Luigi Capello en het Italiaanse leger 1917

Luigi Capello was een Italiaanse generaal die vooral wordt verbonden met zijn bevelen aan het Isonzofront tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij leidde Italiaanse troepen bij Gorizia in 1916 en bij het Bainsizza-plateau in 1917. Na Caporetto eindigde zijn actieve militaire loopbaan; daarna raakte hij betrokken bij politieke strijd in Italië.

Vroege leven en opleiding

Luigi Capello werd op 14 april 1859 geboren in Intra, aan het Lago Maggiore. Intra werd later onderdeel van Verbania. Hij groeide op in bescheiden omstandigheden, maar koos vroeg voor een militaire loopbaan. In 1878 werd hij benoemd tot tweede luitenant. Vervolgens volgde hij onderwijs aan de Italiaanse oorlogsschool, waar officieren werden voorbereid op stafwerk, bevelvoering en militaire planning.

Zijn loopbaan verliep daarna binnen de infanterie en de hogere bevelslijnen van het Italiaanse leger. In 1910 had Capello de rang van kolonel en voerde hij het bevel over het 50e Infanterieregiment van de brigade Parma. Deze fase was van belang omdat hij ervaring opdeed met regimentaire leiding, opleiding van troepen en de dagelijkse organisatie van een infanterie-eenheid binnen een leger dat na de Italiaanse eenwording nog steeds werd opgebouwd.

De opleiding en vroege dienstjaren plaatsten Capello in een leger dat veel aandacht gaf aan discipline, hiërarchie en voorbereiding op grootschalige oorlog. Stafopleiding, kaartgebruik, marsplanning en samenwerking tussen infanterie en artillerie waren daarbij vaste onderdelen. Deze achtergrond verklaart waarom hij later zowel op divisie- als op korpsniveau kon functioneren. Zijn latere optreden aan de Isonzo kwam voort uit deze combinatie van formele scholing en veldervaring.

Tijdens de Italiaans-Turkse Oorlog van 1911–1912 diende Capello in Cyrenaica, in het huidige Libië. Als generaal-majoor kreeg hij het bevel over de brigade Abruzzi, die was ingedeeld bij de 4e Speciale Divisie van generaal Ferruccio Trombi. Hij nam deel aan gevechten in de sector Derna en voerde in oktober 1912 een colonne aan tijdens de laatste fase van de oorlog. Deze ervaring maakte hem vertrouwd met expeditieoorlog, woestijngebied en zelfstandige bevelvoering.

Vlak voor de Eerste Wereldoorlog stond Capello aan het hoofd van de 25e Divisie, die met Cagliari werd verbonden. Toen Italië op 24 mei 1915 aan de oorlog deelnam, werd deze divisie ondergebracht bij het Italiaanse Derde Leger. Capello kwam daarmee terecht aan het front waar Italië en Oostenrijk-Hongarije tegenover elkaar stonden in bergachtig terrein, langs de Isonzo en op de Karsthoogvlakte.

Deelname aan de Eerste Wereldoorlog

Capello begon de Eerste Wereldoorlog als divisiecommandant binnen het Italiaanse veldleger. De 25e Divisie maakte deel uit van het XIIIe Legerkorps en vocht op de Karsthoogvlakte. Dit gebied stelde hoge eisen aan infanterie, artillerie en bevoorrading. Rotsachtige bodem, beperkte dekking en goed verdedigde Oostenrijks-Hongaarse posities maakten elke aanval kostbaar. In deze omstandigheden werd Capello zichtbaar binnen de Italiaanse bevelsstructuur.

Op 28 september 1915 werd Capello bevorderd tot luitenant-generaal. Daarna kreeg hij het bevel over het VIe Legerkorps tegenover Gorizia, Podgora en Sabotino. Deze plaatsen lagen in een sector waar de Italiaanse legerleiding doorbraakmogelijkheden zag, maar waar het terrein de verdediger voordeel gaf. Tijdens de derde en vierde slag aan de Isonzo leverden Italiaanse aanvallen geen beslissende doorbraak op. Oostenrijks-Hongaarse tegenaanvallen beperkten de Italiaanse terreinwinst.

