Reichskulturkammer en nazicontrole op cultuur

De Reichskulturkammer, meestal afgekort als RKK, was het orgaan waarmee het nationaalsocialistische regime vanaf 22 september 1933 het Duitse cultuurleven onder direct staatstoezicht plaatste. Onder leiding van Joseph Goebbels werden kunstenaars, schrijvers, musici, journalisten en andere cultuurwerkers geregistreerd, gecontroleerd en zo nodig uitgesloten van hun beroep.

Waarom werd de Reichskulturkammer opgericht?

De Reichskulturkammer ontstond in de fase waarin het regime via Gleichschaltung instellingen en beroepsgroepen onder politieke leiding bracht. De wettelijke basis was het Reichskulturkammergesetz van 22 september 1933. De eerste uitvoeringsverordening van 1 november 1933 werkte deze regeling verder uit. De organisatie kreeg haar zetel in Berlijn. De administratie was ondergebracht aan de Wilhelmplatz 8/9, samen met het Reichsministerium für Volksaufklärung und Propaganda, terwijl andere kamers en verbonden diensten verspreid lagen over de stad.

Met deze opzet wilde Goebbels het cultuurbeleid niet overlaten aan andere machtscentra binnen het regime. In de zomer van 1933 probeerde de door Robert Ley geleide Deutsche Arbeitsfront haar verplichte lidmaatschap ook op kunstenaars uit te breiden. De Reichskulturkammer vormde daarom ook een bestuurlijk antwoord op die machtsstrijd. Tegelijk werd een beroepsmatige dakorganisatie met verplichte aansluiting opgebouwd, zodat het Propagandaministerie de kunst, pers en media rechtstreeks kon sturen.

Hoe paste de RKK in de Gleichschaltung?

De kern van de Reichskulturkammer was de staatkundige ordening van cultuur. Het regime behandelde kunst, literatuur, muziek, pers en radio niet als zelfstandige terreinen, maar als onderdelen van het openbare leven die onder toezicht moesten staan. De RKK moest daarom niet alleen toezicht houden, maar ook sociale en economische belangen van cultuurwerkers regelen. Daarmee kreeg de instelling een administratieve en ideologische functie tegelijk.

In de praktijk betekende dit dat de overheid bepaalde wie mocht werken, wat mocht worden gepubliceerd en welke stijl of thematiek aanvaardbaar was. De RKK hielp zo om alle zichtbare cultuuruitingen aan de politieke lijn van het regime aan te passen. Die werkwijze sloot aan bij een breder patroon binnen nazi-Duitsland, waarin zelfstandige verenigingen, beroepsorganisaties en culturele instellingen hun autonomie verloren en werden opgenomen in door de staat geleide structuren.

Hoe werkte verplichte aansluiting?

Iedereen die beroepsmatig actief was in een cultureel vakgebied moest lid zijn van de deelkamer die bij het beroep hoorde. Zonder lidmaatschap was het in de praktijk niet mogelijk om nog legaal te publiceren, op te treden, te exposeren of in de media te werken. De RKK fungeerde daarmee als toegangspoort tot het openbare culturele leven. Een weigering of uitsluiting kwam meestal neer op een beroepsverbod, ook als daar niet altijd apart een strafvonnis voor nodig was.

Voor toelating gold onder meer het vereiste van een zogenoemd Ariernachweis, een bewijs van door het regime als Arisch aangemerkte afstamming. Wie dat niet kon overleggen, werd niet toegelaten of later verwijderd. In 1935 werden Joodse cultuurwerkers systematisch uit de kamers geweerd, en eind 1936 werden de richtlijnen verder aangescherpt. Goebbels liet toen ook personen in gemengde huwelijken met door het regime als Joods aangemerkte familieverbanden onder de uitsluitingspolitiek brengen. Een besluit uit 1935 tegen de Berlijnse musicus Werner Liebenthal laat zien hoe direct zulke verboden konden worden toegepast.

Wie leidde de Reichskulturkammer?

