Ludvík Svoboda was een Tsjechoslowaakse militair en politicus die actief was in beide wereldoorlogen en van 1968 tot 1975 president van Tsjechoslowakije was. Zijn loopbaan verbond de Tsjechoslowaakse legioenen, de strijd aan het oostfront, de wederopbouw van het leger en de politieke crisis rond de Praagse Lente. Zijn werkterrein verschoof daarbij van frontdienst naar staatsbestuur.
>Vroege leven en opleiding
Ludvík Svoboda werd geboren op 25 november 1895 in Hroznatín, in Moravië, dat toen deel uitmaakte van Oostenrijk-Hongarije. Hij groeide op in een boerenfamilie. Zijn vader Jan Svoboda overleed toen Ludvík nog zeer jong was, waarna zijn moeder Františka hertrouwde met František Nejedlý. Daardoor werd zijn jeugd gevormd door een gemengd gezin, landbouwarbeid en de praktische verantwoordelijkheden van het platteland. De vroege dood van zijn vader maakte de familie afhankelijk van het werk van de moeder, oudere kinderen en stieffamilie.
Svoboda volgde onderwijs aan de landbouwschool in Velké Meziříčí en kreeg daar een agrarische opleiding. Daarna deed hij werkervaring op in de wijnbouw in Oostenrijk. Deze opleiding sloot aan bij het familiebedrijf, maar zijn verdere leven kreeg een militaire richting door de mobilisatie tijdens de Eerste Wereldoorlog. In 1923 trouwde hij met Irena Stratilová. Het echtpaar kreeg twee kinderen, Miroslav en Zoe.
Deelname aan >Deelname aan de Eerste Wereldoorlog
rd Svoboda opgeroepen voor het Oostenrijks-Hongaarse leger en naar het oostfront gestuurd. In september van dat jaar raakte hij bij Tarnopol in Russische krijgsgevangenschap. Die gevangenschap bepaalde zijn verdere militaire keuze, want hij sloot zich aan bij de Tsjechoslowaakse legioenen, die aan Russische zijde streden voor een toekomstige zelfstandige Tsjechoslowaakse staat.Binnen de legioenen nam Svoboda deel aan de gevechten bij Zborov en Bachmač. Ook maakte hij de terugtocht via Siberië mee, een langdurige beweging van Tsjechoslowaakse eenheden over de Trans-Siberische spoorlijn. In de legioenen kreeg hij officiersrangen en militaire scholing. In 1920 keerde hij terug naar het nieuwe Tsjechoslowakije, waar zijn oorlogservaring een basis vormde voor zijn verdere dienst in het nationale leger.
Interbellum: mi>Interbellum: militaire loopbaan in Tsjechoslowakije
gkeer nam Svoboda eerst het werk op de familieboerderij weer op. Kort daarna begon hij een beroepsloopbaan in het Tsjechoslowaakse leger. Hij diende bij het 3e infanterieregiment Jan Žižka in Kroměříž en werd vervolgens overgeplaatst naar het 36e infanterieregiment in Užhorod, in Subkarpatisch Roethenië. Deze periode gaf hem ervaring in grensgebieden van de jonge staat.Tijdens zijn dienst in Užhorod volgde Svoboda verschillende militaire cursussen, onder meer op het gebied van schieten, artillerie en luchtvaartwaarneming. Hij leerde Hongaars en gaf die taal later aan de militaire academie in Hranice. Dat onderwijs was praktisch van belang, omdat Tsjechoslowakije gebieden kende met Hongaarstalige gemeenschappen en officieren taalkennis nodig hadden voor bestuur en dienstcontacten.
In 1934 werd Svoboda bevorderd tot luitenant-kolonel en keerde hij terug naar zijn oorspronkelijke regiment in Kroměříž. Hij vervulde daar commandofuncties, leidde opleidingen voor reserveofficieren en was betrokken bij voorbereidingen voor mobilisatie. In 1938 werd hij met een gemobiliseerd bataljon naar Zuid-Moravië gestuurd. Na de Duitse bezetting in maart 1939 moest hij de kazerne in Kroměříž overdragen aan Duitse troepen.
