Luigi Cadorna en het Italiaanse front 1915-1917

Luigi Cadorna was een Italiaanse generaal, graaf en maarschalk van Italië. Als chef van de generale staf leidde hij de Italiaanse landmacht van 1914 tot november 1917. Zijn bevelvoering viel samen met de strijd aan de Isonzo, de Alpenoorlog en Caporetto. Zijn naam is verbonden aan offensieve doctrine, strikte tucht, zware verliezen en historisch debat.

Vroege leven en opleiding

Luigi Cadorna werd geboren op 4 september 1850 in Verbania Pallanza, in Piëmont. Hij was de zoon van generaal Raffaele Cadorna, die zelf een rol speelde in de Italiaanse eenwording. De militaire omgeving van zijn familie bepaalde vroeg zijn vorming. In 1860 ging Cadorna naar de militaire school Teuliè in Milaan, waarna hij op vijftienjarige leeftijd naar de militaire academie van Turijn ging.

Na zijn opleiding werd Cadorna in 1868 benoemd tot tweede luitenant bij de artillerie. Twee jaar later nam hij als officier van het 2e Regiment Artillerie deel aan de bezetting van Rome. Die operatie stond onder bevel van een strijdmacht die door zijn vader werd geleid. Vervolgens diende hij als majoor op de staf van generaal Pianell en werd hij chef-staf van het divisiecommando in Verona.

Vanaf 1892 voerde Cadorna als kolonel het bevel over het 10e Regiment Bersaglieri. In deze periode kreeg hij een naam als voorstander van strikte tucht en harde bestraffing. Hij schreef ook een handboek over infanterietactiek, waarin de nadruk lag op aanvallend optreden. In 1898 werd hij bevorderd tot luitenant-generaal en kreeg hij daarna meerdere hogere staf-, divisie- en korpsfuncties.

Cadorna werd in 1908 voor het eerst benaderd voor de functie van chef van de generale staf. Hij weigerde toen, omdat hij bezwaren had tegen politieke controle over militaire besluitvorming in oorlogstijd. In juli 1914 kreeg hij de functie opnieuw aangeboden en aanvaardde hij deze. Op dat moment naderde hij de leeftijd waarop veel officieren met pensioen gingen, terwijl eerdere spanningen met meerderen bleven doorwerken.

Deelname aan de Eerste Wereldoorlog

Cadorna kreeg in 1914 te maken met een ingewikkelde strategische positie. Italië was formeel verbonden met Duitsland en Oostenrijk-Hongarije via de Triple Alliantie, maar de regering van Antonio Salandra koos aanvankelijk voor neutraliteit. Daardoor moesten bestaande oorlogsplannen worden herzien. Cadorna stelde bovendien vast dat het leger onvoldoende was voorbereid, mede doordat manschappen en materieel in Tripolitanië waren ingezet.

Toen Italië op 24 mei 1915 de oorlog verklaarde, beschikte Cadorna over 36 infanteriedivisies met ongeveer 875.000 militairen. Daartegenover stond een tekort aan moderne artillerie, met ongeveer 120 moderne stukken. Zijn plan voorzag in een aanval aan het Julische front, defensieve acties in Trentino en beperkte operaties in Cadore en Carnia. Het terrein langs de grens was bergachtig, doorsneden en ongunstig voor snelle manoeuvres.

In de eerste oorlogsweken bezetten Italiaanse troepen meerdere grensgebieden. Zij namen delen van de zuidelijke Trentino-uitloper, de bekkens van Fiera di Primiero en Cortina d’Ampezzo, passen in Carnia, het bekken van Plezzo en een groot deel van de rechteroever van de Isonzo. Ook Monte Nero, Monte Maggio, Monfalcone, Grado en Gradisca kwamen in Italiaanse handen. Bij Plava werd een bruggenhoofd gevormd.

Cadorna richtte zijn hoofdaanval vervolgens op het Julische front. Daar stonden de Italiaanse 2e en 3e Legerformaties tegenover het Oostenrijks-Hongaarse 5e Leger. De verdedigers waren numeriek zwakker, maar beschikten over sterke posities, mitrailleurs, artillerie en terreinvoordeel. De Eerste Slag aan de Isonzo, van 23 juni tot 7 juli 1915, eindigde in een patstelling met 14.917 Italiaanse en 10.400 Oostenrijks-Hongaarse verliezen.

