
USS Enterprise (CV-6) was een vliegdekschip van de Yorktown-klasse dat in de jaren dertig werd gebouwd voor de United States Navy. Het schip werd te water gelaten op 3 oktober 1936 en in dienst genomen op 12 mei 1938. Tijdens de Tweede Wereldoorlog nam het deel aan een groot aantal operaties in de Stille Oceaan. Enterprise bleef tot het einde van de oorlog operationeel en werd onderscheiden met twintig battle stars. Het schip beschikte over een combinatie van vliegdekcapaciteit, bewapening, bescherming en geavanceerde sensoren voor detectie en commandovoering.
Ontwerp en constructie
Enterprise was het tweede schip van de Yorktown-klasse en werd gebouwd door Newport News Shipbuilding Company in Virginia. Het ontwerp was in overeenstemming met de beperkingen van het Washington Naval Treaty, waarbij een balans werd gezocht tussen snelheid, actieradius, bescherming en luchtcapaciteit. Het schip had een volledig gesloten hangardek, drie liften voor het transport van vliegtuigen tussen hangar en vliegdek, en twee hydraulische katapulten voor het lanceren van vliegtuigen.
De romp was gestroomlijnd, wat in combinatie met een krachtig voortstuwingssysteem zorgde voor een hoge topsnelheid en groot bereik. De interne indeling was gericht op efficiënte vliegoperaties, opslag van vliegtuigbrandstof, munitie en onderhoudsfaciliteiten.
Technische gegevens bij ingebruikname:
- Waterverplaatsing: 19.800 ton (standaard), 25.500 ton (volgeladen)
- Lengte: 246,7 meter (verlengd tot 252,2 meter in 1943)
- Breedte: 33,2 meter (uitgebreid tot 34,8 meter in 1943)
- Diepgang: 7,9 meter
- Voortstuwing: 4 Parsons-stoomturbines, 9 Babcock & Wilcox-ketels
- Vermogen: 120.000 pk
- Snelheid: 32,5 knopen (60,2 km/u)
- Bereik: 12.500 zeemijl bij 15 knopen
- Bemanning: 2.217 personen (1941)
Bewapening
Aanvankelijke uitrusting in 1941:
- 8 kanonnen van 127 mm (5-inch/38 kaliber)
- 4 vierdubbele 1,1-inch luchtafweerkanonnen
- 24 Browning-machinegeweren van 12,7 mm
Aanpassingen tijdens de oorlog:
- 40 Bofors-luchtafweerkanonnen van 40 mm
- 50 Oerlikon-luchtafweerkanonnen van 20 mm
De wijzigingen waren bedoeld om de luchtverdedigingscapaciteit te vergroten, onder meer tegen duikbommenwerpers en kamikaze-aanvallen.
Bepantsering
Enterprise had een pantsergordel van 2,5 tot 4 inch ter bescherming van de vitale delen van de romp. Het dek had een beschermende laag van 60 lb staal. Dwars- en langsschotten boden extra bescherming tegen torpedo-inslagen. De conning tower had zijpantser van 4 inch en een pantserdak van 2 inch. Het stuurmechanisme was beschermd door 4 inch bepantsering aan de zijkanten.
Vliegtuigen aan boord
Tijdens de Tweede Wereldoorlog opereerde USS Enterprise met verschillende typen vliegtuigen, afhankelijk van de fase van het conflict. In de vroege oorlogsjaren bestond de luchtgroep uit jachtvliegtuigen zoals de Grumman F4F Wildcat, duikbommenwerpers van het type Douglas SBD Dauntless en torpedobommenwerpers Douglas TBD Devastator. Vanaf 1943 werden deze vervangen door modernere toestellen, waaronder de Grumman F6F Hellcat als standaard jager, de Curtiss SB2C Helldiver als duikbommenwerper en de Grumman TBF/TBM Avenger voor torpedoaanvallen. De samenstelling van de luchtgroep werd aangepast aan de missie, variërend van luchtverdediging en verkenning tot precisieaanvallen op schepen en landdoelen. Enterprise kon gemiddeld tachtig tot negentig vliegtuigen aan boord nemen, afhankelijk van het type en de operationele eisen.