Deelname aan de Tweede Wereldoorl>Deelname aan de Tweede Wereldoorlog
emen en Moravië sloot Svoboda zich aan bij de ondergrondse militaire organisatie Obrana národa. In juni 1939 vertrok hij illegaal naar Polen. Daar stond hij, als oudere en hoger geplaatste officier, aan het hoofd van een Tsjechoslowaakse militaire groep in Krakau. Via dit kamp trokken veel militairen door naar Frankrijk, terwijl een deel in Polen achterbleef.Na de Duitse aanval op Polen in september 1939 week Svoboda met meer dan zevenhonderd Tsjechoslowaakse militairen uit naar de Sovjet-Unie. De groep werd daar geïnterneerd, maar bleef als militaire eenheid zoveel mogelijk bijeen. Svoboda voerde gedurende lange tijd overleg met Sovjetautoriteiten om de eenheid te behouden en om transporten mogelijk te maken naar landen die tegen Duitsland vochten.
Na de Duitse aanval op de Sovjet-Unie in 1941 ontstond ruimte voor een Tsjechoslowaakse militaire eenheid op Sovjetgrondgebied. Svoboda was betrokken bij de voorbereiding van de samenwerking tussen de Tsjechoslowaakse vertegenwoordiging en de Sovjetautoriteiten. Uit vrijwilligers ontstond een zelfstandig veldbataljon, later een brigade en vervolgens het 1e Tsjechoslowaakse legerkorps. De eenheid omvatte Tsjechen, Slowaken, Roethenen, Joden en andere Tsjechoslowaakse staatsburgers.
Svoboda voerde het bataljon aan bij Sokolovo in 1943. Daarna had hij een leidende rol bij de verdere opbouw van de brigade, die deelnam aan de bevrijding van Kiev en gevechten in Oekraïne. De groei van de eenheid kwam mede door nieuwe vrijwilligers uit Volynië, uit Sovjetkampen vrijgelaten Roethenen en Slowaakse militairen die in Sovjetgevangenschap waren geraakt. In december 1943 werd hij brigadier-generaal.
In 1944 kreeg Svoboda tijdens de Karpaten-Dukla-operatie het bevel over het 1e Tsjechoslowaakse legerkorps. Deze operatie was zwaar door het bergterrein, de Duitse verdediging en de hoge verliezen. Begin 1945 werd binnen het korps ook militaire contraspionage ingericht. De benoeming van Bedřich Reicin tot leidinggevende kreeg later politieke betekenis, omdat hij na de oorlog betrokken raakte bij harde zuiveringen binnen het leger.
Zijn gezin onderging intussen de gevolgen van de bezetting. Irena Svobodová werkte mee aan verzetsactiviteiten en dook later onder met dochter Zoe. Zoon Miroslav werd in concentratiekamp Mauthausen vermoord. Ook familieleden van Irena kwamen om of werden gevangengezet. In april 1945 werd Svoboda in de regering van Košice benoemd tot minister van Nationale Defensie, terwijl generaal Karel Klapálek het legerkorps verder aanvoerde.
Na de oorlog
Na 1945 kreeg Svoboda>Na de oorlogbouw van het Tsjechoslowaakse leger. Hij bleef minister van Nationale Defensie tot april 1950. De strijdkrachten werden samengesteld uit binnenlandse verzetsgroepen, buitenlandse eenheden, oud-legionairs en nieuwe rekruten. Tegelijk veranderde het politieke klimaat. De invloed van de Communistische Partij van Tsjechoslowakije groeide, terwijl de oriëntatie op het Sovjetmodel sterker werd. Het leger kampte bovendien met tekorten aan uitrusting en wapens, omdat veel vooroorlogs materieel door Duitsland was buitgemaakt en verloren gegaan.
Tijdens de politieke crisis van februari 1948 bleef Svoboda in functie. Het leger trad niet op tegen de machtsverschuiving, waardoor de communistische partij haar positie kon vastleggen. In november 1948 werd Svoboda lid van de partij. Zijn houding in deze periode is later verschillend beoordeeld, vooral omdat het leger daarna te maken kreeg met politieke zuiveringen, ontslagen en vervolging van officieren.
In 1950 werd Svoboda uit zijn ministerspost verwijderd en kreeg hij een lagere regeringsfunctie. In 1952 werd hij gearresteerd tijdens de politieke processen rond Rudolf Slánský en Bedřich Reicin. Hij werd na korte tijd vrijgelaten, maar verloor zijn functies. In 1954 volgde rehabilitatie, mede door veranderende machtsverhoudingen in de Sovjet-Unie na de dood van Stalin en Gottwald.
Vanaf het midden van de jaren vijftig keerde Svoboda terug in openbare functies. Hij werd hoofd van de Militaire Academie Klement Gottwald en hield zich later bezig met herinneringen, lezingen en publicaties over zijn oorlogservaringen. Zijn boeken over de weg van Buzuluk naar Praag en zijn levensherinneringen werden onderdeel van de officiële herinneringscultuur, maar stonden ook onder politieke controle.
