
De Blomberg-Fritsch-affaire, ook bekend als de Blomberg-Fritsch-crisis, was een politieke en militaire crisis in nazi-Duitsland aan het begin van 1938. Door het gedwongen vertrek van Werner von Blomberg en Werner von Fritsch kon Adolf Hitler de zelfstandige positie van de Wehrmacht breken, het OKW vormen en de militaire leiding nauwer aan zijn eigen gezag onderwerpen.
Achtergrond en aanleiding
In de jaren vóór 1938 groeide de invloed van Hitler op de Duitse strijdkrachten al gestaag. De herinvoering van de dienstplicht in 1935, de opbouw van de Wehrmacht en de remilitarisering van het Rijnland in 1936 hadden de samenwerking tussen het regime en de legerleiding versterkt. Tegelijk bleef binnen de hoogste militaire en diplomatieke kring terughoudendheid bestaan over het tempo van Hitlers buitenlandse politiek. Vooral Werner von Blomberg, Werner von Fritsch en minister van Buitenlandse Zaken Konstantin von Neurath vonden dat Duitsland militair en diplomatiek niet onbeperkt risico kon nemen.
Die spanning werd zichtbaar tijdens de bijeenkomst van 5 november 1937 die later bekend werd door het Hossbach-memorandum. Hitler zette daar zijn voornemen uiteen om de internationale positie van Duitsland binnen afzienbare tijd met geweld te veranderen, met name ten aanzien van Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije. Blomberg, Fritsch en Neurath plaatsten vraagtekens bij de militaire en diplomatieke haalbaarheid van zo’n koers. Daarmee ontstond geen open breuk, maar wel een duidelijk verschil tussen Hitlers tijdschema en de voorzichtigere opstelling van enkele hoge functionarissen.
Toen in januari 1938 eerst Blomberg en daarna Fritsch in opspraak kwamen, kon Hitler die ontwikkeling direct politiek benutten. In beide gevallen speelden persoonlijke aantijgingen een rol, maar het gevolg reikte veel verder dan een privékwestie. De crisis bood Hitler de gelegenheid om tegenstanders van zijn versnellende oorlogskoers uit de top van de Wehrmacht te verwijderen. Over de mate waarin de gebeurtenissen vooraf waren gepland, lopen de opvattingen van historici uiteen, maar over het politieke resultaat bestaat weinig verschil van mening.
Blomberg-affaire
Het huwelijk van 12 januari 1938
De eerste fase van de affaire begon met het huwelijk van rijksminister van Oorlog Werner von Blomberg op 12 januari 1938. Zijn bruid was Margarethe, ook aangeduid als Erna, Gruhn, een veel jongere vrouw uit een niet-militaire omgeving. De plechtigheid vond in kleine kring plaats in het ministerie van Oorlog. Hitler trad op als getuige en Göring was eveneens getuige, wat de gebeurtenis een officieel karakter gaf en het latere schandaal des te gevoeliger maakte.
Dat huwelijk viel buiten de sociale verwachtingen van het officierskorps, maar het directe probleem ontstond pas kort daarna. De Berlijnse politie stelde vast dat Gruhn een strafblad had, als prostituee in verschillende politiedossiers voorkwam en in verband was gebracht met pornografische foto’s. Volgens latere verklaringen uit de processen van Neurenberg was zij in meerdere steden geregistreerd en ook veroordeeld wegens het verspreiden van onfatsoenlijke afbeeldingen. Juist omdat de gedragscode voor officieren, die Blomberg zelf mede had onderschreven, een huwelijk met iemand uit zo’n achtergrond onverenigbaar maakte met de militaire stand, kreeg de zaak onmiddellijk een institutionele lading.
Het aftreden van Blomberg
Voor Hitler en Göring was de ontdekking ook politiek schadelijk, omdat zij zelf bij de bruiloft aanwezig waren geweest. Hitler eiste dat Blomberg het huwelijk nietig zou laten verklaren om een openbaar schandaal te voorkomen en om de reputatie van de strijdkrachten te beschermen. Blomberg weigerde dat te doen. Nadat Göring had laten blijken dat het verleden van Gruhn anders openbaar kon worden, restte hem feitelijk geen houdbare positie meer binnen het regime.
Op 27 januari 1938 trad Blomberg af als minister van Oorlog en als opperbevelhebber van de Wehrmacht. Daarmee verloor Hitler in korte tijd een officier die hem jarenlang had gesteund bij de militaire opbouw, maar die tegelijk niet zonder voorbehoud meeging in elke stap van zijn beleid. Blomberg ontving een financiële regeling, vertrok vervolgens naar Italië en verdween uit het centrum van de macht. Zijn val maakte de weg vrij voor een herschikking aan de top, waarbij niet langer een traditionele minister van Oorlog maar Hitler zelf het beslissende gezag over de militaire organisatie zou uitoefenen.