Sensoren en dataverwerking
Bij de in dienststelling in 1938 beschikte USS Enterprise niet over radarapparatuur. In 1941 werd het schip uitgerust met de CXAM-1 RADAR, een van de eerste operationele luchtzoekradars van de United States Navy. Dit systeem werkte in het VHF-bereik met een golflengte van circa 1,5 meter en kon vliegtuigen detecteren tot op ongeveer 160 kilometer afstand, afhankelijk van hoogte en radarkruis. De antenne werd op de voorste mast geplaatst om een zo groot mogelijk detectieveld te verkrijgen. De CXAM-1 bood een vroege waarschuwing tegen luchtaanvallen en maakte nachtelijke en slechtweersoperaties beter uitvoerbaar.
In de latere oorlogsjaren werd de radarinstallatie uitgebreid met de SK air-search radar. Dit was een verbeterd luchtzoekradarsysteem met een grotere antenne en een langere detectieafstand, tot ruim 180 kilometer voor hoogvliegende doelen. De SK-radar gebruikte een lagere frequentie dan de CXAM-1, waardoor het beter presteerde in maritieme omgevingen met sterke reflecties. De SK werd ingezet voor vroegtijdige waarschuwing van inkomende vijandelijke formaties en leverde gegevens aan het Combat Information Center.
Voor vuurleiding werd de SM fire directional radar geïnstalleerd. Dit systeem was ontworpen voor het nauwkeurig richten van luchtafweerbatterijen, met name de 5-inch/38 kaliber kanonnen. De SM-radar leverde richtgegevens in real time, zodat luchtafweerbemanningen snel konden reageren op hoog- en laagvliegende doelen. De koppeling tussen SM en de optische richtmiddelen zorgde voor een hogere trefkans, ook onder slechte zichtomstandigheden.
Het Combat Information Center (CIC) fungeerde als centraal coördinatiepunt voor tactische informatie. Hier werden radargegevens, visuele waarnemingen en inlichtingenmeldingen verzameld, geanalyseerd en weergegeven op plottafels en displays. Het CIC coördineerde luchtpatrouilles, gaf vroegtijdige waarschuwingen, volgde vijandelijke scheepsbewegingen en leidde luchtafweeracties. Het functioneerde in nauwe samenwerking met andere scheepsafdelingen, waaronder navigatie en communicatie. De personele bezetting bestond uit officieren en manschappen die gespecialiseerd waren in radarinterpretatie, navigatie en gevechtscoördinatie.
Het Air Operations Center (AirOps) was verantwoordelijk voor het plannen, voorbereiden, lanceren en begeleiden van vliegoperaties. Deze afdeling werkte direct samen met het Carrier Air Traffic Control Center (CATCC) voor het reguleren van start- en landingsprocedures, vooral tijdens intensieve gevechtsoperaties. AirOps hield rekening met weersomstandigheden, brandstofplanning, munitievoorraden en vijandelijke posities. Binnen deze afdeling werden missies voorbereid, zoals verkenningsvluchten, luchtverdediging, onderschepping en aanvalspatrouilles. Gegevens uit het CIC werden direct gebruikt voor het bepalen van de prioriteiten in de inzet van de luchtgroep.
De samenwerking tussen CIC en AirOps was essentieel voor de operationele slagkracht van Enterprise. Het CIC leverde actuele tactische informatie, die door AirOps werd vertaald naar concrete opdrachten voor de luchtgroep.
Bij detectie van vijandelijke vliegtuigen kon AirOps direct onderscheppingsvluchten lanceren, terwijl tijdens offensieve operaties doelcoördinaten vanuit het CIC werden gebruikt voor het leiden van aanvalsgroepen. Deze integratie van radarsystemen, CIC en AirOps maakte het mogelijk om vijandelijke dreigingen vroegtijdig te detecteren, luchtafweer effectief te coördineren en luchtoperaties nauwkeurig uit te voeren, waardoor het schip tijdens de Tweede Wereldoorlog in diverse gevechtssituaties effectief kon opereren.
Modificaties
Tijdens de oorlog werd Enterprise meerdere keren aangepast om te voldoen aan veranderende operationele eisen.
In 1942 werden de oorspronkelijke 1,1-inch luchtafweerkanonnen vervangen door 40 mm Bofors-kanonnen, en werd het aantal 20 mm Oerlikon-kanonnen uitgebreid. De vliegdekstructuur werd versterkt en de liften werden aangepast voor het verwerken van zwaardere vliegtuigtypes.
