De Praagse operatie was het Sovjetoffensief van 6 tot en met 11 mei 1945 tegen Duitse troepen in Bohemen en Moravië. Drie Sovjetfronten sloten Heeresgruppe Mitte in. Sovjettanks bereikten Praag op 9 mei, na een opstand en een plaatselijk capitulatieakkoord. De operatie beëindigde het georganiseerde Duitse verzet in een groot deel van Tsjechoslowakije.
Militaire en Politieke Situatie
Begin mei 1945 beschikte Duitsland nog over omvangrijke strijdkrachten in het gebied van Tsjechoslowakije, Saksen en Oostenrijk. Hun positie was verslechterd door de geallieerde opmars vanuit het westen en de Sovjetaanvallen vanuit het oosten. Op 25 april hadden Amerikaanse en Sovjettroepen elkaar bij Torgau aan de Elbe ontmoet. Daarmee was het Duitse grondgebied militair in tweeën gedeeld. Heeresgruppe Mitte bleef ten zuiden van de hoofdaanval op Berlijn grotendeels als georganiseerd legerverband bestaan.
Berlijn capituleerde op 2 mei; het omsingelde Breslau volgde op 6 mei. De Duitse regering onder Karl Dönitz probeerde ondertussen zoveel mogelijk militairen en burgers naar gebieden onder westelijk geallieerd gezag te laten uitwijken. Duitse eenheden moesten daarvoor hun terugtochtswegen tegenover de Sovjettroepen openhouden. De Sovjetleiding wilde deze strijdkrachten ontwapenen en verhinderen dat zij gezamenlijk naar Amerikaanse linies ontsnapten. De aanwezigheid van het Rode Leger in Praag had daarnaast politieke betekenis voor de naoorlogse machtsverhoudingen.
Op 5 mei begon de Praagse opstand tegen de Duitse bezetting. Via de radio vroegen de opstandelingen om hulp, terwijl bewoners barricaden bouwden en verzetsgroepen openbare gebouwen bezetten. Binnen ongeveer een etmaal stonden er rond tweeduizend barricaden in de stad. Duitse eenheden behielden echter steunpunten en voerden tegenaanvallen uit. De opstand vond gelijktijdig met de voorbereiding van het Sovjetoffensief plaats, maar stond onder een eigen Tsjechische leiding.
Locatie
De Praagse operatie besloeg een gebied dat zich van Saksen via Noord-Bohemen en Moravië tot Noord-Oostenrijk uitstrekte. De aanvallen verliepen langs een frontboog van ongeveer 1.200 kilometer. Praag lag centraal in Bohemen aan de Moldau, op ongeveer honderd kilometer ten oosten van Pilsen. Voor Duitse eenheden vormden de wegen door en rond de hoofdstad verbindingen met West-Bohemen. Daar bevonden zich de Amerikaanse troepen waaraan veel Duitse militairen zich wilden overgeven.
Het terrein beïnvloedde de verschillende aanvalsrichtingen. De Sovjetlegers uit Saksen moesten het Ertsgebergte oversteken, terwijl de oostelijke formaties door Moravië oprukten. Vanuit de omgeving van Brno voerde een andere route over de hoogten tussen Moravië en Bohemen naar Praag. Rivieren, bergwegen en dichtbezette verkeersknooppunten bemoeilijkten de verplaatsingen. Terugtrekkende legercolonnes en vluchtende burgers veroorzaakten bovendien opstoppingen op de wegen naar het westen.
Militaire Leiders
Maarschalk Ivan Konev voerde het bevel over het 1e Oekraïense Front, dat de hoofdaanval vanuit het noorden uitvoerde. Maarschalk Rodion Malinovski leidde het 2e Oekraïense Front vanuit het zuidoosten. Het 4e Oekraïense Front stond onder generaal Andrej Jerjomenko en naderde vanuit het oosten. Een Sovjetfront was een legergroep met verschillende legers en ondersteunende eenheden. De benaming Oekraïens verwees naar de voorgeschiedenis van deze verbanden, niet naar een uitsluitend Oekraïense samenstelling.