Fritsch-affaire
Een oud dossier keert terug
Vrijwel direct na Blombergs val richtte de aandacht zich op Werner von Fritsch, de opperbevelhebber van het leger. Hermann Göring wilde voorkomen dat Fritsch de logische opvolger van Blomberg zou worden en daarmee zijn meerdere. Heinrich Himmler en Reinhard Heydrich hadden op hun beurt belang bij een verzwakking van de traditionele legerleiding, omdat de SS zich steeds nadrukkelijker als machtsfactor naast de Wehrmacht ontwikkelde. In dat kader kreeg een oud dossier over Fritsch opnieuw betekenis.
Heydrich had al in 1936 een dossier laten samenstellen waarin Fritsch van homoseksuele handelingen werd beschuldigd. Hitler had die aantijging toen verworpen en opdracht gegeven het dossier te vernietigen, maar dat was niet gebeurd. In januari 1938 werd het materiaal weer naar voren gehaald. De beschuldiging sloot aan bij de verscherpte toepassing van paragraaf 175 van het Duitse strafrecht, waaronder homoseksuele handelingen strafbaar waren. Daardoor kon een onbewezen verdenking al voldoende zijn om iemands loopbaan en reputatie te ondermijnen.
De beschuldiging en het ontslag
Fritsch werd in de Rijkskanselarij met de aantijging geconfronteerd en ontkende vanaf het begin iedere betrokkenheid. Toch verloor Hitler het vertrouwen in hem, mede doordat een beroepsafperser met de naam Schmidt volhield dat hij Fritsch in 1933 bij homoseksuele handelingen had gezien. De zaak werd behandeld alsof er sprake was van een ernstige morele en politieke last voor de legerleiding. Voor Fritsch betekende dit dat hij zich niet alleen tegen een aantijging moest verdedigen, maar ook tegen een reeds gevormd machtspolitiek besluit.
Op 4 februari 1938 trad Fritsch af en werd hij vervangen door Walther von Brauchitsch, die hij zelf als geschikte opvolger had genoemd. In de officiële voorstelling werd zijn vertrek, net als dat van Blomberg, naar buiten gebracht als een kwestie van gezondheid en reorganisatie. Daarmee kon Hitler de crisis presenteren als een ordelijke herschikking, terwijl in werkelijkheid twee centrale bevelhebbers binnen enkele dagen uit hun functies waren verdwenen. Voor het officierskorps was dat een ernstige aantasting van de autonomie en de eer van de militaire leiding.
Vrijspraak zonder terugkeer
Het leger drong aan op een formeel onderzoek, omdat de beschuldiging tegen Fritsch op zwakke grond leek te rusten. Tijdens de verdere behandeling kwam naar voren dat sprake was van persoonsverwisseling met een cavalerieofficier met een vrijwel gelijke naam, doorgaans aangeduid als Rittmeister von Frisch. De getuige Schmidt bleek bovendien een notoire crimineel en afperser te zijn, die eerder geld had geëist van mannen die hij van homoseksualiteit beschuldigde. Daarmee brokkelde de zaak tegen Fritsch snel af.
Op 18 maart 1938 werd Fritsch door een erehof vrijgesproken en officieel gerehabiliteerd. Het eerdere politieke effect werd daarmee echter niet ongedaan gemaakt. Hitler herstelde hem niet in zijn oude functie als opperbevelhebber van het leger, maar gaf hem slechts een erepositie als chef van een artillerieregiment. Zo bleef de beschuldiging juridisch weerlegd, terwijl de machtsverschuiving in de legerleiding volledig in stand bleef. Fritsch sneuvelde later, op 22 september 1939, tijdens de Poolse veldtocht bij de gevechten rond Warschau.
Reorganisatie van de Wehrmacht
Van ministerie naar opperbevel
Hitler gebruikte de dubbele crisis om de bestaande militaire bestuursstructuur ingrijpend te veranderen. Het ministerie van Oorlog werd opgeheven en vervangen door het Oberkommando der Wehrmacht, het OKW. Wilhelm Keitel werd op 4 februari 1938 chef van deze nieuwe organisatie. In plaats van een minister van Oorlog die tussen staatshoofd en krijgsmacht stond, ontstond nu een constructie waarin Hitler zelf rechtstreeks boven het nieuwe opperbevel kwam te staan.