In 1943 onderging het schip een ingrijpende refit bij de Puget Sound Naval Shipyard. Hierbij werd de breedte vergroot, kreeg het schip extra bepantsering langs vitale secties en werd de radarinstallatie uitgebreid. De SK-luchtzoekradar en SM-fire control radar werden toegevoegd aan de bestaande CXAM-1. Verder werden extra brandbestrijdingssystemen geïnstalleerd.
In 1944 werd het schip aangepast voor nachtoperaties. De verlichting en vliegdekmarkeringen werden geoptimaliseerd voor gebruik met nachtjagers en bommenwerpers. Het rompnummer werd tijdelijk gewijzigd naar CV(N)-6 om de nachtcapaciteit aan te duiden.
Status schip tijdens de oorlog
Enterprise werd tijdens de oorlog voortdurend onderhouden en aangepast. Ondanks intensief gebruik bleef het schip operationeel inzetbaar tot het einde van de oorlog. Regelmatige dokbeurten werden gebruikt om schade te herstellen, bewapening te verbeteren en elektronische systemen te moderniseren.
Het schip bleef technisch actueel door de voortdurende integratie van radar en het gebruik van een volledig operationeel Combat Information Center. Hierdoor bleef het in 1945 op het niveau van de modernste vliegdekschepen binnen de Amerikaanse vloot. De combinatie van mechanische betrouwbaarheid, technische upgrades en ervaren bemanning zorgde ervoor dat Enterprise in staat bleef om in grote operaties te functioneren.
Operationele geschiedenis
Pearl Harbor en eerste acties
Op 7 december 1941 bevond USS Enterprise zich op zee tijdens een opdracht om vliegtuigen van het type Grumman F4F Wildcat en Douglas SBD Dauntless naar Wake Island te vervoeren. Achttien SBD Dauntless-verkenners van haar luchtgroep waren in de lucht toen de Japanse aanval op Pearl Harbor begon. De toestellen kwamen boven Oahu aan terwijl de luchtaanval in volle gang was. Zeven vliegtuigen gingen verloren, deels door vijandelijke jagers, deels door eigen luchtafweer. Op 10 december 1941 brachten toestellen van Enterprise de Japanse onderzeeboot I-70 tot zinken. Dit was de eerste Japanse oorlogseenheid die na de oorlogsverklaring door de Verenigde Staten werd vernietigd. In de weken daarna voer het schip patrouilles ten oosten van Hawaï en begeleidde het konvooien om verdere aanvallen op de Amerikaanse eilandposities af te weren.
Vroege offensieven in 1942
In januari 1942 voerde Enterprise operaties uit ter bescherming van troepentransporten naar Samoa. Op 1 februari werden luchtaanvallen uitgevoerd op Kwajalein, Wotje en Maloelap in de Marshalleilanden. Doelen waren vliegvelden, haveninstallaties en bevoorradingsschepen. Deze raids waren bedoeld om de Japanse vooruitgeschoven bases te verstoren en ervaring op te doen met gecoördineerde carrier-aanvallen. In april nam het schip deel aan de escortemissie van USS Hornet tijdens de Doolittle Raid, waarbij zestien B-25 Mitchell-bommenwerpers vanaf Hornet richting Japan werden gelanceerd. Na ontdekking door een Japanse patrouilleboot keerde de task force terug naar Pearl Harbor.
Slag om Midway
Eind mei 1942 maakte Enterprise deel uit van Task Force 16, samen met USS Hornet. Amerikaanse codebrekers hadden de Japanse plannen voor een aanval op Midway onderschept. Op 4 juni voerden vliegtuigen van Enterprise aanvallen uit op de Japanse vliegdekschepen Kaga en Akagi, waarbij meerdere voltreffers zware branden veroorzaakten. Later die dag werden de carriers Sōryū en Hiryū eveneens vernietigd door gecombineerde aanvallen van Amerikaanse carriers. Aan Amerikaanse zijde ging USS Yorktown verloren. Enterprise keerde terug naar Pearl Harbor met verliezen in haar luchtgroep, maar zonder ernstige structurele schade.
