Richard Walenta: gevangene en Kapo

Josef Richard Walenta (1912–1967) was een Tsjechoslowaaks staatsburger en later Duits staatsburger die als wegenbouwer werkte en als politiek gevangene in vier onderdelen van het naziconcentratiekampsysteem terechtkwam. Tussen 1940 en 1945 verbleef hij in Dachau, Buchenwald, Ellrich-Juliushütte en Mittelbau-Dora. Getuigen beschreven zowel beschermend als gewelddadig gedrag. Een Amerikaans militair gerecht veroordeelde hem in 1947 tot twintig jaar gevangenisstraf wegens oorlogsmisdrijven.

Vroege leven en opleiding

Josef Richard Walenta werd op 27 mei 1912 geboren in Regensburg, een stad in de Beierse regio Opper-Palts. Over zijn ouders, jeugd en opleiding is in de beschikbare documentatie vrijwel niets vastgelegd. Latere persoonsdocumenten vermelden hem, ondanks zijn geboorte in Duitsland, als Tsjechoslowaaks staatsburger. Hij werkte als bouwarbeider en wordt in de historische literatuur meer bepaald als wegenbouwer aangeduid.

Walenta behoorde vóór zijn gevangenschap tot de sociaaldemocratische politieke richting. Er zijn geen gegevens bekend over een formele partijfunctie, bestuurlijke taak of militaire loopbaan. Zijn maatschappelijke positie was die van een arbeider die als Tsjechoslowaaks staatsburger in Duitsland verbleef. Daardoor was een geldig paspoort ook bepalend voor de geldigheid van zijn verblijfsrecht.

Zijn verlopen paspoort bracht hem vóór de oorlog tweemaal in conflict met de Duitse autoriteiten. Omdat zijn verblijfsvergunning daardoor tijdelijk niet geldig was, verbleef hij tijdens beide perioden formeel zonder geldige toestemming in Duitsland. Bij de daaropvolgende contacten met de overheid werd hij beschuldigd van verzet tegen het staatsgezag en belediging van ambtenaren. De beschikbare gegevens vermelden niet welke straffen of maatregelen daaruit voortkwamen.

Interbellum: werk en politieke houding

Walenta kwam in 1937 onder de aandacht van de nationaalsocialistische justitie wegens openlijke kritiek op Adolf Hitler en de Duitse wetgeving. Hij zou Hitler hebben beledigd en in het openbaar zijn afkeuring van Duitsland en de nationaalsocialistische wetten hebben uitgesproken. Deze uitlatingen sloten aan bij zijn sociaaldemocratische gezindheid, maar over georganiseerde verzetsactiviteiten uit deze periode is niets vastgesteld. Ook over zijn werkzaamheden en verblijfplaats tussen 1937 en 1940 zijn geen nadere gegevens bekend.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog

Gevangenschap in Dachau

Op 27 september 1940 werd Walenta als politiek gevangene in concentratiekamp Dachau opgesloten. Zijn gevangenschap volgde niet op militaire dienst, maar op zijn conflict met het nationaalsocialistische staatsbestel. De classificatie als politiek gevangene bepaalde zijn plaats binnen de door de SS aangebrachte gevangenenindeling. Daarmee begon een kampperiode van ruim vier jaar waarin hij achtereenvolgens gewone gevangene en gevangenenfunctionaris was.

In Dachau werd Walenta aangesteld als Stubenältester van kamer 4 in blok 30, dat tijdelijk tot het zogenoemde priesterblok behoorde. Een Stubenältester hield onder toezicht van de SS orde in een deel van een barak en stond daarmee boven de overige gevangenen in die ruimte. De functie kon toegang geven tot betere voeding, kleding of bewegingsvrijheid, maar bleef onderdeel van het door de SS beheerste kampsysteem. De SS gebruikte zulke functies om bewaking en dagelijkse discipline gedeeltelijk aan gevangenen over te laten.

De verklaringen over Walenta’s optreden in blok 30 spreken elkaar tegen. Medegevangene Franz Sales Heß herinnerde zich dat hij zorg droeg voor de bewoners van zijn kamer. Andere historische verslagen schrijven hem ernstige mishandelingen toe. Zo zou hij op 11 juli 1942 de 52-jarige Poolse legeraalmoezenier Bolesław Cyriak Truss zo zwaar hebben geslagen dat deze de volgende dag overleed.

