Home Oorlogsmisdaden British Free Corps in Nazi-Duitsland 1943-1945

British Free Corps in Nazi-Duitsland 1943-1945

Houtskooltekening van Britse vrijwilligers in Waffen-SS-uniform tijdens de Tweede Wereldoorlog met Britse vlag op achtergrond
Illustratie van leden van het British Free Corps in Duitse Waffen-SS-uniformen tijdens de laatste fase van de Tweede Wereldoorlog.

Het British Free Corps was een kleine Waffen-SS-eenheid van Nazi-Duitsland, gevormd uit Britse en Dominion-krijgsgevangenen tijdens de Tweede Wereldoorlog. De eenheid heette aanvankelijk Legion of St George en werd nooit groot: historisch onderzoek identificeerde 54 betrokken mannen, terwijl de feitelijke sterkte nooit boven 27 uitkwam en militair sterk beperkt bleef.

Ontstaan en doel

John Amery en het anti-Sovjetplan

Het idee voor het British Free Corps kwam van John Amery, een Britse fascist en de zoon van Leo Amery, de Britse minister voor India. John Amery reisde in oktober 1942 naar Berlijn en stelde aan de Duitse autoriteiten voor om een Britse vrijwilligersmacht op te richten. Die formatie moest volgens hem worden ingezet tegen de Sovjet-Unie en aansluiten bij de Duitse voorstelling van een Europese strijd tegen het communisme.

Amery baseerde zijn voorstel op bestaande buitenlandse vrijwilligerseenheden aan Duitse zijde. Een voorbeeld was de Franse Légion des volontaires français contre le bolchévisme, die samen met de Duitse Wehrmacht aan het oostfront vocht. Amery probeerde het plan niet alleen bestuurlijk te laten aanvaarden, maar richtte zich ook rechtstreeks tot Britse luisteraars via Duitse propagandaradio. In zijn uitzendingen riep hij landgenoten op om de oorlog tegen het bolsjewisme te steunen.

Van Legion of St George naar British Free Corps

De eerste naam van de beoogde eenheid was Legion of St George. De afkorting BFC en de Duitse naam Britisches Freikorps raakten daarna verbonden met de formatie binnen de Waffen-SS. Die naam sloot aan bij Britse symboliek, maar de Duitse leiding plaatste het project uiteindelijk binnen de Waffen-SS. Op 1 januari 1944 kreeg de groep de naam British Free Corps. Het Duitse woord Freikorps had een langere geschiedenis en werd gebruikt voor vrijwillige, onregelmatige of paramilitaire formaties.

De eenheid werd gepresenteerd als een vrijwillige Britse bijdrage aan de Duitse oorlog tegen de Sovjet-Unie. In werkelijkheid bleef de basis zeer smal. De rekruten kwamen vooral uit krijgsgevangenenkampen, waar de Duitse autoriteiten probeerden onvrede, anti-communisme en oorlogservaring te gebruiken voor werving. De Britse deelname bleef beperkt, versnipperd en wisselend, waardoor de formatie nooit het karakter kreeg van een volwaardige gevechtseenheid.

Werving onder krijgsgevangenen

Kampen en propaganda

De eerste rekruten kwamen in augustus 1943 uit een groep krijgsgevangenen in Genshagen, een buitenwijk van Berlijn. De Duitsers hadden daar een zogenoemd rustkamp ingericht, waar gevangenen onder betere omstandigheden werden geplaatst dan in gewone kampen. In november 1943 verhuisde de groep naar een gevorderd café in de Berlijnse wijk Pankow. Later kwamen ook mannen uit een ondervragingskamp bij Luckenwalde.

De werving vond plaats in Duitse kampen voor Britse en Commonwealth-krijgsgevangenen. In 1944 werden pamfletten verspreid en werd de eenheid genoemd in Camp, de officiële krijgsgevangenenkrant die in Berlijn werd uitgegeven. De propaganda beschreef het British Free Corps als een eenheid van Britten uit het Britse Rijk die zich aansloten bij een gezamenlijke Europese strijd tegen Sovjet-Rusland.