Guadalcanal-campagne
In augustus 1942 ondersteunde Enterprise de Amerikaanse landingen op Guadalcanal, de eerste grote geallieerde offensieve operatie in de Stille Oceaan. Tijdens de Slag bij de Oostelijke Salomonseilanden op 24 augustus vielen haar vliegtuigen het Japanse lichte vliegdekschip Ryūjō aan, dat later zonk. Enterprise liep tijdens deze actie meerdere bomtreffers op, waarbij 74 bemanningsleden omkwamen en 95 gewond raakten. Na noodreparaties op zee voer het schip naar Pearl Harbor voor herstel. In oktober keerde Enterprise terug en nam deel aan de Slag bij de Santa Cruz-eilanden. Tijdens deze slag ging USS Hornet verloren en werd Enterprise opnieuw getroffen door bommen, maar bleef operationeel. Het schip nam in de daaropvolgende maanden een centrale rol op zich bij de ondersteuning van gevechten rond Guadalcanal en de Salomonseilanden.
Operaties in 1943
Na herstel en modernisering bij Puget Sound Naval Shipyard hervatte Enterprise in november 1943 de operaties in de centrale Stille Oceaan. Tijdens de landingen op de Gilbert-eilanden, met name Makin, leverde het schip luchtsteun en voerde het luchtaanvallen uit op vijandelijke scheepsconcentraties. Begin 1944 nam Enterprise deel aan aanvallen op de Marshalleilanden en aan Operatie Hailstone, de grootschalige aanval op de Japanse basis Truk op 17 en 18 februari. Tijdens deze actie werd voor het eerst de nachtcapaciteit van boordvliegtuigen ingezet, met radargeleide aanvallen op vijandelijke schepen en installaties.
Filipijnse Zee en Marianas
In juni 1944 ondersteunde Enterprise de Amerikaanse landingen op Saipan. Op 19 en 20 juni nam het schip deel aan de Slag in de Filipijnse Zee, waarin Japan zware verliezen leed aan vliegdekschipluchtvaart. Enterprise voerde zowel defensieve Combat Air Patrol-vluchten als offensieve luchtaanvallen uit. Na de slag bleef het schip actief in de regio en voerde het aanvallen uit op Guam, Rota en andere strategische doelen in de Marianen.
Slag om Leyte Golf
In oktober 1944 maakte Enterprise deel uit van de carrier-groepen die de terugkeer naar de Filipijnen ondersteunden. Op 24 oktober vielen vliegtuigen van Enterprise en andere carriers de Japanse Center Force in de Sibuyan Sea aan, waarbij het slagschip Musashi door meerdere bom- en torpedotreffers tot zinken werd gebracht. Op 25 oktober voerden toestellen van Enterprise aanvallen uit op schepen van zowel de Southern Force als de Northern Force. De gecombineerde acties van lucht- en oppervlakte-eenheden resulteerden in zware verliezen aan Japanse zijde, waarmee de slagmacht van de Japanse marine verder werd verzwakt.
Iwo Jima en Okinawa
In februari 1945 ondersteunde Enterprise de landingen op Iwo Jima door luchtsteun te leveren aan de Amerikaanse mariniers, vijandelijke stellingen te bestoken en luchtverdediging te bieden tegen Japanse aanvallen. Tijdens de Slag om Okinawa in april en mei voerde het schip zowel dag- als nachtoperaties uit. Op 11 april werd Enterprise beschadigd door een vijandelijke aanval en trok het tijdelijk terug voor herstel. Op 14 mei trof een kamikaze-vliegtuig de voorste lift, waarbij veertien bemanningsleden omkwamen en 68 gewond raakten. De aanval veroorzaakte zware schade, waardoor het schip terugkeerde naar de Verenigde Staten voor reparatie.
Laatste oorlogsoperaties
Na herstel in juni 1945 keerde Enterprise terug naar het westelijke deel van de Stille Oceaan. In de laatste oorlogsweken voerde het schip patrouilles uit en ondersteunde het aanvallen op Japanse doelen op de thuis-eilanden. Enterprise bleef actief tot de Japanse overgave op 2 september 1945. In de weken daarna werd het schip ingezet voor transport- en terugvoeroperaties, waarmee het de basis legde voor deelname aan Operatie Magic Carpet, het repatriëren van militair personeel naar de Verenigde Staten.
