. Messerschmitt Bf 109- en Focke-Wulf Fw 190-jagers droegen doorgaans één lanceerbuis onder elke vleugel. Zwaardere typen zoals de Bf 110 en Me 410 konden meer buizen meenemen.

Het doel was om raketten op afstand in dichte bommenwerperformaties te laten ontploffen en zo de formatie uiteen te trekken. De methode had duidelijke technische beperkingen, omdat de zware buizen veel luchtweerstand veroorzaakten en de snelheid en wendbaarheid van het jachtvliegtuig verminderden. De raketten hadden bovendien een gebogen baan, zodat de lanceerbuizen onder een opwaartse hoek werden gemonteerd. Een experiment met grote aantallen opwaarts gerichte raketten in de Heinkel He 177 bereikte geen operationele gevechtsinzet.

Gebruik in gevechten

Een Nebelwerfer-bemanning moest na het laden en richten afstand nemen van de lanceerinrichting vanwege de hete uitlaatgassen. Bij sommige systemen bevond de bediening zich ongeveer 10 tot 15 meter van het wapen en werd het salvo elektrisch ontstoken. De lancering veroorzaakte een duidelijk rookspoor en een karakteristiek huilend geluid. Geallieerde militairen gebruikten daarvoor bijnamen als ‘Screaming Mimi’ en ‘Moaning Minnie’.

Het rookspoor maakte een afgevuurde stelling snel zichtbaar voor vijandelijke waarnemers en artillerie. Daarom moesten bemanning, trekvoertuig en lanceerinrichting na een salvo zo snel mogelijk van positie veranderen. Deze werkwijze verkleinde de kans op tegenvuur, maar stelde eisen aan routekeuze, voorbereiding en munitieaanvoer. Vooral de getrokken systemen bleven kwetsbaar wanneer de verplaatsing werd vertraagd door terrein, beschadigingen of vijandelijk vuur.

Raketartillerie verschilde van conventionele artillerie doordat veel explosieve lading in korte tijd op een gebied kon worden geconcentreerd. Daar stond tegenover dat de spreiding doorgaans groter was dan bij geschut met afzonderlijk gerichte granaten. Nebelwerfer-eenheden waren daarom vooral geschikt voor grotere doelen, zoals verzamelgebieden, verdedigingszones en artilleriestellingen. De systemen vervingen klassieke veldartillerie niet, maar vormden een afzonderlijk middel voor snelle vuurconcentraties.

Organisatie en inzetgeschiedenis

Nebeltruppen waren aanvankelijk georganiseerd rond mortierbatterijen en later rond raketwerperbatterijen. Een getrokken Werfer-batterij telde doorgaans zes lanceerinrichtingen en drie batterijen vormden een bataljon. Meestal werden drie bataljons in een regiment samengebracht. Vanaf het midden van de oorlog kwamen brigades met twee regimenten voor, terwijl sommige regimenten werden versterkt met een batterij Panzerwerfer.

Bij het begin van de oorlog in september 1939 waren de Nebelwerfer-bataljons 1, 2 en 5 uitgerust met elk 24 stuks 10 cm Nebelwerfer 35. De eerste twee namen deel aan de veldtocht in Polen, terwijl het vijfde bataljon in West-Duitsland bleef. In mei 1940 waren meer bataljons gevormd, maar slechts een deel was volledig inzetbaar voor de aanval in het westen. De overgang naar raketwapens versnelde na de levering van de eerste 15 cm Nebelwerfer 41 in juli 1940.

Nieuwe regimenten werden vervolgens gevormd met de 15 cm-raketwerper, waaronder de Nebelwerfer-Regimenter 51, 52 en 53. In 1941 volgden reorganisaties waarbij ook zwaardere 28/32 cm-systemen bij gespecialiseerde eenheden terechtkwamen. Werfer-eenheden dienden later onder meer aan het Oostfront, in Noord-Afrika, Sicilië, Italië, Finland en Noord-Noorwegen. Vanaf 1942 werd in veel eenheidsaanduidingen het woord Nebelwerfer vervangen door Werfer.

De Waffen-SS begon vanaf 1943 eigen Werfer-eenheden op te bouwen, maar deze bleven volgens de organisatorische gegevens op bataljonsniveau. Vanaf 1944 werden legerregimenten vaker in brigades samengebracht. Aan het einde van de oorlog bestonden vijftien Werfer- en Volks-Werfer-Brigaden en daarnaast een Stellungs-Werfer-Brigade. De organisatorische ontwikkeling laat zien dat raketartillerie van een gespecialiseerde neventaak uitgroeide tot een vaste vuursteuncapaciteit binnen de Duitse strijdkrachten.

Conclusie

De Nebelwerfer ontwikkelde zich van een benaming voor rook- en chemische mortieren tot een verzamelnaam voor Duitse raketartillerie. De 15 cm Nebelwerfer 41 werd het meest geproduceerde systeem, terwijl zwaardere uitvoeringen van 21, 28, 30 en 32 cm verschillende afstanden en ladingen boden. Mobiele Panzerwerfer vergrootten de verplaatsingssnelheid, en de Werfer-Granate 21 bracht het concept naar de luchtmacht. De systemen boden veel vuurkracht per salvo, maar bleven afhankelijk van goede verplaatsing, bevoorrading en bescherming tegen tegenvuur.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Bundesarchiv, Bild 101I-220-0634-12 / Scheffler / CC-BY-SA 3.0CC BY-SA 3.0 DE, via Wikimedia Commons
  2. Zetterling, Niklas; Frankson, Anders (2013). The Drive on Moscow, 1941: Operation Taifun And Germany’s First Great Crisis Of World War II. Casemate Publishers. ISBN 978-1-4804-0662-9.
  3. Bergström, Christer (2014). The Ardennes, 1944–1945: Hitler’s Winter Offensive. Casemate Publishers. ISBN 978-1-61200-277-4.
  4. Grosz, Peter M. (1996). Halberstadt Fighters – Classics of WWI Aviation, Volume 1. Berkhamsted, Hertfordshire: Albatros Publications. ISBN 0-948414-86-3.
  5. Petrick, Peter; Stocker, Werner (2007). Messerschmitt Me 210/Me 410 Hornet. Hinckley: Midland. ISBN 978-1-85780-271-9.
  6. Jentz, Thomas L. (2009). Leichter Zugkraftwagen 1 t: (Sd.Kfz. 10) Ausf.A and B and Variants: Development and Employment from 1935 to 1945. Boyds: Panzer Tracts. ISBN 978-0-9815382-5-9.
  7. Niehorster, Leo W. G. (2004). Higher Headquarters – GHQ – Units – Static Units (1.09.39). Milton Keynes: Military Press. ISBN 0-85420-249-8.
  8. Chamberlain, Peter; Doyle, Hilary L. (1993). Encyclopedia of German Tanks of World War Two. London: Arms and Armour Press. ISBN 1-85409-214-6.
  9. Gander, Terry; Chamberlain, Peter (1979). Weapons of the Third Reich. New York: Doubleday. ISBN 0-385-15090-3.
  10. Gander, Terry; Chamberlain, Peter (1999). Enzyklopädie deutscher Waffen: 1939–1945. Stuttgart: Motorbuchverlag. ISBN 3-613-01975-2.
  11. Oberkommando der Wehrmacht (1943). Merkblatt über die Nebeltruppe. Militärisches Merkblatt geheim 16/4. ISBN 978-3-7568-6014-2.
  12. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946