De Duitse aanpak weerspiegelde de eigen angst voor de Sovjet-Unie. Propagandaofficieren veronderstelden dat Britse gevangenen dezelfde zorgen over de Sovjets zouden delen. In sommige kampen kregen gevangenen sigaretten, fruit en andere extra’s terwijl zij toespraken aanhoorden over de Duitse oorlogsinspanning. Daarna werd gevraagd of zij zich wilden aansluiten bij de strijd tegen de Sovjet-Unie.

Omvang en samenstelling

De omvang van het British Free Corps bleef beperkt. Historisch onderzoek van Adrian Weale kwam uit op 54 mannen die op enig moment tot de eenheid behoorden, soms slechts voor korte tijd. De feitelijke sterkte lag lager en bereikte nooit meer dan 27 man. Daardoor bleef de groep afhankelijk van Duitse begeleiding, Duitse infrastructuur en de bredere organisatie van de Waffen-SS.

De leden kwamen uit verschillende delen van het Britse Rijk en uit uiteenlopende militaire achtergronden. Niet iedereen sloot zich om dezelfde reden aan. Sommigen waren ideologisch aangetrokken tot het anti-communistische programma, anderen verklaarden later dat zij informatie wilden verzamelen, de eenheid wilden hinderen of betere omstandigheden wilden krijgen. Die verklaringen werden na de oorlog kritisch bekeken door militaire rechtbanken.

Organisatie en leiding

Duitse verbindingsofficieren

Het British Free Corps had geen vaste Britse commandant in de gewone betekenis van het woord. De SS wilde een Britse officier aanstellen zodra een geschikte kandidaat beschikbaar kwam, maar die situatie ontstond niet op duurzame wijze. In de praktijk werd de dagelijkse leiding daarom uitgeoefend door Duitse Waffen-SS-officieren die als verbindingsofficier optraden tussen de SS-organisatie en de Britse vrijwilligers.

Drie Duitse officieren vervulden die rol. SS-Hauptsturmführer Hans Werner Roepke was betrokken van september 1943 tot november 1944. Daarna volgde SS-Obersturmführer Walter Kühlich, die tot april 1945 aan de eenheid verbonden bleef. In april 1945 trad SS-Hauptsturmführer Alexander Dolezalek nog kort op als verbindingsofficier. Hun rol omvatte toezicht, discipline en contact met de Duitse instanties die verantwoordelijk waren voor de eenheid.

Britse bevelvoering die uitbleef

Rond Brigadier Leonard Parrington ontstond later verwarring. Parrington was een Britse officier die in 1941 in Griekenland gevangen was genomen. In de zomer van 1943 bezocht hij het kamp in Genshagen als vertegenwoordiger van de hoogste Britse krijgsgevangene, Major General Victor Fortune. Enkele vrijwilligers meenden dat zijn aanwezigheid steun aan de eenheid betekende, maar Parrington beschouwde Genshagen als een rustcentrum voor krijgsgevangenen.

Een andere mogelijke Britse leider was Douglas Berneville-Claye. Hij verscheen in april 1945 in uniform bij de mannen van het British Free Corps en presenteerde zich als hun nieuwe commandant. Hij verklaarde dat hij hen wilde inzetten tegen de Sovjets en stelde dat een toekomstige oorlog tussen Groot-Brittannië en de Sovjet-Unie waarschijnlijk was. De mannen toonden weinig bereidheid om opnieuw naar het front te gaan, waarna zijn poging snel eindigde.

Verplaatsingen en opleiding

Van Berlijn naar Hildesheim en Dresden

De eenheid kende veel verplaatsingen, wat haar onvaste positie binnen de Duitse oorlogsinspanning zichtbaar maakt. Na Genshagen en Pankow werd het British Free Corps in januari 1944 formeel als militaire eenheid ingericht. In februari 1944 verhuisde de groep naar het St. Michaeli Kloster in Hildesheim, nabij Hannover. Daar werd de eenheid verder ondergebracht en voorbereid op een meer militaire vorm.

