Home Militaire organisatie Lichte Divisie in mei 1940: opbouw en oorlogsinzet

Lichte Divisie in mei 1940: opbouw en oorlogsinzet

Nederlandse militairen liggen tussen de heide met geweren en een zware mitrailleur naast een dennenboom.
Nederlandse militairen in een gedekte opstelling tussen de heide, met geweren en een zware mitrailleur.

De Lichte Divisie was een mobiele eenheid van de Koninklijke Landmacht met ongeveer 9.000 militairen in haar volledige organisatie. Kolonel H.C. van der Bijl voerde het bevel. Wielrijders, huzaren-motorrijders en artillerie vormden de gevechtseenheden. Tijdens de Duitse inval in mei 1940 werden onderdelen vanuit Noord-Brabant naar de Alblasserwaard en Dordrecht verplaatst om Duitse luchtlandingstroepen te bestrijden.

Ontstaan en strategische taak

Van lichte brigade naar divisie

De Lichte Divisie ontstond uit de vooroorlogse Lichte Brigade en verenigde verschillende wapens binnen één mobiele formatie. Een divisie was een grotere militaire organisatie waarin gevechtseenheden, vuursteun en verzorgingsdiensten onder een gezamenlijk bevel stonden. Bij deze divisie lag de nadruk op verplaatsing per fiets en motorvoertuig. Daardoor kon zij over wegen sneller worden ingezet dan infanterie die zich hoofdzakelijk te voet verplaatste.

De aanduiding licht had betrekking op de inrichting en inzet van de eenheid. De divisie beschikte over infanterie, artillerie en pantserafweer, maar had geen tankregimenten of gemechaniseerde infanterie met gepantserde transportvoertuigen. De wielrijders gebruikten hun fietsen voor de verplaatsing en vochten vervolgens te voet. De aanwezigheid van motorfietsen, vrachtwagens en oorspronkelijk ook pantserwagens maakte de divisie dus niet tot een volledig gemotoriseerde of gemechaniseerde formatie.

Reserve voor Vesting Holland

De oorspronkelijke opdracht in Noord-Brabant betrof onder meer de beveiliging van de zuidflank van de Peel-Raamstelling, langs het grensgebied tussen Weert en Tilburg. Onder generaal H.G. Winkelman veranderde deze taak in het voorjaar van 1940. Hij wilde de Lichte Divisie na een Duitse inval terugnemen naar Vesting Holland, het westelijke kerngebied van de Nederlandse verdediging. Daar moest zij als mobiele reserve kunnen optreden tegen bedreigingen waarvoor plaatselijke verdedigers onvoldoende troepen beschikbaar hadden.

Luchtlandingen behoorden al vóór de oorlog tot de onderkende bedreigingen. Het Nederlandse opperbevel liet vliegvelden bewaken en wees mobiele eenheden aan om gelande vijandelijke troepen aan te vallen. De Lichte Divisie paste binnen deze voorbereiding door haar verplaatsingsmogelijkheden en ondersteuningswapens. De omvang van de Duitse luchtlandingsoperatie op 10 mei overtrof echter de kleinschaligere aanvallen waarmee de Nederlandse leiding rekening had gehouden.

Samenstelling en bevelvoering

Wielrijders en huzaren-motorrijders

Het 1e en 2e Regiment Wielrijders vormden de infanteriekern van de divisie. Zij waren in maart 1939 ontstaan door de splitsing van het bestaande Regiment Wielrijders. Beide regimenten telden volgens hun organisatie drie bataljons, met eigen ondersteuningswapens voor het gevecht. De wielrijders behoorden tot de infanterie, ook al werkten zij binnen de Lichte Divisie samen met onderdelen die uit de cavalerie voortkwamen.

Daarnaast behoorden twee regimenten Huzaren Motorrijders tot de volledige organisatie. Deze eenheden verplaatsten zich met motorfietsen en andere motorvoertuigen en konden worden gebruikt voor verkenning, beveiliging en gevechtsopdrachten. Hun benaming regiment betekende niet dat zij evenveel militairen telden als een regiment wielrijders. De divisie beschikte verder over artillerie, verbindingstroepen, genie, medische verzorging en transporteenheden, waarmee zij verplaatsingen en gevechten kon ondersteunen.