Aan het einde van 1942 benoemde de SS Walenta tot Kapo, waardoor hij toezicht kreeg op verschillende werkcommando’s. Tot die commando’s behoorden werkzaamheden in de steengroeve, de wapensmederij, de wapenreparatie en de schoonmaakploeg. Ook hield hij toezicht op gevangenen die werkten bij de Gestapo in München en bij herstelwerkzaamheden in Valepp. Zijn positie gaf hem gezag over medegevangenen, terwijl de uiteindelijke leiding en strafmacht bij de SS bleven.

Walenta verklaarde later dat hij in Dachau deelnam aan een ondergrondse groep die een opstand voorbereidde. Volgens zijn eigen lezing werd het plan door medegevangenen verraden en dacht hij vervolgens aan een ontsnapping. Onafhankelijke bevestiging van deze geplande opstand ontbreekt in de beschikbare gegevens. De bewering moet daarom worden onderscheiden van de beter gedocumenteerde gegevens over zijn functies en overplaatsingen.

Volgens Walenta’s latere verklaring stelde de Gestapo tijdens zijn verblijf in Dachau vier onderzoeken tegen hem in. Deze betroffen verdenkingen van spionage, twee relaties en een beraamd moordplan. Hij verklaarde ook dat hij daarbij viermaal 25 stokslagen kreeg en tweemaal enkele uren aan zijn armen werd opgehangen. De bestraffingen tonen dat een gevangenenfunctie geen bescherming bood tegen disciplinaire maatregelen en geweld door de kampautoriteiten.

Overplaatsing naar Buchenwald en Ellrich-Juliushütte

De SS plaatste Walenta op 22 december 1943 als straf over naar concentratiekamp Buchenwald. Op 1 mei 1944 volgde zijn overbrenging naar het toen pas ingerichte buitenkamp Ellrich-Juliushütte in de zuidelijke Harz. Dit kamp viel aanvankelijk onder Buchenwald en werd eind oktober 1944 onderdeel van het zelfstandige kampcomplex Mittelbau. De gevangenen verrichtten er dwangarbeid onder omstandigheden die werden gekenmerkt door ondervoeding, mishandeling en hoge sterfte.

Voor het transport naar Ellrich-Juliushütte brachten bevriende gevangenenfunctionarissen volgens de overgeleverde beschrijving de aanduiding RD in Walenta’s documenten aan. Deze afkorting stond voor Reichsdeutscher en stelde hem in de administratie voor als staatsburger van het Duitse Rijk. Zijn Tsjechoslowaakse nationaliteit zou anders de benoeming tot Lagerältester hebben verhinderd. De wijziging vergrootte daarom zijn kans op een hoge functie binnen de gevangenenhiërarchie.

Walenta werd in mei 1944 tot Blockältester benoemd en kreeg in de zomer de functie van Lagerältester, de hoogste gevangenenfunctie in het kamp. Later stond hij op goede voet met Karl Fritzsch, die in augustus de leiding over Ellrich-Juliushütte overnam. Uit deze periode zijn in de geraadpleegde literatuur geen negatieve verklaringen over Walenta’s optreden bekend. Een getuigenis omschreef hem als iemand die zwakke gevangenen beschermde, maar die omschrijving blijft de waarneming van een betrokkene.

De positie van Lagerältester betekende dat Walenta tussen de SS-leiding en de gevangenenbevolking stond. Hij had organisatorische bevoegdheden, maar oefende die uit binnen een stelsel dat door dwang, ondervoeding, mishandeling en dodelijke arbeidsomstandigheden werd bepaald. Ellrich-Juliushütte groeide in 1944 uit tot het grootste buitenkamp van Mittelbau, met ongeveer 8.000 gevangenen bij de bestuurlijke overgang eind oktober. Walenta’s persoonlijke optreden moet daarom worden geplaatst binnen een hiërarchie waarin de SS gevangenen tegen elkaar inzette.

