
Het Altmark-incident was een zeetreffen op 16 februari 1940 in de Noorse Jøssingfjord, waar de Britse torpedobootjager HMS Cossack het Duitse bevoorradingsschip Altmark enterde en bijna 300 Britse gevangenen bevrijdde. De gebeurtenis maakte zichtbaar hoe kwetsbaar Noorse neutraliteit was en werkte door in de diplomatieke, militaire en juridische discussies van de eerste oorlogsmaanden.
Achtergrond
De Altmark en de Admiral Graf Spee
De Altmark was geen gewoon koopvaardijschip, maar een maritiem hulpschip van de Kriegsmarine. Haar voornaamste taak was het bevoorraden van het Duitse panzerschip Admiral Graf Spee tijdens diens kruistocht tegen geallieerde koopvaardij in de Atlantische en Indische Oceaan. Daardoor maakte de Altmark deel uit van een bredere Duitse strategie waarbij oorlogsschepen ver van de thuishavens konden opereren zonder direct op vaste bases te steunen.
Toen de Admiral Graf Spee in december 1939 na de Slag bij de Río de la Plata werd uitgeschakeld, bleef de Altmark achter met gevangenen die eerder van door de Graf Spee aangehouden of tot zinken gebrachte schepen waren overgebracht. Het ging vooral om Britse koopvaardijzeelieden. In de literatuur wordt meestal uitgegaan van ongeveer 300 gevangenen, terwijl Britse tellingen vaak 299 noemen. Zij zaten in ruimen en geïmproviseerde verblijven aan boord van een schip dat niet was ingericht voor langdurige detentie.
Waarom de terugreis gevoelig lag
De terugreis naar Duitsland was daardoor niet alleen een logistieke operatie, maar ook een diplomatiek en juridisch gevoelig transport. De Duitse bemanning wilde de Britse blokkade vermijden en koos voor de beschutte route langs de Noorse kust. Vanuit Duits oogpunt bood die route een kans om ongezien door te varen. Voor Noorwegen betekende dit dat een oorlogvoerend hulpschip met buitenlandse gevangenen zich binnen neutrale wateren bewoog, precies op een moment waarop de Scandinavische neutraliteit al onder druk stond.
De doorvaart door Noorse wateren
De route langs de Noorse kust
De keuze voor de Noorse kustroute hing samen met de geografische voordelen van de zogenoemde binnenroute, de beschutte vaarweg achter eilanden en scheren. In februari 1940 kon een schip daar minder eenvoudig worden onderschept dan op volle zee. Tegelijk bleef de reis riskant, omdat de Britse marine en luchtverkenning actief zochten naar Duitse hulpschepen die uit de Atlantische oorlog terugkeerden. De Altmark voer dus niet alleen langs neutraal gebied, maar gebruikte dat neutrale gebied ook als bescherming tegen Britse inmenging.
Noorse inspecties op 15 februari 1940
Noorse marine-eenheden hielden het schip onderweg aan en onderzochten het meer dan eens. Op 15 februari 1940 vonden drie inspecties plaats, maar die bleven beperkt. De Duitse commandant presenteerde de reis als een reguliere verplaatsing van een staatsvaartuig en ontkende dat er Britse gevangenen aan boord waren. Voor de Noorse autoriteiten was dat van belang, omdat een oorlogsschip of hulpschip onder internationaal recht niet op dezelfde manier werd behandeld als een gewoon koopvaardijschip. Daardoor bleef de controle grotendeels bij papieren en oppervlakkige waarneming.
Britse bronnen stelden later dat de gevangenen tijdens de Noorse inspecties probeerden hun aanwezigheid kenbaar te maken door te roepen en lawaai te maken vanuit het ruim. Of de Noorse officieren dat werkelijk konden horen, bleef onderwerp van discussie. Vast staat dat de inspecties geen bevrijding of internering opleverden en dat de Altmark haar weg naar het zuiden mocht vervolgen. Daarmee veranderde de kwestie van een verborgen transport in een directe test van de Noorse neutraliteitspolitiek.
Britse ontdekking en besluitvorming
Britse inlichtingen
De Britse marine beschikte al over aanwijzingen dat zich landgenoten aan boord van de Altmark bevonden. Op 16 februari 1940 werd het schip gelokaliseerd door Britse verkenningsvliegtuigen van RAF Thornaby, waarna marineschepen in de omgeving opdracht kregen het te onderscheppen. Voor Londen lag de zaak gevoelig. Aan de ene kant wilde men Britse gevangenen bevrijden. Aan de andere kant wilde men een openlijke botsing met Noorwegen vermijden, omdat Noorwegen formeel neutraal was en Groot-Brittannië de steun van kleine Europese staten niet wilde verspelen.
Opdracht aan HMS Cossack
De Britse torpedobootjager HMS Cossack, onder bevel van kapitein Philip Vian, kreeg daarom eerst de opdracht een gezamenlijke regeling met de Noorse escortes te beproeven. De Britse regering wilde dat de Altmark naar Bergen zou worden gebracht onder een gezamenlijke Anglo-Noorse wacht, zodat de aanwezigheid van gevangenen officieel kon worden vastgesteld. Pas als Noorwegen dat weigerde en niet zelf tot ingrijpen overging, moest Vian overgaan tot enteren en het schip voorlopig in bezit nemen.
