Home Voertuigen Tanks Panzer II: Duitse Tank, Ontwikkeling, inzet en varianten in WOII

Panzer II: Duitse Tank, Ontwikkeling, inzet en varianten in WOII

Panzer II en Panzer I staan opgesteld in een bos tijdens de Westelijke veldtocht, gefotografeerd door de Luftwaffe-reportage-eenheid.
Panzer II (Ausf. C) en Panzer I (Ausf. B) opgesteld in een bos tijdens de Westelijke veldtocht, gefotografeerd door de Luftwaffe.

De Panzer II was een Duitse familie van lichte tanks, officieel Panzerkampfwagen II (Pz.Kpfw. II). Het type was bedoeld als tijdelijke oplossing totdat de Panzer III en Panzer IV beschikbaar waren. In 1939 en 1940 was de Panzer II talrijk en werd hij ingezet in Polen en Frankrijk. Later volgden inzet in Noord-Afrika en op het Oostfront en geleidelijke vervanging.

Ontwikkeling

Aanleiding en ontwerpstart

De ontwikkeling van de Panzer II kwam op gang doordat de Panzer III en Panzer IV in 1934 vertraging opliepen. De Panzer I had geen bewapening die bedoeld was om pantser te bestrijden, waardoor een tussenmodel nodig werd. Ontwerpvoorstellen werden gevraagd aan Krupp, MAN, Henschel en Daimler-Benz. Het ontwerpwerk begon op 27 januari 1934 en het eerste experimentele model was in februari 1935 gereed.

Van prototype naar serieproductie

De uiteindelijke vormgeving bouwde voort op de Panzer I, maar met een groter chassis en een toren met een 20 mm automatisch kanon. De vroege uitvoeringen kregen een bladveerophanging, zoals bij eerdere lichte tanks gebruikelijk was. De productie startte in 1935, maar de eerste gevechtsklare voertuigen volgden pas na ongeveer achttien maanden. In die fase lag de nadruk op betrouwbaarheid, onderhoud en standaardisering voor training en inzet.

Plaats binnen de Duitse pantseropbouw

De Panzer II was ontworpen voor verkenning en ondersteuning, maar werd in de beginfase ook ingezet waar later middelzware tanks de norm werden. Dat had te maken met aantallen en beschikbaarheid, niet met een ontwerp dat op gevechten met zwaardere tanks was afgestemd. Daarom bleven grenzen zichtbaar in pantserdikte en vuurkracht. Naarmate de Panzer III en Panzer IV instroomden, verschoof het gebruik naar taken waarbij mobiliteit en eenvoud zwaarder wogen.

Ontwerp en kenmerken

Pantsering

De Panzer II ontstond vóórdat ervaringen uit de Spaanse Burgeroorlog (1936–1939) de nadruk legden op bescherming tegen pantserdoorborende munitie. In de vroege fase was de bepantsering vooral bedoeld tegen mitrailleurvuur en granaatsplinters. De uitvoeringen Ausf. A tot en met C hadden 14 mm homogeen staal aan zijkanten, voor- en achterkant, met 10 mm op dak en bodem. Veel voertuigen kregen later extra frontpantser, vaak zichtbaar door een meer hoekige vorm van de voorzijde van de romp.

Pantsergroei en beperkingen

Vanaf de Ausf. D werd het frontpantser verhoogd tot 30 mm, terwijl de Ausf. F 35 mm frontpantser en 20 mm zijpantser had. Deze waarden boden vooral bescherming tegen lichte wapens, maar niet tegen antitankgeschut. Getrokken antitankkanonnen zoals de Sovjet 45 mm, het Britse 2-pounder-kanon en de Franse 47 mm konden dit pantser onder passende omstandigheden doorboren. Daardoor bleven afstand, dekking en samenwerking met andere wapensystemen bepalend voor de inzet.

Bewapening

De meeste tankversies waren uitgerust met een 2 cm KwK 30 L/55 automatisch kanon; latere uitvoeringen kregen de verwante 2 cm KwK 38. Het kanon was afgeleid van het 2 cm FlaK 30 luchtafweerkanon en vuurde uit magazijnen van tien patronen. Het maximale vuurritme lag rond 600 schoten per minuut, met een lager aanhoudend tempo in de praktijk. In de tank werden doorgaans 180 granaten meegenomen, aangevuld met een 7,92 mm MG 34 mitrailleur die coaxiaal met het kanon was geplaatst.

