Josef Fuchsloch en kamp Harzungen

Josef Fuchsloch (1896-1973) was een Duitse metselaar, militair van de Luftwaffe en later onderofficier van de Waffen-SS. Vanaf december 1944 werkte hij als Schutzhaftlagerführer in het buitenkamp Harzungen van concentratiekamp Mittelbau. In 1947 stond hij terecht in het Dachauer Dora-proces. Het Amerikaanse militaire gerecht sprak hem vrij. Zijn loopbaan was nauw verbonden met militaire bouwdiensten en het Duitse concentratiekampsysteem.

Vroege leven en opleiding

Josef Fuchsloch werd op 19 maart 1896 geboren in Augsburg, in het toenmalige Koninkrijk Beieren binnen het Duitse Keizerrijk. Na zijn schooltijd volgde hij een opleiding tot metselaar. De beschikbare biografische gegevens bevatten geen nadere informatie over zijn gezin, schoolopleiding of eerste arbeidsjaren. Zijn vakopleiding bepaalde later wel het soort werkzaamheden waarvoor hij tijdens zijn militaire loopbaan werd ingezet.

Deelname aan de Eerste Wereldoorlog

Fuchsloch diende tijdens de Eerste Wereldoorlog als soldaat in de Duitse strijdkrachten. Over zijn militaire eenheid, inzetgebieden en precieze taken zijn in de geraadpleegde documentatie geen nadere gegevens opgenomen. Ook is niet gedocumenteerd of hij tijdens deze oorlog werd bevorderd of onderscheiden. Na het einde van de oorlog keerde hij terug naar het burgerlijke bestaan en hervatte hij zijn werkzaamheden in de bouw.

Interbellum: werkzaam als metselaar

Tijdens het interbellum ontwikkelde Fuchsloch zich verder binnen het metselaarsvak. Hij behaalde de bevoegdheid van metselaar-meester, waardoor hij zelfstandig bouwkundige opdrachten kon uitvoeren en personeel mocht begeleiden. In 1932 begon hij als zelfstandig ondernemer. Zijn ervaring met metselwerk, bouworganisatie en leidinggevende werkzaamheden speelde later een rol bij zijn inzet in militaire bouw- en reserve-eenheden.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog

Dienst bij de Luftwaffe

Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog werd Fuchsloch opgeroepen voor dienst bij de Luftwaffe. Omdat hij in 1939 al 43 jaar oud was en ervaring in de bouw had, werd hij niet bij een vliegende eenheid geplaatst. Hij verrichtte dienst bij bouw- en reservebataljons en bereikte de rang van Oberfeldwebel. Deze formaties verzorgden ondersteunende werkzaamheden, waaronder de aanleg, het onderhoud en het herstel van militaire voorzieningen.

Naarmate de oorlog voortduurde, ontstond binnen Duitsland een toenemend tekort aan personeel voor militaire bouwprojecten, bewaking en vervangingseenheden. Tegelijk breidde de SS het stelsel van concentratiekampen en buitenkampen uit om gevangenen voor de oorlogsindustrie in te zetten. In 1944 werden daarom militairen uit verschillende onderdelen van de Wehrmacht naar de kampbewaking overgeplaatst. Onder hen bevonden zich oudere militairen en mannen die niet of niet meer volledig voor frontdienst geschikt waren.

Overplaatsing naar concentratiekamp Buchenwald

Fuchsloch werd in mei 1944 samen met andere militairen van de Luftwaffe overgeplaatst naar het concentratiekamp Buchenwald. De overplaatsing maakte deel uit van de uitbreiding van het bewakings- en leidinggevende personeel in de buitenkampen. De betrokken militairen waren afkomstig uit reguliere onderdelen van de Wehrmacht, maar werden voortaan ingezet binnen het concentratiekampsysteem. Zij bewaakten gevangenen en ondersteunden de organisatie van gedwongen arbeid.

Op 1 september 1944 werden veel voormalige Wehrmachtmilitairen in de kampbewaking formeel opgenomen in de Waffen-SS. Ook Fuchsloch ging vanuit de Luftwaffe over naar deze organisatie. Zijn werkzaamheden in de kampen waren op dat moment al enkele maanden aan de gang. Door de formele overname veranderde zijn organisatorische positie en viel hij voortaan rechtstreeks onder de personeelsstructuur van de Waffen-SS.

SS-Baubrigade III in Wieda en Nüxei

Na zijn komst naar Buchenwald werd Fuchsloch ongeveer twee maanden ingezet bij SS-Baubrigade III. Hij werkte op de kampplaatsen Wieda en Nüxei in de zuidelijke Harz. Wieda fungeerde als hoofdlocatie van de bouwbrigade en beschikte over de administratie, een keuken en een eenvoudige ziekenafdeling. Nüxei was een kleinere nevenlocatie die in juni 1944 voor de huisvesting van gevangenen in gebruik werd genomen.