Deze instructie kwam van de Admiraliteit onder Winston Churchill, toen First Lord of the Admiralty. De formulering liet weinig ruimte voor twijfel: geweld tegen Noorse eenheden moest zoveel mogelijk worden vermeden, maar de gevangenen moesten worden bevrijd als Noorwegen niet handelde. Daarmee werd de verantwoordelijkheid feitelijk verschoven naar de Noorse marine. Toen die niet bereid bleek gezamenlijk op te treden, veranderde een maritieme achtervolging in een geplande boarding in territoriale wateren van een neutrale staat.
De enteractie in Jøssingfjord
De blokkade in de fjord
Op de avond van 16 februari zocht de Altmark beschutting in de Jøssingfjord aan de zuidwestkust van Noorwegen. Noorse oorlogsschepen begeleidden haar en probeerden de Britse benadering te blokkeren. Daarbij werden waarschuwingen afgegeven en werden torpedobuizen gericht op de Cossack. De Noorse commandanten wilden geen gezamenlijk optreden met de Britten en hielden vast aan hun standpunt dat eerdere inspecties niets hadden opgeleverd. Voor Vian betekende dit dat het diplomatieke deel van zijn opdracht was uitgeput.
Boarding en bevrijding
De Cossack zette daarna de enteractie in. Tijdens de manoeuvre liep de Altmark aan de grond, wat de Britse boarding vergemakkelijkte maar het gevecht niet voorkwam. Britse matrozen en mariniers gingen aan boord en troffen weerstand van de Duitse bemanning. Er volgde een kort, fel gevecht met vuurwapens, bajonetten en geïmproviseerde wapens. Juist daardoor kreeg het incident later een bijzondere plaats in de maritieme oorlogsgeschiedenis: gevechten man tegen man waren op zee in 1940 uitzonderlijk geworden.
De verliezen waren aan Duitse zijde zwaar voor een actie van deze omvang. Zeven Duitse bemanningsleden kwamen om en elf raakten gewond, van wie zes ernstig. Aan Britse zijde raakte één man gewond. Daarna bereikten de Britse enterploegen de verblijven van de gevangenen. Volgens meerdere getuigen riepen de Britten naar het ruim of er Engelsen aan boord waren, waarna de opgesloten zeelieden zich meldden. Voor de vrijgelaten mannen betekende de actie het einde van een gevangenschap die voor velen al maanden had geduurd.
De bevrijde gevangenen werden overgebracht naar de Cossack, die kort na middernacht de fjord verliet. De Noorse escortes protesteerden, maar grepen niet in met geweld. Het gevolg was dat de feitelijke uitkomst snel vaststond: de Altmark bleef beschadigd achter, terwijl Groot-Brittannië zijn gevangenen had teruggekregen. Juridisch en politiek begon het zwaarste deel van de zaak echter pas na de boarding, omdat nu de vraag centraal kwam te staan welke staat het recht had geschonden.
Volkenrecht en diplomatie
Het juridische geschil
Het juridische geschil draaide om twee samenhangende vragen. De eerste was of de Altmark rechtmatig door Noorse territoriale wateren mocht varen met Britse gevangenen aan boord. De tweede was of Groot-Brittannië die gevangenen daar met geweld mocht bevrijden. In het debat werd vaak verwezen naar de Haagse Conventie van 1907 over neutraliteit op zee. Duitsland stelde dat Noorwegen een neutrale staat was en dat de Britse enteractie daarom een duidelijke schending van de Noorse soevereiniteit vormde.
Britse juristen en beleidsmakers wezen daartegenover op de militaire aard van het schip en op het gebruik van Noorse wateren als afscherming voor een oorlogsoperatie. Zij betoogden dat de Noorse neutraliteit al was aangetast doordat een Duits hulpschip met gevangenen ongehinderd langs de kust voer en dat Noorwegen onvoldoende had gedaan om de situatie te onderzoeken. Tegelijk erkende Londen dat het vervoer van gevangenen door neutrale wateren niet in alle gevallen verboden was. De Britse regering wees er zelfs op dat de Royal Navy zelf kort daarvoor Duitse gevangenen via het neutrale Panamakanaal had vervoerd.
Reacties van Duitsland, Noorwegen en Groot-Brittannië
Noorwegen bevond zich daardoor in een lastige positie. Het land wilde aantonen dat het zijn neutraliteit handhaafde, maar moest tegelijk erkennen dat zijn inspecties de kern van de zaak hadden gemist. De Noorse regering verklaarde later dat zij niet verplicht was met geweld op te treden tegen een veel sterkere Britse zeemacht. Dat standpunt sloot aan bij een bredere opvatting in het neutraliteitsrecht, maar het maakte tegelijk zichtbaar dat neutraliteit in de praktijk ook een kwestie van macht was.
