
De Albatros C.I was een Duitse tweezits C-type tweedekker uit 1915. Hij werd ontwikkeld voor verkenning, artilleriewaarneming, fotografie, lichte bombardementen en gewapende zelfverdediging. Het toestel ontstond uit de onbewapende Albatros B.II en kreeg een krachtiger motor, gewijzigde cockpitindeling en beweegbaar machinegeweer. Eind april 1915 begon de frontdienst.
Ontwerp en ontwikkeling
De Albatros C.I ontstond uit een Duitse behoefte aan bewapende tweezitsvliegtuigen met meer motorvermogen dan de vroege B-type toestellen. Eind 1914 werd verlangd dat een C-type ten minste ongeveer 150 pk leverde en minimaal één machinegeweer droeg. Albatros Flugzeugwerke ontwikkelde daarop onder leiding van ingenieur Robert Thelen een toestel dat voortbouwde op de Albatros B.II. De C.I behield de algemene tweedekkeropzet, maar werd groter en aangepast aan de veranderende eisen van luchtverkenning en zelfverdediging.
Een belangrijk verschil met de B.II was de plaats van de bemanningsleden. Bij de C.I zat de piloot voorin en de waarnemer in de achterste cockpit, zodat deze over een ruimer schootsveld beschikte. De waarnemer bediende doorgaans een flexibel gemonteerde 7,92 mm Parabellum MG 14 op een draaibare bevestiging. Op sommige toestellen werd een Bergmann MG 15 gebruikt. Daardoor kon de bemanning tijdens verkenningsvluchten vijandelijke vliegtuigen afweren en in bepaalde omstandigheden ook zelf een luchtgevecht aangaan.
Constructie
De romp bestond grotendeels uit hout en multiplex, een bouwwijze die Albatros ook bij andere tweezitters toepaste. Vier langsliggers vormden de belangrijkste dragende delen van de romp, met essenhout in het voorste deel en sparrenhout verder naar achteren. Multiplex panelen vormden de buitenzijde en leverden voldoende stijfheid zonder een uitgebreid systeem van interne draadverstevigingen. Deze constructiemethode gaf het toestel een gesloten, relatief gladde romp die duidelijk verschilde van veel met doek beklede vakwerkrompen uit dezelfde periode.
Ook de vleugelconstructie sloot aan op die van de B.II. De achterste van de twee vleugelliggers lag ongeveer halverwege de koorde, waardoor het achterste deel van de vleugel relatief flexibel bleef. De roeren en andere stuurvlakken waren niet aerodynamisch uitgebalanceerd. De C.I kon zonder uitzonderlijk ingewikkelde stuurtechniek worden gevlogen, wat later mede verklaarde waarom het type geschikt bleef voor opleiding nadat nieuwere C-types de fronttaken hadden overgenomen.
Motoren en koeling
De meeste C.I’s kregen een watergekoelde zescilinder lijnmotor van Benz of Mercedes. De Benz Bz.III leverde ongeveer 150 pk, terwijl de Mercedes D.III ongeveer 160 pk leverde. Toestellen die bij de Duitse keizerlijke marine werden gebruikt, konden met een Rapp Rp III van circa 150 pk worden uitgerust. De keuze voor een sterkere motor was nodig omdat de C.I groter en zwaarder was dan de B.II en naast twee bemanningsleden ook bewapening, waarnemingsmiddelen en soms bommen moest meenemen.
Bij vroege productietoestellen zaten de radiatoren aan de zijkanten van de romp. Later werd een radiator in of bij het middendeel van de voorrand van de bovenvleugel toegepast. Daarmee veranderde niet alleen de koeling, maar ook de uiterlijke herkenbaarheid van latere C.I’s. De motor dreef een tweebladige houten propeller met vaste spoed aan. De combinatie van een houten constructie, watergekoelde lijnmotor en conventioneel landingsgestel paste bij de technische standaard van Duitse tweezitsvliegtuigen in 1915.
Productie en verdere ontwikkeling
In 1915 werden honderden C.I’s besteld, waarbij Albatros zelf het grootste deel van de productie voor zijn rekening nam. Ook Luft-Fahrzeug-Gesellschaft, bekend onder de handelsnaam Roland, bouwde toestellen van dit type. Later kwamen daarnaast andere fabrikanten bij de productie van afgeleide of opleidingsversies betrokken, waaronder Bayerische Flugzeug-Werke en Mercur Flugzeugbau. De brede productie maakte het mogelijk de C.I niet alleen aan operationele eenheden te leveren, maar het type later ook als trainer in grotere aantallen te gebruiken.