Op 30 maart 1968 werd Svoboda gekozen tot president van Tsjechoslowakije, tijdens de Praagse Lente. Hij steunde de hervormingsrichting van Alexander Dubček binnen de grenzen van het socialistische staatsbestel. Toen troepen van het Warschaupact in de nacht van 20 op 21 augustus 1968 Tsjechoslowakije binnenvielen, protesteerde hij tegen de actie en riep hij de bevolking op kalm te blijven.
Na de arrestatie en overbrenging van Dubček, Oldřich Černík, Josef Smrkovský en andere leiders reisde Svoboda naar Moskou. Hij weigerde een nieuwe arbeiders- en boerenregering te erkennen en drong aan op deelname van de vastgehouden Tsjechoslowaakse bestuurders aan de gesprekken. De onderhandelingen leidden tot het Moskou-protocol, dat de hervormingsruimte sterk beperkte en de aanwezigheid van buitenlandse troepen vastlegde.
De uitkomst maakte geen einde aan de bezetting, maar voorkwam de instelling van een alternatief bestuur dat door de binnenvallende machten werd gesteund. Svoboda bleef daarna formeel staatshoofd, terwijl de feitelijke politieke ruimte snel smaller werd. In de jaren daarna verloor hij politieke invloed. De normalisatie onder Gustáv Husák draaide veel hervormingen terug.
In 1973 werd Svoboda opnieuw tot president gekozen, maar zijn gezondheid verslechterde door beroertes en andere aandoeningen. In 1975 eindigde zijn ambtstermijn via een grondwettelijke regeling. Svoboda overleed op 20 september 1979 in Praag. Zijn urn werd later overgebracht naar de familiegraven in Kroměříž.
Militaire Rangen
Svoboda doorliep een lang militair>Militaire Rangen in de Tsjechoslowaakse legioenen. In 1919 werd hij binnen de legioenen tot luitenant en daarna tot kapitein benoemd. Na zijn terugkeer diende hij in het Tsjechoslowaakse leger, waar hij in de jaren twintig en dertig verschillende officiersfuncties vervulde. In 1934 bereikte hij de rang van luitenant-kolonel.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog volgden verdere bevorderingen. Op 30 januari 1943 werd hij kolonel. Na de bevrijding van Kiev werd hij in december 1943 brigadier-generaal. Op 10 mei 1945 werd hij divisiegeneraal en op 1 augustus 1945 legergeneraal. Deze rangen weerspiegelen zijn overgang van commandant van een bataljon naar bevelhebber van grotere Tsjechoslowaakse formaties aan het oostfront.
Onderscheidingen
Svoboda ontving onderscheidingen u>Onderscheidingenn, vooral voor zijn dienst in de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Tot de Tsjechoslowaakse onderscheidingen behoorden onder meer het Tsjechoslowaakse Oorlogskruis 1914–1918, het Tsjechoslowaakse Oorlogskruis 1939, de Orde van de Witte Leeuw voor de Overwinning, de Orde van de Slowaakse Nationale Opstand en de titel Held van de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek.
Daarnaast kreeg hij Sovjetonderscheidingen, waaronder de titel Held van de Sovjet-Unie, de Orde van Lenin en de Orde van Suvorov. Ook Polen, Joegoslavië, Frankrijk, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten onderscheidden hem. Voorbeelden zijn Virtuti Militari, de Orde van de Volksheld van Joegoslavië, het Franse Legioen van Eer, de Britse Order of the Bath en de Amerikaanse Legion of Merit.
Conclusie
Ludvík Svoboda had een loopbaan die nauw verbo>Conclusie militaire en politieke geschiedenis van Tsjechoslowakije in de twintigste eeuw. Hij diende in de legioenen, voerde Tsjechoslowaakse eenheden aan de zijde van de Sovjet-Unie aan en werd na 1945 bestuurder. Zijn presidentschap viel samen met de Praagse Lente, de inval van het Warschaupact en de daaropvolgende normalisatie. Daardoor blijft zijn levensloop nauw verweven met oorlog, staatsvorming en politieke machtswisseling. Zijn loopbaan toont ook hoe militaire verdienste, partijpolitiek en staatsmacht in Midden-Europa na 1945 met elkaar verweven raakten.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Bronnen en meer informatieFile:Ludv%C3%ADk_Svoboda_(Prvn%C3%AD_vl%C3%A1da_%C3%BAstavy_dev%C3%A1t%C3%A9ho_kv%C4%9Btna).jpg">AnonymousUnknown author, Public domain, via Wikimedia Commons
Svoboda, Ludvík (1996). Cestami života I. Praha: Orego. ISBN 80-902107-5-9.
