Georg Rickhey en Mittelwerk in Nordhausen

Georg Rickhey (1898–1970) was een Duitse ingenieur en industrieel bestuurder die vanaf 1944 de Mittelwerk GmbH bij Nordhausen leidde. Daar werden V1-wapens en V2-raketten in ondergrondse installaties geproduceerd met inzet van concentratiekampgevangenen. Na 1945 werd hij voor Operation Paperclip naar de Verenigde Staten gebracht. In 1947 werd hij in het Dora-proces vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs.

Vroege leven en opleiding

Georg Rickhey werd op 25 augustus 1898 geboren in Hildesheim, dat destijds deel uitmaakte van de Pruisische provincie Hannover. Over zijn jeugd, ouders en schooltijd is in de beschikbare biografische literatuur weinig vastgelegd. Wel staat vast dat hij een technische opleiding volgde en de academische graad van doctor-ingenieur behaalde. Zijn opleiding vormde de basis voor een loopbaan waarin techniek, zware industrie en industrieel management steeds nauwer met elkaar verbonden raakten.

Over een mogelijke militaire inzet van Rickhey tijdens de Eerste Wereldoorlog bevatten de aangeleverde biografische gegevens geen betrouwbare informatie. Hij was bij het uitbreken van de oorlog in augustus 1914 vijftien jaar oud en werd in augustus 1916 achttien. Een militaire rang, onderdeel of periode van frontdienst wordt in de beschikbare bronnen niet vermeld. Daarom kan deelname aan de Eerste Wereldoorlog niet als vastgesteld onderdeel van zijn levensloop worden opgenomen.

Na zijn technische studie werkte Rickhey binnen de Duitse industriële sector. Zijn precieze functies gedurende de jaren twintig zijn slechts beperkt gedocumenteerd, waardoor zijn beroepsontwikkeling uit deze periode niet volledig kan worden gereconstrueerd. Zijn latere functies tonen wel dat hij ervaring opdeed met technisch bestuur en industriële organisatie. Vanaf het begin van de jaren dertig werd zijn loopbaan bovendien verbonden met zijn werkzaamheden binnen de NSDAP.

Interbellum: technische loopbaan en NSDAP

Rickhey trad op 1 oktober 1931 toe tot de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei. Hij kreeg partijnummer 664.050 en behoorde daarmee tot de partijleden die vóór de machtsovername van januari 1933 waren toegetreden. Zijn lidmaatschap was geen korte of uitsluitend tijdens de oorlog ontstane verbinding met de partij. In de daaropvolgende jaren combineerde hij zijn technische achtergrond met functies binnen organisaties die onder het nationaalsocialistische bestuur steeds sterker met staats- en partijbeleid werden verbonden.

De positie van ingenieurs veranderde na 1933 doordat economische planning, herbewapening en industriële productie een steeds grotere plaats binnen het Duitse overheidsbeleid kregen. Technische deskundigen konden daardoor functies vervullen die zowel economisch als politiek van aard waren. Rickhey ontwikkelde zich binnen deze omgeving tot technisch bestuurder en partijfunctionaris. Zijn latere benoemingen binnen het Gau Essen en de bewapeningsindustrie sloten aan bij deze combinatie van partijwerk, techniek en industrieel management.

Over zijn werkzaamheden tussen zijn toetreding tot de NSDAP in 1931 en het einde van de jaren dertig is minder informatie beschikbaar dan over zijn loopbaan tijdens de oorlog. Er zijn geen aanwijzingen in de aangeleverde gegevens voor een formele militaire carrière. Zijn functies lagen voornamelijk op technisch, economisch en bestuurlijk terrein. Vanaf 1940 is zijn positie duidelijker gedocumenteerd doordat hij toen leidinggevende werkzaamheden binnen de technische partijorganisatie in Essen kreeg.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog

Technische en bestuurlijke functies

Vanaf 1940 leidde Rickhey het Gauamt Technik in Essen, de technische organisatie binnen de regionale partijstructuur. In 1942 werd hij binnen de NSDAP in Gau Essen bevorderd tot Oberbereichsleiter, een partijfunctie en geen militaire rang. Tegelijkertijd werkte hij als gevolmachtigd bedrijfsfunctionaris bij een mijnbouwonderneming in Essen. Daarmee combineerde hij werkzaamheden binnen de partijorganisatie met verantwoordelijkheden in een industriële sector die voor de Duitse oorlogseconomie van groot belang was.

