De Mannlicher M95 was vanaf 1895 het standaardgeweer van het Nederlandse leger. Het repeteergeweer gebruikte patronen van 6,5 mm en een magazijn voor vijf schoten. Naast het lange geweer verschenen verschillende karabijnen voor afzonderlijke legeronderdelen. De wapens dienden ook bij de marine en het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger en bleven na de Tweede Wereldoorlog elders in gebruik.
Geschiedenis
De vervanging van het Beaumontgeweer
Het Nederlandse leger zocht vanaf de jaren tachtig van de negentiende eeuw naar een opvolger voor het Beaumontgeweer. Dit wapen gebruikte een patroon van ongeveer 11 mm met zwart kruit. Tegelijkertijd verschenen in Europa geweren met magazijnen en patronen met rookarm kruit. Deze ontwikkelingen maakten kleinere kalibers en lichtere munitie mogelijk, terwijl militairen meerdere schoten konden afgeven zonder telkens een afzonderlijke patroon rechtstreeks in de kamer te plaatsen.
Op 23 februari 1886 stelde de minister van Oorlog een commissie in die de geweerbewapening moest onderzoeken. Een onmiddellijke vervanging van alle bestaande geweren was daarmee nog niet geregeld. Daarom werd het Beaumontgeweer vanaf 1888 voorzien van een Vitali-magazijn voor vier patronen. Deze Beaumont-Vitali M1871/88 vormde een tussenoplossing, terwijl de commissie verschillende buitenlandse ontwerpen beoordeelde voor de toekomstige Nederlandse bewapening.
Beproevingen en Nederlandse aanpassingen
De commissie onderzocht verschillende magazijnsystemen en grendelconstructies voordat zij een keuze maakte. Tot de onderzochte wapens behoorden ontwerpen van Mannlicher, Nagant, Pieper, Krag-Jørgensen en Frey, naast het Duitse Gewehr 1888. Ook geweren die als Vinci en Bergman werden aangeduid, maakten deel uit van de vergelijking. Niet ieder aangeboden wapen kon volledig worden beproefd, onder meer doordat bij sommige inzendingen onvoldoende of geen passende munitie was geleverd.
Een aangepaste Mannlicher van August Schriever werd een van de overgebleven kandidaten. Schriever was in België betrokken bij de wapenproductie en vertegenwoordigde tevens de Oostenrijkse fabriek in Steyr. De Nederlandse commissie beoordeelde zijn ontwerp naast een verbeterd geweer van Nagant en het Duitse model 1888. Daardoor ontstond het Nederlandse geweer uit een reeks proeven en wijzigingen, met bijdragen van zowel buitenlandse leveranciers als Nederlandse militaire deskundigen.
Bij de kaliberkeuze onderzocht de commissie aanvankelijk patronen van ongeveer 7,5 tot 8 mm. Vervolgens werd ook een geweer met een Italiaanse loop van 6,5 mm beproefd. Het lagere gewicht van de kleinere patroon woog mee bij de uiteindelijke voorkeur voor dit kaliber. Na verdere wijzigingen aan onder meer het houtwerk, de loopbanden en het vizier werd het wapen op 4 december 1895 officieel aangeduid als geweer M.95.
Verschil met de Oostenrijks-Hongaarse M1895
De Nederlandse M.95 verschilde van het Oostenrijks-Hongaarse Mannlicher-geweer dat eveneens het modeljaar 1895 droeg. Het Nederlandse wapen had een draaigrendel, terwijl het Oostenrijks-Hongaarse model een rechtlijnig bediende grendel had. Bovendien gebruikte dat laatste oorspronkelijk een patroon van 8 × 50 mm R. De gemeenschappelijke naam Mannlicher en het gelijke modeljaar betekenen dus niet dat beide legers hetzelfde geweer gebruikten.
