
HMAS Arunta was een Australische Tribal-class destroyer die vanaf 1942 diende in de Tweede Wereldoorlog. Het schip werd ingezet voor konvooibescherming, onderzeebootbestrijding, kustbombardementen en steun aan landingen in Nieuw-Guinea, de Filipijnen en Borneo. Na 1945 bleef Arunta in dienst, daarna als anti-submarine destroyer.
Ontwerp en constructie
HMAS Arunta werd in januari 1939 besteld door de Naval Board en gebouwd door Cockatoo Docks and Engineering Company Limited op Cockatoo Island Dockyard in Sydney. De kiel werd gelegd op 15 november 1939. Het schip was de eerste van drie Australische Tribal-class destroyers en werd genoemd naar de Arrernte, een Aboriginal volk uit centraal Australië.
De tewaterlating vond plaats op 30 november 1940 door Lady Zara Gowrie. Het schip bleef halverwege de helling steken, waardoor de ceremonie de volgende dag werd voltooid. Arunta werd op 30 maart 1942 in dienst gesteld bij de Royal Australian Navy, een maand voordat het werk volledig was afgerond. De bouwkosten bedroegen ongeveer AU£500.000.
De Tribal-klasse was ontworpen als snelle, zwaar bewapende torpedobootjager voor vlootdienst. Arunta had een lengte van 377 voet over alles, een breedte van 36 voet en een diepgang van ongeveer 9 voet. De voortstuwing bestond uit Parsons geared turbines met twee schroefassen en ongeveer 44.000 shp, goed voor circa 36,5 knopen. De bemanning groeide tijdens de oorlog door extra luchtafweer, radarapparatuur en operationele ervaring.
Bewapening
Bij indienststelling droeg HMAS Arunta zes 4,7-inch kanonnen van 120 mm in drie dubbele geschuttorens. Deze hoofdbewapening was bedoeld voor gevechten tegen oppervlakteschepen en voor kustbombardementen. Daarnaast had het schip twee 4-inch kanonnen van 100 mm in een dubbele opstelling, bruikbaar tegen luchtdoelen en kleinere oppervlakteschepen.
Voor nabijverdediging had Arunta zes enkele 20 mm Oerlikon luchtafweerkanonnen en een vierloops 2-pounder pom-pom. De torpedobewapening bestond uit één vierloops 21-inch torpedolanceerinrichting met vier torpedo’s. Voor onderzeebootbestrijding beschikte het schip over twee dieptebomwerpers en een voorraad van 46 dieptebommen.
In september 1945 werden de zes Oerlikons vervangen door enkele 40 mm Bofors-kanonnen. Na de oorlog volgde een grotere aanpassing, waarbij de achterste 4,7-inch geschuttoren en de dieptebomwerpers plaatsmaakten voor een Squid anti-submarine mortar.
Bepantsering
HMAS Arunta was geen gepantserd schip zoals een slagschip of kruiser. De Tribal-klasse was gebouwd rond snelheid, bewapening, bereik en inzetbaarheid binnen een vlootverband. Een zware pantsergordel of gepantserde citadel maakte geen deel uit van het ontwerp, omdat extra gewicht de snelheid en wendbaarheid van een destroyer zou beperken.
De bescherming bestond vooral uit compartimentering, brandbestrijding, schadebeperking en snelle koerswijzigingen. In de praktijk waren luchtafweer, radarwaarneming, uitkijkposten en samenwerking met andere schepen belangrijker voor overleving dan passieve bepantsering.
Sensoren en dataverwerking
De sensoruitrusting van HMAS Arunta bestond uit een radar suite met SG1, SG4, 285P4 en 253P. Deze combinatie gaf het schip tijdens de Tweede Wereldoorlog betere waarnemingsmogelijkheden dan oudere destroyers die alleen op optische waarneming, seinmiddelen en uitkijkposten waren aangewezen. Radar maakte het mogelijk om doelen bij slecht zicht, in het donker of op grotere afstand eerder te ontdekken. Dat was van belang bij konvooidienst, nachtelijke acties en steun aan landingen.
Binnen deze radar suite waren de SG-radars bedoeld voor zoek- en oppervlaktewaarneming. De 285P4 sloot aan bij vuurleiding en afstandsbepaling voor geschut. De 253P wordt in de scheepsgegevens als onderdeel van de radaruitrusting genoemd. Samen leverden deze systemen informatie over doelen, afstanden, peilingen en bewegingen. Die gegevens moesten vervolgens worden vergeleken met meldingen van uitkijkposten, radioverkeer, orders van het eskader en waarnemingen van andere schepen.