De Tweede Slag aan de Isonzo vond plaats van 24 juli tot 3 augustus 1915. De Italianen rukten op naar de westelijke hellingen van Monte San Michele en oostelijk van Monte Nero. Ook Monte Rosso, Bosco Cappuccio, Castelnuovo, een top van Monte Sei Busi en de rand van het plateau van Doberdò werden ingenomen of aangevallen. De Italiaanse verliezen bedroegen ongeveer 42.000 doden, gewonden en vermisten, terwijl het 5e Oostenrijks-Hongaarse Leger meer dan 47.000 man verloor.

De derde en vierde Isonzo-operaties vormden samen een nieuwe aanvalsgolf tussen eind oktober en begin december 1915. Italiaanse troepen namen onder meer Oslavia en Monte Calvario in. Zij breidden hun aanwezigheid richting Tolmino uit en maakten vooruitgang bij San Michele. Hierdoor kon de Italiaanse artillerie Gorizia beschieten, terwijl Cadorna vasthield aan een strategie van uitputting.

In mei 1916 begon Oostenrijk-Hongarije de zogenoemde Strafexpedition op het plateau van Asiago. Het doel was de Italiaanse linies terug te dringen richting de Venetiaanse vlakte. Na een Italiaanse tegenaanval verplaatste Cadorna extra troepen naar het Isonzofront, met Gorizia als doel. Op 29 juni 1916 gebruikten Oostenrijks-Hongaarse troepen gifgas op de Karst, waarna de Zesde Slag aan de Isonzo van 6 tot 17 augustus eindigde met de Italiaanse inname van Gorizia.

Na Gorizia volgden in 1916 nog drie kleinere Isonzo-slagen. De zevende vond plaats in september, de achtste in oktober en de negende in november. Daarna beperkten winterse omstandigheden de operaties vrijwel langs het hele front. In het voorjaar van 1917 hervatte Cadorna de aanvallen, waarbij de tiende Isonzo-operatie het gebied Kuk-Vodice opleverde.

In augustus 1917 volgde de elfde Slag aan de Isonzo. Italiaanse troepen braken door op het plateau van Bainsizza en rukten 10 tot 12 kilometer op. Tijdens de gevechten werden ongeveer zes miljoen artilleriegranaten afgevuurd op de infanterie van beide legers. Meer dan 38 procent van de Oostenrijkse kanonnen werd buiten werking gesteld, waardoor Oostenrijk-Hongarije Duitse steun vroeg voor een gezamenlijke tegenaanval.

Op 24 oktober 1917 begonnen Duitse en Oostenrijks-Hongaarse troepen de Slag bij Caporetto. De aanval brak door de Italiaanse linies aan de Isonzo en dwong het leger tot een terugtocht naar de Piave. Cadorna had veel troepen ver naar voren geplaatst, met onvoldoende verdediging in diepte. Hij was bovendien het grootste deel van oktober met verlof, terwijl zijn directe ondergeschikte ernstig ziek was.

De verantwoordelijkheid voor Caporetto lag niet alleen bij Cadorna. Ook legercommandant Luigi Capello en korpscommandant Pietro Badoglio waren betrokken bij sectoren waar de aanval doorbrak. Op 12 november hadden de aanvallers de Piave bereikt, na doorbraak in de oostelijke sectoren. De Italiaanse terugtocht verliep wanordelijk en ongeveer 275.000 Italiaanse militairen werden krijgsgevangen gemaakt.

Op 7 november 1917 ontsloegen de koning en de regering Cadorna als chef van de generale staf. Groot-Brittannië en Frankrijk drongen eveneens aan op zijn vervanging en stuurden elf divisies naar Italië. Die eenheden werden aan de Mincio ingezet, ongeveer 97 kilometer achter de Piave, en speelden geen directe rol in het stoppen van de aanval. De plaatsing weerspiegelde de geallieerde twijfel of de Piave-linie stand zou houden.