Begin 1942 ging Rickhey werken binnen het Reichsministerium für Bewaffnung und Munition. Dit ministerie hield zich bezig met de organisatie en uitbreiding van de Duitse bewapeningsproductie en kreeg tijdens de oorlog steeds meer invloed op de industrie. Rickhey kwam hierdoor terecht in een bestuurlijke omgeving waarin productiecapaciteit, grondstoffen, arbeidskrachten en militaire opdrachten centraal werden aangestuurd. Zijn technische en bedrijfsmatige achtergrond maakte hem geschikt voor managementfuncties binnen ondernemingen die rechtstreeks voor de oorlogsindustrie produceerden.

Demag en oorlogsproductie

Later in 1942 werd Rickhey naar Demag AG overgeplaatst, een onderneming die machines en militair materieel vervaardigde. Tijdens de oorlog was Demag onder meer betrokken bij de productie van pantservoertuigen en onderdelen voor de Duitse strijdkrachten. Rickhey werkte binnen het management en maakte deel uit van de leiding van het bedrijf. Tevens werd hij directeur van de in 1942 opgerichte Demag-Fahrzeug-Werke GmbH in Falkensee bij Berlijn.

De Demag-Fahrzeug-Werke maakten deel uit van de uitbreiding van de Duitse productiecapaciteit tijdens de oorlog. Bedrijven werden aangepast, uitgebreid of opnieuw georganiseerd om grotere aantallen voertuigen, onderdelen en andere militaire goederen te kunnen leveren. Rickhey hield zich binnen deze structuur bezig met organisatorische en technische bedrijfsvraagstukken. Zijn werkzaamheden brachten hem vervolgens in aanmerking voor een zwaardere managementfunctie binnen het programma voor de productie van Duitse langeafstandswapens.

Mittelwerk en Dora-Mittelbau

Vanaf april 1944 functioneerde Rickhey als algemeen directeur van Mittelwerk GmbH bij Nordhausen. De fabriek bevond zich grotendeels in het tunnelcomplex van de Kohnstein en was opgezet om wapenproductie beter te beschermen tegen geallieerde luchtaanvallen. In het complex werden vooral V2-raketten en daarnaast V1-wapens vervaardigd. De productie vond plaats onder omstandigheden waarin duizenden concentratiekampgevangenen als gedwongen arbeidskrachten werden ingezet.

Mittelwerk GmbH en het concentratiekamp Mittelbau-Dora waren organisatorisch niet hetzelfde, maar hun werkzaamheden waren rechtstreeks met elkaar verbonden. De onderneming organiseerde de industriële productie, terwijl de SS verantwoordelijk was voor het kamp, de bewaking en de gevangenen. De gevangenen werden onder zeer zware omstandigheden voor de productie ingezet en verbleven aanvankelijk gedeeltelijk in de tunnels zelf. Ziekte, uitputting, mishandeling, executies en ontoereikende voeding veroorzaakten grote aantallen slachtoffers onder de gevangenen.

Rickhey nam als directeur een hoge positie binnen de bedrijfsorganisatie van Mittelwerk in. Tegelijkertijd nam hij de functie van Betriebsführer over van Otto Förschner, die vervolgens als Abwehrbeauftragter werkzaam bleef. De industriële leiding moest voortdurend samenwerken met SS-functionarissen die verantwoordelijk waren voor de beschikbaarheid en bewaking van gevangenen. Deze combinatie van bedrijfsvoering en concentratiekampdwangarbeid vormde na de oorlog een belangrijk onderdeel van het onderzoek naar de verantwoordelijkheid van leidinggevenden binnen Mittelwerk.