Voor sonar wordt geen afzonderlijke typeaanduiding genoemd in de scheepsgegevens. Wel had Arunta vanaf haar indienststelling middelen voor onderzeebootbestrijding: twee dieptebomwerpers en 46 dieptebommen. In de Britse en Australische marine werd onderwaterdetectie in deze periode meestal aangeduid met ASDIC, later met sonar. De gegevens over Arunta bevestigen vooral de wapens voor onderzeebootbestrijding en niet het exacte sonartype.
De dataverwerking was bij destroyers beperkter dan bij grotere oorlogsschepen. De Royal Navy ontwikkelde tijdens de oorlog de Action Information Organisation (AIO), waarbij radar, sonar, uitkijkmeldingen en communicatie werden samengebracht in een Operations Room. Op slagschepen, kruisers en vliegdekschepen kon zo’n ruimte meerdere plottafels, radarschermen en gespecialiseerde teams bevatten. Op destroyers was de beschikbare ruimte kleiner. Informatie werd daar vaker verwerkt op of nabij de brug, in de kaartenkamer of in een kleine plotruimte.
Voor HMAS Arunta wordt geen afzonderlijk Combat Information Center (CIC), Air Information Center (AIC) of uitgebreide Action Information Organisation (AIO) vermeld. Daardoor moet haar dataverwerking worden gezien als functioneel maar beperkt. Een volledig CIC of een uitgewerkte AIO verkleinde de afstand tussen waarneming en besluitvorming. De commandant kreeg dan sneller een gezamenlijk lucht-, oppervlakte- en onderwaterbeeld. Bij Arunta waren de gegevens wel beschikbaar via radar, uitkijkposten en communicatie, maar de bundeling bleef eenvoudiger. Dat beperkte vooral de reactiesnelheid bij gelijktijdige dreigingen, bijvoorbeeld tijdens escortes of landingsoperaties. Het schip beschikte over radar en kon tactische informatie ontvangen en doorgeven, maar had niet het volledige geïntegreerde informatiesysteem dat vanaf 1943 steeds meer de norm werd op grotere geallieerde oorlogsschepen en latere destroyers.
Modificaties
Tijdens de oorlog lag de belangrijkste aanpassing bij de luchtafweer. In september 1945 werden de zes 20 mm Oerlikon-kanonnen vervangen door zes enkele 40 mm Bofors-kanonnen. Deze wijziging sloot aan bij de luchtdreiging in de Stille Oceaan, waar snelle aanvallen door vliegtuigen zware druk legden op escortes en landingsvloten.
De grotere modernisering begon pas na de oorlog. Vanaf 1949 werd Arunta aangepast voor een sterkere rol in onderzeebootbestrijding. De achterste 4,7-inch geschuttoren en de dieptebomwerpers werden verwijderd. De vrijgekomen ruimte werd gebruikt voor een Squid anti-submarine mortar. Ook werd de vierloops pom-pom vervangen door twee 40 mm Bofors in een dubbele opstelling.
De radaruitrusting werd verbeterd. Daarvoor moest de oorspronkelijke driepootmast worden vervangen door een sterkere vakwerkmast. De modernisering duurde ongeveer twee jaar. Op 11 november 1952 keerde Arunta terug in dienst als anti-submarine destroyer.
Status schip tijdens de oorlog
HMAS Arunta was tijdens de oorlog operationeel actief vanaf mei 1942. Het schip werd niet langdurig buiten dienst gehouden en wisselde tussen patrouilles, konvooiescortes, landingssteun, kustbombardementen en werfperiodes. De inzet bij Nieuw-Guinea, de Admiralty Islands, Leyte, Lingayen, Wewak, Brunei Bay en Balikpapan toont dat Arunta binnen de geallieerde vloot bruikbaar bleef.
Bij indienststelling was Arunta niet verouderd. De Tribal-klasse had krachtige artillerie en voldoende snelheid voor vlootdienst. Ook de aanwezigheid van radar gaf het schip meer tactische mogelijkheden dan oudere eenheden zonder moderne sensoren. Toch veranderden de normen snel. Vanaf 1943 werd niet alleen bewapening belangrijk, maar ook de snelheid waarmee sensorinformatie kon worden verzameld, geplot en doorgegeven.
Op dat punt had Arunta beperkingen. Er is geen afzonderlijke CIC, AIC of volledige AIO-ruimte vermeld. Het schip bleef inzetbaar, maar was op het gebied van geïntegreerde dataverwerking minder modern dan grotere geallieerde schepen met uitgewerkte operations rooms.
Operationele geschiedenis
Patrouilles en konvooidienst in 1942
HMAS Arunta begon haar operationele loopbaan op 17 mei 1942 met onderzeebootpatrouilles voor de kust van New South Wales. De directe aanleiding was de dreiging van Japanse onderzeeboten in Australische wateren. Na meldingen en een aanval met geschut op het Russische schip Wellen werd Arunta samen met USS Perkins en HNLMS Tromp ingezet om de onderzeeboot te zoeken. Die zoektocht leverde geen resultaat op, maar liet wel zien dat het schip vanaf het begin in een verdedigende escorterol werd gebruikt.