Binnen Konevs strijdmacht leidden Pavel Rybalko en Dmitri Leljoesjenko respectievelijk het 3e en 4e Garde-tankleger. Andrej Kravtsjenko commandeerde het 6e Garde-tankleger van Malinovski. Aan Duitse zijde stond veldmaarschalk Ferdinand Schörner aan het hoofd van Heeresgruppe Mitte. De legercommandanten waren onder anderen Fritz-Hubert Gräser van het 4e Pantserleger, Wilhelm Hasse van het 17e Leger en Walther Nehring van het 1e Pantserleger. Hans Kreysing leidde het 8e Leger in het zuidelijke operatiegebied.
In Praag berustte de politieke leiding bij de Tsjechische Nationale Raad, met Albert Pražák als voorzitter. Generaal Karel Kutlvašr vervulde een leidende militaire functie bij de opstand. Generaal Rudolf Toussaint onderhandelde namens het Duitse garnizoenscommando. Het Tsjechoslowaakse 1e Legerkorps aan Sovjetzijde stond inmiddels onder generaal Karel Klapálek. Zijn voorganger Ludvík Svoboda was minister van Defensie geworden.
Doelstelling en planning
De Sovjetopperbevelvoering, de Stavka, wilde Heeresgruppe Mitte omsingelen, Praag bereiken en de Duitse terugtocht naar het westen afsnijden. Het 1e Oekraïense Front moest vanuit Saksen naar Midden-Bohemen doorstoten. Het 2e Oekraïense Front zou vanuit de omgeving van Brno en Znojmo oprukken. Het 4e Oekraïense Front kreeg de opdracht de Duitse troepen in Moravië terug te dringen. De samenkomende aanvallen moesten hun bewegingsruimte verkleinen.
Voor Konev vergde de voorbereiding een snelle hergroepering van troepen die kort daarvoor bij Berlijn hadden gevochten. Vooral de tanklegers moesten naar nieuwe uitgangsposities worden verplaatst. De aanval van het 1e Oekraïense Front begon op 6 mei, een dag eerder dan aanvankelijk voorzien. De Duitse terugtocht en de gebeurtenissen in Praag versnelden de uitvoering. Snelheid was nodig om de Duitse formaties te bereiken voordat zij de Amerikaanse linies konden halen.
Amerikaanse en Sovjetbevelhebbers hadden een demarcatielijn afgesproken, onder meer langs Karlovy Vary, Pilsen en České Budějovice. Generaal George Pattons 3e Amerikaanse Leger moest zijn verdere opmars binnen deze afspraken houden. Amerikaanse troepen bevrijdden Pilsen op 6 mei, maar rukten vervolgens niet met hun hoofdmacht naar Praag op. Voor de opstandelingen, die Amerikaanse hulp verwachtten, was die beperking niet direct duidelijk. De lijn regelde de ontmoeting van de legers en was geen nieuwe staatsgrens.
Militaire eenheden
Voor het offensief werden ongeveer twee miljoen militairen aan Sovjetzijde en bij de verbonden legers ingezet. De Sovjetformaties telden samen ongeveer 1,77 miljoen manschappen. Daarnaast namen het Poolse 2e Leger, het Roemeense 1e en 4e Leger en het Tsjechoslowaakse 1e Legerkorps deel. De gezamenlijke strijdmacht beschikte volgens de operationele overzichten over ongeveer 30.500 kanonnen en mortieren, circa 2.000 tanks en gemechaniseerd geschut en ongeveer 3.000 vliegtuigen. Deze aantallen betroffen het gehele operatiegebied.
Bij het 1e Oekraïense Front vormden het 3e en 4e Garde-tankleger de mobiele aanvalsmacht. Het 13e Leger en het 3e Gardeleger ondersteunden de opmars, terwijl andere legers de Duitse verdediging in Saksen en Noord-Bohemen aanvielen. Het 2e Oekraïense Front beschikte over het 6e Garde-tankleger en verschillende infanterielegers. Bij het 4e Oekraïense Front opereerden onder meer het 1e Gardeleger en het 18e, 38e en 60e Leger. De luchtsteun kwam van het 2e, 5e en 8e Luchtleger, aangevuld met inzet van het 17e Luchtleger.
De Duitse strijdmacht bestond uit Heeresgruppe Mitte en aangrenzende delen van Heeresgruppe Ostmark. De opgegeven sterkte verschilt per afbakening; voor de door de operatie getroffen troepen wordt vaak ongeveer 900.000 man genoemd. Het 4e Pantserleger en het 17e Leger bezetten noordelijke sectoren, terwijl het 1e Pantserleger in Moravië stond. In het zuiden trok het 8e Leger vanuit het Oostenrijks-Moravische grensgebied terug. De formaties hadden nog artillerie en pantservoertuigen, maar hun totale personeelssterkte gaf geen volledig beeld van hun inzetbare gevechtskracht.