Op 20 april 1944 werden uniformen uitgereikt. De datum viel samen met de verjaardag van Adolf Hitler, waardoor de uitreiking een propagandistische lading kreeg. Op 11 oktober 1944 werd het British Free Corps verplaatst naar de pioniersschool van de Waffen-SS in Dresden. Daar moest de militaire opleiding worden voortgezet, met het oog op inzet aan het oostfront.

Laatste maanden in Duitsland

De laatste maanden van de oorlog verliepen in een snel verslechterende Duitse militaire situatie. Op 24 februari 1945 reisde de groep van Dresden naar Berlijn, waar zij werd ondergebracht in een gevorderde school aan de Schönhauser Allee. Op 8 maart 1945 volgde een nieuwe verplaatsing naar Niemegk, ten zuidwesten van Berlijn. De eenheid bevond zich toen dicht bij de naderende frontgebieden.

De opleiding en verplaatsingen leidden niet tot een stabiele operationele rol. Het British Free Corps bleef klein, afhankelijk van Duitse besluiten en gevoelig voor interne verdeeldheid. Terwijl de Duitse strijdkrachten zich in het oosten terugtrokken, nam de druk toe om beschikbare manschappen in te zetten. Daardoor kwam ook deze beperkte Britse formatie in maart en april 1945 dichter bij daadwerkelijke frontdienst.

Leden en interne verhoudingen

De groep rond de Big Six

Binnen het British Free Corps werden enkele leden later aangeduid als de Big Six. Tot deze groep werden Thomas Haller Cooper, Roy Courlander, Edwin Barnard Martin, Frank McLardy, Alfred Minchin en John Wilson gerekend. De benaming was geen officiële rangorde, maar verwees naar mannen die tijdelijk invloed hadden binnen de kleine groep. Die positie kon veranderen door conflicten, Duitse voorkeuren of verschuivende onderlinge verhoudingen.

Thomas Haller Cooper had een aparte positie, omdat hij feitelijk als Unterscharführer in de Waffen-SS diende. Roy Courlander en Edwin Barnard Martin werden na de oorlog vooral bekend door hun processen en verklaringen. Alfred Minchin behoorde tot de vroege rekruten en werd in april 1944 samen met Kenneth Berry gefotografeerd met Duitse officieren. Zulke namen laten zien dat de eenheid klein genoeg was om sterk door individuele keuzes te worden bepaald.

Robert Chipchase en latere verklaringen

In 2002 werd gemeld dat Robert Chipchase, een Australiër, vermoedelijk de laatst levende voormalige betrokkene bij het British Free Corps was. Hij verklaarde dat hij uiteindelijk van gedachten was veranderd en de aanmeldingspapieren niet wilde ondertekenen. Volgens zijn eigen verklaring bracht hij de rest van de oorlog door in een strafkamp.

Latere verklaringen van leden moeten worden beoordeeld binnen de context van berechting en naoorlogse verantwoording. Verschillende mannen stelden dat zij de eenheid van binnenuit wilden tegenwerken of informatie wilden verzamelen. Zulke verklaringen kunnen niet zonder meer worden gelijkgesteld aan de situatie tijdens hun aanmelding. Militaire rechtbanken onderzochten daarom vooral concrete handelingen, hulp aan de vijand en de mate waarin iemand vrijwillig had meegewerkt.

Inzet aan het einde van de oorlog

Verbinding met de 11e SS-Panzergrenadier-Division Nordland

In maart 1945 werd een detachement van het British Free Corps verbonden aan de 11e SS-Freiwilligen-Panzergrenadier-Division Nordland. Deze divisie bestond voor een groot deel uit Scandinavische vrijwilligers en viel onder het III Germaanse SS-Panzerkorps van Felix Steiner. De Britten werden eerst van Stettin naar het divisiehoofdkwartier bij Angermünde gestuurd en daarna naar een verkenningsbataljon op Usedom.