Organieke en beschikbare sterkte

De sterkte van ongeveer 9.000 militairen omvatte alle onderdelen die volgens de organisatie tot de divisie behoorden. Dat was minder dan de beoogde omvang van ongeveer 10.000 man. Verschillende onderdelen waren vóór de inval echter elders onder bevel gesteld, waaronder het 1e Regiment Huzaren Motorrijders en de pantserwageneskadrons. Daardoor stond tijdens de gevechten bij Alblasserdam en Dordrecht slechts een deel van de volledige divisie ter beschikking.

De bevelvoering veranderde eveneens door de verplaatsing naar het westen. In Noord-Brabant opereerde de divisie binnen de bevelsverhoudingen rond het IIIe Legerkorps, waarvan generaal-majoor A.A. van Nijnatten commandant was. Van der Bijl bleef de divisiecommandant en ontving vervolgens opdrachten van de commandant Vesting Holland. Zijn staf moest deze opdrachten vertalen naar bevelen voor de regimenten, de artillerie en de ondersteunende diensten.

Voertuigen en bewapening

Fietsen, motorfietsen en vrachtwagens

De fiets was het voornaamste vervoermiddel van de wielrijders. Onder de gebruikte legerfietsen bevonden zich modellen van Fongers, aangepast aan militair gebruik en het vervoer van uitrusting. De militairen droegen onder meer een karabijn van het Nederlandse M95-wapensysteem. Fietsen maakten verplaatsingen zonder brandstof mogelijk, maar boden geen bescherming tegen beschietingen en waren bij het gevecht zelf geen vervanging voor dekking of ondersteunende wapens.

Motorfietsen en zijspancombinaties maakten deel uit van de uitrusting van de huzaren-motorrijders. Zij werden gebruikt voor het vervoer van personeel, wapens en berichten tussen commandoposten en eenheden. Auto’s en vrachtwagens vervoerden daarnaast munitie, levensmiddelen, gewonden en zwaarder materieel. De verschillende vervoermiddelen stelden eisen aan de regeling van colonnes, want een colonne wielrijders, een motorafdeling en een artillerie-eenheid bewogen niet onder dezelfde omstandigheden.

Pantserwagens en pantserafweer

De Lichte Divisie beschikte organiek over 24 Landsverk-gevechtspantserwagens van Zweedse makelij. Het 1e Eskadron Pantserwagens had twaalf voertuigen van het type M.36 en het 2e Eskadron twaalf van het type M.38. Daarnaast waren er twee M.38-commandowagens, waarmee het totale aantal Landsverk-voertuigen op 26 kwam. De gevechtspantserwagens waren bewapend met een kanon van 37 millimeter en mitrailleurs; de commandowagens hadden geen echt kanon.

Op 10 mei 1940 waren de pantserwageneskadrons elders ingedeeld en niet beschikbaar bij de hoofdmacht van de Lichte Divisie. Twee pelotons van het 1e Eskadron Pantserwagens stonden bij vliegveld Ypenburg in Vesting Holland. De overige twee pelotons stonden ter beschikking van de commandant Vesting Holland. Het 2e Eskadron Pantserwagens was verdeeld over het 1e en 4e Regiment Huzaren, respectievelijk bij het noordelijke en zuidelijke gedeelte van de Grebbelinie. Deze pantserwagens ondersteunden de wielrijders tijdens hun tegenaanvallen op het Eiland van Dordrecht daardoor niet.

De wielrijders beschikten wel over wapens waarmee zij vijandelijke vuurpunten en pantservoertuigen konden bestrijden. Tot hun ondersteuning behoorden lichte en zware mitrailleurs, mortieren en pantserafweerkanonnen, doorgaans afgekort tot PAG. Het Nederlandse Böhler-pantserafweerkanon van 47 millimeter kon de Duitse tanks van 1940 onder geschikte omstandigheden bestrijden. De uitkomst van een gevecht hing daarnaast af van de opstelling, het schootsveld, de beschikbare munitie en de samenwerking met andere eenheden.