Mobiliteit

Alle productieversies hadden een zescilinder Maybach HL62 TRM benzinemotor van 140 PS met een ZF-transmissie. De modellen A, B en C bereikten op de weg ongeveer 40 km/h. De modellen D en E kregen torsiestangophanging en een aangepaste transmissie, waarmee circa 55 km/h op de weg mogelijk was, terwijl de terreinsnelheid lager kon uitvallen. De Ausf. F keerde terug naar het eerdere ophangingsprincipe. De actieradius lag rond 200 km, afhankelijk van rijomstandigheden en belasting.

Bemanning en indeling

De Panzer II had een bemanning van drie personen met een compacte indeling in romp en toren. De bestuurder zat linksvoor, terwijl de aandrijflijn en versnellingsbak rechts waren geplaatst. In de toren zat de commandant, die tegelijk schutter was en het kanon en de mitrailleur bediende. De derde man was lader en radio-operator en zat op de rompvloer achter de bestuurder, met de radio links en munitieopslag in de nabijheid.

Inzet en varianten

Vroege oorlogsjaren en vervanging

Tijdens de veldtochten in Polen en Frankrijk werd de Panzer II ingezet. Aan het begin van de oorlog was het type het talrijkst in Duitse pantserdivisies, waardoor het in operaties aanwezig was. De combinatie van mobiliteit en een 20 mm kanon werd ingezet tegen lichte doelen en voor ondersteuning, maar was niet bedoeld voor langdurige gevechten tegen zwaardere tanks. Vanaf 1940/1941 namen de Panzer III en Panzer IV de hoofdtaken vaker over. Aan het einde van 1942 was de Panzer II grotendeels uit de frontlinie en verschoof het gebruik naar opleiding en secundaire taken.

Noord-Afrika, Oostfront en hergebruik

De Panzer II werd ook ingezet in Noord-Afrika tegen westerse geallieerden en op het Oostfront tegen de Sovjet-Unie. In beide gebieden lag de nadruk vaker op verkenning, beveiliging en ondersteuning, waarbij samenwerking met zwaardere tanks en antitankmiddelen nodig bleef. Torens van verouderde Panzer I- en Panzer II-tanks werden hergebruikt als geschutstorens in speciaal gebouwde bunkers, onder meer langs de Atlantikwall. De productie van de tank zelf stopte in januari 1944, maar het onderstel bleef in gebruik als basis voor andere pantservoertuigen.

Vroege ontwikkelingsseries Ausf. a, b en c

De eerste beperkte series heetten Ausf. a, b en c en dienden voor beproeving van het ontwerp. De Ausf. a omvatte subtypen a/1 tot a/3 met onder meer wijzigingen aan spanrol, motortoegang en koeling; 75 voertuigen werden gebouwd tussen mei 1936 en februari 1937 door Daimler-Benz en MAN. De Ausf. b kreeg een langere romp en bredere rupsen; 25 voertuigen volgden in februari en maart 1937. De Ausf. c benaderde de latere seriestandaard met vijf grotere loopwielen; hiervan werden minstens 25 voertuigen gebouwd tussen maart en juli 1937.

Serievarianten Ausf. A, B en C

De eerste serie-uitvoering, Ausf. A, kreeg 14,5 mm pantser rondom, een dikkere bodemplaat en een aangepaste transmissie, en ging in juli 1937 in productie. De Ausf. B volgde in december 1937 met beperkte wijzigingen. De Ausf. C werd van juni 1938 tot april 1940 de standaardproductie. In totaal werden 1.113 tanks van de typen Ausf. c, A, B en C gebouwd tussen maart 1937 en april 1940 door fabrikanten als Alkett, Daimler-Benz, FAMO, Henschel, MAN, MIAG en Wegmann. Vroege Ausf. C-voertuigen hadden vaak een afgeronde rompneus en kregen soms extra pantserplaten.