De verovering van Gorizia in augustus 1916 werd het eerste grote succes waaraan Capello direct werd verbonden. Tijdens de Zesde Slag aan de Isonzo viel het Italiaanse leger de bruggenhoofden en hoogten rond de stad aan. De inname van Gorizia had militaire en politieke waarde, omdat het een zichtbaar resultaat gaf na maanden van zware strijd. Capello kreeg daardoor meer aandacht binnen leger, pers en publieke opinie.

Zijn bevelvoering bleef in deze periode sterk gericht op aanval. Capello gaf opdracht tot frontale acties die zware verliezen konden veroorzaken, maar die pasten binnen de Italiaanse strategie om druk te houden op Oostenrijk-Hongarije. Zijn optreden werd door tijdgenoten verschillend beoordeeld: sommigen wezen op zijn initiatief en organisatietalent, anderen op de kosten van herhaalde aanvallen. Voor een feitelijke beoordeling zijn beide kanten van belang, omdat terreinwinst en verliezen dicht bij elkaar lagen.

Na Gorizia veranderde zijn positie binnen de legerleiding. Op 7 september 1916 werd hij overgeplaatst naar het XXIIIe Legerkorps. Later kreeg hij het bevel over het Ve Legerkorps van het Eerste Leger en keerde hij terug naar het Isonzofront als bevelhebber in de sector Gorizia. Vanuit deze sector werd opnieuw gewerkt aan aanvallen op de hoogten in Venezia Giulia en aan de voorbereiding van grotere operaties in 1917.

In juni 1917 kreeg Capello het bevel over het Tweede Leger. Daarmee bereikte hij de hoogste fase van zijn militaire loopbaan. Zijn bevelsgebied liep tussen Monte Rombon en de Vipacco en omvatte meerdere legerkorpsen. Tijdens de Elfde Slag aan de Isonzo veroverden Italiaanse troepen delen van het Bainsizza-plateau. Deze terreinwinst vergrootte de druk op Oostenrijk-Hongarije, maar zij bracht ook lange aanvoerlijnen en nieuwe verdedigingsproblemen mee.

De verovering van terrein op de Bainsizza betekende niet dat de Oostenrijks-Hongaarse verdediging instortte. De Italiaanse eenheden moesten hun aanvoer over moeilijk terrein organiseren, terwijl artillerie, munitie en verbindingsmiddelen achter de voorste troepen aan moesten worden gebracht. Daardoor bleef het resultaat militair begrensd. Capello’s Tweede Leger had terrein gewonnen, maar moest tegelijk een langer en kwetsbaarder front vasthouden.

Als bevelhebber van het Tweede Leger ondersteunde Capello offensieve vernieuwing. Hij stond positief tegenover de ontwikkeling van de Arditi, aanvalseenheden die waren bedoeld voor snelle, plaatselijke acties tegen vijandelijke stellingen. Deze steun paste bij zijn nadruk op aanvalskracht en initiatief. Binnen de legerleiding riep dit ook spanningen op, omdat sommige officieren vonden dat de Arditi te sterk met Capello persoonlijk werden verbonden.

De Slag bij Caporetto begon op 24 oktober 1917 met een Oostenrijks-Hongaars en Duits offensief tegen de Italiaanse linies. Aan de aanvallende zijde stonden onder meer Otto von Below en Svetozar Borojević. Duitse eenheden gebruikten infiltratietactiek, gasaanvallen en stormtroepen om zwakke punten in de verdediging te benutten. Het Italiaanse Tweede Leger was onvoldoende ingericht op een diepe verdediging na maanden waarin het vooral offensief had geopereerd.

Capello kreeg tijdens Caporetto zware kritiek op de voorbereiding van de verdediging. De Italiaanse troepen hadden tekorten aan gasmaskers, de communicatie was kwetsbaar en het bergterrein werd door de aanvallers doelgericht gebruikt. Bovendien was Capello ziek, waardoor hij tijdens de strijd zijn bevel moest afstaan aan generaal Luca Montuori. De doorbraak leidde tot een grote Italiaanse terugtocht en maakte een einde aan Capello’s gezag als frontcommandant.