Het verloop van de Praagse operatie
De noordelijke aanval op 6 en 7 mei
Op 6 mei begon Konevs aanval vanuit de omgeving van Döbeln en andere uitgangsposities in Saksen. De tanklegers rukten zuidwaarts op, ondersteund door het 2e Luchtleger onder Stepan Krasovski. Het 13e Leger van Nikolaj Poechov en het 3e Gardeleger van Vasili Gordov ondersteunden de aanval op de flanken. In de avond van 7 mei hadden voorste formaties de noordelijke toegangen tot het Ertsgebergte bereikt. De aanvallers zetten de opmars voort naar de bergwegen die toegang gaven tot Bohemen.
Verder naar het oosten vielen het 28e en 52e Leger aan vanuit de Oberlausitz. Hun bewegingen richting Löbau en Görlitz vergrootten de druk op het Duitse 4e Pantserleger. De Sovjetlegers tegenover het Reuzengebergte kwamen niet allemaal gelijktijdig in beweging. Dresden werd door de zuidwaartse opmars voorbijgetrokken en raakte afgesneden. Het 5e Gardeleger van Aleksej Zjadov bezette de stad op 8 mei.
De aanvallen door Moravië
Het 2e en 4e Oekraïense Front intensiveerden hun aanvallen op 7 mei. Jerjomenko’s legers rukten aan weerszijden van de Moravische Poort op in de richting van Olomouc. Het Tsjechoslowaakse 1e Legerkorps opereerde binnen het verband van het Sovjet-18e Leger. De Duitse terugtocht uit het gebied tussen Opava en Zlín kwam hierdoor onder druk te staan. Tegelijk moesten Duitse eenheden in Noord-Bohemen hun stellingen bij Liberec en Jablonec verlaten.
Malinovski’s strijdmacht naderde vanuit het gebied tussen Brno en Znojmo. Het 6e Garde-tankleger rukte vanuit Moravië via de richting Jihlava naar Praag op. Het 40e en 53e Leger oefenden druk uit op de Duitse formaties verder oostelijk. Het 7e Gardeleger nam op 8 mei Znojmo in, terwijl zuidelijker troepen richting Tábor en České Budějovice trokken. Door deze bewegingen kwamen verschillende Duitse terugtochtsroutes tegelijk binnen bereik van de Sovjetlegers.
De opstand en de Russische Bevrijdingslegerdivisie
In Praag probeerden Duitse eenheden de barricaden te doorbreken en verbindingen tussen hun steunpunten te herstellen. De opstandelingen beschikten over buitgemaakte wapens, maar hadden weinig middelen tegen pantservoertuigen. Op 6 en 7 mei kregen zij steun van de 1e divisie van het Russische Bevrijdingsleger onder Sergej Boenjatsjenko. Deze formatie had eerder aan Duitse zijde tegen de Sovjet-Unie gevochten. Haar inzet tegen Duitse troepen hielp de verdediging van verschillende stadsdelen.
De samenwerking leidde niet tot een blijvend politiek akkoord met de Tsjechische Nationale Raad. De raad wilde zich niet verbinden aan een formatie die door de Sovjet-Unie als collaborerend werd beschouwd. Boenjatsjenko’s troepen begonnen zich op 7 mei terug te trekken in de richting van de Amerikanen. Daarmee verloren de opstandelingen een deel van hun militaire ondersteuning. Duitse aanvallen en beschietingen gingen op verschillende plaatsen door.
Het akkoord van 8 mei en de intocht op 9 mei
Op 8 mei sloot de Tsjechische Nationale Raad met Toussaint een akkoord over de beëindiging van de gevechten en het vertrek van Duitse troepen. Het akkoord maakte een uittocht naar het westen mogelijk onder voorwaarden over het achterlaten van wapens. Veel Duitse eenheden verlieten daarop de stad. Niet alle SS-eenheden hielden zich aan de regeling, waardoor plaatselijke gevechten voortduurden. Het grootste deel van het Duitse garnizoen was echter vertrokken voordat de Sovjettanks aankwamen.