De gevangenen van SS-Baubrigade III moesten werken aan de Helmetalbahn, een geplande spoorlijn tussen Nordhausen en Osterhagen. In Nüxei waren begin juli 1944 ongeveer driehonderd mannen opgesloten. Onder hen bevonden zich politieke gevangenen uit Frankrijk, België, Nederland, Polen, Duitsland en de Sovjet-Unie. Zij verrichtten zware grond- en spoorwerkzaamheden met eenvoudig gereedschap en onder bewaking van de SS.

De beschikbare bronnen plaatsen Fuchsloch bij de kampeenheden van SS-Baubrigade III, maar beschrijven zijn dagelijkse werkzaamheden daar niet volledig. Zijn bouwkundige opleiding en eerdere militaire dienst maken duidelijk waarom hij bij een bouwbrigade werd geplaatst. De gedwongen arbeiders moesten grond verplaatsen, spoorbanen voorbereiden en andere zware werkzaamheden uitvoeren. Het toezicht en de werkorganisatie lagen bij Duitse functionarissen en bewakers.

Overplaatsing naar Harzungen

In juli 1944 werd Fuchsloch overgeplaatst naar het buitenkamp Harzungen. Daar kreeg hij aanvankelijk de functie van Bauleiter en was hij betrokken bij de organisatie van bouwkundige werkzaamheden. Zijn opleiding als metselaar en zijn ervaring bij militaire bouweenheden sloten aan bij deze taak. De functie bracht hem in een kamp waar duizenden gevangenen onder toezicht werkten aan ondergrondse bouwprojecten voor de Duitse wapenindustrie.

Harzungen was op 1 april 1944 geopend als buitenkamp van Buchenwald en droeg binnen de SS aanvankelijk de codenaam Hans. Op 10 september 1944 kreeg het kamp de aanduiding Mittelbau III. Toen concentratiekamp Mittelbau op 28 oktober 1944 bestuurlijk zelfstandig werd, viel Harzungen niet langer onder Buchenwald. Op 1 november 1944 registreerde de SS in het kamp 4.009 mannelijke gevangenen.

Gevangenen en kamporganisatie

Het barakkenkamp was oorspronkelijk bestemd voor Duitse vakarbeiders die bij ondergrondse wapenprojecten zouden worden ingezet. De SS gebruikte het terrein vervolgens voor de opsluiting van concentratiekampgevangenen. Wachttorens en elektrisch geladen prikkeldraad sloten het kamp af van de omgeving. De bewaking bestond vanaf het najaar van 1944 voor een belangrijk deel uit militairen die vanuit de Wehrmacht naar de kampdienst waren overgeplaatst.

Veel gevangenen in Harzungen kwamen uit de Sovjet-Unie, Polen en Frankrijk en waren om politieke redenen opgesloten. Daarnaast bevonden zich Belgen, Nederlanders, Italianen, Joden, Sinti en Roma binnen het kampcomplex. De samenstelling van de kampbevolking veranderde voortdurend door transporten tussen Dora, Ellrich, Harzungen en andere locaties. De SS verdeelde gevangenen op basis van hun arbeidsvermogen over productieplaatsen, bouwterreinen, ziekenafdelingen en verschillende buitenkampen.

Gedwongen arbeid

De meeste gevangenen van Harzungen werkten aan ondergrondse bouwprojecten bij Woffleben en Niedersachswerfen. Een belangrijk werkterrein was bouwproject B 3 in de Himmelberg, waar bestaande en nieuwe gangen werden uitgebouwd. Het Duitse bestuur wilde delen van de vliegtuig- en motorenproductie van Junkers tegen luchtaanvallen beschermen door de productie ondergronds onder te brengen. Later leverde Harzungen ook arbeidskrachten voor bouwproject B 11.

De werkzaamheden waren verdeeld over drie diensten van ieder acht uur. Gevangenen liepen aanvankelijk dagelijks tussen het kamp en de bouwplaatsen. Vanaf het najaar van 1944 vond een deel van het vervoer plaats met een smalspoorbaan. Zij moesten gangen uitbouwen, grond en gesteente verplaatsen en andere zware bouwwerkzaamheden uitvoeren onder omstandigheden die hun gezondheid voortdurend aantastten.

Voedseltekort, kou, gebrekkige hygiëne, arbeidsongevallen en onvoldoende medische zorg veroorzaakten ziekte en sterfte. De omstandigheden in Harzungen werden binnen het kampcomplex als minder slecht beschouwd dan die in Ellrich-Juliushütte, maar bleven levensbedreigend. In februari 1945 werden ongeveer 1.100 verzwakte gevangenen uit de Boelcke-Kaserne naar Harzungen gebracht. Hierdoor namen de overbevolking en de druk op de voedselvoorziening, huisvesting en medische verzorging verder toe.