De Britse groep werd ingedeeld bij de 3e compagnie van het verkenningsbataljon, onder de Zweedse officier Hans-Gösta Pehrson. Het BFC-detachement stond onder Douglas Mardon, die de schuilnaam Hodge gebruikte. De precieze militaire bijdrage bleef beperkt, maar de plaatsing bracht de eenheid wel in de structuur van een frontformatie die betrokken was bij de Duitse verdediging tegen de Sovjetopmars.

Terugtocht en overgave

Op 16 april 1945 werd het British Free Corps naar Templin verplaatst. Daar moest de groep aansluiten bij de transportcompagnie van Steiners staf. Toen de Nordland-divisie richting Berlijn vertrok, volgde de transportcompagnie het hoofdkwartier van Steiner naar Neustrelitz. Het British Free Corps bewoog met deze staf mee en raakte zo betrokken bij de chaotische laatste fase van de oorlog in Noord-Duitsland.

Op 29 april 1945 besloot Steiner het contact met de Sovjettroepen te verbreken en zijn manschappen westwaarts te laten gaan om zich aan Brits-Amerikaanse troepen over te geven. Thomas Haller Cooper en Fred Croft, de laatste twee leden van de groep, gaven zich op 2 mei 1945 bij Schwerin over aan het 121e Amerikaanse Infanterieregiment. Daarna kwamen zij onder losse bewaking van het Britse GHQ Liaison Regiment, dat bekendstond als Phantom.

Berechting na de oorlog

Edwin Barnard Martin en Roy Courlander

Na de oorlog werden verschillende betrokken militairen berecht door militaire rechtbanken. De processen draaiden om de vraag of zij de vijand hadden geholpen terwijl zij krijgsgevangenen waren. Edwin Barnard Martin, een Canadese soldaat, verklaarde dat hij zich had aangesloten om de eenheid te ontregelen. Tegelijk erkende hij dat hij de vlag en het vaandel van het British Free Corps had ontworpen.

Martin gaf toe dat hij tot de eerste zes of zeven leden van de groep behoorde. Hij kreeg volgens de processtukken een reisbevel en een spoorwegpas waarmee hij zich zonder bewaker door Duitsland kon verplaatsen. Hij werd schuldig bevonden aan twee aanklachten wegens hulp aan de vijand als krijgsgevangene. Roy Courlander, een Nieuw-Zeelandse soldaat, verklaarde eveneens dat hij informatie wilde verzamelen, verzet achter de Duitse linies wilde bevorderen of de eenheid wilde saboteren.

John Amery

John Amery werd afzonderlijk berecht wegens hoogverraad. Zijn rol was anders dan die van de krijgsgevangenen, omdat hij het initiatief voor de vorming van de eenheid had genomen en actief voor Duitse propaganda had gewerkt. In november 1945 werd hij ter dood veroordeeld. Op 19 december 1945 werd het vonnis voltrokken.

De berechting van Amery maakte duidelijk dat de Britse autoriteiten zijn handelen zagen als actieve samenwerking met de vijand. Zijn afkomst speelde daarbij geen verzachtende rol. De zaak kreeg veel aandacht omdat hij de zoon was van een Britse minister en omdat zijn activiteiten waren gericht op het werven van Britten voor een Duitse militaire formatie.

Latere weergave in film en literatuur

Het British Free Corps verscheen later in fictie en televisie, meestal als voorbeeld van Britse samenwerking met Nazi-Duitsland. In de film Joy Division uit 2006 komt een lid van de eenheid voor onder Duitse troepen en vluchtelingen tijdens de opmars van het Rode Leger. De film gebruikt het personage om de aanwezigheid van Britse collaborateurs binnen Duitse formaties zichtbaar te maken.

Ook in de roman The Eagle Has Landed van Jack Higgins komt een BFC-officier voor. Het personage Harvey Preston is gemodelleerd naar Douglas Berneville-Claye en wordt verbonden aan een Duitse eenheid die een operatie tegen Winston Churchill uitvoert. In Foyle’s War vormt het British Free Corps eveneens een verhaalelement, waarbij een teruggekeerde Britse krijgsgevangene na de oorlog met vervolging wordt geconfronteerd.