Deze verandering verzwakte ook het Oberkommando des Heeres, het OKH, dat voortaan sterker ondergeschikt werd aan het OKW. In staatsrechtelijke zin was Hitler al opperbevelhebber, maar na februari 1938 trok hij ook de dagelijkse aansturing van de krijgsmacht dichter naar zich toe. Daarmee werd de traditionele ruimte voor zelfstandig militair advies kleiner. Keitel gold niet als een tegenwicht voor Hitler, maar als een loyale uitvoerder, waardoor de nieuwe structuur vooral de politieke centralisatie diende.
Personele verschuivingen en reacties
De gevolgen beperkten zich niet tot Blomberg en Fritsch. Hitler verving in dezelfde periode ook andere hoge militairen en bestuurders door personen die beter aansloten bij zijn koers. Walther von Brauchitsch kwam aan het hoofd van het leger, Joachim von Ribbentrop verving Neurath op Buitenlandse Zaken en Walther Funk volgde Hjalmar Schacht op als minister van Economische Zaken. Göring werd tegelijk bevorderd tot generaal-veldmaarschalk. Daardoor verdwenen in korte tijd meerdere stemmen die binnen de staatsleiding nog voor diplomatieke of militaire terughoudendheid hadden gepleit.
Binnen het officierskorps bestond verzet tegen deze gang van zaken. De behandeling van Fritsch werd door veel officieren als onrechtmatig en vernederend ervaren, juist omdat de beschuldiging op twijfelachtig bewijs berustte. Er waren pogingen om steun te organiseren voor een krachtiger reactie vanuit de legerleiding, maar die bleven zonder doorslaggevend gevolg. Kort daarna zorgden de buitenlandse successen van 1938, vooral de annexatie van Oostenrijk en later de verwerving van het Sudetenland, ervoor dat de interne kritiek verder naar de achtergrond schoof.
Het bredere politieke gevolg
De Blomberg-Fritsch-affaire betekende niet dat alle weerstand binnen de Wehrmacht onmiddellijk verdween, maar zij veranderde wel de machtsverhoudingen blijvend. Toen generaal Ludwig Beck in augustus 1938 aftrad en anderen zich uit actieve invloed terugtrokken, werd zichtbaar hoe sterk de ruimte voor zelfstandig verzet al was verkleind. De crisis van begin 1938 had dus niet alleen een personele uitkomst, maar ook een institutioneel effect: het leger verloor een deel van zijn vermogen om als afzonderlijk machtscentrum op te treden.
In dat opzicht vormde de affaire een scharniermoment in de verhouding tussen partijstaat en krijgsmacht. Na de uitschakeling van Blomberg en Fritsch kon Hitler zijn buitenlandse en militaire besluitvorming met minder interne rem doorzetten. Dat betekende niet dat alle generaals het met hem eens waren, maar wel dat hun invloed op het hoogste niveau kleiner werd. De weg naar een sterker gepolitiseerde oorlogsvoorbereiding lag daarmee verder open dan vóór januari 1938.
Historische duiding
Historici zijn het in hoofdzaak eens over de kern van de affaire. Blombergs huwelijk maakte hem politiek kwetsbaar, de beschuldiging tegen Fritsch bleek onjuist en Hitler gebruikte beide gebeurtenissen om zijn greep op de Wehrmacht te versterken. Minder eenduidig is de vraag of er sprake was van een vooraf uitgewerkt complot of van een snelle politieke uitbuiting van onverwachte omstandigheden. Juist op dat punt lopen de interpretaties van de beschikbare bronnen uiteen.
Een deel van de literatuur benadrukt het toevallige karakter van de crisis. In die lezing werd Hitler door de onthullingen over Blombergs huwelijk verrast, maar greep hij de kans onmiddellijk aan om zijn positie te versterken. Andere historici leggen meer nadruk op het handelen van Göring, Himmler en Heydrich en zien in de zaak tegen Fritsch een doelbewuste operatie tegen de traditionele legerleiding. Beide benaderingen komen echter uit bij hetzelfde eindpunt: begin 1938 verschoof de militaire macht in Duitsland in beslissende mate ten gunste van Hitler.
Conclusie
De Blomberg-Fritsch-affaire was meer dan een reeks persoonlijke schandalen rond twee hoge officieren. Tussen januari en maart 1938 werd de top van de Duitse krijgsmacht in korte tijd ontwricht door een huwelijksschandaal en een valse beschuldiging. Daardoor verdwenen Werner von Blomberg en Werner von Fritsch uit hun functies, terwijl Adolf Hitler de bestuurlijke structuur van de Wehrmacht naar zijn hand zette. De oprichting van het OKW en de benoeming van loyale functionarissen maakten de militaire leiding afhankelijker van zijn directe gezag.