Joseph Goebbels was als president de hoogste bestuurder van de Reichskulturkammer. Daardoor bleef de organisatie nauw verbonden met het Propagandaministerie. De vicevoorzitters waren achtereenvolgens Walther Funk, Karl Hanke, Leopold Gutterer en Werner Naumann. Zij waren tegelijk staatssecretaris binnen hetzelfde ministerie. Alleen al door die personele overlap was er geen scheiding tussen cultuurbeleid en propaganda; beide lagen bestuurlijk in elkaars verlengde.

Tot de dagelijkse leiding behoorden onder anderen Hans Schmidt-Leonhardt, Franz Moraller en Hans Hinkel. Hinkel kreeg van Goebbels een speciale opdracht bij de verdringing van Joden uit het Duitse cultuurleven. Op 15 november 1935 werd daarnaast een Reichskultursenat ingesteld. Dit orgaan had vooral een representatieve taak. Kamervoorzitters, presidiale raden, vicepresidenten en directeuren maakten er ambtshalve deel van uit, terwijl geselecteerde kunstenaars als cultuursenator konden worden benoemd. Tot 1938 droegen deze leden de titel Reichskulturwalter.

Welke deelkamers vormden de organisatie?

De Reichskulturkammer bestond uit zeven deelkamers, elk met een eigen werkterrein en eigen leiding. Voor de literatuur bestond de Reichsschrifttumskammer, eerst onder Hans Friedrich Blunck en vanaf 1935 onder Hanns Johst. De filmsector viel onder de Reichsfilmkammer, geleid door Fritz Scheuermann, vanaf 1935 door Oswald Lehnich en vanaf 1939 door Carl Froelich. Voor muziek was er de Reichsmusikkammer, eerst onder Richard Strauss en later onder Peter Raabe.

Daarnaast bestonden de Reichstheaterkammer, de Reichspressekammer, de Reichsrundfunkkammer en de Reichskammer der bildenden Künste. Otto Laubinger leidde aanvankelijk het theater, gevolgd door Rainer Schlösser, Ludwig Körner en vanaf 1942 Paul Hartmann. De perskamer stond onder Max Amann. De radiokamer stond onder Horst Dreßler-Andreß en werd in 1939 als afzonderlijke kamer opgeheven, waarna de taken naar de Reichs-Rundfunk-Gesellschaft gingen. Voor de beeldende kunst stonden achtereenvolgens Eugen Hönig, Adolf Ziegler en vanaf 1943 Wilhelm Kreis aan het hoofd.

Hoe werden kunstenaars uitgesloten?

De macht van de RKK lag niet alleen in regels, maar ook in haar vermogen om volledige beroepsgroepen te selecteren. Kunstenaars die niet pasten binnen de raciale of politieke criteria van het regime verloren hun plaats in het officiële cultuurleven. Dat gold in de eerste plaats voor Joodse makers, maar ook voor kunstenaars die volgens de autoriteiten verkeerde stijlkenmerken hanteerden of verbonden waren met moderne stromingen. Uitsluiting werkte dus tegelijk als sociale controle en als inhoudelijke censuur.

Daarom had de RKK ook invloed op uitgeverijen, theaters, concertzalen, filmstudio’s en musea. Zonder toelating van de betrokken kamer konden werken niet regulier worden verspreid of uitgevoerd. Het regime stuurde daarmee niet alleen productie, maar ook zichtbaarheid en inkomen. Voor veel makers betekende dit emigratie, stilzwijgen of noodgedwongen aanpassing. De institutionele vorm van die dwang maakt duidelijk dat culturele onderdrukking in nazi-Duitsland vaak via bureaucratische procedures verliep en niet alleen via openlijke repressie.

Hoe werd moderne kunst bestreden?

De RKK speelde een vaste rol in de bestrijding van moderne kunst. Binnen de taal van het regime werden moderne stromingen afgedaan als on-Duits, ziek of cultureel bolsjewistisch. In 1936 werd moderne kunst verboden en werden talrijke werken uit musea verwijderd. De staat stelde daar een andere norm tegenover. Kunst moest volgens de nationaalsocialistische opvatting gezond en artgemäß zijn en aansluiten bij een politiek bruikbaar beeld van volk, ras en bodem. Dat sloot aan bij de leus Blut und Boden, die ook in het cultuurbeleid werd gebruikt.