De leiding van Mittelwerk beschikte over aanzienlijk betere leefomstandigheden dan de gevangenen die in het productiecomplex werkten. Rickhey verbleef in Ilfeld in een grote zogenoemde Stabsbaracke van ongeveer vijftig bij twaalf meter. Volgens de aangeleverde gegevens beschikte het gebouw onder meer over panoramaramen, meerdere badkamers, centrale verwarming en een open haard. Rond de jaarwisseling van 1944 op 1945 organiseerde Rickhey daar een bijeenkomst voor personen uit de leiding van het productieprogramma.

De productie van de V-wapens kreeg binnen het Duitse bewapeningsbeleid hoge prioriteit. V2-raketten werden vanaf september 1944 tegen doelen in onder meer Groot-Brittannië, België en Nederland ingezet, terwijl de V1 al vanaf juni 1944 operationeel werd gebruikt. De productie moest ondanks luchtaanvallen, tekorten en de verslechterende militaire situatie worden voortgezet. Rickhey bleef tot de laatste fase van de oorlog belast met de leiding van Mittelwerk GmbH.

Na de oorlog

Arrestatie en Operation Paperclip

Rickhey werd in mei 1945 door Amerikaanse militairen gearresteerd. Amerikaanse eenheden hadden Nordhausen en het Mittelwerkgebied in april bereikt en begonnen kort daarna technisch personeel, documenten, raketonderdelen en productiekennis veilig te stellen. Rickhey behoorde tot de Duitse ingenieurs en managers die voor Amerikaanse technische programma’s werden geselecteerd. Hij werd naar Wright Field in Ohio overgebracht en kwam daar terecht binnen het programma dat later vooral bekend werd als Operation Paperclip.

De Amerikaanse belangstelling voor Duitse raketdeskundigen leidde ertoe dat technische kennis vaak sneller werd onderzocht dan de politieke en juridische achtergrond van de betrokken personen. Rickhey werkte daardoor na zijn arrestatie enige tijd in Amerikaanse dienst. Tijdens zijn verblijf in de Verenigde Staten kwamen echter steeds meer gegevens over zijn NSDAP-lidmaatschap en zijn werkzaamheden bij Mittelwerk beschikbaar. Zijn positie werd daardoor onderwerp van zowel militair onderzoek als de voorbereiding van een strafproces.

In een formulier voor de denazificatie gaf Rickhey onjuiste informatie over zijn politieke verleden. Hij stelde dat hij pas in 1935 tot de NSDAP was toegetreden en vóór 1933 niet politiek actief was geweest. Zijn werkelijke lidmaatschap dateerde echter van 1 oktober 1931. Daarmee werd een aantoonbaar onderdeel van zijn partijverleden in de naoorlogse verklaring twee jaar later geplaatst dan uit de partijadministratie bleek.

Over Rickheys verblijf op Wright Field zijn daarnaast beschuldigingen gepubliceerd die vooral afkomstig zijn uit latere Amerikaanse literatuur over Operation Paperclip. Daarin wordt beschreven dat hij betrokken zou zijn geweest bij een smokkelnetwerk en gebruikmaakte van kennis over zwarte markten die hij in Duitsland had opgedaan. Ook wordt beschreven dat Amerikaanse officieren bezorgd waren dat strafrechtelijke beschuldigingen tegen hem de technische programma’s konden hinderen. Deze beweringen staan los van het uiteindelijke juridische oordeel in het Dora-proces.

Het Dora-proces

Rickhey werd naar Duitsland teruggebracht om terecht te staan in het Dachauer Dora-proces, dat van 7 augustus tot 30 december 1947 plaatsvond. De zaak behandelde misdrijven die verband hielden met het concentratiekamp Mittelbau-Dora en het daarbij behorende systeem van dwangarbeid. Rickhey was de enige industrieel ingenieur uit de leiding van de V-wapenproductie die in dit proces als beklaagde voor de rechtbank verscheen. Andere beklaagden waren afkomstig uit de SS-organisatie en uit de groep gevangenen met functies binnen het kamp.