De ontwikkeling ging tijdens de oorlog door. In 1917 werd de C.I opnieuw besteld voor opleidingsdoeleinden, omdat de Duitse luchtstrijdkrachten meer vliegers en waarnemers moesten trainen. Bayerische Flugzeug-Werke bouwde de C.Ia met een Argus As III van ongeveer 180 pk, terwijl Mercur de C.Ib met Mercedes D.III produceerde. In augustus 1918 werden bovendien bestellingen geplaatst voor de C.If, waarbij pneumatische veren in het landingsgestel de gebruikelijke rubberen schokkoorden moesten vervangen wegens materiaaltekorten. Het is niet duidelijk hoeveel toestellen van deze uitvoering daadwerkelijk werden voltooid.
Operationele geschiedenis
De C.I bereikte eind april 1915 operationele eenheden van de Duitse Luftstreitkräfte. Het toestel werd gebruikt voor luchtverkenning, artilleriewaarneming, fotografie, bombardementen en verbindingstaken. Door de achterste bewapening kon de waarnemer vijandelijke vliegtuigen beschieten zonder dat de piloot zijn voornaamste taak hoefde te onderbreken. Daarmee vertegenwoordigde de C.I de overgang van de grotendeels onbewapende verkenningsvliegtuigen uit het begin van de oorlog naar tweezitters die zelfstandig een zekere mate van luchtverdediging konden uitvoeren.
Tegen het einde van 1915 waren 228 C.I’s aan het front aanwezig. Dat aantal vormde ongeveer 42 procent van de toenmalige Duitse sterkte aan C-type vliegtuigen. De C.I behoorde daardoor gedurende een deel van 1915 tot de meest voorkomende bewapende Duitse tweezitters. De inzet bleef echter niet beperkt tot verkenning. Bemanningen gebruikten het toestel soms offensief tegen vijandelijke vliegtuigen, vooral voordat gespecialiseerde eenpersoonsjagers in voldoende aantallen beschikbaar kwamen.
Luchtgevechten en bekende bemanningen
Oswald Boelcke behaalde zijn eerste bevestigde luchtoverwinning tijdens een vlucht met een Albatros C.I, waarbij luitenant von Wühlisch het machinegeweer bediende. Bij zulke acties moest de piloot het vliegtuig zo manoeuvreren dat de waarnemer een bruikbaar schootsveld kreeg. Dergelijke gevechten lieten zien dat een bewapende tweezitter in 1915 ook als tijdelijk jachtvliegtuig kon worden gebruikt. Naarmate gespecialiseerde jagers beschikbaar kwamen, werden piloten die geschikt bleken voor luchtgevechten vaker naar eenheden met eenpersoonsjagers overgeplaatst.
Manfred von Richthofen begon eveneens als waarnemer op tweezitsvliegtuigen en vloog aan het Oostfront onder meer met de Albatros C.I. Zijn taak lag aanvankelijk bij observatie en luchtverkenning, niet bij het vliegen van een jachtvliegtuig. De inzet van latere jachtvliegers in C-type tweezitters laat zien hoe de Duitse militaire luchtvaart in 1915 nog verschillende functies binnen dezelfde vliegtuigcategorie combineerde. De ontwikkeling van aparte jachtvliegtuigen maakte deze combinatie vervolgens steeds minder noodzakelijk.
Westfront en Oostfront
De frontloopbaan van de C.I was relatief kort aan het Westfront. In 1916 werd het toestel daar geleidelijk vervangen door nieuwere typen, vooral de Albatros C.III. Die opvolger bouwde voort op de ervaringen met de C.I en werd in grotere aantallen ingezet. De C.I verdween daardoor uit de belangrijkste gevechtseenheden aan het Westfront, maar bleef nog langer operationeel op andere fronten waar de eisen aan snelheid en gevechtsprestaties minder snel veranderden.
Aan het Oostfront bleef de Albatros C.I volgens de beschikbare gegevens tot in 1917 in gevechtsdienst. De grotere afstanden, andere operationele omstandigheden en ongelijke beschikbaarheid van moderne vliegtuigen maakten oudere tweezitters daar langer bruikbaar. Daarnaast was het type inzetbaar voor verkenning en artilleriesamenwerking, taken waarvoor betrouwbaarheid en bereik vaak belangrijker waren dan hoge snelheid. Na beëindiging van de frontdienst behield het toestel een functie binnen de Duitse vliegopleiding.