Na de oorlog
Na de Japanse overgave op 2 september 1945 werd USS Enterprise toegewezen aan Operatie Magic Carpet, het programma voor de terugkeer van Amerikaanse militairen naar huis. Het schip maakte meerdere reizen, waarbij in totaal meer dan 10.000 militairen werden vervoerd, waaronder gewonden, voormalige krijgsgevangenen en personeel dat in het kader van rotatie naar de Verenigde Staten terugkeerde.
Enterprise vervoerde in september 1945 ruim duizend passagiers vanuit Pearl Harbor naar de oostkust van de Verenigde Staten via het Panamakanaal. Daarna werden reizen gemaakt naar Europese havens, waaronder Southampton, voor het ophalen van Amerikaanse troepen die in Europa waren ingezet. Tijdens deze reizen werden ook vrouwen van het Women’s Army Corps (WAC) en andere hulpdiensten teruggebracht.
In januari 1946 maakte het schip zijn laatste reis in het kader van Operatie Magic Carpet. Vervolgens werd Enterprise klaargemaakt voor uitdienststelling. Op 17 februari 1947 werd het schip formeel uit dienst genomen. Plannen om Enterprise als museumschip te behouden kwamen niet tot uitvoering, voornamelijk door het ontbreken van voldoende financiële middelen. In 1958 werd het schip verkocht voor sloop, een proces dat in 1960 werd voltooid.
Enkele onderdelen van het schip zijn bewaard gebleven. De scheepsbel bevindt zich op de United States Naval Academy, de naamplaat in River Vale, New Jersey, en de commissieplaquette in het Washington Navy Yard. Deze artefacten dienen als blijvende herinnering aan de dienstperiode van het schip.
Conclusie
USS Enterprise (CV-6) bleef gedurende de gehele Tweede Wereldoorlog operationeel inzetbaar. Het schip combineerde luchtvaartcapaciteit met geavanceerde detectie- en coördinatiesystemen, waaronder radar en een volledig ingericht Combat Information Center. Deze combinatie maakte het mogelijk om zowel offensieve als defensieve taken uit te voeren in uiteenlopende gevechtssituaties.
In vergelijking met andere schepen uit dezelfde periode voldeed Enterprise ook in 1945 nog aan de militaire normen voor operationele carriers, mede door regelmatige modernisering. De nalatenschap van het schip wordt bewaard door fysieke overblijfselen, documentatie en de naamgeving van latere schepen in de Amerikaanse marine.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Naval History & Heritage Command , Public domain, via Wikimedia Commons
- Coté, Larry; Wright, Christopher C. (2020). Question 14/57: Concerning Reduction in Armament in Enterprise (CV-6) Following the End of World War II. Warship International, LVII(4): 274–280. ISSN 0043-0374.
- Thorne, Phil (2022). Battle of the Sibuyan Sea. Warship International, LIX(1): 34–65. ISSN 0043-0374.
- Parshall, Jonathan; Tully, Anthony (2007). Shattered Sword: The Untold Story of the Battle of Midway. Washington, DC: Potomac Books. ISBN 978-1-57488-924-6.
- Ewing, Steve (2002). Reaper Leader: The Life of Jimmy Flatley. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 1-55750-205-6.
- Leckie, Robert (1965). Challenge for the Pacific: The Bloody Six-Month Battle of Guadalcanal. New York: Perseus Book Group. ISBN 0-306-80911-7. OCLC 229215815.
- Garrett, Richard J. (2010). The Defences of Macau: Forts, Ships and Weapons Over 450 Years. Hong Kong: Hong Kong University Press. ISBN 978-9888028498.
- Friedman, Norman (1983). U.S. Aircraft Carriers: An Illustrated Design History. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-739-9.
- Lundstrom, John B. (2005 ed.). The First Team and the Guadalcanal Campaign: Naval Fighter Combat from August to November 1942. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-472-4.
- Rohwer, J. (2005). Chronology of the War at Sea 1939–1945. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-119-8.
- Stafford, Edward P. (2002) [1962]. The Big E: The Story of the USS Enterprise. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 978-1-55750-998-7. OCLC 48493709.
- Tillman, Barrett (2012). Enterprise: America’s Fightingest Ship and the Men Who Helped Win World War II. New York: Simon & Schuster. ISBN 978-1-4391-9087-6.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.