In de nacht van 8 op 9 mei legden de voorste eenheden van het 3e en 4e Garde-tankleger nog ongeveer tachtig kilometer af. In de vroege ochtend bereikten zij Praag vanuit het noorden en noordwesten. Daar troffen zij Tsjechische opstandelingen en resterende Duitse weerstand aan. Later op 9 mei arriveerden ook voorste onderdelen van het 4e en 2e Oekraïense Front. De opstand, het plaatselijke akkoord en de Sovjetopmars bepaalden samen hoe de Duitse bezetting van de stad eindigde.
De capitulatie en de laatste omsingelingen
De algemene Duitse capitulatie was op 7 mei in Reims ondertekend en gold tegenover alle geallieerden. Zij trad op 8 mei om 23.01 uur Midden-Europese tijd in werking. Een tweede ondertekening volgde in Berlijn-Karlshorst. De overeenkomst verplichtte Duitse troepen hun wapens neer te leggen en hun posities niet eigenmachtig te verlaten. Toch bleven veel eenheden proberen naar het westen te trekken, waardoor gevechten en ontwapening ook na het officiële tijdstip doorgingen. Stalingrad to Berlin.
Op 8 mei bereikte een missie onder Amerikaanse begeleiding Schörners hoofdkwartier in Velichovky om de capitulatievoorwaarden over te brengen. Schörner verklaarde dat hij naleving niet overal kon verzekeren. Hij verliet vervolgens zijn troepen en vluchtte per vliegtuig; later kwam hij in Oostenrijk in Amerikaanse handen. De Duitse bevelvoering viel verder uiteen terwijl Sovjeteenheden de wegen westwaarts afsloten. Vooral ten noorden en oosten van Praag raakten terugtrekkende formaties ingesloten.
Op 10 en 11 mei legden grote aantallen Duitse militairen hun wapens neer. Sovjeteenheden bereikten de afgesproken ontmoetingslijn met het 3e Amerikaanse Leger, onder meer in de omgeving van Chemnitz en České Budějovice. Duitse groepen die Amerikaanse posities bereikten, konden niet steeds rekenen op aanvaarding van een afzonderlijke capitulatie. Sommige kwamen alsnog in Sovjetgevangenschap terecht. Buiten de gebruikelijke einddatum van de operatie vonden plaatselijk nog gevechten plaats, waaronder bij Slivice op 11 en 12 mei.
Resultaat
Het directe militaire resultaat was de uitschakeling van Heeresgruppe Mitte als samenhangende strijdmacht. De Sovjetlegers waren in verschillende sectoren ongeveer 160 tot 200 kilometer opgerukt en hadden Praag bereikt. Volgens Sovjetopgaven werden ongeveer 860.000 Duitse militairen gevangengenomen. Dat cijfer betreft de operatie en de bijbehorende massale overgaven in een uitgebreid gebied. Het is geen aantal gevangenen dat uitsluitend in Praag werd gemaakt.
Strategisch eindigde daarmee het georganiseerde Duitse verzet in een groot deel van de Tsjechische landen. De bezettingsinstellingen verloren hun gezag en Tsjechoslowaakse autoriteiten namen bestuurstaken over. De aanwezigheid van Sovjettroepen versterkte de politieke positie van de Sovjet-Unie. Amerikaanse en Sovjetstrijdkrachten verlieten Tsjechoslowakije nog in 1945. De communistische machtsovername van februari 1948 volgde binnen de naoorlogse politieke ontwikkeling en was geen onderdeel van de militaire operatie zelf.
De bevrijding kreeg daarna een plaats in de openbare herdenking. De Sovjet-Unie stelde op 9 juni 1945 de medaille Voor de bevrijding van Praag in. Uiteindelijk ontvingen ongeveer 395.000 personen deze onderscheiding. In de communistische geschiedschrijving kreeg het optreden van het Rode Leger veel nadruk. De bijdrage van de opstandelingen en vooral die van de Russische Bevrijdingslegerdivisie werd daardoor onvolledig weergegeven.
Miltaire en burger slachtoffers
De door Grigori Krivosheev gepubliceerde verliesstatistiek vermeldt 49.348 Sovjetverliezen: 11.265 onherstelbare verliezen en 38.083 gewonden en zieken. De eerste categorie omvat onder meer doden en vermisten. Daar kwamen 1.730 Roemeense, 887 Poolse en 533 Tsjechoslowaakse militaire verliezen bij. Het gezamenlijke totaal bedroeg daarmee 52.498. Deze aantallen betreffen de volledige operatie en mogen niet worden voorgesteld als verliezen bij de intocht in Praag.