Mittelbau-Dora en het arrestgebouw

In oktober 1944 werd Walenta uit zijn functie gezet en opgesloten in het arrestgebouw van Mittelbau-Dora, dat onder gevangenen bekendstond als de bunker. Zijn opsluiting duurde tot ongeveer het midden van december. Tijdens deze periode kreeg hij eenmaal 25 stokslagen. De reden voor zijn afzetting is in de beschikbare gegevens niet duidelijk vastgelegd.

Na zijn vrijlating uit de cel wilde kampcommandant Otto Förschner hem benoemen tot Lagerältester van het buitenkamp Boelcke-Kaserne. Walenta wees deze functie af en verwees daarbij naar zijn slechte psychische toestand, waarna de kampleiding van de benoeming afzag. Hij bleef vervolgens in het arrestgebouw en kreeg daar als gevangenenfunctionaris meer bewegingsvrijheid dan de opgesloten gevangenen. Zijn werkzaamheden werden in de procesdocumentatie omschreven als die van een algemene hulpkracht.

Medegevangene Lubomir Hanak verklaarde na de oorlog dat Walenta’s gedrag na zijn eigen opsluiting sterk was veranderd. Hanak bracht die verandering in verband met Walenta’s ervaringen in de bunker en beschreef een tegenstelling tussen zijn eerdere hulp aan zwakkeren en zijn latere geweld. Deze verklaring geeft een waarneming achteraf weer en vormt geen medische vaststelling. Wel sluit zij aan bij andere getuigenissen waarin Walenta’s optreden in het arrestgebouw als gewelddadig werd beschreven.

Walenta verklaarde zelf dat hij in de bunker geen Kapo was en niet deelnam aan de verhoren van Gestapo-medewerker Ernst Sander. Tot zijn taken behoorde wel het begeleiden van gevangenen naar Sanders verhoren. Volgens latere getuigen werkte hij met de SS samen door medegevangenen aan te geven en mishandelde hij gevangenen in het arrestgebouw. Ook werd verklaard dat hij verscheidene gevangenen had opgehangen, een beschuldiging die later deel uitmaakte van de beoordeling van zijn handelen.

Verhoor en ontsnapping

Ernst Sander liet Walenta op 21 maart 1945 naar Niedersachswerfen brengen voor een verhoor over zijn optreden. Het verhoor duurde vijf dagen. Volgens de ene naoorlogse beschrijving dreigde hem binnen het kampsysteem de doodstraf, terwijl een andere bron spreekt over levenslange opsluiting. De uiteenlopende lezingen maken alleen duidelijk dat Walenta op dat moment zelf door de kampautoriteiten werd vervolgd.

Een stenografe die in de bronnen alleen als Hilde wordt aangeduid, waarschuwde Walenta en hielp hem bij zijn ontsnapping. Op 4 april 1945 wist hij uit Duitse handen te komen en trok hij via Nordhausen naar Kleinberndten en Großberndten. Vijf dagen later bereikte hij de Amerikaanse frontlinie en meldde hij zich bij Amerikaanse militairen. Hij bleef tot 15 mei bij deze eenheid en reisde met haar mee naar Linz in Opper-Oostenrijk.

Na de oorlog

Walenta werd in 1947 vervolgd in het Dachauer Dora-proces, officieel de zaak Verenigde Staten tegen Arthur Kurt Andrae en anderen. Het Amerikaanse militaire gerecht behandelde de verantwoordelijkheid van negentien aangeklaagden voor misdrijven in Mittelbau-Dora en de bijbehorende buitenkampen. Onder hen waren SS’ers, vier voormalige gevangenenfunctionarissen en een burgerlijk bedrijfsleider. Het proces begon op 7 augustus 1947 op het terrein van het voormalige concentratiekamp Dachau.

De aanklacht tegen Walenta betrof schending van de gebruiken en wetten van de oorlog, waaronder mishandeling en het doden van niet-Duitse burgers en krijgsgevangenen. Aan het begin van het proces nam hij officieel de Duitse nationaliteit aan. Hij legde uitsluitend een verklaring over zijn eigen zaak af en belastte de achttien andere aangeklaagden niet. Zijn eerdere status als gevangene sloot volgens het gerecht strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor zijn handelen als gevangenenfunctionaris niet uit.

