Home Schepen Torpedobootjagers USS Conyngham (DD-371): oorlog in de Stille Oceaan

USS Conyngham (DD-371): oorlog in de Stille Oceaan

USS Conyngham (DD-371) bij Mare Island op 22 januari 1942, nog uitgerust met het derde kanon van 127 millimeter.
USS Conyngham (DD-371) bij de Mare Island Navy Yard in Californië op 22 januari 1942, met het derde 127mm-kanon nog aan boord.

USS Conyngham (DD-371) was een Amerikaanse torpedobootjager van de Mahan-klasse, in dienst van 1936 tot 1946. Tijdens de Tweede Wereldoorlog begeleidde het schip vlootverbanden en ondersteunde het landingen in de Stille Oceaan. Het overleefde de aanval op Pearl Harbor. Na deelname aan de kernproeven bij Bikini werd het in 1948 tot zinken gebracht.

Ontwerp en constructie

Conyngham was het tweede Amerikaanse marineschip met deze naam. De naam verwees naar Gustavus Conyngham, een marineofficier uit de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. De kiel werd op 19 september 1934 gelegd bij de Boston Navy Yard. De tewaterlating volgde op 14 september 1935, met mevrouw A. C. G. Johnson als doopster. Op 4 november 1936 stelde de Amerikaanse marine het schip in dienst.

De Mahan-klasse bestond uit achttien torpedobootjagers en vormde een verdere ontwikkeling van de Amerikaanse vlootjagers uit de jaren dertig. Het ontwerp combineerde artillerie, torpedo’s en middelen voor onderzeebootbestrijding. Deze combinatie maakte inzet bij vlootbescherming, verkenning en aanvallen op oppervlakteschepen mogelijk. Tijdens de oorlog kwamen daar veel opdrachten voor kustbeschietingen en bescherming van landingsoperaties bij.

KenmerkGegevens
ScheepstypeTorpedobootjager
KlasseMahan-klasse
BouwwerfBoston Navy Yard, Massachusetts
LengteOngeveer 104 meter
BreedteOngeveer 10,7 meter
Ontwerpwaterverplaatsing1.500 long ton standaard, ongeveer 1.524 metrische ton
VoortstuwingVier oliegestookte ketels, stoomturbines en twee schroeven
MaximumsnelheidOngeveer 36,5 knopen, circa 68 kilometer per uur

De standaardwaterverplaatsing was niet gelijk aan het gewicht van een volledig beladen oorlogsschip. Brandstof, voorraden en latere uitbreidingen van de uitrusting vergrootten de feitelijke belasting. Ook de diepgang veranderde daardoor tijdens de diensttijd. Conyngham had geen pantsergordel of zwaar gepantserd dek zoals een slagschip; snelheid, manoeuvreerbaarheid en schadebestrijding waren daarom van belang voor de bescherming.

Bewapening

Bij indienststelling bestond de hoofdbewapening uit vijf afzonderlijk opgestelde kanonnen van 127 millimeter, aangeduid als 5-inch/38. Deze kanonnen konden zowel oppervlakte- als luchtdoelen bestrijden. Het getal 38 verwees naar de looplengte, uitgedrukt in veelvouden van het kaliber. Dezelfde artillerie werd tijdens landingsoperaties gebruikt voor beschietingen van doelen aan de kust.

Daarnaast beschikte Conyngham over twaalf torpedobuizen van 533 millimeter, verdeeld over drie viervoudige opstellingen. De oorspronkelijke lichte luchtafweer bestond uit vier machinegeweren van 12,7 millimeter. Voor onderzeebootbestrijding waren dieptebommen beschikbaar, die vanaf rekken op het achterschip konden worden afgeworpen. Later kwamen daar werpers bij waarmee dieptebommen ook naast het schip werden gelanceerd.

Tijdens de oorlog werd het aantal kanonnen van 127 millimeter teruggebracht tot vier. De luchtafweer werd uitgebreid met twee dubbele opstellingen van Bofors-kanonnen van 40 millimeter en afzonderlijke Oerlikon-kanonnen van 20 millimeter. Daarmee veranderde de verhouding tussen de hoofdbatterij en het geschut voor verdediging op kortere afstand. De bewapening van 1936 en die van de latere oorlogsjaren vormden dus verschillende uitrustingsstanden.