Het Korps Rijdende Artillerie

Geschut van 7-veld

Het Korps Rijdende Artillerie, ook bekend als de Gele Rijders, leverde de artilleriesteun van de Lichte Divisie. De bij het zuidfront beschikbare kern bestond uit twee afdelingen met samen vier batterijen van elk vier stukken 7-veld. Dit geschut had een kaliber van 75 millimeter en kon vuursteun geven aan de infanterie. De divisie beschikte daarmee over zestien van deze kanonnen, verdeeld over verschillende stellingen en opdrachten.

Binnen de bredere artillerieorganisatie kwamen ook kanonnen van 6-veld voor. Dit waren lichtere wapens met een kaliber van 57 millimeter, tegenover de 75 millimeter van het geschut van 7-veld. De batterij met zes stukken 6-veld die aan de Peeldivisie was afgestaan, keerde tijdens de meidagen niet terug bij de Lichte Divisie aan het zuidfront. Voor de beschikbare artilleriesteun rond Dordrecht waren daardoor de batterijen van 7-veld van belang.

Motorisatie vlak vóór de inval

De overgang van paardentractie naar motortractie vond bij de rijdende artillerie kort vóór de oorlog plaats. Voor de eerste afdeling KRA wordt 1 mei 1940 genoemd als het moment waarop zij gemotoriseerd was; de paarden werden op 9 mei naar het depot afgevoerd. Motortractie moest het geschut laten aansluiten bij de verplaatsingen van de divisie. De korte tijd tussen deze verandering en de inval beperkte de gelegenheid om langdurig met de nieuwe werkwijze te oefenen.

Opleiding en geoefendheid

Dienstplicht en gespecialiseerde opleiding

De Lichte Divisie bestond voor een groot deel uit dienstplichtigen en gemobiliseerde reservisten. Hun opleidingsduur en ervaring verschilden per lichting, functie en onderdeel, waardoor één beoordeling voor alle militairen onvoldoende onderscheid maakt. De Isabellakazerne bij ‘s-Hertogenbosch was verbonden met de vooroorlogse opleiding van de wielrijders. Tijdens de mobilisatie bevond het depot van de wielrijders zich in Gouda, waar eveneens personeel werd opgeleid.

De opleiding van de wielrijders omvatte meer dan het verplaatsen per fiets. De eerste twee bataljons van beide regimenten waren voorbereid op zelfstandig optreden, waarbij ook tirailleurs werden onderwezen in de bediening van de lichte mitrailleur. Binnen de organisatie waren bovendien militairen met taken rond springmiddelen en het oversteken van waterhindernissen opgenomen. Bij de later gevormde derde bataljons bestonden daarentegen tekorten aan geoefende manschappen en voldoende opgeleid kader.

Schietoefeningen tijdens de mobilisatie

Tijdens de mobilisatie werden daadwerkelijk oefeningen met ondersteuningswapens gehouden. Voor de Lichte Divisie was ten oosten van Geldrop een schietterrein ingericht op de Strabrechtse en Somerense Heide. Daar oefenden eenheden onder meer met vuur op bewegende doelen die naderende tanks voorstelden, waarbij ook stukken 7-veld werden gebruikt. De voorbereiding bestond daarom niet uitsluitend uit wachtlopen, stellingen graven en eenvoudige exercitie.

De verschillende onderdelen moesten daarnaast vaardigheden beheersen die bij hun eigen materieel hoorden. Motorrijders moesten hun voertuigen kunnen besturen en onderhouden, terwijl artilleristen geschut moesten verplaatsen, in stelling brengen en bedienen. De late motorisatie voegde voor het betrokken personeel nieuwe werkzaamheden toe aan de bestaande artillerieopleiding. Naast de bediening van de kanonnen werden nu ook voertuigonderhoud en het rijden in gemotoriseerde colonnes onderdeel van het dagelijkse functioneren.