De productie van miljoenen Mannlicher-geweren in Steyr en Boedapest heeft betrekking op het Oostenrijks-Hongaarse model. Die aantallen horen niet bij de Nederlandse M.95, waarvan de vervaardiging plaatsvond in Steyr en later bij Hembrug. Het Nederlandse geweer vertoonde meer verwantschap met het Roemeense Mannlicher-model van 1893. Beide gebruikten een draaigrendel en patronen uit de 6,5 × 53 mm R-familie, maar hadden hun eigen militaire uitvoering en specificaties.
Productie in Steyr en bij Hembrug
Oostenrijkse levering en Nederlandse werkplaatsen
De eerste Nederlandse M.95-wapens werden vervaardigd door de Österreichische Waffenfabriks-Gesellschaft in Steyr. Nederland beschikte aanvankelijk niet over een volledig ingerichte productielijn voor het nieuwe geweer. Voor de invoering waren bovendien voorzieningen nodig voor patroonproductie, inspectie en herstel. Bij de Artillerie-Inrichtingen kwam daarom een Werkplaats voor Draagbare Wapenen, waar in de eerste fase vooral onderhoud en reparaties werden uitgevoerd.
Vanaf 1904 konden de Artillerie-Inrichtingen bij Hembrug in Zaandam complete M.95-geweren onder licentie vervaardigen. Daarmee kreeg Nederland naast de Oostenrijkse leverancier een eigen productievoorziening voor zijn standaardwapen. De naam Hembrug werd vervolgens verbonden aan zowel geweren als karabijnen die daar waren gemaakt. Het onderscheid tussen een Steyr- en een Hembrugwapen betreft de fabrikant, terwijl beide tot het Nederlandse M.95-systeem behoorden.
Mobilisatie en productieaantallen
De mobilisatie tijdens de Eerste Wereldoorlog vergrootte de behoefte aan geweren en karabijnen. Nederland bleef buiten de oorlog, maar hield een omvangrijke krijgsmacht onder de wapenen. In 1915 gaf de minister van Oorlog opdracht de productie te verhogen en mogelijkheden voor buitenlandse aankopen te onderzoeken. Na 1918 werd de productie van nieuwe lange geweren voor het Nederlandse leger stilgelegd, terwijl bestaande wapens beschikbaar bleven voor gebruik en latere wijzigingen.
Voor de Nederlandse M.95-familie wordt doorgaans een totaal van ongeveer 470.000 exemplaren genoemd. Dit productieaantal is niet hetzelfde als de voorraad die op een bepaalde datum daadwerkelijk beschikbaar was. Voor mei 1940 wordt de Nederlandse voorraad geweren en karabijnen op ongeveer 400.000 gesteld. Bij zulke aantallen moet onderscheid worden gemaakt tussen vervaardigde wapens, aanwezige voorraden en geweren die later tot een andere uitvoering waren omgebouwd.
Werking en technische eigenschappen
Repeteergeweer met een draaigrendel
De M.95 was een handmatig bediend repeteergeweer met een vast magazijn onder de grendelkast. Na ieder schot moest de schutter de grendel bedienen om de lege huls te verwijderen en een volgende patroon aan te voeren. Het wapen was dus geen zelfladend geweer. De magazijncapaciteit van vijf patronen maakte wel een reeks opeenvolgende schoten mogelijk voordat opnieuw munitie moest worden aangevoerd.
Het Mannlicher-systeem gebruikte een patroonhouder die samen met vijf patronen in het magazijn werd opgenomen. Deze houder, ook aangeduid als een en-blocclip, bleef tijdens het verschieten van de patronen in het wapen. Zodra de laatste patroon uit de houder naar de kamer was gevoerd, kon de lege houder door de opening onder in het magazijn wegvallen. Dit systeem verschilde van een laadstrip, die na het vullen van het magazijn werd verwijderd.
Afmetingen, houtwerk en vizier
Het lange infanteriegeweer was zonder bajonet ongeveer 1,29 meter lang en had een loop van circa 79 centimeter. Het gewicht zonder bajonet bedroeg ongeveer 4,2 kilogram, afhankelijk van uitvoering en meetwijze. De kolf en lade bestonden uit notenhout, met een afzonderlijke handbeschermer boven de loop. Deze houten delen vormden de steun voor het wapen en beperkten het directe contact met de loop wanneer die door het schieten warm werd.