Svoboda, Ludvík (1992). Cestami života II. Praha: Prospektrum. ISBN 80-85431-57-2.
Svoboda, Ludvík (2008). Deník z doby válečné: červen 1939 – leden 1943. Praha: Mladá Fronta. ISBN 978-80-204-1939-2.
Klusáková-Svobodová, Zoe (2005). Ludvík Svoboda – Životopis. Kroměříž: Kroměříž. ISBN 80-239-4706-0.
Klusáková-Svobodová, Zoe (2005). O tom co bylo. Praha: Mladá Fronta. ISBN 80-204-1190-9.
Emmert, František (2012). Československý zahraniční odboj za 2. světové války. Praha: Computer Media. ISBN 978-80-251-2756-8.
Brož, Miroslav (2006). Hrdinové od Sokolova. Praha: AVIS. ISBN 80-7278-365-3.
Brož, Miroslav (2005). Válečné dokumenty vypovídají. Praha: AVIS. ISBN 978-80-7278-419-6.
Bystrický, Jozef a kol. (2011). Od priesmyku Predeal po Kurovské sedlo. Bratislava: Vojenský historický ústav. ISBN 978-80-89523-07-8.
Láník, Jaroslav a kol. (2005). Vojenské osobnosti československého odboje 1939-1945. Praha: AVIS. ISBN 80-7278-233-9.
Bílek, Jiří; Láník, Jaroslav; Šach, Jan (2006). Československá armáda v prvním poválečném desetiletí. Praha: AVIS. ISBN 80-7278-377-7.
Hanzlík, František (2011). Bez milosti a slitování. Praha: Ostrov. ISBN 978-80-86289-72-4.
Kaplan, Karel (1997). Pět kapitol o únoru. Praha-Brno: USD – Doplněk. ISBN 80-85270-48-X.
Kadlec, Vladimír (1991). Podivné konce našich prezidentů. Hradec Králové: Kruh. ISBN 80-7031-612-8.
Císař, Čestmír (1998). Člověk a politik. Praha: ETC Publishing. ISBN 80-86006-59-X.
Císař, Čestmír (2006). Moji českoslovenští prezidenti. Praha: Slávy dcera. ISBN 80-903725-0-3.
Kosatík, Pavel (1999). Devět žen z hradu. Praha: Mladá Fronta. ISBN 80-204-0776-6.
Budinský, Libor (2003). Deset prezidentů. Praha: Knižní klub. ISBN 80-242-0966-7.
Budinský, Libor (2004). Trinásť prezidentov. Bratislava: Ikar. ISBN 80-551-0751-3.
Dobrynin, Anatoly (2001). In Confidence: Moscow’s Ambassador to Six Cold War Presidents. Washington: University of Washington Press. ISBN 0295980818.
Navrátil, Jaromir; Benčík, Antonín (1998). The Prague Spring, 1968. Budapest: Central European University Press. ISBN 9789633864715.
Preclík, Vratislav (2019). Masaryk a legie. Karviná: Paris Karviná. ISBN 978-80-87173-47-3.
Fidler, Jiří (2004). Sokolovo 1943 Malý encyklopedický slovník. Praha: Naše Vojsko. ISBN 80-206-0716-1.
Hrabica, Pavel (2006). Zapomenutý generál Karel Klapálek. Praha: Mladá fronta. ISBN 80-204-1408-8. ISBN 978-80-204-1408-3.
Lockhart, Robert H. B. (2003). Jan Masaryk – Osobní vzpomínky. Krnov: Vladimír Kořínek. ISBN 80-903184-2-8.
Loucký, František (1989). Mnozí nedoletěli. Praha: Naše vojsko. ISBN 80-206-0053-1.
Černý, Václav (1992). Paměti 1945-1972. Brno: Atlantis. ISBN 80-7108-036-5.
Pacner, Karel (2014). Nevšední doteky dějin. [s.l.]: Plus. ISBN 9788025903179.
Musil, Jiří V., ed. (2001). Josef Ludvík Fischer: 6.11.1894-16.2.1973. Olomouc: Vlastivědná společnost muzejní. ISBN 80-238-7361-X.
Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946










