Home Voertuigen Gemechaniseerde artillerie 15 cm sIG 33 op Panzer I uit 1940

15 cm sIG 33 op Panzer I uit 1940

15 cm sIG 33 (Sf) op Panzer I-chassis tijdens inzet aan het Oostfront in Rusland in 1942.
15 cm sIG 33 (Sf) op een Panzer I Ausf. B-chassis tijdens een inzet aan het Oostfront in Rusland in 1942.

De 15 cm sIG 33 (Sf) auf Panzerkampfwagen I Ausf. B was een Duits zelfrijdend infanteriegeschut uit 1940. Het voertuig koppelde het zware 15 cm sIG 33 aan het chassis van de Panzer I Ausf. B. Het moest pantserdivisies sneller zware vuursteun geven, maar had duidelijke beperkingen in bescherming, munitievoorraad en betrouwbaarheid.

Naam en classificatie

De volledige Duitse benaming luidde 15-cm-schweres Infanteriegeschütz 33 (Sf) auf Fahrgestell Panzerkampfwagen I Ausf. B. De afkorting Sf stond voor Selbstfahrlafette, wat aangeeft dat het geschut op een zelfrijdend onderstel was geplaatst. In de praktijk ging het niet om een nieuw ontworpen pantservoertuig, maar om een bestaande lichte tank waarop een zwaar infanteriegeschut werd gemonteerd.

De naam Sturmpanzer I Bison komt in latere literatuur voor, maar was geen officiële aanduiding in eigentijdse Duitse stukken. Het voertuig hoorde functioneel bij de zware infanteriegeschutcompagnieën van de Wehrmacht. De taak was het leveren van direct beschikbare zware vuursteun voor eenheden die sneller bewogen dan getrokken artillerie kon volgen. Daardoor stond het voertuig tussen traditioneel infanteriegeschut en latere gespecialiseerde zelfrijdende artillerie in.

Ontstaan van de behoefte aan mobiele vuursteun

Het zware infanteriegeschut 33 werd in 1933 ingevoerd voor vuursteun aan Duitse infanterieregimenten. Het kaliber van 15 cm gaf de infanterie een wapen tegen veldversterkingen, gebouwen en andere doelen waarvoor lichtere wapens tekortschoten. De eerste versies waren bespannen, waarna ook uitvoeringen voor motortractie beschikbaar kwamen. Toch bleef het geschut in beide gevallen afhankelijk van afkoppelen, opstellen en richten voordat het kon vuren.

Tijdens de Duitse veldtocht in Polen in 1939 bleek dat getrokken zware infanteriegeschutten moeite hadden om het tempo van pantser- en gemotoriseerde eenheden bij te houden. Vuursteun kwam daardoor niet altijd beschikbaar op het moment waarop een doorbraak of aanval werd uitgevoerd. Bovendien moesten de stukken soms dicht bij de vijand in stelling worden gebracht. Dat vergrootte de kwetsbaarheid van bemanning, trekvoertuigen en munitieaanvoer.

De behoefte aan mobiele vuursteun werd sterker door de Duitse werkwijze met tanks, luchtsteun en gemotoriseerde infanterie. Deze eenheden waren bedoeld om snel te bewegen, zwakke punten te benutten en daarna dieper door te stoten. Een zwaar getrokken geschut paste daar minder goed bij. Daarom werd gezocht naar een snelle oplossing waarbij een bestaand tankchassis een zwaar infanteriegeschut naar het gevechtsgebied kon brengen.

Ontwikkeling en ombouw bij Alkett

De Panzerkampfwagen I Ausf. B werd gekozen omdat dit chassis beschikbaar was en beter bruikbaar was dan de eerdere Ausf. A. De Panzer I was oorspronkelijk een lichte tank met een tweekoppige bemanning en machinegeweerbewapening. In Polen was duidelijk geworden dat het voertuig tegen moderne antitankwapens en vijandelijke tanks beperkt inzetbaar was. Door de instroom van Panzer II, Panzer III en Panzer IV kwamen oudere voertuigen beschikbaar voor andere taken.

Voor de ombouw werden de toren en het voorste deel van de bovenbouw verwijderd. Het volledige 15 cm sIG 33 bleef op zijn affuit, inclusief wielen, en werd naar voren gericht op het tankchassis geplaatst. De bevestiging lag op versterkte delen boven de rupsbanden. De constructie was daardoor technisch eenvoudig, maar ook zwaar en hoog. De keuze voor behoud van het oorspronkelijke affuit versnelde de productie, maar leverde een weinig compacte opbouw op.

