Karel I van Oostenrijk en het einde van de monarchie

Karel I van Oostenrijk was van 1916 tot 1918 de laatste keizer van Oostenrijk en als Karel IV koning van Hongarije. Zijn korte regering viel samen met de laatste fase van de Eerste Wereldoorlog, mislukte vredesonderhandelingen en de ontbinding van Oostenrijk-Hongarije. Na 1918 leefde hij in ballingschap en stierf hij in 1922 op Madeira.

Vroege leven en opleiding

Afkomst en jeugd

Karel werd geboren op 17 augustus 1887 op Schloss Persenbeug in Neder-Oostenrijk. Hij behoorde tot het huis Habsburg-Lotharingen en was de oudste zoon van aartshertog Otto Frans van Oostenrijk en prinses Maria Josepha van Saksen. Zijn grootvader, aartshertog Karl Ludwig, was een broer van keizer Frans Jozef I. Daardoor stond Karel dicht bij de Oostenrijks-Hongaarse troonopvolging, al was hij in zijn jeugd nog niet de directe erfgenaam van de dubbelmonarchie.

Onderwijs en militaire vorming

Karel kreeg eerst privéonderwijs, zoals gebruikelijk was binnen de keizerlijke familie. Toch bezocht hij ook het Schottengymnasium in Wenen, een benedictijnse school waar hij vakken volgde buiten de besloten hofomgeving. Daarna koos hij voor een militaire loopbaan. In 1903 werd hij luitenant bij een ulanenregiment en vanaf 1905 diende hij actief in de cavalerie. Tijdens zijn diensttijd in Praag volgde hij colleges in recht, staatsrecht, kerkelijk recht, economie en bestuurskunde. Die combinatie van legeropleiding en bestuurlijke studie bereidde hem voor op hogere functies.

Huwelijk en gezin

Karel trouwde op 21 oktober 1911 met prinses Zita van Bourbon-Parma op Schloss Schwarzau in Neder-Oostenrijk. Het huwelijk werd bijgewoond door keizer Frans Jozef I en paste binnen de dynastieke verwachtingen van het huis Habsburg-Lotharingen. Uit het huwelijk kwamen acht kinderen voort: Otto, Adelheid, Robert, Felix, Karl Ludwig, Rudolf, Charlotte en Elisabeth. Zita bleef tijdens Karels regering nauw betrokken bij zijn persoonlijke omgeving. In veel besprekingen was zij aanwezig als toehoorder, en Karel besprak staatszaken geregeld met haar.

Positie binnen de dynastie

Voor 1914 leek Karel niet bestemd voor onmiddellijke staatsleiding. Zijn oom Frans Ferdinand stond hoger in de erfopvolging, terwijl diens kinderen door het morganatische huwelijk van hun ouders waren uitgesloten van de troon. Daardoor bleef Karel wel dicht bij de lijn van opvolging, maar kreeg hij lange tijd weinig inzicht in de dagelijkse besluitvorming van het rijk. Pas kort voor en tijdens de oorlog veranderde zijn positie snel.

Deelname aan de Eerste Wereldoorlog

Troonopvolger en frontdienst

Na de moord op aartshertog Frans Ferdinand in Sarajevo op 28 juni 1914 werd Karel volgens de huisregels van Habsburg-Lotharingen troonopvolger. Hij werd niet betrokken bij de besluitvorming tijdens de Julicrisis, die leidde tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Aan het begin van de oorlog werd hij verbonden aan het Armeeoberkommando, maar hij had daar weinig invloed op de strategie. Hij bezocht vooral fronten, woonde troepeninspecties bij en reikte onderscheidingen uit namens de keizerlijke leiding.

Commandant aan het front

In 1915 werd Karel tot generaal-majoor bevorderd en dichter bij keizer Frans Jozef gehaald om ervaring op te doen met staatszaken. In maart 1916 volgde zijn benoeming tot Feldmarschallleutnant. Hij kreeg het bevel over het XXe Korps aan het Italiaanse front tijdens het offensief in Zuid-Tirol. Later dat jaar werd hij naar het oostelijke front gestuurd, waar hij de Heeresgruppe Erzherzog Carl leidde tegen Russische en Roemeense troepen. Zijn militaire werk vond dus plaats in de laatste fase van een oorlog waarin Oostenrijk-Hongarije steeds sterker afhankelijk werd van Duitsland.

