Georg-Hans Reinhardt was een Duitse beroepsofficier die diende in het Saksische leger, de Reichswehr en de Wehrmacht. Tijdens de Tweede Wereldoorlog voerde hij onder meer het bevel over een pantserdivisie, het 3e Pantserleger en Heeresgruppe Mitte. Na de oorlog werd hij in het Neurenbergse OKW-proces veroordeeld voor oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid.
Vroege leven en opleiding
Georg-Hans Reinhardt werd op 1 maart 1887 geboren in Bautzen in het toenmalige Koninkrijk Saksen. Hij was de zoon van bankier Georg Reinhardt en Lisbeth Marbach. Reinhardt bezocht het gymnasium in zijn geboorteplaats en behaalde daar zijn Abitur. Kort daarna koos hij voor een militaire loopbaan. Op 25 maart 1907 trad hij als Fahnenjunker toe tot het 8. Infanterie-Regiment „Prinz Johann Georg“ Nr. 107 van het Saksische leger, dat in Leipzig was gelegerd.
Reinhardt werd in 1908 bevorderd tot Leutnant en kreeg vervolgens verschillende functies binnen zijn regiment. In januari 1912 werd hij tevens Gerichtsoffizier bij het III. Bataillon. Van november 1912 tot februari 1913 werd hij tijdelijk geplaatst bij het 2. Ulanen-Regiment Nr. 18. Daarmee deed hij naast zijn infanterie-ervaring ook kennis op bij de cavalerie. In juli 1913 volgde zijn benoeming tot regimentsadjudant, waarmee hij een functie kreeg die nauw verbonden was met de dagelijkse stafwerkzaamheden van het regiment.
Voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was Reinhardt inmiddels Oberleutnant. Zijn vroege loopbaan bestond daarmee uit zowel troependienst als administratieve en stafgerichte taken. Deze combinatie bleef ook later in zijn carrière terugkomen. Reinhardt zou gedurende de volgende decennia verschillende bevels- en staffuncties vervullen binnen achtereenvolgens het keizerlijke leger, de Reichswehr en de Wehrmacht.
Deelname aan de Eerste Wereldoorlog
Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende Reinhardt eerst aan het westfront in Frankrijk en later aan het oostfront. Zijn werkzaamheden veranderden gedurende de oorlog van reguliere troependienst naar functies met meer verantwoordelijkheid binnen de bevelvoering. Op 18 april 1916 werd hij bevorderd tot Hauptmann. Tegen het einde van de oorlog was hij Erster Generalstabsoffizier, aangeduid als Ia, bij de 192. Infanterie-Division, die tevens bekendstond als de 8. Königlich Sächsische Infanterie-Division.
Reinhardt ontving tijdens de oorlog verschillende Duitse militaire onderscheidingen. Het IJzeren Kruis 1914 tweede klasse werd hem op 14 september 1914 toegekend, gevolgd door het IJzeren Kruis eerste klasse op 8 augustus 1915. Op 22 augustus 1915 ontving hij het Ridderkruis van de Saksische Militaire Orde van Sint-Hendrik. Op 30 augustus 1918 volgde het Ridderkruis van de Koninklijke Huisorde van Hohenzollern met Zwaarden. Daarnaast ontving hij later het Gewondeninsigne 1918 in zwart.
Na de wapenstilstand van november 1918 bleef Reinhardt in militaire dienst. Hij werd na de oorlog onder meer ingezet bij Grenzjägerbrigade 19, een van de formaties die ontstonden tijdens de onrustige overgangsperiode tussen het keizerrijk en de Weimarrepubliek. Op 16 mei 1920 werd hij opgenomen in de Reichswehr. Daarmee behoorde hij tot het beperkte aantal beroepsmilitairen dat na de sterke verkleining van de Duitse strijdkrachten zijn militaire carrière kon voortzetten.
Interbellum: Reichswehr en pantsertroepen
Binnen de Reichswehr vervulde Reinhardt verschillende bevels- en staffuncties. In 1925 werd hij bevorderd tot Major. Vanaf 1928 werkte hij in het Reichswehrministerium, waar hij werd geplaatst bij de Heeres-Ausbildungsabteilung T 4. Deze afdeling hield zich bezig met opleiding en militaire training. Zijn plaatsing in het ministerie bracht hem dichter bij de centrale organisatie van het Duitse leger en gaf hem ervaring met de ontwikkeling van opleidingsprogramma’s en doctrines.