Schutzhaftlagerführer

In december 1944 nam Fuchsloch de functie van Schutzhaftlagerführer over nadat zijn voorganger wegens ziekte was uitgevallen. De Schutzhaftlagerführer was verantwoordelijk voor de interne orde, beveiliging en discipline binnen het gevangenenkamp. Hij stond in de kamphiërarchie onder de Lagerführer, maar gaf leiding aan onderdelen van het dagelijkse kampregime. Het Amerikaanse procesdossier omschreef Fuchsloch daarom als plaatsvervangend kampleider van Harzungen.

De algemene Lagerführer van Harzungen was in deze periode Wilhelm Frohne. Fuchsloch was daardoor niet de commandant van het volledige kampcomplex en evenmin de commandant van concentratiekamp Mittelbau. Zijn functie gaf hem wel gezag binnen het afgesloten gevangenenkamp. Daarmee behoorde hij tot de kampleiding die verantwoordelijk was voor de bewaking, discipline en dagelijkse inzet van gevangenen.

Tijdens het bestaan van Harzungen overleden minstens 556 gevangenen. Dit aantal omvat niet alle gevangenen die na overplaatsing of tijdens de ontruiming stierven. De beschikbare documentatie geeft geen volledig overzicht van afzonderlijke bevelen of persoonlijke handelingen van Fuchsloch tijdens zijn periode als Schutzhaftlagerführer. Zijn functie en aanwezigheid binnen de leiding van Harzungen zijn wel in de kamp- en procesdocumentatie vastgelegd.

Ontruiming van Harzungen

Vanaf januari 1945 raakte het concentratiekamp Mittelbau overvol door transporten uit kampen die vanwege de geallieerde opmars werden ontruimd. Veel nieuw aangekomen gevangenen waren ernstig verzwakt door eerdere opsluiting, transporten en voedselgebrek. Ook Harzungen nam meer mensen op dan waarvoor de barakken waren ingericht. De sterfte nam toe terwijl de Duitse militaire situatie verder verslechterde.

Op 4 april 1945 liet de SS Harzungen ontruimen voor de naderende Amerikaanse troepen. Op dat moment bevonden zich naar schatting ongeveer 6.500 gevangenen in het overvolle kamp. Ongeveer 4.500 gevangenen werden per trein naar Bergen-Belsen vervoerd, terwijl circa 2.000 anderen te voet werden weggevoerd. De beschikbare bronnen geven geen volledig overzicht van Fuchslochs persoonlijke handelingen tijdens de ontruiming.

Na de bezetting van Harzungen troffen Amerikaanse militairen op het kampterrein 27 overleden gevangenen aan. De lichamen werden op de gemeentelijke begraafplaats begraven. Het voormalige kamp werd korte tijd gebruikt voor de opvang van ontheemden en daarna grotendeels afgebroken. Twee voormalige barakken bleven op het terrein bewaard en kregen later een andere functie.

Na de oorlog

Arrestatie en aanklacht

Na de Duitse capitulatie kwam Fuchsloch in geallieerde gevangenschap. Amerikaanse onderzoekers verzamelden documenten en getuigenverklaringen over Mittelbau-Dora, de buitenkampen en de ondergrondse fabrieken. Fuchsloch werd samen met achttien andere verdachten aangeklaagd in de zaak United States of America versus Kurt Andrae en anderen. Het procesdossier droeg het nummer 000-50-37 en had betrekking op oorlogsmisdrijven binnen het kampcomplex.

De aanklacht stelde dat de verdachten door hun deelname aan het bestuur en de exploitatie van Mittelbau gevangenen hadden blootgesteld aan honger, mishandeling, marteling en dood. Ook gebrekkige huisvesting, onvoldoende sanitaire voorzieningen, ontoereikende kleding en het onthouden van medische zorg maakten deel uit van de beschuldigingen. De zaak betrof misdrijven tegen niet-Duitse burgers en krijgsgevangenen. Alle negentien verdachten verklaarden zich niet schuldig.

Het Dachauer Dora-proces

Het proces begon op 7 augustus 1947 voor een Amerikaans militair gerecht op het terrein van het voormalige concentratiekamp Dachau. De voertaal was Engels, waardoor tolken de verklaringen en processtukken tussen het Duits en Engels vertaalden. Aanklagers en verdedigers ondervroegen voormalige gevangenen, kampmedewerkers en andere getuigen. De behandeling duurde bijna vijf maanden en eindigde op 30 december 1947.