Die norm werkte door in alle delen van het cultuurbeleid. Niet alleen musea, maar ook opleidingen, kunsthandel en publieke presentatie werden eraan aangepast. Het Haus der Deutschen Kunst in München werd geopend om de bevolking de door het regime goedgekeurde kunst te tonen. Dat gebeurde op 18 juli 1937, één dag voordat de tentoonstelling Entartete Kunst openging. Het ene project presenteerde de gewenste norm, het andere moest afwijkende kunst publiekelijk in diskrediet brengen.

Wat was de functie van Entartete Kunst?

De tentoonstelling Entartete Kunst werd op 19 juli 1937 in München geopend onder toezicht van Adolf Ziegler, die toen aan het hoofd stond van de Reichskammer der bildenden Künste. De expositie toonde werken die door het regime als onaanvaardbaar werden bestempeld. De presentatie was opgezet om afkeer op te roepen en moderne kunst als moreel, esthetisch en politiek verkeerd voor te stellen. Daarmee was de tentoonstelling tegelijk een propagandamiddel en een vorm van cultuurpolitieke disciplinering.

De tentoonstelling bleef niet beperkt tot München. Tussen 1938 en 1941 reisden versies van de expositie naar andere steden, waaronder Berlijn, Leipzig, Düsseldorf, Salzburg en Hamburg. Het bezoekersaantal liep in de miljoenen, mede doordat de toegang gratis was. Veel in beslag genomen werken werden later verkocht in het buitenland of vernietigd. Sommige kunsthandelaren kregen toestemming om naar New York te emigreren en daar zogenoemde gedegenereerde kunst te verkopen, omdat de staat behoefte had aan buitenlandse valuta.

Hoe beïnvloedde de RKK kunstenaars en musea?

De maatregelen van de Reichskulturkammer hadden direct gevolgen voor kunstenaars, museumdirecteuren en kunsthandelaren. Moderne werken verdwenen uit collecties, tentoonstellingen werden herschikt en aankopen kwamen onder politiek toezicht te staan. Voor makers betekende dit verlies van opdrachten, inkomsten en openbare zichtbaarheid. Het beleid maakte duidelijk dat artistieke kwaliteit voor het regime ondergeschikt was aan ideologische bruikbaarheid en aan de gewenste voorstelling van de nationale gemeenschap.

De houding tegenover individuele kunstenaars kon daarbij verschuiven, maar bleef uiteindelijk afhankelijk van de lijn van Hitler en Goebbels. Goebbels stond aanvankelijk minder afwijzend tegenover sommige expressionisten, maar die ruimte verdween zodra Hitler zich uitdrukkelijk tegen deze stromingen keerde. Kunstenaars als Max Liebermann en Emil Nolde werden daardoor niet beschermd door eerdere waardering of bekendheid. Binnen het systeem van de RKK telde uiteindelijk of werk en maker nog pasten binnen de door de staat vastgelegde culturele norm.

Welke rol kreeg de RKK buiten Duitsland en in oorlogstijd?

Na de annexatie van Oostenrijk in maart 1938 werd de werking van de Reichskulturkammer ook naar Oostenrijks grondgebied uitgebreid. Daarmee werd dezelfde vorm van culturele controle toegepast buiten het Duitse kerngebied. Voor kunstenaars en instellingen in Oostenrijk betekende dit aansluiting bij de bestaande nazi-structuren, met dezelfde voorwaarden rond toelating, toezicht en uitsluiting. De uitbreiding laat zien dat de RKK niet alleen een binnenlands bestuursorgaan was, maar ook een instrument van politieke integratie in het vergrote Duitse rijk.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog kreeg de RKK bovendien een taak in de Truppenbetreuung, de culturele verzorging van de troepen. Daarbij werkte de organisatie samen met de NS-Gemeinschaft Kraft durch Freude en de afdeling Inland van het Oberkommando der Wehrmacht. Kunst en amusement kregen zo ook een functie binnen de oorlogvoering. De inzet van toneel, muziek en andere voorstellingen bleef wel onder dezelfde politieke voorwaarden staan. Zelfs ontspanning werd binnen het systeem van toezicht, selectie en propaganda georganiseerd.

Hoe eindigde de Reichskulturkammer?