Ausf. D en Ausf. E

De Ausf. D was ontwikkeld als snellere variant voor inzet bij lichte divisies en had een torsiestangophanging met vier loopwielen. Alleen de toren bleef grotendeels gelijk aan die van de Ausf. C; romp en opbouw kregen een nieuw ontwerp. Met dezelfde motor en een zevenversnellingsbak werd een hogere wegsnelheid bereikt en de voertuigen werden in Polen ingezet. Er werden 43 Ausf. D-tanks gebouwd tussen oktober 1938 en maart 1939 door MAN en zij werden in maart 1940 teruggetrokken voor ombouw tot vlammenwerpertank. De Ausf. E week vooral af door gesmeerde rupsen; zeven chassis werden voltooid.

Ausf. F

De Ausf. F zette de conventionele lijn van de Ausf. C voort, maar kreeg een andere frontplaat van de opbouw en een aangepast vizier. Een extra, niet-functioneel vizier werd geplaatst om het richten voor tegenstanders te bemoeilijken. De romp kreeg een vlakke frontplaat van 35 mm, terwijl opbouw en toren vooraan tot 30 mm werden versterkt en zijkanten en achterkant doorgaans 15 mm bleven. Het totaalgewicht lag rond 9,5 ton en tussen maart 1941 en juli 1942 werden 509 voertuigen gebouwd.

Panzerkampfwagen II (F) Flamm

De vlammenwerperuitvoering was gebaseerd op het onderstel van de Ausf. D en E en kreeg een nieuwe toren met één MG 34. Daarnaast werden twee op afstand bediende vlammenwerpers geplaatst in kleine torentjes aan de voorhoeken van de romp. Elke vlammenwerper kon een boog van 180 graden naar voren bestrijken, terwijl de toren 360 graden kon draaien. Het systeem gebruikte 320 liter brandstof en vier stikstofflessen in gepantserde kisten langs de opbouw.

De bepantsering bedroeg ongeveer 30 mm aan de voorkant en 14,5 mm aan zijkanten en achterkant; de toren was opzij en achter tot circa 20 mm versterkt. Het voertuig woog rond 12 ton, was ongeveer 4,9 m lang, 2,4 m breed en 1,85 m hoog en droeg een FuG2-radio. Tussen april 1940 en maart 1942 werden 151 voertuigen gebouwd, deels via ombouw van bestaande chassis. Overgebleven voertuigen werden in december 1941 omgebouwd tot Marder II. In de beschikbare gegevens is geen officiële toekenning van de bijnaam “Flamingo” vastgelegd.

Ausf. L Luchs

De Ausf. L was een lichte verkenningstank en de enige Panzer II-variant met overlappende loopwielen en een “slack track”-configuratie die in serie werd gebouwd. Het ontwerp droeg aanvankelijk de proefbenaming VK 1303 en werd ook aangeduid als Panzerspähwagen II, met de gangbare naam Luchs. Tussen september 1943 en januari 1944 werden 100 exemplaren gebouwd, naast de ombouw van vier Ausf. M-chassis. Daarmee liep de productie door tot het moment waarop ook de Panzer II-lijn werd beëindigd.

De Luchs bereikte ongeveer 60 km/h, had een actieradius rond 290 km en droeg FuG12 en FuG Spr a-radio’s. De bewapening bleef 20 mm, met 330 granaten, plus een 7,92 mm mitrailleur met 2.250 patronen. Het totale gewicht bedroeg ongeveer 11,8 ton en de bemanning bestond uit vier personen. De pantserdikte lag rond 30 mm aan de voorkant van de romp en 20 mm aan zijkanten en achterkant, vergelijkbaar voor de toren.

Beperkte series en prototypes

Naast de serievarianten ontstonden uitvoeringen voor verkenning en speciale taken. De Schwimmkörper was een amfibische set met pontons en een schroef, bedoeld om een Panzer II tijdelijk drijvend te maken; snelheden tot circa 6 mph worden genoemd. Na het afblazen van de invasieplannen voor Engeland volgde conventionele inzet op het Oostfront. De Ausf. G (VK 9.01) was een verkenningsontwerp met overlappende loopwielen; 12 voertuigen werden gebouwd tussen april 1941 en februari 1942 en torens werden later in verdedigingswerken gebruikt. Twee voertuigen werden omgebouwd met een 50 mm PaK 38.