Het gerecht veroordeelde vijftien verdachten en sprak vier mannen vrij. De opgelegde straffen liepen uiteen van vijf jaar gevangenisstraf tot levenslang. Hans Möser kreeg als enige van de negentien verdachten de doodstraf. Josef Fuchsloch, Kurt Heinrich, Georg Rickhey en Heinrich Schmidt werden vrijgesproken.

Getuigenverklaringen en vrijspraak

Meerdere voormalige gevangenen legden tijdens het proces verklaringen af die voor Fuchsloch gunstig waren. Onder hen bevond zich Ludwig Schiller, een voormalige politieke gevangene die in Harzungen een gevangenenfunctie had vervuld. Deze verklaringen boden het gerecht informatie van personen die Fuchsloch tijdens zijn kampdienst hadden meegemaakt. Zij vormden een onderdeel van zijn verdediging tegen de algemene aanklacht over deelname aan het kampsysteem.

Het militaire gerecht achtte de aanklacht tegen Fuchsloch niet bewezen en sprak hem vrij. De bewaard gebleven uitspraak bevat geen uitvoerige afzonderlijke motivering zoals die bij latere strafvonnissen gebruikelijk werd. Daardoor kan de precieze betekenis die de rechters aan iedere getuigenverklaring toekenden niet volledig worden vastgesteld. Wel staat vast dat verklaringen van voormalige gevangenen in zijn voordeel werden ingebracht en dat geen veroordeling volgde.

De vrijspraak had uitsluitend betrekking op de strafrechtelijke aanklacht en het bewijs dat in deze zaak tegen Fuchsloch was aangevoerd. Zij veranderde niets aan zijn gedocumenteerde functies bij SS-Baubrigade III en in Harzungen. Ook de gedwongen arbeid, sterfte en ontruiming van het kamp stonden los van de uitkomst van zijn individuele proces. Fuchsloch werd na de uitspraak uit Amerikaanse hechtenis vrijgelaten.

Latere leven

Over Fuchslochs leven na zijn vrijlating is weinig openbaar gedocumenteerd. De geraadpleegde bronnen bevatten geen betrouwbare nadere gegevens over zijn latere beroep, woonplaatsen of eventuele openbare werkzaamheden. Hij overleed op 7 april 1973 in Bad Überkingen in Baden-Württemberg. Zijn overlijden werd vastgelegd in het plaatselijke overlijdensregister onder nummer 2 van 1973.

Militaire rangen

Fuchsloch bereikte bij de Luftwaffe de rang van Oberfeldwebel. Na zijn formele overname in de Waffen-SS werd hij in Duitse vakliteratuur en kampdocumentatie doorgaans aangeduid als SS-Oberscharführer. Enkele naoorlogse procesoverzichten vermelden hem als SS-Hauptscharführer, terwijl Engelstalige stukken zijn rang vertalen als master sergeant. De verschillende vermeldingen veranderen niets aan zijn gedocumenteerde positie als onderofficier met een leidinggevende kampfunctie.

Conclusie

Josef Fuchsloch kwam via zijn opleiding als metselaar en zijn dienst bij de Luftwaffe in 1944 terecht in het Duitse concentratiekampsysteem. Na werkzaamheden bij SS-Baubrigade III werd hij Bauleiter en vervolgens Schutzhaftlagerführer in Harzungen. Een Amerikaans militair gerecht vervolgde hem in 1947 wegens zijn aandeel in het kampcomplex, maar sprak hem na behandeling van het bewijs vrij. Zijn kampfuncties en de gedocumenteerde omstandigheden in Harzungen blijven afzonderlijke historische feiten naast deze juridische uitkomst.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: unknown soldier or employee of the U.S. Army Signal Corps, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Wagner, Jens-Christian (2001). Produktion des Todes: Das KZ Mittelbau-Dora. Göttingen: Wallstein Verlag. ISBN 3-89244-439-0.
  3. Wagner, Jens-Christian, red. (2007). Konzentrationslager Mittelbau-Dora 1943–1945: Begleitband zur ständigen Ausstellung in der KZ-Gedenkstätte Mittelbau-Dora. Göttingen: Wallstein Verlag. ISBN 978-3-8353-0118-4.
  4. Benz, Wolfgang en Distel, Barbara, red. (2008). Der Ort des Terrors: Geschichte der nationalsozialistischen Konzentrationslager. Band 7. München: C.H. Beck. ISBN 978-3-406-52967-2.
  5. Megargee, Geoffrey P., red. (2009). The United States Holocaust Memorial Museum Encyclopedia of Camps and Ghettos, 1933–1945. Volume I. Bloomington en Indianapolis: Indiana University Press. ISBN 978-0-253-35328-3.
  6. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946