De aanklacht stelde dat Rickhey mede verantwoordelijkheid droeg voor de omstandigheden waaronder gevangenen moesten werken. Daarnaast werd hem verweten dat hij nauw met de SS en Gestapo had samengewerkt en kennis had gehad van mishandelingen en executies. Tijdens en rond het proces werden meerdere belastende verklaringen over zijn aanwezigheid bij executies afgelegd. Rickhey ontkende dat hij persoonlijk aan dergelijke handelingen had deelgenomen of daarvoor verantwoordelijkheid droeg.

Een van de verklaringen kwam van mede-aangeklaagde Josef Kilian, die stelde dat Rickhey in maart 1945 aanwezig was geweest bij een massa-executie van gevangenen. In andere naoorlogse verklaringen werd Rickhey beschuldigd van betrokkenheid bij het ophangen van twaalf gevangenen die van sabotage waren beschuldigd. De rechtbank kon de persoonlijke betrokkenheid van Rickhey bij deze handelingen niet met voldoende bewijs vaststellen. Ook verklaringen van onder anderen Wernher von Braun en Arthur Rudolph ondersteunden onderdelen van zijn verdediging.

Op 30 december 1947 werd Rickhey vrijgesproken. De vrijspraak betekende dat de militaire rechtbank de tegen hem ingebrachte beschuldigingen niet bewezen achtte volgens de bewijsregels van het proces. Daarmee werd geen algemeen oordeel gegeven over het systeem van dwangarbeid binnen Mittelwerk, maar over Rickheys individueel strafrechtelijk aantoonbare betrokkenheid bij de ten laste gelegde handelingen. Het beperkte karakter van de aanklacht en de beschikbare getuigenverklaringen bepaalden daardoor mede de juridische uitkomst.

Rickhey legde tijdens het proces een deel van de verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen bij Hans Kammler, die binnen de SS grote bevoegdheden bezat over bouw- en bewapeningsprojecten. Enkele maanden na zijn vrijspraak stelde Rickhey bovendien dat zijn vervolging het gevolg was geweest van onjuiste verklaringen van politieke tegenstanders en personen die hij als communistische of Sovjetgezinde informanten beschouwde. Die verklaring weerspiegelde zijn eigen verdediging na het proces. Zij veranderde niets aan de vastgestelde gegevens over zijn partijfuncties en zijn directeurschap bij Mittelwerk.

Terugkeer en latere jaren

Na afloop van het proces keerde Rickhey terug naar Wright Field in de Verenigde Staten. Hij hervatte zijn eerdere werkzaamheden binnen Operation Paperclip echter niet. Over zijn precieze activiteiten in de periode direct daarna bevatten de aangeleverde biografische bronnen weinig informatie. Uiteindelijk keerde hij naar West-Duitsland terug, waar zijn verdere beroepsloopbaan aanzienlijk minder uitgebreid is gedocumenteerd dan zijn werkzaamheden tussen 1940 en 1947.

In Amerikaanse publicaties wordt Rickhey daarnaast in verband gebracht met kennis over ondergrondse militaire bouwwerken. Hij verklaarde na de oorlog tegenover Amerikaanse militairen dat hij betrokken was geweest bij of toezicht had gehouden op de bouw van Hitlers Führerbunker in Berlijn. Latere literatuur verbindt zijn kennis van ondergrondse installaties eveneens met vroege Amerikaanse plannen voor Site R. Het latere Raven Rock Mountain Complex werd in de jaren vijftig in Pennsylvania, dicht bij de grens met Maryland, als ondergronds militair commandocentrum aangelegd.

De toeschrijving van vroege ontwerpen voor Raven Rock aan Rickhey berust vooral op latere Amerikaanse publicaties en is minder uitvoerig gedocumenteerd dan zijn functies bij Demag en Mittelwerk. Zijn ervaring met ondergrondse productie-installaties maakte hem voor Amerikaanse militaire onderzoekers wel technisch interessant. De daadwerkelijke bouw van Raven Rock begon pas jaren na de Tweede Wereldoorlog. Daarmee moet zijn mogelijke bijdrage worden geplaatst in de fase van voorbereidende kennisverwerving en niet in de latere uitvoering van het complex.