De Ausf. H (VK 9.03) bleef beperkt tot twee prototypes en werd in september 1942 geannuleerd. De Ausf. J (VK 16.01) had tot 80 mm frontpantser en 50 mm zij- en achterpantser; het gewicht liep op tot circa 18 ton en de topsnelheid tot rond 31 km/h. Tussen april en december 1942 werden 22 voertuigen gebouwd, waarvan zeven naar de 12e Pantserdivisie gingen. Bruggenleggers, een bergingsvoertuig op Ausf. J-basis en twee prototypes van de Panzer Selbstfahrlafette 1c met 5 cm PaK 38 worden genoemd; ook een plan voor de VK 16.02 “Leopard” werd stopgezet.

Afgeleide voertuigen op Panzer II-chassis

Het Panzer II-chassis werd gebruikt voor zelfrijdende artillerie en tankjagers. Voor artilleriesteun werd het 15 cm sIG 33 infanteriegeschut geplaatst op een verlengd chassis met open opbouw; 12 voertuigen werden in november en december 1941 gebouwd en in Noord-Afrika ingezet, waar zij in 1943 verloren gingen. Voor antitankrollen ontstond de Marder II, eerst met buitgemaakt Sovjet 76,2 mm geschut op Ausf. D/E-chassis en later met een 7,5 cm PaK 40 op het Ausf. F-chassis. Van de PaK 40-variant werden 576 nieuwe voertuigen gebouwd (juni 1942–juni 1943), plus 75 ombouwen.

Als zelfrijdende artillerie werd de Wespe ontwikkeld met een 10,5 cm leFH 18/2; tussen februari 1943 en juni 1944 werden 676 voertuigen gebouwd. Ter ondersteuning werden 159 Wespe-chassis zonder houwitser voltooid als munitievoertuig met 90 granaten aan boord, die in het veld konden worden omgebouwd. Daarnaast bestaan verwijzingen naar een 5 cm PaK 38-opbouw op Panzer II-chassis, maar de productieomvang is niet gespecificeerd. Ook werden chassis zonder opbouw gebruikt als transportmiddel nadat torens voor fortificaties waren verwijderd.

Gebruikers

De Panzer II werd in de eerste plaats gebruikt door Duitsland en kwam in verschillende uitvoeringen in meerdere formaties terecht. Daarnaast zijn inzet of aanwezigheid buiten Duitsland genoemd voor de Slowaakse Republiek (1939–1945) en voor Noorwegen, waar restvoorraden beschikbaar bleven. Voor Roemenië wordt een onzeker geval genoemd waarbij na de staatsgreep van koning Michaël bij de olievelden van Ploiești twee tanks buitgemaakt werden die vermoedelijk tot de Panzer II-familie behoorden. In kleinere gebruikerslanden hing inzet vaak samen met onderhoud, onderdelenvoorziening en munitietoegang.

Conclusie

De Panzerkampfwagen II ontstond uit de behoefte aan snelle serielevering in de tweede helft van de jaren dertig en werd daardoor in 1939 en 1940 in grote aantallen ingezet. Het type bleef herkenbaar als licht ontwerp met een 20 mm hoofdwapen en beperkte pantserdikte, wat de operationele rol mede bepaalde. Vanaf 1940/1941 verschoof de inzet naar verkenning, opleiding en secundaire taken, terwijl het chassis doorontwikkelde in ombouwen zoals Wespe en Marder II. Het hergebruik van torens in vaste verdedigingswerken laat zien dat onderdelen ook na uitfasering functioneel konden blijven.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Bundesarchiv, Bild 101I-382-0248-33A / Böcker / CC-BY-SA 3.0, CC BY-SA 3.0 DE, via Wikimedia Commons
  2. Tucker, Spencer (2004). Tanks: An Illustrated History of Their Impact (First ed.). Santa Barbara: ABC-CLIO. ISBN 1-57607-995-3.
  3. White, B. T. (1983). Tanks and Other Fighting Vehicles of World War II. London: Peerage Books. ISBN 0-907408-35-4.
  4. Green, Michael (2017). Axis Tanks of the Second World War. Barnsley: Pen & Sword Military. ISBN 978-1-47388-703-9.
  5. Thomas, Paul (2015). Hitler’s Light Panzers at War: Rare Photographs from Wartime Archives. Barnsley: Pen & Sword. ISBN 978-1-47385-487-1.
  6. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946