In 1931 volgde zijn bevordering tot Oberstleutnant. Een jaar later kreeg hij het bevel over een bataljon van het 10. Sächsische Infanterie-Regiment. In 1933 was hij gedurende enkele maanden chef-staf van de 4. Division. Vervolgens keerde hij terug naar het ministerie, waar hij leiding gaf aan de Heeres-Ausbildungsabteilung. Op 1 februari 1934 werd Reinhardt Oberst en op 1 april 1937 Generalmajor.
Vanaf 1937 kwam Reinhardt rechtstreeks bij de gemotoriseerde en gepantserde strijdkrachten terecht. Op 12 oktober 1937 werd hij commandant van de 1. Schützen-Brigade van de 1. Panzer-Division. Op 10 november 1938 nam hij het bevel over de 4. Panzer-Division over. Deze functie plaatste hem aan het hoofd van een van de Duitse pantserdivisies die tijdens de uitbreiding en mechanisering van de Wehrmacht waren opgebouwd.
De ontwikkeling van Reinhardts loopbaan tijdens het interbellum verliep daarmee van infanterieofficier via staf- en opleidingsfuncties naar de pantsertroepen. Zijn werkzaamheden in het Reichswehrministerium werden gevolgd door operationele bevelen op brigade- en divisieniveau. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was hij commandant van de 4. Panzer-Division en behoorde hij tot de hogere officieren die leidinggaven aan de Duitse gemechaniseerde strijdkrachten.
Deelname aan de Tweede Wereldoorlog
Polen en West-Europa
Tijdens de Duitse aanval op Polen in september 1939 voerde Reinhardt het bevel over de 4. Panzer-Division. De divisie nam deel aan de Duitse opmars en behoorde tot de gemechaniseerde formaties die werden ingezet voor snelle bewegingen door het Poolse frontgebied. Reinhardt werd op 1 oktober 1939 bevorderd tot Generalleutnant. Op 27 oktober ontving hij het Ridderkruis van het IJzeren Kruis voor zijn optreden als divisiecommandant tijdens de veldtocht.
Op 15 februari 1940 kreeg Reinhardt het bevel over het XXXXI. Armeekorps, een gemotoriseerd legerkorps dat tijdens de Duitse aanval in het westen werd ingezet. Het korps trok in mei 1940 door de Ardennen en nam deel aan de opmars richting het Kanaal. Deze operaties maakten deel uit van het Duitse offensief tegen Nederland, België, Luxemburg en Frankrijk. Op 1 juni 1940 werd Reinhardt bevorderd tot General der Panzertruppe.
Begin 1941 werd zijn legerkorps ook ingezet tijdens de Duitse campagne op de Balkan. Daarna werd de formatie voorbereid op de aanval op de Sovjet-Unie. Reinhardt bleef commandant van het XXXXI. Armeekorps en werd daardoor vanaf juni 1941 betrokken bij een veel omvangrijker en langduriger conflict aan het oostfront.
Operatie Barbarossa en de opmars naar Leningrad
Bij het begin van Operatie Barbarossa in juni 1941 maakte Reinhardts korps deel uit van de Duitse strijdkrachten die de Sovjet-Unie binnenvielen. Het XXXXI. Armeekorps opereerde aanvankelijk binnen Heeresgruppe Nord. Eind juni raakte het betrokken bij de gevechten bij Raseiniai in Litouwen, waar grote Sovjetpantserformaties werden ingezet. Volgens de gebruikte militaire studies gingen daarbij meer dan 700 Sovjettanks verloren.
Het korps zette daarna de opmars door de Baltische gebieden voort in de richting van Leningrad. De Duitse pantserstrijdkrachten bereikten in de daaropvolgende maanden het gebied voor de stad. Reinhardt stond daarbij aan het hoofd van een formatie die niet alleen deelnam aan frontgevechten, maar ook opereerde binnen het Duitse bezettingssysteem aan het oostfront. Eenheden onder zijn bevel voerden het Kommissarbefehl uit, dat voorzag in de executie van bepaalde Sovjetpolitieke functionarissen die krijgsgevangen werden gemaakt.
Op 5 oktober 1941 nam Reinhardt het bevel over Panzergruppe 3 over. Deze formatie werd ingezet bij Operatie Taifun, het Duitse offensief tegen Moskou. De aanval liep gedurende de herfst vast door Sovjetverzet, logistieke problemen, verliezen en verslechterende weersomstandigheden. Tijdens het Sovjet-tegenoffensief in de winter van 1941 op 1942 moest Panzergruppe 3 zich terugtrekken. Per 1 januari 1942 werd de formatie omgedoopt tot 3. Panzerarmee.