De slachtoffers van de Praagse opstand vormen een afzonderlijke telling. De derde editie van het namenonderzoek Padli na barikádách registreert 2.859 slachtoffers, onder wie 2.811 Tsjechoslowaakse staatsburgers. Onder hen bevonden zich strijders en ongewapende burgers die omkwamen door gevechten, beschietingen of moord. De publicatie behandelt daarnaast afzonderlijk 118 omgekomen militairen van de Russische Bevrijdingslegerdivisie en bijna tweehonderd gewonden. Verschillen met oudere cijfers komen mede voort uit aanvullend archiefonderzoek en correcties van persoonsregistraties. Vojenský historický ústav Praha.
Voor de Duitse troepen ontbreekt een even sluitend totaal van doden en gewonden gedurende uitsluitend deze operatie. De honderdduizenden krijgsgevangenen vormen daarom een afzonderlijke verliescategorie. Aanvulling van de verslagen Duitse formaties was door de capitulatie niet meer aan de orde. De Sovjetlegers behielden voldoende gevechtskracht om de operatie af te ronden. De personeelssterkten geven echter geen grond voor een nauwkeurige uitspraak over het aantal beschikbare vervangers of hun opleidingsniveau direct na de gevechten.
Materiele verliezen
De gepubliceerde verliesoverzichten noemen voor de Sovjetstrijdkrachten 373 tanks en stukken gemechaniseerd geschut, 1.006 kanonnen en mortieren en 80 vliegtuigen. Deze verliezen ontstonden in het gehele operatiegebied. Zij kunnen niet worden toegeschreven aan uitsluitend de gevechten binnen Praag. De overzichten geven bovendien geen afzonderlijk beeld van alle tijdelijke beschadigingen en later uitgevoerde reparaties.
Volgens Sovjetopgaven werden ongeveer 9.500 Duitse kanonnen en mortieren, 1.800 pantservoertuigen en 1.100 vliegtuigen buitgemaakt. Het ging om achtergelaten en ingeleverd materieel uit een omvangrijk gebied. Deze buitcijfers zeggen niet hoeveel voertuigen en vliegtuigen bij het begin van het offensief inzetbaar waren. Zij zijn daarom niet rechtstreeks vergelijkbaar met een opgave van de Duitse gevechtssterkte op één bepaalde dag.
Voor de Duitse eenheden eindigde met de overgave ook de georganiseerde militaire bevoorrading. Achtergelaten munitie, brandstof en voertuigen vielen in geallieerde handen. Voor Praag bestond de materiële schade daarnaast uit verwoeste en beschadigde gebouwen, waaronder delen van het Oude Stadhuis. Het herstel van woningen en openbare voorzieningen behoorde tot de naoorlogse wederopbouw.
Conclusie
De Praagse operatie bereikte haar militaire doel: Praag kwam onder geallieerde controle en Heeresgruppe Mitte verloor haar samenhang. De aanvallen vanuit Saksen en Moravië sloten de terugtochtswegen van grote Duitse formaties af. De beëindiging van de bezetting in Praag volgde uit de opstand, het akkoord van 8 mei en de aankomst van Sovjettroepen op 9 mei. De massale overgaven gingen door na het ingaan van de algemene capitulatie. Naast de militaire verliezen vielen tijdens de opstand duizenden slachtoffers onder strijders en burgers.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Mil.ru, CC BY 4.0, via Wikimedia Commons
- Krivosheev, Grigori F. (red.) (1997). Soviet Casualties and Combat Losses in the Twentieth Century. Londen: Greenhill Books. ISBN 978-1-85367-280-4.
- Glantz, David M., en Jonathan M. House (1995). When Titans Clashed: How the Red Army Stopped Hitler. Lawrence: University Press of Kansas. ISBN 978-0-7006-0899-7.
- Ziemke, Earl F. (1987). Stalingrad to Berlin: The German Defeat in the East. Washington, D.C.: Center of Military History, United States Army. ISBN 978-0-16-001962-3.
- Marek, Jindřich, e.a. (2025). Padli na barikádách: Padlí a zemřelí ve dnech Pražského povstání 5.–9. května 1945. Derde, aangevulde en uitgebreide editie. Praag: Ministerstvo obrany České republiky, Vojenský historický ústav Praha. ISBN 978-80-7278-925-2.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946