Sensoren en dataverwerking

De waarneming aan boord ontwikkelde zich tijdens de oorlog van optische observatie naar een combinatie van radar, sonar en visuele meldingen. Tot de opgegeven late oorlogsuitrusting van Conyngham behoren SC-luchtwaarschuwingsradar, SG-oppervlakteradar en QCA-sonar. Deze systemen hadden verschillende taken. Hun aanwezigheid aan het einde van de oorlog betekent niet dat dezelfde apparatuur al bij de indienststelling beschikbaar was.

De SC-radar diende vooral om naderende vliegtuigen te ontdekken. Hij leverde gegevens over afstand en richting, waarmee de bemanning voor een luchtaanval kon worden gewaarschuwd. Een dergelijke zoekradar bepaalde niet zelfstandig alle gegevens die nodig waren om kanonnen nauwkeurig te richten. Detectie, identificatie en vuurleiding bleven afzonderlijke stappen binnen de bestrijding van een doel.

De SG-radar was gericht op waarneming van oppervlakteschepen en kustlijnen. Het beeldscherm toonde de omgeving rondom het eigen schip, waardoor afstand en richting van een contact konden worden afgelezen. Dit ondersteunde navigatie en het bewaren van positie binnen een vlootverband, ook bij duisternis. Een radarecho gaf op zichzelf geen zekerheid over de nationaliteit van een waargenomen vaartuig.

Voor onderzeebootbestrijding gebruikte sonar geluid onder water. De QCA-installatie zond geluidspulsen uit en ontving de terugkerende echo’s. Daaruit werden afstand en richting van een mogelijk onderwaterdoel afgeleid. De bruikbaarheid van zulke waarnemingen hing mede af van de geluidsoverdracht in het water en van storend geluid door het eigen schip. Bij hoge vaart kon dat de mogelijkheden voor het volgen van onderzeeboten beperken.

De hoofdbatterij beschikte over centrale vuurleiding van het type Mark 33. Een richttoestel en rekenapparatuur hielpen bij het volgen van doelen en het bepalen van de benodigde schietgegevens. Afzonderlijke kanonnen konden daarnaast plaatselijk worden gericht. Het gevechtsverslag van Pearl Harbor beschrijft beide werkwijzen: aanvankelijk openden achterste kanonnen plaatselijk het vuur, waarna voorste kanonnen onder centrale leiding schoten.

Binnen de Amerikaanse marine bracht het Combat Information Center, afgekort CIC, gegevens van radar, sonar, uitkijkposten en radioverbindingen bijeen. Bemanningsleden hielden posities bij op kaarten en overzichtstekeningen. Door opeenvolgende waarnemingen te vergelijken, bepaalden zij bewegingen van andere schepen en vliegtuigen. De commandant ontving daarmee een samenhangend overzicht voor navigatie, verdediging en tactische beslissingen.

Voor Conyngham zijn een afzonderlijke invoeringsdatum, indeling en personeelsbezetting van het CIC niet voldoende vastgesteld. Daarom kan geen specifieke installatie vanaf 1943 als bewezen worden beschreven. Evenmin bewijst het ontbreken van zulke gegevens dat het schip zonder enige centrale verwerking van gevechtsinformatie opereerde. De aanwezigheid van zoekradar alleen is onvoldoende om de volledige kwaliteit van die organisatie vast te stellen.

Modificaties

De oorlogservaringen leidden tot een grotere nadruk op luchtafweer en elektronische waarneming. Het verwijderen van een kanon van 127 millimeter schiep ruimte voor andere uitrusting. De lichte machinegeweren maakten plaats voor zwaarder automatisch luchtafweergeschut. Ook de middelen voor het afwerpen en werpen van dieptebommen werden uitgebreid.

Onderhoud en modernisering vonden tijdens verschillende werfbezoeken plaats. Een omvangrijke onderhoudsperiode liep van 18 maart tot 24 mei 1944 bij Mare Island, in het gebied van de Baai van San Francisco. Foto’s uit mei 1944 tonen het schip na deze werkzaamheden met een gewijzigd camouflagepatroon. De onderhoudsbeurten maakten deel uit van de voorbereiding op verdere inzet bij de Marianen en de Filipijnen.

Status schip tijdens de oorlog

Conyngham bleef gedurende de oorlog beschikbaar voor gevechts- en escortetaken, onderbroken door onderhoud en herstel van schade. Het schip stamde uit een vooroorlogs ontwerp, maar behield daarmee niet automatisch zijn oorspronkelijke uitrusting. De aanpassingen aan luchtafweer, onderzeebootbestrijding en waarneming veranderden de inzetmogelijkheden. De operationele beoordeling moet daarom betrekking hebben op een bepaalde periode en taak.