Het 3e Pantserleger en bezettingsbeleid
Reinhardt bleef gedurende de daaropvolgende jaren bevelhebber van het 3e Pantserleger. De eenheid opereerde vooral in het gebied rond Vitebsk en ten noorden van Smolensk. Op 17 februari 1942 ontving Reinhardt het Eikenloof bij zijn Ridderkruis. Zijn bevordering tot Generaloberst werd met terugwerkende kracht vastgesteld op 1 januari 1942, waarmee hij de hoogste rang uit zijn militaire loopbaan bereikte.
Het optreden van eenheden onder Reinhardts bevel beperkte zich niet tot reguliere gevechten tegen het Rode Leger. Duitse veiligheidsoperaties tegen vermeende partizanen gingen gepaard met geweld tegen de burgerbevolking. In december 1941 werden in Kalinin tien psychiatrische patiënten gedood omdat zij volgens de Duitse autoriteiten een veiligheidsrisico vormden. In latere operaties werden dorpen verwoest en inwoners gedood wanneer gebieden als steunpunten voor partizanen werden beschouwd.
In februari 1943 werd binnen het gebied van het 3e Pantserleger gerapporteerd dat bevolkingen van dorpen en boerderijen volledig waren gedood om hernieuwde vestiging in bepaalde gebieden te verhinderen. Tussen september en december 1943 werden bovendien bijna 4.000 burgers uit Vitebsk en omgeving gedeporteerd omdat zij ervan werden verdacht partizanen te ondersteunen. De deportaties vonden plaats in samenwerking met de Sicherheitsdienst. Onder de gedeporteerden bevonden zich vrouwen en kinderen, van wie een deel naar Auschwitz werd gebracht.
Deze gebeurtenissen maakten na de oorlog deel uit van het onderzoek naar Reinhardts verantwoordelijkheid als legercommandant. Het Neurenbergse gerecht beoordeelde niet alleen de handelingen van afzonderlijke ondergeschikten, maar onderzocht ook bevelen, doorgegeven richtlijnen en de verantwoordelijkheid van hogere officieren voor het optreden van eenheden binnen hun bevelsgebied. Reinhardts positie als legercommandant vormde daardoor een belangrijk onderdeel van de latere strafzaak tegen hem.
Operatie Bagration en Heeresgruppe Mitte
In juni 1944 begon het Rode Leger Operatie Bagration tegen Heeresgruppe Mitte. Het 3e Pantserleger bevond zich aan de noordelijke vleugel van deze legergroep en kreeg te maken met een grootschalige Sovjetaanval. De Duitse formaties rond Vitebsk leden zware verliezen en grote delen werden omsingeld of vernietigd. Het resterende deel van het 3e Pantserleger moest zich vervolgens in westelijke richting terugtrekken.
Op 16 augustus 1944 werd Reinhardt benoemd tot opperbevelhebber van Heeresgruppe Mitte als opvolger van Walter Model. Hij kreeg daarmee het bevel over meerdere Duitse legers die na de verliezen van de zomer een nieuwe verdedigingslinie moesten vormen. De gevechten verplaatsten zich naar Polen en Oost-Pruisen. Reinhardt bleef in deze functie gedurende de laatste maanden van 1944 en het begin van 1945.
In januari 1945 begon het Rode Leger een nieuwe reeks grote offensieven. Na de doorbraak van de Duitse verdediging aan de Wisła verslechterde de positie van Heeresgruppe Mitte snel. Reinhardt raakte tevens betrokken bij meningsverschillen met Adolf Hitler over de militaire situatie en de te volgen verdediging. Op 26 januari 1945 werd hij van zijn bevel ontheven en in de Führerreserve geplaatst. Daarmee eindigde zijn actieve militaire loopbaan.
Na de oorlog
Reinhardt werd in juni 1945 door geallieerde troepen gevangengenomen. Hij werd vervolgens een van de beklaagden in het zogenoemde OKW-proces, officieel de zaak tegen hoge Duitse militaire bevelhebbers binnen de opvolgende Neurenbergse processen. Op 27 oktober 1948 werd hij veroordeeld wegens oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Het gerecht legde hem een gevangenisstraf van vijftien jaar op.
Bij het vonnis werden onder meer misdrijven tegen krijgsgevangenen, moord op burgers, deportaties, gijzeling en betrokkenheid bij onrechtmatige bevelen beoordeeld. Ook zijn verantwoordelijkheid voor het doorgeven of uitvoeren van bevelen zoals het Kommissarbefehl en voor het optreden van Duitse eenheden in bezette Sovjetgebieden speelde een rol. Het gerecht achtte individuele verantwoordelijkheid voor verschillende onderdelen van de aanklacht bewezen. Reinhardt werd voor zijn straf overgebracht naar de gevangenis van Landsberg.