Na Cadornas ontslag werd Armando Diaz benoemd tot chef van de generale staf. Pietro Badoglio werd zijn plaatsvervanger, terwijl Cadorna vertegenwoordiger werd bij de Geallieerde Opperste Oorlogsraad in Versailles. De verdediging aan de Piave hield stand tijdens latere gevechten. In 1918 vormde die linie de basis voor Vittorio Veneto. Bij de slotoperatie stonden onder meer 51 Italiaanse divisies, 3 Britse divisies, 2 Franse divisies, 1 Tsjechoslowaakse divisie en 1 Amerikaans infanterieregiment tegenover Oostenrijk-Hongarije; 426.000 vijandelijke militairen werden krijgsgevangen gemaakt.

Interbellum: laatste jaren en beoordeling

Na de Eerste Wereldoorlog stond Cadornas bevelvoering centraal in militair en politiek onderzoek. De Italiaanse regering publiceerde in 1919 een onderzoek naar de nederlaag bij Caporetto. Dat oordeel was kritisch over zijn optreden. Er waren beschuldigingen dat hij tijdens de crisis naar Padua was uitgeweken en het Italiaanse 2e Leger aan zijn lot had overgelaten.

Cadorna verdedigde zijn keuzes in zijn tweedelige memoires La guerra alla fronte italiana. Zijn reputatie veranderde in de jaren na de oorlog, maar bleef onderwerp van discussie. In 1924 werd hij benoemd tot Maresciallo d’Italia, maarschalk van Italië. Die benoeming vond plaats twee jaar nadat Benito Mussolini de macht had overgenomen. Cadorna overleed op 21 december 1928 in Bordighera, vier jaar na die benoeming.

Na de oorlog

De beoordeling van Cadorna bestaat uit twee hoofdlijnen. Critici wijzen op zijn opeenvolgende aanvallen, de hoge verliezen en zijn strikte militaire tucht. Tijdens de oorlog ontsloeg hij 217 officieren. Ook gaf hij bij terugtrekkende eenheden opdracht tot standrechtelijke executies, terwijl 6 procent van de Italiaanse militairen onder zijn bevel met een disciplinaire aanklacht te maken kreeg.

Van de aangeklaagde militairen werd 61 procent schuldig bevonden. Het aantal uitgevoerde executies binnen het Italiaanse leger onder Cadorna bedroeg ongeveer 750. Aan hem werd ook de herinvoering van decimatie toegeschreven, waarbij elke tiende man uit een eenheid werd gedood. In mei 1916 vond een geval plaats bij een compagnie van de 141e Catanzaro-infanteriebrigade, waarbij twaalf muiters werden geëxecuteerd na geweld tegen officieren, carabinieri en medesoldaten.

Andere historici leggen meer nadruk op de omstandigheden van het front. Zij wijzen op bergachtig terrein, loopgravenoorlog, artillerietekorten en beperkte ruimte voor manoeuvre. Ook wordt vermeld dat Cadorna op logistiek gebied effectief kon optreden. Sommige offensieven pasten bovendien binnen bredere geallieerde plannen om Oostenrijk-Hongarije en Duitsland aan het Isonzofront uit te putten.

John Keegan maakte onderscheid tussen losse standrechtelijke executies en een volledig uitgewerkt systeem van decimatie. Giorgio Rochat plaatste Cadornas harde optreden in de bredere logica van de loopgravenoorlog, zonder zijn geringe aandacht voor soldaten buiten kritiek te houden. In die beoordeling worden ook de inname van Gorizia, het herstel na Asiago en de doorbraak op Bainsizza genoemd. Het debat draait daardoor niet alleen om resultaten, maar ook om de kosten van die resultaten.

Een beoordeling op basis van de bekende feiten plaatst Cadorna in de context van de Italiaanse oorlogvoering tussen 1915 en 1917. Hij stond niet los van de beperkingen van zijn tijd, maar droeg wel verantwoordelijkheid voor harde tucht, hoge verliezen en gebrekkige diepteverdediging bij Caporetto. Zijn loopbaan laat zien hoe militair gezag, politiek toezicht, moderne vuurkracht en verouderde aanvalsideeën elkaar beïnvloedden. Dat maakt zijn bevelvoering tot een vaste casus in de studie van de Eerste Wereldoorlog.