Kort voor de aanval was Capello door ziekte afwezig geweest en keerde hij pas vlak voor de Duitse en Oostenrijks-Hongaarse aanval terug bij het commando. Na overleg met Luigi Cadorna pleitte hij voor terugtocht naar de Tagliamento, zodat de troepen zich konden hergroeperen. Door zijn gezondheid kon hij deze lijn niet zelf doorvoeren. De combinatie van gebrekkige verdediging, snelle vijandelijke penetratie en commandoproblemen bepaalde zijn latere beoordeling.

Na Caporetto bleef Capello nog kort binnen de militaire organisatie. Op 26 november 1917 werd hij aangesteld bij het Vijfde Leger, dat werd gevormd uit resten van het Tweede Leger en terugkerende manschappen. Daar hield hij zich bezig met de herordening van troepen, voorlichting en herstel van militaire samenhang. Op 8 februari 1918 werd hij van zijn functies ontheven en voorgelegd aan de onderzoekscommissie naar de oorzaken van Caporetto. In 1919 werd besloten hem met pensioen te sturen. Hij keerde niet terug in actieve dienst.

Interbellum: politieke activiteiten en gevangenschap

Na de Eerste Wereldoorlog kwam Capello terecht in een Italië dat werd gekenmerkt door sociale spanningen, veteranenpolitiek en strijd tussen politieke bewegingen. Hij sloot zich vroeg aan bij de fascistische beweging en zat in november 1921 het congres in Rome voor. In oktober 1922 nam hij deel aan de Mars op Rome. Zijn militaire reputatie gaf hem in die jaren toegang tot politieke kringen rond het opkomende fascisme.

De verhouding tussen Capello en de fascistische beweging verslechterde door zijn vrijmetselaarschap. In februari 1923 verklaarde de Grote Raad van het Fascisme dat lidmaatschap van de fascistische beweging en de vrijmetselarij niet samengingen. Capello verklaarde openlijk dat hij vrijmetselaar was. Vervolgens kwam hij buiten de partijstructuur te staan. In 1924 verdedigde hij het hoofdkwartier van het Grootoosten van Italië, Palazzo Giustiniani, tegen fascistische aanvallen.

Zijn positie verschoof daarna verder naar verzet tegen het fascistische regime. Capello had zich in de jaren 1910 bij de vrijmetselarij aangesloten en bleef verbonden met vrijmetselaarskringen. Na de toenemende repressie tegen politieke tegenstanders en geheime genootschappen werd zijn militaire rol door het regime gemarginaliseerd. Hij organiseerde ook bewakingsactiviteiten rond vrijmetselaarslocaties, wat zijn conflict met de fascistische autoriteiten verder verscherpte.

In 1925 werd Capello in Turijn gearresteerd op verdenking van betrokkenheid bij de organisatie van de mislukte aanslag op Benito Mussolini door Tito Zaniboni. De aanslag was gericht tegen het hoofd van de fascistische regering en paste in een periode waarin politieke oppositie steeds minder ruimte kreeg. De zaak werd door de fascistische staat gebruikt om tegenstanders harder aan te pakken. In 1927 werd Capello veroordeeld tot dertig jaar gevangenisstraf. Hij werd in januari 1936 vrijgelaten, nadat hij negen jaar had vastgezeten.

Na zijn vrijlating woonde Capello in Rome. Hij was toen een oud-officier zonder actieve militaire functie en zonder terugkeer naar de politieke invloed die hij kort na de Eerste Wereldoorlog had gehad. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kreeg hij geen nieuwe militaire opdracht. Capello overleed op 25 juni 1941 in Rome, terwijl Italië onder Mussolini nog aan de oorlog deelnam.

Na de oorlog

Na de Tweede Wereldoorlog werd Capello’s officiële positie gedeeltelijk herzien. In 1947 werden bij decreet de militaire onderscheidingen hersteld die hem eerder waren ontnomen. Deze postume maatregel veranderde niets aan het verloop van zijn loopbaan, maar bevestigde wel dat zijn militaire verdiensten opnieuw formeel werden erkend. Capello bleef daardoor in de Italiaanse militaire geschiedschrijving verbonden met Gorizia, Bainsizza, Caporetto en de politieke breuk met het fascisme.