Op 18 mei 1942 voer Arunta met HNLMS Tromp uit Sydney als escorte van konvooi ZK.8. Dit konvooi bestond uit de Nederlandse schepen Bantam, Bontekoe, Van Heemskerk en Van Heutsz, bestemd voor Port Moresby met 4.735 militairen van de Australische 14th Brigade. In juni werd Arunta toegewezen aan konvooidienst langs de Australische kust. Begin augustus volgden opnieuw escortes naar Nieuw-Guinea. Op 24 augustus 1942 kwam Arunta voor het eerst tot directe gevechtsactie. Voor Port Moresby viel zij de Japanse onderzeeboot Ro-33 aan en bracht deze tot zinken. Alle 42 bemanningsleden van Ro-33 kwamen om.
Milne Bay, Timor en Task Force 74
Op 4 september 1942 vertrok Arunta uit Port Moresby om zich aan te sluiten bij MV Anshun en de Nederlandse stoomboot ’s Jacob. Samen met HMAS Swan maakten deze schepen deel uit van konvooi Q2, dat vanuit Townsville naar Milne Bay voer met voorraden voor het garnizoen. Op de ochtend van 6 september liepen Anshun en Arunta Milne Bay binnen. Anshun meerde af bij de pontonsteiger van Gili Gili om te lossen, terwijl Arunta later vertrok om zich bij ’s Jacob en Swan op zee aan te sluiten.
In de nacht werd Anshun getroffen door vuur van de Japanse kruiser Tenryū en de destroyer Arashi tijdens de Slag bij Milne Bay. Het verlies van het vrachtschip toonde de kwetsbaarheid van bevoorradingsoperaties in een gebied waar landingen, luchtaanvallen en nachtelijke scheepsacties elkaar konden opvolgen. In januari 1943 nam Arunta deel aan de evacuatie van geallieerde guerrillastrijders uit Timor. Daarna keerde zij terug naar konvooidienst. In mei 1943 werd zij kort uit die taak gehaald voor een werfperiode en sloot zij zich aan bij Task Force 74.
Landingen en kustbombardementen in 1943 en 1944
Binnen Task Force 74 nam Arunta deel aan Operation Chronicle. Daarna werd zij tijdelijk losgemaakt voor patrouilles, escortes en onderhoud in Australische wateren. Op 29 oktober 1943 sloot zij zich in Brisbane opnieuw aan bij de task force. Begin november bevond de formatie zich bij Milne Bay, samen met onder meer HMAS Australia, HMAS Shropshire, HMAS Warramunga, USS Ralph Talbot en USS Helm.
Vanaf eind november 1943 verschoof de nadruk naar artilleriesteun. Arunta beschoot Japanse munitiedepots in Nieuw-Guinea en ondersteunde daarna landingen bij Arawe, Cape Gloucester en Saidor. In maart 1944 vervoerde het schip de Amerikaanse 7th Cavalry naar de Admiralty Islands en ondersteunde het de landing bij Hayne Harbour. Van april tot september 1944 leverde Arunta bombardementssteun bij Hollandia, Wakde, Biak, Noemfoor, Cape Sansapor en Morotai. Bij Wakde nam de bemanning een Japanse militair gevangen. Deze reeks operaties plaatste Arunta in de verschuivende geallieerde opmars door Nieuw-Guinea en omliggende eilandgebieden.
Filipijnen, Borneo en het einde van de oorlog
Op 13 oktober 1944 maakte Arunta deel uit van de geallieerde vloot die naar Leyte Gulf in de Filipijnen voer. Op 25 oktober nam zij deel aan de Slag in de Straat Surigao, waar geallieerde schepen een Japanse formatie onderschepten. Deze inzet viel binnen de terugkeer van geallieerde troepen naar de Filipijnen. In januari 1945 ondersteunde Arunta de landingen in Lingayen Gulf. Tijdens de nadering veroorzaakte een bijna-treffer door een Japanse kamikaze de dood van twee bemanningsleden.
Van 13 tot 15 februari 1945 voer Arunta met haar zusterschip HMAS Warramunga naar een positie ongeveer 300 mijl ten westen van Manila. De taak was het redden van Amerikaanse vliegtuigbemanningen die konden neerstorten tijdens aanvallen op Japanse slagschepen en begeleidende eenheden die vanuit Singapore naar Japan terugkeerden. Slecht weer verhinderde de geplande aanvallen, waardoor deze opdracht zonder reddingsactie eindigde.