Cadorna had ook een militaire familieachtergrond die na zijn dood doorliep. Zijn zoon Raffaele Cadorna jr. diende als Italiaanse generaal in de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Na 1943 werd hij een van de commandanten van het Italiaanse verzet tegen Duitse troepen in Noord-Italië. Daardoor bleef de familienaam Cadorna verbonden met meerdere fasen van de Italiaanse militaire geschiedenis.

Militaire Rangen

Cadorna begon zijn militaire loopbaan in 1868 als tweede luitenant bij de artillerie. Daarna volgden functies als majoor op de staf van generaal Pianell en als chef-staf van het divisiecommando in Verona. Vanaf 1892 was hij kolonel en commandant van het 10e Regiment Bersaglieri. Deze functies plaatsten hem achtereenvolgens in tactische, administratieve en leidinggevende rollen binnen het Italiaanse leger.

In 1898 werd Cadorna bevorderd tot luitenant-generaal. Vervolgens bekleedde hij hogere commando- en staffuncties voordat hij in juli 1914 chef van de generale staf werd. Van 1914 tot november 1917 voerde hij de hoogste militaire leiding over de Italiaanse landmacht. Na Caporetto verloor hij die functie, waarna hij in 1924 de rang van maarschalk van Italië kreeg.

Onderscheidingen

Bij Cadornas naam worden de onderscheidingen OSML, OMS en OCI vermeld. Deze afkortingen verwijzen naar Italiaanse onderscheidingen die aan zijn naam zijn verbonden. Daarnaast droeg hij de titel graaf. Zijn benoeming tot maarschalk van Italië in 1924 was geen gewone veldonderscheiding, maar een hoge rang binnen de Italiaanse militaire hiërarchie.

Conclusie

Luigi Cadorna was een Italiaanse bevelhebber wiens loopbaan vooral wordt bepaald door zijn rol aan het Isonzofront. Hij organiseerde meerdere offensieven, behaalde terreinwinst bij Gorizia en Bainsizza, maar verloor zijn functie na de nederlaag bij Caporetto. Zijn militaire nalatenschap blijft verdeeld. Zijn aanhangers wijzen op frontomstandigheden en logistieke prestaties, terwijl zijn critici wijzen op tuchtmaatregelen, verliezen en defensieve tekortkomingen.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: See page for author, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Stevenson, Charles (2014). A Box of Sand. The Italo-Ottoman War 1911–1912. ISBN 9780957689275.
  3. Stevenson, David (2011). With Our Backs to the Wall. ISBN 978-0-713-99840-5.
  4. Duggan, Christopher (2007). The Force of Destiny. ISBN 978-0-713-99709-5.
  5. Gilmour, David (2011). The Pursuit of Italy. Penguin Group. ISBN 9780141043418.
  6. Keegan, John (1998). The First World War. ISBN 0-09-1801788.
  7. Keegan, John (1999). The First World War. New York: Alfred A. Knopf. ISBN 0-375-40052-4.
  8. Marshall, S. L. A.; Josephy, Alvin M. (1982). The American Heritage History of World War I. American Heritage Pub. Co.; Bonanza Books. ISBN 9780517385555.
  9. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.
Previous articleFranz Stärfl en Kleinbodungen tijdens WOII
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in de Tweede Wereldoorlog. Sommigen hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring en strategisch inzicht mee, terwijl anderen een academische of wetenschappelijke opleiding hebben gevolgd, zoals aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) of in historisch onderzoek. Deze combinatie van expertise zorgt voor diepgaande, goed onderbouwde artikelen die zowel feitelijk accuraat als analytisch sterk zijn. De redactie streeft ernaar om objectieve en goed gedocumenteerde informatie te bieden, waarbij kennis en ervaring samenkomen om een genuanceerd beeld te schetsen van deze ingrijpende periode in de geschiedenis.