De Reichskulturkammer hield op te bestaan na de nederlaag van nazi-Duitsland. Met Controleraadwet nr. 2 van 10 oktober 1945 verbood de Geallieerde Controleraad de organisatie en werden haar bezittingen in beslag genomen. Daarmee verdween het formele kader waarbinnen het regime het culturele leven sinds 1933 had geordend. De opheffing maakte deel uit van de bredere ontmanteling van nationaalsocialistische instellingen in Duitsland na de oorlog.

Archiefmateriaal van de Reichskulturkammer wordt tegenwoordig vooral beheerd door het Bundesarchiv, waar het centrale bestand R 56 berust. Persoonsdossiers bevinden zich in het Berlin Document Center. Voor de Reichskammer der bildenden Künste, Landesleitung Berlin, zijn stukken aanwezig in het Landesarchiv Berlin onder A Rep. 243-04. Deze archieven zijn van belang voor onderzoek naar uitsluiting, beroepsverboden, kunstroof, bestuurlijke besluitvorming en de dagelijkse werking van de nazi-cultuurpolitiek.

Conclusie

De Reichskulturkammer was tussen 1933 en 1945 het bestuursorgaan waarmee het nationaalsocialistische regime kunst, media en culturele beroepen onder directe politieke leiding bracht. Via verplichte aansluiting, toelatingscriteria, uitsluiting en inhoudelijke sturing bepaalde de organisatie wie nog zichtbaar mocht zijn in het openbare leven. De RKK verbond bureaucratie, propaganda en censuur in één systeem en speelde daarmee een vaste rol in de gelijkschakeling van het cultuurleven in nazi-Duitsland en, vanaf 1938, ook in Oostenrijk.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Bundesarchiv, Bild 183-H29353 / UnknownUnknown / CC-BY-SA 3.0, CC BY-SA 3.0 DE, via Wikimedia Commons
  2. Reuth, Ralf Georg (2003). Joseph Goebbels Tagebücher. 3. Aufl. München. ISBN 3-492-21414-2.
  3. Steinweis, Alan E. (1996). Art, Ideology, & Economics in Nazi Germany: The Reich Chambers of Music, Theater, and the Visual Arts. Chapel Hill, NC: University of North Carolina Press. ISBN 978-0-8078-4607-0.
  4. Longerich, Peter (2010). Goebbels. Biographie. München: Siedler Verlag. ISBN 978-3-88680-887-8.
  5. Schrader, Bärbel (2008). „Jederzeit widerruflich“. Die Reichskulturkammer und die Sondergenehmigungen in Theater und Film des NS-Staates. Berlin: Metropol. ISBN 978-3-938690-70-3.
  6. Wulf, Josef (Hrsg.) (1989). Kultur im Dritten Reich. 5 Bände. Frankfurt am Main u. a.: Ullstein. ISBN 3-550-07060-8.
  7. Werner, Wolfram (Bearb.) (1987). Reichskulturkammer und ihre Einzelkammern: Bestand R 56. Findbücher zu Beständen des Bundesarchivs, Bd. 31. Koblenz: Bundesarchiv. ISBN 3-89192-009-1.
  8. Tang, Yating (2025). The Sound of Exile: European Jewish Refugees in Shanghai, 1938-1947. Syracuse, New York: Syracuse University Press. ISBN 978-0-8156-5733-0.
  9. Gregor, Neil (2025). The Symphony Concert in Nazi Germany. Chicago: University of Chicago Press. ISBN 978-0-226-83910-3.
  10. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946
Next articleBlomberg-Fritsch-affaire en Hitlers greep op leger
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in geschiedenis, militaire geschiedenis en de Tweede Wereldoorlog. Sommige redacteuren hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring, operationeel inzicht en kennis van commandostructuren mee. Andere redacteuren houden zich bezig met historisch onderzoek, educatieve content en kennisprojecten. Door deze combinatie van achtergronden ontstaan goed gedocumenteerde artikelen waarin feitelijke nauwkeurigheid, bronnenkritiek, context en analyse centraal staan. De redactie streeft naar objectieve en zorgvuldig onderbouwde publicaties die bijdragen aan een beter begrip van deze belangrijke periode in de geschiedenis.