In de maanden voorafgaand aan de Westelijke veldtocht werden 38 voertuigen omgebouwd door Alkett in Berlijn. Van deze serie gingen 36 voertuigen naar zes compagnieën met elk zes zelfrijdende geschutten. De resterende twee voertuigen dienden als reserve. Het beperkte aantal laat zien dat het ging om een noodoplossing voor een directe militaire behoefte, niet om een volledig nieuw ontwikkelde voertuigfamilie.

Technische inrichting

Het hoofdwapen was het 15 cm sIG 33 L/12, een zwaar infanteriegeschut met een groot brisant effect. Op het voertuig kon het geschut ongeveer 25 graden zijwaarts richten. De elevatie liep van ongeveer min 4 graden tot plus 75 graden. Voor het richten werd een Rblf36-vizier gebruikt. Door de hoge elevatie bleef het wapen geschikt voor verschillende vormen van infanteriesteun, maar de beperkte zijdelingse richtsector vroeg om verplaatsing van het hele voertuig bij grotere richtcorrecties.

De bescherming bestond uit een hoge, open gevechtsruimte aan de voorkant van de romp. De platen waren dun en boden vooral bescherming tegen lichte wapens en scherfwerking. De bovenkant en achterkant bleven open, waardoor vooral de laders kwetsbaar waren. Het achterste deel van de bepantsering kon worden opengeklapt om het laden te vergemakkelijken. Deze indeling maakte het bedienen van het zware geschut mogelijk, maar bood geen volledige bescherming voor de bemanning.

De Panzer I Ausf. B was niet ontworpen voor een vierkoppige bemanning en een zwaar 15 cm geschut. Het totale gewicht steeg tot ongeveer 8,5 ton. De Maybach-motor leverde circa 100 pk en gaf op papier een snelheid van ongeveer 35 kilometer per uur. In de praktijk drukte de extra belasting zwaar op ophanging, aandrijving en motor. Storingen kwamen daardoor vaak voor, vooral bij langere verplaatsingen en slechte wegomstandigheden.

Munitieopslag vormde een vast probleem. In het voertuig was geen ruimte voor een normale voorraad granaten en ladingen. Enkele granaten konden soms op de spatborden of in de omgeving van het affuit worden meegenomen, maar dat was geen volwaardige gevechtsvoorraad. Voor werkelijke inzet was een apart munitievoertuig nodig. Dit maakte de compagnie afhankelijk van een goed georganiseerde munitieaanvoer dicht achter de vuurlinie.

Vuurkracht en beperkingen

De voornaamste waarde van de 15 cm sIG 33 (Sf) lag in de directe beschikbaarheid van zwaar vuur. Een pantserdivisie kon hiermee een zwaar infanteriegeschut meenemen zonder eerst een getrokken stuk af te koppelen en in stelling te brengen. Het voertuig kon veldstellingen, bunkers, huizen en andere dekkingen bestrijden met granaten die een veel groter effect hadden dan de wapens van de Panzer I zelf.

Tegenover deze vuurkracht stonden duidelijke nadelen. Het voertuig was zeer hoog, waardoor het moeilijk te verbergen was. De open opbouw liet de bemanning bloot aan vuur van boven, van achteren en van de zijkanten. De dunne bepantsering bood geen bescherming tegen antitankwapens. Daarnaast maakte het overbelaste chassis het voertuig storingsgevoelig. Ook onderhoud was lastig, omdat het geschut bij bepaalde werkzaamheden aan de motor verwijderd moest kunnen worden.

Tactisch was het voertuig daardoor geen aanvalstank en ook geen volwaardige artillerietank. Het was bedoeld om dicht genoeg bij de infanterie en tanks te blijven om vuursteun te leveren, maar moest niet langdurig in open terrein onder direct vijandelijk vuur blijven staan. De werking hing af van korte vuurposities, goede munitieaanvoer en bescherming door andere eenheden. De sterke vuurkracht kon alleen goed worden benut wanneer deze voorwaarden aanwezig waren.

Organisatie van de compagnieën

Voor de inzet werden zelfstandige schwere Infanteriegeschütz-Kompanien (mot. S) gevormd. Volgens de organisatie van 30 maart 1940 bestond een compagnie uit zes zelfrijdende zware infanteriegeschutten, verdeeld over drie pelotons van twee voertuigen. Daarnaast waren er onderdelen voor bevelvoering, gevechtstrein, munitieaanvoer, verzorging, herstel en bagage. Deze structuur was nodig omdat het voertuig zelf te weinig munitie kon meenemen.