Samenwerking tijdens het gevecht

De geoefendheid van afzonderlijke militairen stond niet gelijk aan het vermogen om de gehele divisie gezamenlijk te laten optreden. Aanvallen vereisten afstemming tussen infanterie, artillerie, verkenners, verbindingstroepen en commandanten. Bij Dordrecht bemoeilijkten onvolledige berichten, verspreide onderdelen en veranderende opdrachten deze samenwerking. Daardoor kwam de beschikbare vuurkracht niet steeds op het gewenste tijdstip en op de benodigde plaats ter ondersteuning van de aanvallende eenheden.

De verplaatsing uit Noord-Brabant op 10 mei

Uitvoering van een voorbereid besluit

De Duitse inval leidde op 10 mei tot de uitvoering en aanpassing van de voorbereide terugtocht. Winkelman had al vóór de oorlog besloten dat de Lichte Divisie en het IIIe Legerkorps naar het westelijke verdedigingsgebied moesten worden teruggenomen. De luchtlandingen maakten een snelle inzet binnen Vesting Holland noodzakelijk. Het bevel was dus niet uitsluitend een geïmproviseerde reactie op de doorbraak van de Peel-Raamstelling.

De Duitse bezetting van de Moerdijkbruggen doorkruiste de voorgenomen routes. Onderdelen van de divisie gebruikten onder meer de bruggen over de Bergsche Maas bij Drongelen en Keizersveer en de overgangen over Waal en Merwede rond Brakel en Gorinchem. Verkeersdrukte, luchtaanvallen en uiteenlopende vertrekpunten vertraagden de verplaatsingen. Daardoor kwamen de eenheden verspreid aan en konden zij niet onmiddellijk als één complete divisie worden ingezet.

De gevechten bij Alblasserdam op 11 mei

De opdracht richting Waalhaven

De divisie kreeg aanvankelijk opdracht via Alblasserdam over de Noord naar IJsselmonde op te rukken. Het verdere doel was optreden tegen de Duitse luchtlandingstroepen rond Waalhaven, ten zuiden van Rotterdam. De Noordbrug vormde voor deze beweging een noodzakelijke verbinding. Duitse troepen beheersten de westelijke toegangen, waardoor de Nederlandse eenheden de oversteek niet zonder gevecht konden uitvoeren en hun opmars werd opgehouden.

De aanvallen op 11 mei leverden geen bruikbare oversteek voor de hoofdmacht op. Enkele kleine groepen bereikten wel de overzijde, maar een samenhangende opmars naar Waalhaven bleef uit. Duitse beschietingen en luchtaanvallen bemoeilijkten de Nederlandse inzet en troffen ook Alblasserdam. De gebeurtenissen maakten duidelijk dat de snelheid op de weg weinig voordeel bood wanneer een verdedigde rivierovergang de verdere beweging blokkeerde.

Splitsing van de divisie

Op 11 mei werd de opdracht gewijzigd en de beschikbare divisie in groepen verdeeld. Een groep bleef tegenover de Duitse troepen aan de Noord, terwijl de hoofdgroep het Eiland van Dordrecht moest hernemen. Hiervoor werden wielrijders en een afdeling rijdende artillerie samengebracht. Een eerste wielrijdersbataljon was al in de nacht van 10 op 11 mei via het Papendrechtse veer naar Dordrecht overgebracht.

De strijd op het Eiland van Dordrecht

Aanvallen op 12 mei

De hoofdmacht voor de aanval op het eiland stak de Merwede over, niet de Noord bij Alblasserdam. De Nederlandse eenheden moesten Duitse posities in en rond Dordrecht bestrijden en vervolgens zuidwaarts terrein hernemen. Daarmee kon de verbinding tussen de Duitse bruggenhoofden worden bedreigd. De opdrachten omvatten ook verdere bewegingen via de Dordtsche Kil en de Hoekse Waard, waardoor de operatie meer vereiste dan alleen gevechten binnen de stad.