Het incident kreeg bovendien een brede diplomatieke en propagandistische nasleep. Duitsland sprak over Britse zeeroof en gebruikte de zaak in radio-uitzendingen, onder meer via Lord Haw-Haw, en in perscampagnes. In Groot-Brittannië werd de operatie juist voorgesteld als een herstel van recht tegenover een schip dat gevangenen verborgen hield. Beide interpretaties legden andere accenten, maar beide maakten gebruik van hetzelfde gegeven: in Jøssingfjord was de neutraliteit van een kleine staat ondergeschikt geworden aan de belangen van twee oorlogvoerende grootmachten.
Gevolgen voor Noorwegen en het verdere oorlogsverloop
Invloed op Noorwegen
Voor Noorwegen had het Altmark-incident meer dan alleen diplomatieke schade. Het toonde dat het land moeite had zijn lange kustlijn en territoriale wateren effectief te controleren. Daardoor groeide in Londen het beeld dat Noorwegen niet in staat was Duitse activiteiten in zijn kustzone tegen te houden. In Berlijn ontstond de tegenovergestelde maar even problematische conclusie: als Groot-Brittannië bereid was in Noorse wateren op te treden, dan kon Duitsland zich niet verlaten op Noorse neutraliteit als bescherming van zijn noordelijke zeeroutes.
Binnen Noorwegen leidde de zaak tot debat over de geloofwaardigheid van het neutraliteitsbeleid. Een deel van de publieke opinie zag vooral de Britse schending van de soevereiniteit. Anderen richtten hun kritiek op de vraag waarom de Noorse controle onvoldoende was geweest. Na de Duitse bezetting kreeg de herinnering aan Jøssingfjord nog een tweede leven. Het woord jøssing, afgeleid van de naam van de fjord, werd door het collaborerende bewind van Vidkun Quisling als scheldwoord bedoeld voor tegenstanders van de bezetting, maar het werd door veel Noren juist als geuzennaam overgenomen.
Betekenis voor Duitsland en de oorlog
Bij Adolf Hitler en de Duitse marineleiding versterkte de gebeurtenis de overtuiging dat Scandinavië militair niet buiten de oorlog zou blijven. De planning voor een bezetting van Noorwegen en Denemarken bestond al, maar werd na februari 1940 met meer urgentie voortgezet. Dat betekende niet dat het Altmark-incident de enige oorzaak van Operatie Weserübung was. Ook de aanvoer van Zweeds ijzererts, de controle over de Noorse kust en de vrees voor een geallieerde landing speelden mee. Het incident gold wel als een concrete aanwijzing dat de strijd om Noorwegen niet langer theoretisch was.
Ook in Groot-Brittannië bleef het incident aanwezig in de herinneringscultuur van de oorlog. De zin The Navy’s here werd een bekende verwijzing naar de bevrijding van de gevangenen. Tegelijk werd in latere studies nuchterder gekeken naar de betekenis van de actie. Militair gezien veranderde zij de machtsverhoudingen op zee niet. Politiek en symbolisch liet zij wel zien dat de zogenaamde schemeroorlog in Noord-Europa al harde grenzen had overschreden. De strijd om neutraliteit, maritieme controle en toegang tot de Noorse kust was in februari 1940 feitelijk al begonnen.
Conclusie
Het Altmark-incident was een beperkte zeestrijd met gevolgen die verder reikten dan de Jøssingfjord. De boarding van de Altmark maakte zichtbaar hoe moeilijk neutraliteit was vol te houden tussen twee zeemachten die de Noordzee en de Noorse kust als strategisch gebied zagen. Voor Groot-Brittannië was het een geslaagde bevrijdingsactie; voor Duitsland een bewijs van Britse schending van neutrale rechten; voor Noorwegen een pijnlijk voorbeeld van de grens tussen juridisch gezag en feitelijke macht. In de maanden daarna bleek hoe dicht deze gebeurtenis lag bij de bredere strijd om Scandinavië.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: See page for author, Public domain, via Wikimedia Commons
- Barton, Mark, en John McGrath (2013). British Naval Swords and Swordsmanship. Barnsley: Seaforth Publishing. ISBN 978-1-84832-135-9.
- Borchard, Edwin (1940). Was Norway Delinquent in the Case of the Altmark? American Journal of International Law 34 (2), 289–294. JSTOR 2193000.
- Doherty, Martin A. (2003). The Attack on the Altmark: A Case Study in Wartime Propaganda. Journal of Contemporary History 38 (2), 187–200. DOI 10.1177/0022009403038002129.
- Haarr, Geirr H. (2013). The Gathering Storm: The Naval War in Northern Europe, September 1939 – April 1940. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-331-4.
- Roskill, S. W. (2004). The War at Sea 1939–1945. Volume I: The Defensive. Uckfield: Naval & Military Press. ISBN 978-1-84342-803-9.
- Simpson, A. W. Brian (2005). The Rule of Law in International Affairs. In: P. J. Marshall (red.), Proceedings of the British Academy, Volume 125. Oxford: British Academy. ISBN 978-0-19-726324-2.
- The Times (Londen). Verslaggeving over het Altmark-incident, februari 1940. ISSN 0140-0460.
- Wiggan, Richard (1982). Hunt the Altmark. London: Robert Hale. ISBN 978-0-7091-9737-9.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