De betekenis van de affaire ligt daarom vooral in de institutionele uitkomst. De Wehrmacht verloor een deel van haar zelfstandige positie, terwijl politieke en militaire besluitvorming sterker in één hand kwamen te liggen. Fritsch werd later vrijgesproken, maar dat veranderde niets meer aan de machtsverschuiving die al had plaatsgevonden. Binnen de geschiedenis van het Derde Rijk geldt de affaire daarom als een belangrijk keerpunt in de onderwerping van de Duitse strijdkrachten aan Hitler.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: CC BY-SA 3.0 de Bundesarchiv, Bild 102-01817A / CC-BY-SA 3.0
- Brose, Patrick en Hoffmann, Friedhelm (2024). Mit Werner Freiherr von Fritsch in Ägypten. Das Fotoalbum des Fahrers und Textquellen zur Reise des Oberbefehlshabers des Heeres im Winter 1937/1938. Vaterstetten: Patrick Brose. ISBN 978-3-944207-04-9.
- Deutsch, Harold Charles (1974). Hitler and His Generals: The Hidden Crisis, January–June 1938. Minneapolis: University of Minnesota Press. ISBN 978-0-8166-0649-8.
- Evans, Richard J. (2009). Het Derde Rijk. 1933-1939. Parijs: Flammarion. ISBN 978-2-082-10112-7.
- Fest, Joachim (1973). Hitler. Eine Biographie. Berlin: Propyläen-Verlag. ISBN 3-549-07301-1.
- Fest, Joachim (1994). Staatsstreich. Der lange Weg zum 20. Juli. Berlin: Siedler-Verlag. ISBN 3-88680-539-5.
- Gerwarth, Robert (2011). Hitler’s Hangman: The Life of Heydrich. New Haven: Yale University Press. ISBN 978-0-300-11575-8.
- Goebbels, Joseph (2007). Dagboek. 1933-1939. Parijs: Tallandier. ISBN 978-2-84734-461-5.
- Goriely, Georges (1991). 1933. Hitler grijpt de macht. Brussel: Complexe. ISBN 978-2-870-27775-1.
- Groehler, Olaf (1989). Das Revirement in der Wehrmachtsführung 1937/1938. In: Eichholtz, Dietrich en Pätzold, Kurt (red.). Der Weg in den Krieg. Studien zur Geschichte der Vorkriegsjahre (1935/1936 bis 1939). Berlin: Akademie-Verlag. ISBN 3-05-000820-2.
- Hargreaves, Richard (2008). Blitzkrieg Unleashed: The German Invasion of Poland, 1939. Mechanicsburg: Stackpole Books. ISBN 978-0-8117-0724-4.
- Janßen, Karl-Heinz en Tobias, Fritz (1994). Der Sturz der Generäle. Hitler und die Blomberg-Fritsch-Krise 1938. München: C.H. Beck. ISBN 3-406-38109-X.
- Kershaw, Ian (2000). Hitler. 1936–1945. Stuttgart: Deutsche Verlags-Anstalt. ISBN 3-421-05132-1.
- Kershaw, Ian (2000). Hitler: 1936-1945: Nemesis. Parijs: Flammarion. ISBN 978-2-082-12529-1.
- Kitchen, Martin (2008). Het Derde Rijk: charisma en gemeenschap. Harlow: Pearson Longman. ISBN 978-1-405-80169-0.
- Koch, Friedrich (1995). Sexuelle Denunziation. Die Sexualität in der politischen Auseinandersetzung. Hamburg: Junius. ISBN 3-434-46229-5.
- Longerich, Peter (2010). Himmler: De dagelijkse opkomst van een gewoon monster. Parijs: Héloïse d’Ormesson. ISBN 978-2-35087-137-0.
- Padfield, Peter (1990). Himmler. Reichsführer-SS. London: Papermac. ISBN 978-0-333-64685-4.
- Plettenberg, Malte (1969). De tragedie van de generaals. Parijs: Presses de la Cité. ISBN 0-333-64685-1.
- Richardot, Philippe (2008). Hitler, zijn generaals en zijn legers. Parijs: Economica. ISBN 978-2-7178-5559-3.
- Schäfer, Kirstin A. (2006). Werner von Blomberg. Hitlers erster Feldmarschall. Paderborn: Ferdinand Schöningh. ISBN 3-506-71391-4.
- Shirer, William L. (1990). Het Derde Rijk: van oorsprong tot val. Parijs: Stock. ISBN 978-2-234-02298-0.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