Het militaire gerecht verklaarde Walenta schuldig en legde hem op 30 december 1947 een gevangenisstraf van twintig jaar op. De straf werd later verkort, waarna hij op 28 mei 1955 de gevangenis voor veroordeelde oorlogsmisdadigers in Landsberg verliet. Daarmee had hij minder dan acht jaar van de oorspronkelijke straf uitgezeten. De beschikbare naoorlogse documenten geven geen uitvoerige motivering voor zijn vervroegde vrijlating.

Over Walenta’s leven na zijn vrijlating is niets naders bekend. Er zijn uit die periode geen betrouwbare gegevens over zijn woonplaats, werk, gezin of publieke activiteiten in de jaren tussen 1955 en 1967. Ook zijn bezigheden in München zijn niet gedocumenteerd. Hij overleed daar op 6 oktober 1967, op 55-jarige leeftijd.

Conclusie

Richard Walenta’s levensloop verenigde twee juridisch verschillende posities: hij was een door het nationaalsocialistische regime vervolgde politieke gevangene en werd later veroordeeld voor misdrijven tegen medegevangenen. In Dachau, Ellrich-Juliushütte en Mittelbau-Dora vervulde hij functies die hem beperkte macht en bepaalde voordelen gaven. Getuigenissen over zijn gedrag lopen uiteen, vooral tussen zijn periode als Lagerältester in Ellrich en zijn werkzaamheden in het arrestgebouw van Dora. Die verschillen vereisen een nauwkeurig onderscheid tussen vastgelegde functies, eigen verklaringen, getuigenverklaringen en het vonnis.

De Amerikaanse veroordeling uit 1947 stelde vast dat Walenta als gevangenenfunctionaris persoonlijk verantwoordelijk kon worden gehouden voor zijn handelen binnen het concentratiekampsysteem. Zijn eigen vervolging, mishandeling en opsluiting door de SS werden daardoor niet ontkend, maar namen die verantwoordelijkheid evenmin weg. De beschikbare bronnen geven veel informatie over zijn kampfuncties en het proces, terwijl zijn jeugd en latere burgerleven grotendeels onbekend blijven. Daardoor ligt de historische betekenis van zijn biografie vooral in de verhouding tussen slachtofferschap, gedelegeerde kampmacht en individuele verantwoordelijkheid.

Bronnen en meer informatie

  1. Wagner, Jens-Christian (2009). Ellrich 1944/45: Konzentrationslager und Zwangsarbeit in einer deutschen Kleinstadt. Göttingen: Wallstein Verlag. ISBN 978-3-8353-0438-3.
  2. Wagner, Jens-Christian (2001). Produktion des Todes. Das KZ Mittelbau-Dora. Göttingen: Wallstein Verlag. ISBN 978-3-89244-439-8.
  3. Heß, Franz Sales (2016). KZ Dachau. Eine Welt ohne Gott. Münsterschwarzach: Vier-Türme-Verlag. ISBN 978-3-89680-976-6.
  4. Hoffmann, Bedřich (1994). And Who Will Kill You: The Chronicle of the Life and Sufferings of Priests in the Concentration Camps. Poznań: Pallottinum. ISBN 978-83-7014-223-0.
  5. Zeller, Guillaume (2017). The Priest Barracks: Dachau 1938–1945. San Francisco: Ignatius Press. ISBN 978-1-68149-766-2.
  6. Halow, Joseph (1993). Innocent at Dachau. Newport Beach: Institute for Historical Review. ISBN 978-0-939482-40-5.
  7. Sellier, André (2003). A History of the Dora Camp: The Untold Story of the Nazi Slave Labor Camp That Secretly Manufactured V-2 Rockets. Chicago: Ivan R. Dee. ISBN 978-1-56663-511-0.
  8. Megargee, Geoffrey P. (red.) (2009). The United States Holocaust Memorial Museum Encyclopedia of Camps and Ghettos, 1933–1945. Volume I. Bloomington: Indiana University Press. ISBN 978-0-253-00227-3.
  9. Schafft, Gretchen E. en Gerhard Zeidler (2011). Commemorating Hell: The Public Memory of Mittelbau-Dora. Urbana: University of Illinois Press. ISBN 978-0-252-09305-0.
  10. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946