Conclusie

Het British Free Corps was een kleine en instabiele Waffen-SS-eenheid die door Nazi-Duitsland werd opgebouwd uit Britse en Dominion-krijgsgevangenen. De formatie ontstond uit het initiatief van John Amery en werd gebruikt binnen Duitse anti-Sovjetpropaganda. Door geringe deelname, wisselende motieven, Duitse leiding en late inzet bleef de militaire betekenis beperkt. De naoorlogse processen tonen vooral het juridische en politieke gewicht van samenwerking met de vijand tijdens krijgsgevangenschap.

Bronnen en meer informatie

  1. Scott, Michael (2022). From Churchill’s SAS to Hitler’s Waffen SS: The Secret Wartime Exploits of Captain Douglas Berneville-Claye. Barnsley: Pen & Sword. ISBN 978-1-39906-863-5.

  2. Ailsby, Christopher J. (2004). Hitler’s Renegades: Foreign Nationals in the Service of the Third Reich. Dulles: Brassey’s. ISBN 978-1-57488-838-6.

  3. Cawthorne, Nigel (2012). The Brits Who Fought for Hitler. In The Story of the SS. London: Arcturus Publishing. ISBN 978-1-84858-947-6.

  4. Faber, David (2007). Speaking for England. London: Pocket Books. ISBN 978-1-4165-2596-7.

  5. Jelusić, Marko (2010). Das British Free Corps in der SS-Schule Haus Germanien. In Kemmerer, H. (ed.). St. Michaelis zu Hildesheim: Geschichte und Geschichten aus 1000 Jahren. Hildesheim: Hildesheimer Volkshochschule. ISBN 978-3-8067-8736-8.

  6. Landwehr, Richard (2012). Britisches Freikorps: British Volunteers of the Waffen-SS 1943–1945. CreateSpace Independent Publishing Platform. ISBN 978-1-47505-924-3.

  7. Landwehr, Richard (2008). Britisches Freikorps. Morrisville: Lulu. ISBN 978-0-5570-3362-1.

  8. Littlejohn, David (1987). Foreign Legions of the Third Reich. Vol. 2: Belgium, Great Britain, Holland, Italy and Spain. Рипол Классик. ISBN 978-0-91213-822-0.

  9. Mackenzie, S.P. (2004). The Colditz Myth. Oxford: Oxford University Press. ISBN 978-0-19926-210-6.

  10. Murphy, Sean (2005). Letting the Side Down: British Traitors of the Second World War. London: The History Press. ISBN 0-7509-4176-6.

  11. Pleasants, Eric; Sayer, Ian; Botting, Douglas (2012). Hitler’s Bastard: Through Hell and Back in Nazi Germany and Stalin’s Russia. London: Random House. ISBN 978-1-78057-429-5.

  12. Seth, Ronald (1972). Jackals of the Reich: The Story of the British Free Corps. London: New English Library. ISBN 978-0-45001-221-1.

  13. Weale, Adrian (1994). Renegades: Hitler’s Englishmen. London: Weidenfeld & Nicolson. ISBN 0-7126-6764-4.

  14. Weale, Adrian (2001). Patriot Traitors: Roger Casement, John Amery and the Real Meaning of Treason. London: Viking. ISBN 0-6708-8498-7.

  15. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946

Previous articleUSS Manila Bay 1944 bij Leyte als escortcarrier
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in de Tweede Wereldoorlog. Sommigen hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring en strategisch inzicht mee, terwijl anderen een academische of wetenschappelijke opleiding hebben gevolgd, zoals aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) of in historisch onderzoek. Deze combinatie van expertise zorgt voor diepgaande, goed onderbouwde artikelen die zowel feitelijk accuraat als analytisch sterk zijn. De redactie streeft ernaar om objectieve en goed gedocumenteerde informatie te bieden, waarbij kennis en ervaring samenkomen om een genuanceerd beeld te schetsen van deze ingrijpende periode in de geschiedenis.