Opleidingsgebruik
De vliegeigenschappen van de C.I maakten het toestel bruikbaar als opleidingsvliegtuig voor zowel piloten als waarnemers. Voor de opleiding van vliegers konden toestellen met dubbele besturing worden uitgerust, zodat een instructeur tijdens de vlucht kon ingrijpen. Waarnemers konden daarnaast worden getraind in navigatie, verkenning en de bediening van de achterste bewapening. Omdat het vliegtuig al in grote aantallen beschikbaar was, kon het na de introductie van modernere gevechtstypen zonder grote technische aanpassing naar opleidingsrollen worden verschoven.
De Duitse behoefte aan opleidingsvliegtuigen nam in 1917 en 1918 sterk toe. Daarom bleef de C.I, ondanks zijn leeftijd als gevechtsontwerp, deel uitmaken van de luchtvaartorganisatie. Het toestel bleef tot de wapenstilstand van 11 november 1918 in Duitse dienst. Daarmee bestreek de gebruiksduur vrijwel de gehele periode waarin de Duitse militaire luchtvaart zich ontwikkelde van eenvoudige verkenningsformaties naar een organisatie met afzonderlijke jacht-, bombardements-, verkennings- en opleidingseenheden.
Varianten
De basisuitvoering C.I was een tweezits bewapend verkenningsvliegtuig en vormde de eerste productieversie. De C.Ia kreeg een krachtiger Argus As III van ongeveer 180 pk en werd onder meer door Bayerische Flugzeug-Werke gebouwd. De C.Ib was een opleidingsuitvoering met dubbele besturing en een Mercedes D.III, geproduceerd door Mercur Flugzeugbau. De C.If was bedoeld als trainer met een aangepast landingsgestel waarin pneumatische veren de rubberen schokkoorden vervingen.
De benamingen C.Ifd en C.I-V komen eveneens voor in de overgeleverde variantlijsten. Van de C.I-V werd één experimenteel toestel gebouwd. Voor de C.Ifd bevat de aangeleverde informatie geen technische omschrijving die een verdere uitwerking mogelijk maakt. De verdere ontwikkeling van het oorspronkelijke ontwerp leidde uiteindelijk tot de Albatros C.III. Dat type nam vanaf 1916 een groter deel van de operationele taken van de C.I over.
Gebruikers
De belangrijkste gebruiker was de Luftstreitkräfte van het Duitse Keizerrijk. Daarnaast werd het type gebruikt door de Duitse keizerlijke marine en kwam het tijdens en na de oorlog bij andere luchtmachten terecht. Bulgarije en het Ottomaanse Rijk worden als gebruikers genoemd. Na de Eerste Wereldoorlog verschenen C.I’s ook bij de luchtstrijdkrachten van Litouwen, Polen en Zweden.
De Poolse luchtmacht gebruikte na de oorlog 49 exemplaren. Voor nieuw gevormde luchtmachten in Midden- en Oost-Europa waren voormalige Duitse en Oostenrijks-Hongaarse vliegtuigen praktisch beschikbaar omdat grote hoeveelheden oorlogsmaterieel na 1918 verspreid raakten. De C.I was tegen die tijd geen modern frontvliegtuig meer, maar kon nog worden gebruikt voor opleiding en algemene taken. Daardoor bleef het type ook buiten Duitsland enige tijd operationeel nadat de Duitse keizerlijke luchtstrijdkrachten waren opgeheven.
Specificaties
De Albatros C.I was een tweezits tweedekker met een lengte van 7,85 meter, een spanwijdte van 12,9 meter en een hoogte van 3,14 meter. Het vleugeloppervlak bedroeg ongeveer 40,4 vierkante meter. Het lege gewicht lag rond 875 kilogram en het normale beladen gewicht rond 1.190 kilogram. Met een Mercedes D.III van 160 pk bereikte het toestel volgens de opgegeven specificaties een maximumsnelheid van ongeveer 132 kilometer per uur.
De vliegduur bedroeg ongeveer tweeënhalf uur en het dienstplafond lag rond 3.000 meter. De stijgsnelheid wordt opgegeven als ongeveer 1,7 meter per seconde. De standaardbewapening bestond uit één beweegbaar 7,92 mm Parabellum MG 14 in de cockpit van de waarnemer. Door deze combinatie van bereik, twee bemanningsleden en defensieve bewapening was het toestel geschikt voor de belangrijkste taken waarvoor de Duitse C-categorie in 1915 was bedoeld.