Na een werfperiode van maart tot april ondersteunde Arunta op 10 en 11 mei de landing van de Australische 6th Division bij Wewak. Op 10 juni leverde zij kustbombardementen voor de landing van de 9th Division bij Brunei Bay. Later in juni beschoot zij doelen bij Luton en Balikpapan, voorafgaand aan de landing bij Balikpapan op 1 juli. Daarna keerde Arunta terug naar Sydney voor onderhoud op Cockatoo Island. Toen de Tweede Wereldoorlog eindigde, lag het schip daar in het dok. De oorlogsonderscheidingen omvatten Pacific 1942–45, New Guinea 1942–44, Leyte Gulf 1944, Lingayen Gulf 1945 en Borneo 1945. De vermelding Guadalcanal 1942 werd later ingetrokken, omdat Arunta daarvoor niet in aanmerking kwam.
Na de oorlog
Na afronding van een werfperiode in oktober 1945 werd HMAS Arunta naar Japan gezonden. Het schip diende daar met de British Pacific Fleet als onderdeel van de British Commonwealth Occupation Force. Arunta bleef tot maart 1946 in Japanse wateren. Na een reis via Papoea-Nieuw-Guinea en de Filipijnen keerde zij in december terug voor een tweede inzet, die duurde tot begin april 1947.
In juni 1948 bezocht Arunta verschillende Melanesische eilanden. Eind 1949 werd het schip voorbereid op modernisering, die in 1950 begon. De werkzaamheden duurden ongeveer twee jaar. Op 11 november 1952 werd Arunta opnieuw in dienst gesteld als anti-submarine destroyer. In januari 1954 voer zij naar Korea om bij te dragen aan de handhaving van de wapenstilstand van juni 1953.
In 1955 oefende Arunta bij Malaya met Australische en Nieuw-Zeelandse schepen. Daarna behoorden Arunta en Warramunga tot de eerste Australische oorlogsschepen bij de Far East Strategic Reserve. In 1956 maakte Arunta nog reizen naar Noord-Australië, Norfolk Island en de Pitcairn Islands. Op 21 december 1956 werd het schip in operationele reserve geplaatst.
Tijdens haar loopbaan legde Arunta 357.273 zeemijl af. Op 1 november 1968 werd zij verkocht aan China Steel Corporation uit Taipei voor sloop. Op 12 februari 1969 werd Arunta op sleeptouw genomen door de Japanse sleepboot Tokyo Maru. Op 13 februari maakte het schip water, kapseisde het en zonk het bij Broken Bay.
Conclusie
HMAS Arunta was een snel en zwaar bewapend oorlogsschip dat in de Tweede Wereldoorlog vooral waarde had als escorte, patrouilleschip en steunplatform voor landingen. De inzet in Nieuw-Guinea, de Filipijnen en Borneo toont dat het schip binnen de geallieerde vloot breed werd gebruikt. De bewapening paste bij de destroyerrol, terwijl latere aanpassingen aan luchtafweer en onderzeebootbestrijding nodig waren door veranderende dreigingen.
Bij de beoordeling van de oorlogsjaren weegt vooral de sensor- en dataverwerking. Arunta beschikte over radar, maar voor het schip wordt geen volwaardig Combat Information Center, Air Information Center of uitgebreide Action Information Organisation vermeld. Volgens de militaire normen die vanaf 1943 steeds sterker golden, was het schip daarom op het gebied van geïntegreerde dataverwerking beperkt en deels verouderd. Dat maakte Arunta niet onbruikbaar, maar het plaatste haar onder het niveau van grotere en later uitgeruste geallieerde schepen.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Allan C. Green 1878 – 1954, Public domain, via Wikimedia Commons
- Cassells, Vic (2000). The Destroyers: Their Battles and Their Badges. East Roseville, NSW: Simon & Schuster. ISBN 0-7318-0893-2.
- Donohue, Hector (1996). From Empire Defence to the Long Haul: post-war defence policy and its impact on naval force structure planning 1945–1955. Papers in Australian Maritime Affairs. Vol. 1. Canberra: Sea Power Centre. ISBN 0-642-25907-0. ISSN 1327-5658.
- Jenkins, David (1992). Battle Surface! Japan’s Submarine War Against Australia 1942–44. Milsons Point, NSW: Random House Australia. ISBN 0-09-182638-1.
- Gillett, Ross (1989). Australian Ships. Frenchs Forest, NSW: Child & Associates. ISBN 0-86777-107-0.
- Brice, Martin H. (1971). The Tribals. London: Ian Allan. ISBN 0-7110-0245-2.
- English, John (2001). Afridi to Nizam: British Fleet Destroyers 1937–43. Gravesend, Kent: World Ship Society. ISBN 0-905617-95-0.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