De zes compagnieën kregen de nummers 701 tot en met 706. Zij werden verdeeld over verschillende pantserdivisies. De 701e compagnie ging naar de 9e Panzer-Division, de 702e naar de 1e Panzer-Division, de 703e naar de 2e Panzer-Division, de 704e naar de 5e Panzer-Division, de 705e naar de 7e Panzer-Division en de 706e naar de 10e Panzer-Division. Daarmee werd het kleine aantal voertuigen over meerdere pantserformaties verspreid.

De munitievoorziening was binnen deze eenheden afzonderlijk geregeld. Per peloton waren meerdere lichte trekkers van het type Sd.Kfz. 10 beschikbaar, waarvan een deel met munitieaanhanger. Dit was noodzakelijk omdat de zware 15 cm munitie veel ruimte en laadvermogen vroeg. De zelfrijdende stukken konden daardoor sneller in stelling komen dan getrokken geschutten, maar bleven afhankelijk van voertuigen die granaten en drijfladingen aanvoerden.

Inzet in West-Europa in 1940

Tijdens de Westelijke veldtocht van 1940 werden de compagnieën ingezet bij Duitse pantserdivisies. Hun taak was het leveren van zware vuursteun tijdens snelle operaties in Nederland, België en Frankrijk. Het voertuig paste in de Duitse poging om ondersteuning dichter bij de bewegende voorhoede te houden. Vooral bij het bestrijden van weerstandsnesten, veldversterkingen en bebouwde doelen kon het 15 cm geschut een rol spelen.

De inzet in 1940 toonde tegelijk de grenzen van de constructie. De vuurkracht was groot voor een voertuig op het chassis van een lichte tank, maar het onderstel was niet berekend op langdurige belasting door zo’n zwaar wapen. De hoogte en beperkte bescherming maakten het voertuig kwetsbaar. Toch bleven de compagnieën na de veldtocht bestaan, omdat er nog geen directe vervanging op grotere schaal beschikbaar was.

De 703e compagnie verloor haar uitrusting aan het einde van 1940 toen deze op een transportschip verloren ging. De overige compagnieën bleven in verschillende mate beschikbaar voor latere operaties. Omdat er geen tweede serie op basis van de Panzer I werd gebouwd, konden verliezen na verbruik van de reservevoertuigen niet met hetzelfde type worden aangevuld. Dat had gevolgen voor de sterkte van de eenheden in de jaren daarna.

Inzet op de Balkan en aan het Oostfront

In 1941 nam de 704e compagnie, ingedeeld bij de 5e Panzer-Division, deel aan Operatie Marita op de Balkan. Deze operatie was gericht op de Duitse aanval in Zuidoost-Europa. De compagnie viel binnen het verband van het XIVe gemotoriseerde legerkorps. De inzet bevestigde dat het voertuig vooral bruikbaar was wanneer zware vuursteun snel naar voren moest worden gebracht, maar niet wanneer langdurige mobiliteit en technische betrouwbaarheid centraal stonden.

Bij Operatie Barbarossa, de aanval op de Sovjet-Unie in juni 1941, bleven de compagnieën grotendeels bij hun eerdere pantserdivisies ingedeeld. Het Oostfront stelde zware eisen aan voertuigen door grote afstanden, slechte wegen, stof, modder en winterse omstandigheden. Voor een overbelast Panzer I-chassis waren die omstandigheden ongunstig. De 706e compagnie verdween in de winter van 1941 op 1942 uit de organisatie, terwijl de 705e in mei 1942 werd opgeheven.

De 701e compagnie was nog betrokken bij de openingsfase van Fall Blau in 1942. Deze Duitse zomeroffensieve operatie begon in het zuiden van de Sovjet-Unie, maar de 9e Panzer-Division werd later in de zomer naar Heeresgruppe Mitte overgebracht. De 702e compagnie werd in december 1942 opgeheven. De 701e, 703e en 704e compagnieën bleven op papier langer bestaan, maar hun oorspronkelijke voertuigen waren door slijtage en verliezen steeds minder beschikbaar.

De laatste vermeldingen van dit voertuigtype vallen in 1943. De 704e compagnie van de 5e Panzer-Division wordt in het midden van dat jaar nog met het type in verband gebracht. Daarna werden de resterende formaties opgeheven of omgezet. In latere sterkteoverzichten verschijnen vooral voertuigen met het 15 cm sIG 33 op het onderstel van de Panzerkampfwagen 38(t). Dat onderstel was geschikter voor verdere ontwikkeling dan de Panzer I.