Militaire Rangen

Capello begon zijn officiersloopbaan als tweede luitenant in 1878. Daarna klom hij op binnen de infanterie en bereikte hij in 1910 de rang van kolonel, met het bevel over het 50e Infanterieregiment. Tijdens de Italiaans-Turkse Oorlog trad hij op als generaal-majoor. In de Eerste Wereldoorlog werd hij luitenant-generaal en kreeg hij bevelen op divisie-, korps- en legerniveau. Zijn hoogste operationele functie was het bevel over het Tweede Leger in 1917.

Zijn bevelsfuncties laten zien hoe breed zijn militaire inzet was. Hij leidde de 25e Divisie, het VIe Legerkorps, het XXIIIe Legerkorps, het Ve Legerkorps en uiteindelijk het Tweede Leger. Na Caporetto werd hij korte tijd verbonden aan het Vijfde Leger. Deze volgorde geeft ook de breuk in zijn loopbaan weer: snelle stijging tot legerbevelhebber, gevolgd door onderzoek, ontheffing en pensioen na de Italiaanse nederlaag van oktober 1917.

Onderscheidingen

Capello ontving verschillende militaire onderscheidingen uit Italië en het buitenland. Tot zijn Italiaanse onderscheidingen behoorden de rang van Grande ufficiale dell’Ordine militare di Savoia, de rang van Cavaliere di gran croce dell’Ordine militare di Savoia en de Medaglia di bronzo al valor militare. Daarnaast ontving hij de Orde van de Ster van Karađorđe met zwaarden. De officiële teruggave van zijn decoraties in 1947 bevestigde postuum zijn plaats binnen de militaire erelijsten.

Conclusie

Luigi Capello was een Italiaanse generaal wiens loopbaan werd gevormd door snelle bevordering, offensieve bevelvoering en politieke breuken. Zijn naam is verbonden met Gorizia en Bainsizza, maar ook met Caporetto, waar de nederlaag zijn militaire carrière beëindigde. Na 1918 bewoog hij zich in de Italiaanse politiek, eerst dicht bij het fascisme en daarna in conflict met het regime door zijn vrijmetselaarschap en de zaak-Zaniboni. Zijn latere gevangenschap, vrijlating en postume rehabilitatie maken hem tot een omstreden maar goed gedocumenteerde persoon binnen de Italiaanse militaire geschiedenis.

Bronnen en meer informatie

  1. Argenio, Andrea (2017). Capello, Luigi. 1914-1918-online. International Encyclopedia of the First World War. Berlin: Freie Universität Berlin. DOI 10.15463/ie1418.11044.
  2. Mangone, Angelo (1994). Luigi Capello: Da Gorizia alla Bainsizza, da Caporetto al carcere. Milano: Ugo Mursia Editore. ISBN 978-88-425-0960-8.
  3. Silvestri, Mario (2001). Isonzo 1917. Milano: Biblioteca Universale Rizzoli. ISBN 978-88-17-12719-6.
  4. Ascolano, Dario (1999). Luigi Capello. Biografia militare e politica. Ravenna: Angelo Longo Editore. ISBN 978-88-8063-228-3.
  5. Casano, Nicoletta (2015). Libres et persécutés: Francs-maçons et laïques italiens en exil pendant le fascisme. Paris: Classiques Garnier. ISBN 978-2-8124-5145-4. DOI 10.15122/isbn.978-2-8124-5145-4.
  6. Acović, Dragomir (2012). Slava i čast: Odlikovanja među Srbima, Srbi među odlikovanjima. Belgrade: Službeni Glasnik. ISBN 978-86-519-1750-2.
  7. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.
Previous articleAnton Gastilovitsj en het 18e Leger in 1945
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in geschiedenis, militaire geschiedenis en de Tweede Wereldoorlog. Sommige redacteuren hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring, operationeel inzicht en kennis van commandostructuren mee. Andere redacteuren houden zich bezig met historisch onderzoek, educatieve content en kennisprojecten. Door deze combinatie van achtergronden ontstaan goed gedocumenteerde artikelen waarin feitelijke nauwkeurigheid, bronnenkritiek, context en analyse centraal staan. De redactie streeft naar objectieve en zorgvuldig onderbouwde publicaties die bijdragen aan een beter begrip van deze belangrijke periode in de geschiedenis.