Over Rickheys laatste levensjaren is weinig gepubliceerd. Hij leefde na de oorlog opnieuw in West-Duitsland en bleef buiten de publieke aandacht die andere voormalige Duitse raketdeskundigen kregen. Zijn naam kwam vooral voor in onderzoeken naar Mittelwerk, Dora-Mittelbau, Operation Paperclip en de naoorlogse processen tegen personeel dat bij de V-wapenproductie betrokken was geweest. Georg Rickhey overleed op 21 november 1970 in Essen, 72 jaar oud.

Onderscheidingen

Rickhey ontving tijdens de Tweede Wereldoorlog het Ritterkreuz des Kriegsverdienstkreuzes. Deze onderscheiding werd toegekend voor verdiensten die volgens de Duitse autoriteiten verband hielden met de productie van de zogenoemde Vergeltungswaffen. Ook Walter Dornberger en Wernher von Braun ontvingen onderscheidingen in verband met het raketprogramma. De toekenning onderstreepte de hoge prioriteit die de Duitse regering aan de ontwikkeling en productie van V-wapens gaf.

Het Kriegsverdienstkreuz was een nationaalsocialistische Duitse onderscheiding voor werkzaamheden die de oorlogvoering ondersteunden zonder noodzakelijkerwijs directe gevechtsdienst te omvatten. Het Ritterkreuz vormde een hoge graad binnen dit onderscheidingssysteem. Rickheys onderscheiding hing samen met zijn leidinggevende werkzaamheden binnen de bewapeningsproductie en niet met een militaire commandofunctie. Er is in de aangeleverde gegevens geen militaire rang van Rickhey vermeld.

Conclusie

Georg Rickhey ontwikkelde zich van technisch opgeleid ingenieur tot partijfunctionaris en manager binnen de Duitse oorlogsindustrie. Zijn NSDAP-lidmaatschap begon in 1931, waarna hij tijdens de Tweede Wereldoorlog functies vervulde in Essen, het bewapeningsministerie, Demag en uiteindelijk Mittelwerk GmbH. Vanaf 1944 stond hij aan het hoofd van een onderneming die V-wapens produceerde met grootschalige inzet van concentratiekampgevangenen. Zijn directeurschap verbond zijn industriële loopbaan rechtstreeks met het productiesysteem van Mittelbau-Dora.

Na de Duitse nederlaag werd Rickhey aanvankelijk vanwege zijn technische kennis door de Verenigde Staten ingezet, maar vervolgens voor het Dora-proces naar Duitsland teruggebracht. De militaire rechtbank sprak hem in december 1947 vrij omdat zijn persoonlijke betrokkenheid bij de ten laste gelegde misdrijven niet voldoende kon worden bewezen. Hij keerde daarna nog kort naar Wright Field terug, maar hervatte zijn werk voor Operation Paperclip niet. Zijn latere leven bleef grotendeels buiten de openbaarheid tot zijn overlijden in Essen in 1970.

Bronnen en meer informatie

  1. Eisfeld, Rainer (2012). Mondsüchtig. Wernher von Braun und die Geburt der Raumfahrt aus dem Geist der Barbarei. Springe: zu Klampen. ISBN 978-3-86674-167-6.
  2. Klee, Ernst (2007). Das Personenlexikon zum Dritten Reich: Wer war was vor und nach 1945. Frankfurt am Main: Fischer-Taschenbuch-Verlag. ISBN 978-3-596-16048-8.
  3. Wagner, Jens-Christian (2001). Produktion des Todes: Das KZ Mittelbau-Dora. Göttingen: Wallstein Verlag. ISBN 3-89244-439-0.
  4. Jacobsen, Annie (2014). Operation Paperclip: The Secret Intelligence Program that Brought Nazi Scientists to America. New York: Little, Brown and Company. ISBN 978-0-316-22104-7.
  5. Piszkiewicz, Dennis (2007). The Nazi Rocketeers: Dreams of Space and Crimes of War. Mechanicsburg: Stackpole Books. ISBN 978-0-8117-3387-8.
  6. Jacobsen, Annie (2024). Nuclear War: A Scenario. New York: Dutton. ISBN 978-0-593-47609-3.
  7. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946