In januari 1951 werd zijn straf opnieuw beoordeeld, maar de opgelegde termijn bleef aanvankelijk ongewijzigd. In 1952 kwam Reinhardt om humanitaire redenen vervroegd vrij. In dezelfde periode vond in West-Duitsland een bredere politieke discussie plaats over veroordeelde Duitse militairen en de nog resterende gevangenen. Reinhardt behoorde tot de voormalige hoge officieren die na hun vrijlating opnieuw deelnamen aan organisaties en discussies over defensie en militaire vraagstukken.
Vanaf 1954 was Reinhardt voorzitter van het Gesellschaft für Wehrkunde, een organisatie die zich bezighield met militaire en veiligheidspolitieke onderwerpen. Hij schreef daarnaast verschillende memoranda. Op 24 november 1962 ontving hij het Großes Verdienstkreuz van de Orde van Verdienste van de Bondsrepubliek Duitsland. Reinhardt overleed op 24 november 1963 bij Tegernsee. Hij was 76 jaar oud.
Militaire Rangen
Reinhardts militaire carrière besloeg bijna vier decennia en liep van het Saksische leger via de Reichswehr naar de Wehrmacht. Zijn bevorderingen weerspiegelden zijn overgang van jonge infanterieofficier naar commandant van grote pantserformaties en uiteindelijk een volledige legergroep.
- Fahnenjunker: 25 maart 1907
- Leutnant: 14 juli 1908
- Oberleutnant: 19 juni 1912
- Hauptmann: 18 april 1916
- Major: 1 maart 1925
- Oberstleutnant: 1 oktober 1931
- Oberst: 1 februari 1934
- Generalmajor: 1 april 1937
- Generalleutnant: 1 oktober 1939
- General der Panzertruppe: 1 juni 1940
- Generaloberst: 1 januari 1942
De rang Generaloberst behoorde tot de hoogste officiersrangen van het Duitse leger. Reinhardt behield deze rang tot het einde van zijn actieve militaire dienst in januari 1945. Zijn hoogste bevelen waren achtereenvolgens het 3e Pantserleger en Heeresgruppe Mitte. Daarmee droeg hij gedurende meerdere jaren verantwoordelijkheid voor omvangrijke Duitse strijdkrachten aan het oostfront.
Onderscheidingen
Reinhardt ontving tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog verschillende militaire onderscheidingen. Tot zijn onderscheidingen uit de Eerste Wereldoorlog behoorden het IJzeren Kruis 1914 tweede en eerste klasse, het Ridderkruis van de Militaire Orde van Sint-Hendrik en het Ridderkruis van de Koninklijke Huisorde van Hohenzollern met Zwaarden. Ook ontving hij het Gewondeninsigne 1918 in zwart en later het Erekruis voor Frontstrijders in de Wereldoorlog.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kreeg Reinhardt opnieuw beide klassen van het IJzeren Kruis via de Herhalingsgesp. De tweede klasse werd op 21 september 1939 toegekend en de eerste klasse op 2 oktober 1939. Op 27 oktober 1939 ontving hij als commandant van de 4. Panzer-Division het Ridderkruis van het IJzeren Kruis. Het Eikenloof, nummer 73, volgde op 17 februari 1942 toen hij Panzergruppe 3 commandeerde.
Op 26 mei 1944 ontving Reinhardt als Generaloberst en bevelhebber van het 3e Pantserleger de Zwaarden bij het Ridderkruis met Eikenloof. Dit betrof nummer 68 binnen deze categorie. Verder ontving hij onder meer het Panzerkampfabzeichen in zilver, de medaille Winterschlacht im Osten 1941/42, de Dienstonderscheiding van Leger en Marine voor 25 dienstjaren en verschillende onderscheidingen uit Duitse deelstaten en Oostenrijk-Hongarije.
Reinhardt werd daarnaast meerdere keren genoemd in het Wehrmachtsbericht. Vermeldingen vonden onder meer plaats op 18 en 19 oktober 1941 en op 21 januari 1944. Na de oorlog ontving hij geen militaire onderscheiding meer, maar op 24 november 1962 werd hem het Großes Verdienstkreuz van de Orde van Verdienste van de Bondsrepubliek Duitsland toegekend voor zijn werkzaamheden binnen het Gesellschaft für Wehrkunde.