Plaats in de ontwikkeling van zelfrijdende artillerie

Binnen de Wehrmacht vormde de 15 cm sIG 33 (Sf) auf Panzerkampfwagen I Ausf. B een vroege stap naar mobiele zware infanterieondersteuning op rupsbanden. Het voertuig liet zien dat een zwaar infanteriegeschut sneller inzetbaar werd wanneer het op een tankchassis stond. Tegelijk toonde het dat een eenvoudige ombouw niet voldoende was voor duurzame gevechtswaarde. Bescherming, gewichtsverdeling, munitieopslag en onderhoud moesten vanaf het ontwerp worden meegenomen.

De ervaringen met dit voertuig werkten door in latere Duitse ontwerpen. Zelfrijdende zware infanteriegeschutten op andere onderstellen, waaronder voertuigen op basis van de Panzerkampfwagen 38(t), boden een betere verhouding tussen vuurwapen, chassis en bemanningsruimte. De Panzer I-ombouw bleef daardoor een korte tussenfase. De kleine productieserie, het ontbreken van vervolgproductie en de snelle slijtage maken duidelijk waarom het type niet lang in oorspronkelijke vorm bleef bestaan.

Technische gegevens

De technische kenmerken tonen hoe ver de ombouw buiten de oorspronkelijke grenzen van de Panzer I ging. Het voertuig woog ongeveer 8,5 ton en gebruikte een Maybach-motor van circa 100 pk. De maximale snelheid lag rond 35 kilometer per uur. De bewapening bestond uit één 15 cm sIG 33 L/12. De bemanning telde vier man: commandant of geschutleider, bestuurder, richter en lader.

De bescherming was beperkt. De romp van de Panzer I had dunne bepantsering en de extra gevechtsopbouw bood vooral dekking aan de voorzijde. De zijkanten en achterkant waren onvoldoende beschermd voor langdurig gevecht onder direct vuur. De open bovenkant maakte de bemanning kwetsbaar voor granaatscherven, mortiervuur en vuur vanuit hogere posities. De hoogte van het voertuig vergrootte bovendien de kans dat het op het slagveld werd waargenomen.

De productie bleef beperkt tot 38 omgebouwde voertuigen. Daarvan werden 36 stuks operationeel verdeeld over zes compagnieën. De bouwperiode valt in de aanloop naar de Westelijke veldtocht van 1940. Het voertuig was daarmee geen standaardwapen voor alle pantserdivisies, maar een beperkte oplossing voor een erkend probleem: zware infanterievuursteun moest dezelfde snelheid kunnen volgen als de gemotoriseerde formaties waarvoor zij bedoeld was.

Conclusie

De 15 cm sIG 33 (Sf) auf Panzerkampfwagen I Ausf. B was een vroeg Duits antwoord op het probleem van trage getrokken infanterieartillerie binnen snelle pantseroperaties. De combinatie van een zwaar 15 cm geschut en een licht Panzer I-chassis leverde bruikbare vuurkracht op, maar bracht ook structurele technische zwaktes mee. Het voertuig was hoog, zwaar belast, beperkt beschermd en afhankelijk van aparte munitieaanvoer. De kleine serie diende vooral in 1940 tot 1943 en werd daarna vervangen door geschiktere ontwerpen op andere onderstellen.

Bronnen en meer informatie

  1. Chamberlain, Peter; Doyle, Hilary L. (1978). Encyclopedia of German Tanks of World War Two: A Complete Illustrated Directory of German Battle Tanks, Armoured Cars, Self-propelled Guns, and Semi-tracked Vehicles, 1933–1945. London: Arms and Armour Press. ISBN 1-85409-214-6.
  2. Chamberlain, Peter; Doyle, Hilary L. (2004). Encyclopedia of German Tanks of World War Two: The Complete Illustrated Directory of German Battle Tanks, Armoured Cars, Self-propelled Guns, and Semi-tracked Vehicles, 1933–1945. London: Silverdale Books. ISBN 1-84509-012-8.
  3. Trojca, Waldemar; Jaugitz, Markus (2008). Sturmtiger and Sturmpanzer in Combat. Katowice: Model Hobby. ISBN 978-83-60041-29-1.
  4. Bishop, Chris, red. (2000). Waffen des zweiten Weltkriegs: eine Enzyklopädie. Augsburg: Bechtermünz. ISBN 3-8289-5385-9.
  5. Forty, George (1996). World War Two Armoured Fighting Vehicles & Self-Propelled Artillery. London: Osprey. ISBN 1-85532-582-9.
  6. Senger und Etterlin, F. M. von. Die deutschen Panzer 1926–1945. Bernard & Graefe Verlag. ISBN 3-7637-5988-3.
  7. bronnen: 2. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946