De vizierverdeling van het lange geweer liep van 400 tot 2.000 meter. Deze schaalverdeling was geen aanduiding van de afstand waarop iedere schutter een afzonderlijk doel betrouwbaar kon treffen. Bij de toenmalige infanterietactiek bestond ook het gebruik van gezamenlijk vuur op grotere afstanden. De praktische trefkans bleef afhankelijk van onder meer zicht, doelgrootte, afstandsschatting, schiethouding en opleiding van de militair.
De karabijnen waren korter en lichter dan het infanteriegeweer en verschilden onderling in uitvoering. De karabijn No.4 had bijvoorbeeld een lengte van ongeveer 95 centimeter en een loop van circa 45 centimeter. Zonder bajonet woog deze uitvoering ongeveer 3,37 kilogram; met bajonet bedroeg het gewicht ongeveer 3,85 kilogram. De aanwezigheid van de bajonet veranderde zowel het gewicht als de totale lengte van de karabijn.
Munitie en plannen voor aanpassing
De Nederlandse patroon van 6,5 mm
De M.95 gebruikte de Nederlandse patroon van 6,5 × 53,5 mm R, die ook als 6,5 × 53 mm R wordt aangeduid. De eerste maat verwijst naar het nominale kaliber en de tweede naar de hulslengte. De letter R geeft aan dat de patroonhuls een uitstekende rand heeft. De gebruikelijke militaire patroon had een rondkopkogel met een metalen mantel en een lading rookarm kruit.
Dezelfde Nederlandse patroon werd eveneens gebruikt in de lichte Lewis-mitrailleur M.20. Daardoor konden verschillende wapentypen binnen de krijgsmacht munitie van dezelfde patroonsoort gebruiken. De aanvoer naar het wapen bleef echter verschillend: de M.95 werkte met patroonhouders, terwijl de Lewis een trommelmagazijn gebruikte. Een gemeenschappelijk kaliber betekende daarom niet dat ook de houders en magazijnen onderling uitwisselbaar waren.
Onderzoek naar een groter kaliber
Tijdens het gebruik in Nederlands-Indië ontstond kritiek op de uitwerking van de 6,5 mm-patroon. Militairen rapporteerden gevallen waarin getroffen tegenstanders niet onmiddellijk werden uitgeschakeld. In 1910 werd een commissie ingesteld om de kwestie te onderzoeken, waarna aanpassing naar 7,9 mm en toepassing van een spitsvormige kogel werden aanbevolen. Deze voorstellen leidden niet tot een algemene wijziging van de Nederlandse M.95-geweren en karabijnen vóór mei 1940.
De toenmalige discussie over de uitwerking van kogels moet worden onderscheiden van een algemene uitspraak over het kaliber. Een doorschot alleen verklaart niet hoe ernstig een verwonding is of hoe snel een getroffen persoon uitvalt. Ook de plaats van de treffer en het gedrag van het projectiel in het lichaam spelen daarbij een rol. Voor de bewapeningsgeschiedenis staat vast dat de M.95 zijn Nederlandse patroon behield, terwijl bij een deel van de zware mitrailleurs wel op 7,9 mm werd overgegaan.
Karabijnen en bijzondere uitvoeringen
De karabijnen No.1 tot en met No.4
De eerste karabijnen werden ontwikkeld voor militairen bij wie het lange infanteriegeweer minder goed bij de werkzaamheden paste. De karabijn No.1 werd in 1896 ingevoerd voor de cavalerie. De No.2 was bestemd voor de Koninklijke Marechaussee, terwijl de No.3 voor onder meer artillerie en genie werd gebruikt. De uitvoeringen verschilden onder andere in draagvoorzieningen, handbescherming en de inrichting voor het gebruik van een bajonet.