De onderhoudstoestand kon bovendien binnen korte tijd veranderen. Op de ochtend van de aanval op Pearl Harbor waren voortstuwing en eigen stroomvoorziening wegens werkzaamheden buiten bedrijf. De bemanning herstelde de benodigde installaties en bracht het schip diezelfde middag weer onder stoom. Ook na latere aanvaringsschade en luchtaanvallen volgde herstel en terugkeer naar operationele opdrachten. Voor zijn oorlogsdeelname ontving Conyngham veertien battle stars, Amerikaanse onderscheidingen voor deelname aan aangewezen gevechten en campagnes.

Operationele geschiedenis

Oefenreizen en Pearl Harbor

In het voorjaar van 1937 bezocht Conyngham havens in Noord-Europa. Na onderhoud in Boston vertrok het naar San Diego, waar vanaf 22 oktober oefeningen plaatsvonden. Vervolgens opereerde het langs de Amerikaanse westkust, bij Hawaï en in het Caribisch gebied. Op 2 april 1940 vertrok het vanuit San Diego naar Pearl Harbor voor patrouillediensten. Een reis in maart 1941 voerde langs Samoa, Fiji en Australië, waarna lokale operaties bij Hawaï werden hervat.

Tijdens de Japanse aanval van 7 december 1941 lag Conyngham bij ligplaats X-8 in East Loch. Het schip lag met stuurboord naast het onderhoudsschip USS Whitney (AD-4). Aan bakboord lagen achtereenvolgens USS Reid (DD-369), USS Tucker (DD-374), USS Case (DD-370) en USS Selfridge (DD-357). De jagers openden gezamenlijk het vuur; hun bemanningen meldden meerdere neergeschoten vliegtuigen. Conyngham liep lichte schade op, zonder slachtoffers, en kon later die dag uitvaren.

Het eerste afweervuur werd om 08.08 uur afgegeven. Tijdens de aanval verschoten de kanonnen van 127 millimeter samen 114 granaten. De machinegeweren verbruikten ongeveer 2.500 patronen. Om 17.14 uur kwam Conyngham weer in beweging na herstel van de voortstuwing.

Midway, Santa Cruz en Guadalcanal

Na verdere patrouilles vanuit Pearl Harbor in december 1941 en een korte onderhoudsbeurt bij Mare Island escorteerde Conyngham schepen tussen de Amerikaanse westkust en de Nieuwe Hebriden. Van 4 tot en met 6 juni 1942 maakte het deel uit van de beveiliging van vliegdekschepen tijdens de Slag bij Midway. Daarna werden de escortetaken hervat. Op 16 oktober vertrok het uit Pearl Harbor met USS Enterprise voor operaties in de zuidwestelijke Stille Oceaan.

Tijdens de Slag bij de Santa Cruzeilanden op 26 oktober verdedigde Conyngham de Amerikaanse vliegdekschepen. Op 2 november beschoot het Kokumbona op Guadalcanal en kwam het tijdens manoeuvres in aanvaring met een andere torpedobootjager. Noodherstel vond plaats in Nouméa, gevolgd door volledige reparatie in Pearl Harbor. Op 4 februari 1943 keerde het terug naar Espiritu Santo. Na een beschieting van Doma Cove op 7 februari volgden vijf maanden patrouille- en escortewerk tussen bases in de zuidelijke Stille Oceaan en Australië.

Nieuw-Guinea en Nieuw-Brittannië

Van 1 tot en met 3 juli 1943 gaf Conyngham vuursteun bij Operation Chronicle rond Woodlark en Kiriwina, nabij Nieuw-Guinea. Op 23 augustus beschoot het Finschhafen. Tijdens de bescherming van de landingen bij Lae op 4 september vielen drie Japanse bommenwerpers aan. Bommen die vlak naast het schip ontploften, veroorzaakten schade.

Na herstel dekte Conyngham op 22 september de landingen bij Finschhafen en vertrok vervolgens naar Brisbane. Het ondersteunde daarna landingen bij Arawe op Nieuw-Brittannië op 15 december, bij Cape Gloucester op 26 december en bij Saidor op Nieuw-Guinea op 2 januari 1944. Een reparatieperiode in Australië onderbrak de inzet die maand. In maart vertrok het voor groot onderhoud naar de omgeving van San Francisco.