Algemene kenmerken
- Bemanning: 2
- Lengte: 7,85 m
- Spanwijdte: 12,9 m
- Hoogte: 3,14 m
- Vleugeloppervlak: 40,4 m²
- Leeggewicht: 875 kg
- Beladen gewicht: 1.190 kg
- Motor: één Mercedes D.III, watergekoelde zescilinder lijnmotor, 160 pk
- Propeller: tweebladig, houten propeller met vaste spoed
Prestaties en bewapening
- Maximumsnelheid: 132 km/u
- Vliegduur: ongeveer 2,5 uur
- Dienstplafond: 3.000 m
- Stijgsnelheid: ongeveer 1,7 m/s
- Bewapening: één beweegbare 7,92 mm Parabellum MG 14 voor de waarnemer
Plaats binnen de Duitse militaire luchtvaart
De Albatros C.I behoort tot de vroege generatie bewapende Duitse tweezitsvliegtuigen van de Eerste Wereldoorlog. De categorie ontstond omdat onbewapende B-type vliegtuigen steeds kwetsbaarder werden toen geallieerde vliegtuigen vaker bewapening meenamen. Door de waarnemer achter de piloot te plaatsen en hem een beweegbaar machinegeweer te geven, kon een verkenningsbemanning haar opdracht uitvoeren en tegelijk reageren op luchtgevaar. Dit basisconcept werd daarna in verschillende Duitse C-types verder ontwikkeld.
Binnen dezelfde periode vervulden toestellen als de LVG C.II en Rumpler C.I vergelijkbare rollen, terwijl aan geallieerde zijde de Royal Aircraft Factory B.E.2 een bekende tweezitsverkenner was. De Albatros C.I onderscheidde zich vooral door zijn plaats binnen de ontwikkelingslijn van Albatros. De ervaringen met constructie, motorisering, cockpitindeling en operationeel gebruik kwamen terug in de C.III. Daardoor vormt de C.I een directe schakel tussen de vroege onbewapende Albatros B.II en de latere, verder uitgewerkte C-serie.
Conclusie
De Albatros C.I was een Duitse bewapende tweezitter die vanaf 1915 werd ingezet voor verkenning, artilleriewaarneming, fotografie, bombardementen en beperkte luchtgevechtstaken. Het ontwerp bouwde voort op de B.II, maar kreeg een krachtiger motor, een gewijzigde cockpitindeling en een machinegeweer voor de waarnemer. Eind 1915 waren 228 exemplaren operationeel, waarna de C.III de belangrijkste fronttaken geleidelijk overnam. De C.I bleef vervolgens als opleidingsvliegtuig in gebruik tot het einde van de Eerste Wereldoorlog en kwam daarna bij verschillende buitenlandse luchtmachten terecht.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: archive, Public domain, via Wikimedia Commons
- Angelucci, Enzo (1983). The Rand McNally Encyclopedia of Military Aircraft, 1914–1980. San Diego: The Military Press. ISBN 0-517-41021-4.
- Belcarz, Bartłomiej; Pęczkowski, Robert (2001). White Eagles: The Aircraft, Men and Operations of the Polish Air Force 1918–1939. Ottringham: Hikoki Publications. ISBN 1-902109-73-2.
- Cowin, Hugh W. (2000). German and Austrian Aviation of World War I. Oxford: Osprey Publishing. ISBN 1-84176-069-2.
- Gray, Peter; Thetford, Owen (1970). German Aircraft of the First World War. 2e editie. London: Putnam. ISBN 0-370-00103-6.
- Grosz, P. M. (1996). Albatros C.I: Windsock Datafile 57. Berkhamsted: Albatros Publications. ISBN 0-948414-76-6.
- Herris, Jack (2016). Albatros Aircraft of WWI: Volume 1: Early Two-Seaters: A Centennial Perspective on Great War Airplanes. Great War Aviation Centennial Series, Vol. 24. Aeronaut Books. ISBN 978-1-935881-47-6.
- Munson, Kenneth (1967). Aircraft of World War I. London: Ian Allan. ISBN 0-7110-0356-4.
- VanWyngarden, Greg (2006). Early German Aces of World War I. Oxford: Osprey Publishing. ISBN 1-84176-997-5.
- Nicolle, David (1999). Young Turks: Ottoman Turkish Fighters 1915–1918. Air Enthusiast, nr. 74, pp. 40–45. ISSN 0143-5450.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