Conclusie
Georg-Hans Reinhardt doorliep vanaf 1907 een militaire carrière in drie opeenvolgende Duitse legers en bereikte in 1942 de rang van Generaloberst. Tijdens de Tweede Wereldoorlog voerde hij het bevel over de 4. Panzer-Division, het XXXXI. Armeekorps, het 3e Pantserleger en Heeresgruppe Mitte. Zijn loopbaan omvatte operaties in Polen, West-Europa, de Balkan en de Sovjet-Unie.
Het optreden van troepen binnen zijn bevelsgebied aan het oostfront omvatte daarnaast oorlogsmisdrijven tegen krijgsgevangenen en burgers, deportaties en de uitvoering van onrechtmatige bevelen. Deze verantwoordelijkheid leidde na de oorlog tot zijn veroordeling in het OKW-proces tot vijftien jaar gevangenisstraf. Na zijn vrijlating in 1952 was hij opnieuw actief binnen West-Duitse organisaties die zich met militaire en veiligheidspolitieke onderwerpen bezighielden. Hij overleed in 1963.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Bundesarchiv, Bild 101I-209-0076-02 / Tannenberg / CC-BY-SA 3.0, CC BY-SA 3.0 DE, via Wikimedia Commons
- Fellgiebel, Walther-Peer (2000). Die Träger des Ritterkreuzes des Eisernen Kreuzes 1939–1945 – Die Inhaber der höchsten Auszeichnung des Zweiten Weltkrieges aller Wehrmachtsteile. Friedberg: Podzun-Pallas. ISBN 978-3-7909-0284-6.
- Scherzer, Veit (2007). Die Ritterkreuzträger 1939–1945: Die Inhaber des Ritterkreuzes des Eisernen Kreuzes 1939 von Heer, Luftwaffe, Kriegsmarine, Waffen-SS, Volkssturm sowie mit Deutschland verbündeter Streitkräfte nach den Unterlagen des Bundesarchives. Jena: Scherzers Militaer-Verlag. ISBN 978-3-938845-17-2.
- Thomas, Franz (1998). Die Eichenlaubträger 1939–1945. Band 2: L–Z. Osnabrück: Biblio-Verlag. ISBN 978-3-7648-2300-9.
- Kursietis, Andris J. (1999). The Wehrmacht at War 1939–1945: The Units and Commanders of the Ground Forces during World War II. Aspekt. ISBN 90-75323-38-7.
- Heuer, Gerd F. (2002). Die Generalobersten des Heeres: Inhaber höchster deutscher Kommandostellen 1933–1945. Pabel-Moewig Verlag. ISBN 978-3-8118-1408-0.
- Die Wehrmachtberichte 1939–1945. Band 1: 1. September 1939 bis 31. Dezember 1941 (1989). Köln: Gesellschaft für und Bildung mbH. ISBN 3-89340-004-4.
- Die Wehrmachtberichte 1939–1945. Band 3: 1. Januar 1944 bis 9. Mai 1945 (1989). Köln: Gesellschaft für und Bildung mbH. ISBN 3-89340-004-4.
- Hebert, Valerie (2010). Hitler’s Generals on Trial: The Last War Crimes Tribunal at Nuremberg. Lawrence: University Press of Kansas. ISBN 978-0-7006-1698-5.
- Stahel, David (2015). The Battle for Moscow. Cambridge: Cambridge University Press. ISBN 978-1-107-08760-6.
- Ziemke, Earl F. (1968). Stalingrad to Berlin: The German Defeat in the East. Washington D.C.: Center of Military History, US Army. ISBN 0-16-001962-1.
- Glantz, David M. (2002). The Battle for Leningrad 1941–1944. Lawrence: University Press of Kansas. ISBN 0-7006-1208-4.
- Clasen, Christoph (1996). Generaloberst Hans-Georg Reinhardt. Stuttgart. ISBN 3-928666-99-1.
- Hürter, Johannes (2006). Hitlers Heerführer: Die deutschen Oberbefehlshaber im Krieg gegen die Sowjetunion 1941/42. 2e druk. München: R. Oldenbourg Verlag. ISBN 978-3-486-58341-0.
- Wette, Wolfram (2000). Fall 12: Der OKW-Prozess. In: Ueberschär, Gerd R. (red.). Der Nationalsozialismus vor Gericht. 2e druk. Frankfurt am Main. ISBN 3-596-13589-3.
- Frei, Norbert (2002). Vergangenheitspolitik: Die Anfänge der Bundesrepublik und die NS-Vergangenheit. 2e druk. München. ISBN 3-423-30720-X.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946