Marianen en Leyte

Eind mei 1944 keerde Conyngham via Majuro terug naar de vloot. Binnen Task Force 58 beschermde het slagschepen tijdens de operaties bij de Marianen. Op 13 juni nam het deel aan de beschieting van Saipan. De inzet omvatte ook de Slag in de Filipijnenzee op 19 en 20 juni en de daaropvolgende operaties bij Guam en Tinian. Tot augustus bleef het in deze eilandengroep voor vuursteun, escortes en patrouilles.

Vervolgens begeleidde het schepen ter voorbereiding op de Amerikaanse terugkeer naar de Filipijnen. Op 4 november arriveerde het met versterkingen in de Golf van Leyte. Een Japans watervliegtuig beschoot het schip op 16 november, waarbij zeventien bemanningsleden gewond raakten en lichte schade ontstond. Op 7 december beschermde het onder zware luchtaanvallen de landingen in de Ormocbaai. Op 11 december keerde het daar terug met versterkingen.

Luzon en de laatste oorlogsmaanden

Op 23 december 1944 liep Conyngham Manus aan om voorraden aan te vullen. Vervolgens voer het naar Hollandia om zich aan te sluiten bij de beveiliging van een konvooi naar Leyte en de Golf van Lingayen. Daar nam het deel aan voorbereidende kustbeschietingen. Na de landingen van 9 januari 1945 bleef het tot 18 januari patrouilleren.

Op 1 februari raakte Conyngham samen met de escortetorpedobootjager USS Lough betrokken bij een incident met eigen vuur nabij Talin Point. De Amerikaanse motortorpedoboten PT-77 en PT-79 werden voor vijandelijke vaartuigen aangezien en gingen verloren. Pogingen om de beschieting met radio- en lichtsignalen te stoppen mislukten. Vier mannen kwamen om of bleven vermist. Dertig overlevenden bereikten de kust en werden op 3 februari door PT-227 en PT-230 opgehaald.

Conyngham bleef daarna actief bij operaties rond de Filipijnen en Borneo. Eind juni en begin juli ondersteunde het de operatie bij Balikpapan, aan de oostkust van Borneo. Op 22 juli arriveerde het in Subic Bay voor onderhoud. Het bevond zich daar nog toen de oorlog eindigde.

Na de oorlog

Na de Japanse capitulatie kreeg Conyngham een andere bestemming. Het schip werd geselecteerd als doelschip voor Operation Crossroads, de Amerikaanse kernproeven bij het Bikini-atol in 1946. Deze proeven onderzochten de gevolgen van kernexplosies voor oorlogsschepen en hun uitrusting. De inzet als proefobject volgde op de beëindiging van de gevechtsoperaties.

Conyngham zonk niet tijdens de kernproeven bij Bikini. De Amerikaanse marine stelde het schip op 20 december 1946 buiten dienst, nadat de proeven waren uitgevoerd. Op 2 juli 1948 werd het voor de kust van Californië doelbewust tot zinken gebracht. Daarmee eindigde het bestaan van de tweede USS Conyngham, bijna twaalf jaar na de indienststelling.

Conclusie

USS Conyngham verbond vlootbescherming met patrouilles, konvooibegeleiding en vuursteun bij landingen. De inzet liep van Pearl Harbor en Midway tot Nieuw-Guinea, de Marianen en de Filipijnen. Onderhoud en wijzigingen aan bewapening en sensoren hielden het schip gedurende de oorlog inzetbaar. De gevechtswaarde berustte daarbij op de samenhang tussen waarneming, vuurleiding en verwerking van gevechtsinformatie; een onbevestigde CIC-inrichting rechtvaardigt geen vast oordeel over veroudering vanaf 1943. Na de oorlog volgden de kernproeven van 1946 en de uiteindelijke afzinking in 1948.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Naval History & Heritage Command, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Friedman, Norman (2004). U.S. Destroyers: An Illustrated Design History. Herziene editie. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-55750-442-5.
  3. Cressman, Robert J. (2000). The Official Chronology of the U.S. Navy in World War II. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-55750-149-3.
  4. Bulkley, Robert J. (2016). At Close Quarters: PT Boats in the United States Navy. Herdruk van de uitgave uit 1962. Verenigde Staten: CreateSpace Independent Publishing Platform. ISBN 978-1-53042-134-3.
  5. Boslaugh, David L. (1999). When Computers Went to Sea: The Digitization of the United States Navy. Los Alamitos: IEEE Computer Society Press. ISBN 978-0-7695-0024-9.
  6. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946