Voor de wielrijderseenheden kwam later de karabijn No.4 beschikbaar. Bij deze uitvoering bevond zich aan de linkerzijde van het magazijn een houten afdekking. Ook de plaatsing van de draagriem en het bijbehorende bajonettype waren afgestemd op de uitvoering van het wapen. De verschillende modellen gebruikten hetzelfde algemene Mannlicher-systeem, maar konden daardoor niet als volledig identieke karabijnen worden behandeld bij productie, uitgifte en onderhoud.
Oud Model, Nieuw Model en de No.5
De verscheidenheid aan karabijnen leidde tot pogingen om onderdelen en uitvoeringen meer gelijk te maken. Naast de bestaande wapens verschenen karabijnen met de aanduiding Nieuw Model. Eerdere uitvoeringen werden vervolgens aangeduid als Oud Model, waardoor beide benamingen naast elkaar in gebruik kwamen. Omdat niet alle oude wapens tegelijk werden vervangen of gewijzigd, bleef de uitrusting uit meerdere varianten bestaan in plaats van uit één algemeen karabijntype.
Vanaf het midden van de jaren dertig werden lange geweren ingekort voor gebruik als karabijn. Nederland had daarvoor bestaande geweervoorraden beschikbaar, terwijl bij verschillende diensten behoefte bestond aan kortere wapens. De karabijn No.5 behoorde tot deze omgebouwde uitvoeringen en kwam in de tweede helft van de jaren dertig in gebruik. Hiermee werd het beschikbare materiaal opnieuw benut zonder dat voor iedere benodigde karabijn een volledig nieuw wapen hoefde te worden vervaardigd.
Het loopgraafgeweer
In 1916 werd ook een bijzondere uitvoering voor gebruik vanuit loopgraven ontwikkeld. Deze M.95 was gecombineerd met een periscoop en een voorziening voor bediening vanuit een lagere positie. Het doel was de schutter meer dekking te geven terwijl het geweer boven de borstwering uitstak. Het loopgraafgeweer bleef daarmee een aanpassing van het bestaande repeteersysteem, met aanvullende onderdelen voor een specifieke vorm van stellingoorlog.
Gebruik in Nederland en Nederlands-Indië
De Nederlandse krijgsmacht tot mei 1940
Het geweer M.95 bleef tijdens de Eerste Wereldoorlog en het interbellum de persoonlijke bewapening van een groot deel van de Nederlandse infanterie. Andere legeronderdelen ontvingen karabijnen die beter pasten bij hun werkzaamheden en uitrusting. Ook bij de Koninklijke Marine en bij politiediensten werden wapens uit de M.95-familie gebruikt. De lange gebruiksduur ging daardoor samen met verschillen in uitvoering, bestemming en de wijze waarop de wapens werden gedragen.
Tijdens de Duitse aanval van mei 1940 waren Nederlandse militairen nog steeds met M.95-geweren en karabijnen bewapend. Het ontwerp was toen bijna 45 jaar oud, maar handmatig bediende repeteergeweren waren ook bij andere Europese legers nog gebruikelijk. De Duitse infanterie beschikte bijvoorbeeld over de Karabiner 98k, die eveneens een handmatig bediende grendel had. Voor de vuurkracht van een eenheid waren daarnaast het aantal mitrailleurs, de beschikbare munitie, de organisatie en de opleiding van belang.
Het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger
Het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger gebruikte geweren en karabijnen van het Mannlicher-systeem bij de handhaving en uitbreiding van het Nederlandse koloniale gezag. De bewapeningskeuzes en invoeringsmomenten liepen niet volledig gelijk met die van het leger in Nederland. Binnen het KNIL kregen korte wapens een plaats bij verschillende eenheden, waarbij de verdeling in de loop der jaren veranderde. Daardoor moeten Nederlandse landmachtuitvoeringen en Nederlands-Indische gebruiksvormen steeds in hun eigen organisatorische verband worden geplaatst.