De uitvoering op 12 mei werd gehinderd door Duitse weerstand en problemen met de afstemming tussen de bataljons. Eenheden bereikten hun uitgangsposities niet steeds volgens dezelfde planning en commandanten beschikten niet voortdurend over een volledig beeld van de situatie. In bebouwd gebied beperkten straten, huizen en spoorverbindingen het overzicht. Buiten de bebouwing maakten dijken, sloten en open terrein het eveneens moeilijk om de aanvallende onderdelen gezamenlijk vooruit te brengen.

Aankomst van de Duitse pantsertroepen

Op 12 mei bereikten voorhoedes van de Duitse 9e Pantserdivisie het gebied bij Moerdijk. In de daaropvolgende nacht en op 13 mei volgden meer tanks, artillerie en andere grondtroepen. De eerder gelande Duitse troepen kregen daardoor rechtstreeks versterking vanuit Noord-Brabant. De Nederlandse eenheden moesten nu optreden tegen een combinatie van luchtlandingstroepen, pantservoertuigen en ondersteunende wapens, terwijl de geplande herovering van het eiland nog niet was voltooid.

De tankgevechten op 13 mei beperkten de Nederlandse mogelijkheden om verder aan te vallen. Nederlandse stukken pantserafweer en 7-veld schakelden Duitse tanks uit, maar konden de opmars over het eiland niet tot stilstand brengen. De verspreide inzet en het ontbreken van voldoende samenhang tussen de Nederlandse onderdelen bemoeilijkten de verdediging. Onder druk van de Duitse aanvallen werden posities opgegeven en trokken verschillende eenheden terug in de richting van Dordrecht.

Terugtocht en capitulatie

Verdediging van de Alblasserwaard

In de avond van 13 mei en de nacht van 13 op 14 mei werd het grootste deel van de overgebleven Nederlandse bezetting van Dordrecht teruggenomen. Militairen staken de Merwede over naar onder meer Papendrecht en Sliedrecht. Op 14 mei werden in de Alblasserwaard opnieuw verdedigende opstellingen langs de Noord en de Merwede betrokken. De terugtocht liep daarmee naar de noordelijke rivieroever, niet rechtstreeks achter de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Beëindiging van de strijd

Op 14 mei volgde het Duitse bombardement op Rotterdam en besloot generaal Winkelman de strijd van de onder zijn bevel staande troepen te beëindigen, met uitzondering van Zeeland. Ook voor de Lichte Divisie betekende dit het einde van de georganiseerde gevechten. De capitulatievoorwaarden werden op 15 mei in Rijsoord ondertekend. De divisie had de Duitse verbinding tussen Moerdijk, Dordrecht en Rotterdam niet kunnen verbreken.

Conclusie

De Lichte Divisie verenigde wielrijders, huzaren-motorrijders, artillerie en ondersteunende diensten in een mobiele formatie. Haar inzet in mei 1940 werd beperkt door voorafgaande detacheringen, verdedigde rivierovergangen, problemen met de samenwerking en Duitse versterkingen. Na de verplaatsing uit Noord-Brabant vochten onderdelen bij Alblasserdam en Dordrecht, gevolgd door terugtocht naar de Alblasserwaard. De divisie kon plaatselijk weerstand bieden, maar bereikte haar doelen aan het zuidfront van Vesting Holland niet.

Bronnen en meer informatie

  1. Amersfoort, Herman, en Piet Kamphuis (red.) (2012). Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. Amsterdam: Boom. ISBN 978-94-6105-702-0.
  2. Van den Akerboom, R.L. (2021). Nederlandse verdediging tegen Duitse Fallschirmjäger: Afweermaatregelen tegen luchtlandingseenheden voorafgaande aan Fall Gelb. Militaire Spectator, 190(3), 156–167. ISSN 0026-3869.
  3. Bouwmeester, A.J.H. (2018). De rijke geschiedenis van het Korps Rijdende Artillerie (1793-1945). Militaire Spectator, 187(2), 68–81. ISSN 0026-3869.
  4. Spanjaard, Aad (2011). De slag om Vesting Holland: langs de sporen van de Duitse aanval rondom Dordrecht, Rotterdam en Den Haag, 10–15 mei 1940. Delft: Elmar. ISBN 978-90-389-2041-2.
  5. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946