De M.95 bleef bij het KNIL in gebruik tijdens de Japanse aanval op Nederlands-Indië in 1942. Het koloniale leger had vanaf 1936 een moderniseringsprogramma dat onder meer op grotere vuurkracht voor infanterie en artillerie was gericht. Dat programma betekende geen volledige vervanging van de aanwezige Mannlicher-wapens. Na de nederlaag kwamen Nederlandse geweren en karabijnen in Japanse handen, waarna een deel tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd opnieuw werd gebruikt.
Duitse buitwapens en naoorlogs gebruik
Duitse registratie en inzet
Na de Nederlandse capitulatie nam Duitsland grote hoeveelheden Nederlandse wapens over. Het lange M.95-geweer werd binnen de Duitse registratie van buitwapens aangeduid als Gewehr 211(h). De letter h verwees naar de Nederlandse herkomst, aangeduid als holländisch. Het aangepaste loopgraafgeweer kreeg de afzonderlijke aanduiding Graben-Gewehr 212(h), waarmee ook deze bijzondere uitvoering in de Duitse administratie herkenbaar bleef.
Voor verschillende karabijnuitvoeringen gebruikte Duitsland afzonderlijke nummers binnen dezelfde buitwapenadministratie. De No.1 Nieuw Model werd geregistreerd als Karabiner 411(h), terwijl de No.1 Oud Model de aanduiding Karabiner 412(h) kreeg. Voor de No.3 werd Karabiner 413(h) gebruikt en voor de No.4 Karabiner 414(h). De Nederlandse wapens konden vervolgens worden uitgegeven aan bewakings- en politie-eenheden en kwamen tijdens de laatste oorlogsperiode ook bij de Volkssturm terecht.
Indonesië en Suriname
Na 1945 bleven M.95-wapens aanwezig in de Indonesische archipel. Tijdens de onafhankelijkheidsstrijd werden zij gebruikt aan zowel Nederlandse als Indonesische zijde. Vervolgens kwamen overgebleven voorraden ook bij de strijdkrachten van de onafhankelijke Indonesische staat terecht. In de jaren vijftig werden daar geweren en karabijnen aangepast voor de patroon .303 British, zodat deze latere uitvoeringen afweken van de oorspronkelijke Nederlandse bewapening.
Ook buiten Indonesië bleef het gebruik van de M.95 na de Tweede Wereldoorlog voortbestaan. De politie in Suriname gebruikte het wapen nog in de jaren vijftig; opleidingsfoto’s uit 1955 tonen oefeningen met dit geweertype. Daarmee liep de gebruiksduur verder door dan de periode waarin het de Nederlandse landmacht standaard bewapende. Het einde van de Nederlandse inzet in mei 1940 was dus niet hetzelfde als het einde van het gebruik van de M.95-familie.
Conclusie
De Nederlandse Mannlicher M.95 verbond de vernieuwing van de geweerbewapening aan het einde van de negentiende eeuw met het militaire gebruik tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het systeem omvatte een lang infanteriegeweer, meerdere karabijnen en een bijzondere loopgraafuitvoering. Productie in Steyr en bij Hembrug voorzag de Nederlandse krijgsmacht langdurig van wapens met dezelfde basisconstructie en patroon. De latere Duitse en Indonesische inzet laat zien dat de gebruiksgeschiedenis na de Nederlandse nederlagen van 1940 en 1942 doorliep.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Armémuseum (The Swedish Army Museum), CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons
- De Vries, G., en Martens, B.J. (1993). Nederlandse vuurwapens: Landmacht en Luchtvaartafdeling 1895–1940. Amsterdam: De Bataafsche Leeuw. ISBN 90-6707-313-X.
- Walter, John (2006). Rifles of the World. Derde editie. Iola, Wisconsin: Krause Publications. ISBN 978-0-89689-241-5.
- Lohnstein, Marc (2018). Royal Netherlands East Indies Army 1936–42. Men-at-Arms 521. Oxford: Osprey Publishing. ISBN 978-1-4728-3375-4.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946