Regering in oorlogstijd

Karel werd op 21 november 1916 keizer na de dood van Frans Jozef I. Op 30 december 1916 werd hij in Boedapest gekroond tot koning van Hongarije. Die kroning bevestigde zijn positie, maar bond hem ook aan de Hongaarse grondwet en maakte hervorming van het Hongaarse deel van de monarchie moeilijker. Kort na zijn troonsbestijging nam hij het opperbevel over het Oostenrijks-Hongaarse leger op zich en verplaatste hij het hoofdkwartier naar Baden. In 1917 ontsloeg hij generaalstafchef Franz Conrad von Hötzendorf.

Binnenlandse maatregelen

De regering van Karel viel samen met voedseltekorten, economische problemen, stakingen en groeiende sociale onrust. In 1917 werden in het Oostenrijkse deel van de monarchie maatregelen genomen rond huurbescherming, ziektekostenverzekering en arbeidsverhoudingen in bedrijven die voor militaire doelen werkten. Ook gaf Karel opdracht tot de oprichting van een ministerie voor sociale zorg. Later volgde een ministerie voor volksgezondheid. Deze maatregelen konden de oorlogscrisis niet oplossen, maar ze tonen dat de regering probeerde de gevolgen van oorlog en schaarste bestuurlijk op te vangen.

Vredesinitiatieven

Karel probeerde de oorlog via diplomatie te beëindigen. In 1917 voerde hij via zijn zwager Sixtus van Bourbon-Parma geheime contacten met de Entente. Deze poging werd later bekend als de Sixtus-affaire. De gesprekken strandden door verschillende eisen van de oorlogvoerende landen, de positie van Italië en de nauwe band tussen Oostenrijk-Hongarije en Duitsland. Toen Franse documenten in 1918 de geheime contacten openbaar maakten, raakte minister van Buitenlandse Zaken Ottokar Czernin zijn functie kwijt en kwam de monarchie sterker onder Duitse druk te staan.

Oorlogsvoering en verhouding tot Duitsland

De verhouding met Duitsland bepaalde steeds meer de speelruimte van Karel. Hij verzette zich tegen een te sterke economische en militaire onderwerping aan Berlijn, omdat dit de zelfstandigheid van Oostenrijk-Hongarije verder zou aantasten. Tegelijkertijd kon hij de afhankelijkheid van de Duitse bondgenoot niet doorbreken. Binnen de oorlogvoering bleef ook het gebruik van gifgas een beladen onderwerp. Karel verbood het gebruik binnen het eigen bevelsgebied, maar Duitse speciale eenheden gebruikten in 1917 bij Karfreit wel gifgas naast Oostenrijks-Hongaarse troepen.

Hervorming en uiteenvallen van de monarchie

Karel wilde Oostenrijk-Hongarije hervormen toen de nationale bewegingen in het rijk sterker werden. Hij steunde plannen voor meer zelfstandigheid van volkeren binnen de monarchie en stond open voor trialistische ideeën rond een derde, Kroatische staatscomponent naast Oostenrijk en Hongarije. Zijn Völkermanifest van oktober 1918 moest vooral het Oostenrijkse deel van het rijk omvormen tot een federale staat. De maatregel kwam te laat. Tsjechen, Zuid-Slaven en andere nationale raden kozen inmiddels voor eigen staatsvorming, terwijl Hongarije eind oktober 1918 de band met Oostenrijk verbrak.

Verzicht op staatszaken

Op 11 november 1918 verklaarde Karel dat hij afstand deed van elk aandeel in de Oostenrijkse staatszaken. Hij gebruikte daarbij niet het woord troonsafstand. Op 12 november werd de Republiek Duits-Oostenrijk uitgeroepen en op 13 november gaf hij voor Hongarije een vergelijkbare verklaring af. De nieuwe Oostenrijkse wetgeving van april 1919 ontnam de Habsburgers hun heersersrechten en verbande Karel uit Oostenrijk. Voor terugkeer moesten andere leden van het huis Habsburg-Lotharingen afstand doen van dynastieke aanspraken en de republiek erkennen.

Interbellum: ballingschap en herstelpogingen

Zwitserland en politiek isolement

Karel vertrok in maart 1919 met zijn gezin naar Zwitserland. De reis werd begeleid door Britse officieren, mede omdat koning George V van het Verenigd Koninkrijk bezorgd was over de veiligheid van de keizerlijke familie. Vanuit Zwitserland bleef Karel zichzelf zien als rechtmatige vorst. Hij woonde eerst bij de Bodensee en later in Prangins aan het Meer van Genève. Zijn positie bleef onzeker, omdat hij formeel uit Oostenrijk was verbannen en geen praktische macht meer had over de opvolgerstaten van de voormalige dubbelmonarchie.

Feldkirch en de Habsburgse wetgeving

Tijdens zijn vertrek uit Oostenrijk liet Karel in het Feldkircher Manifest vastleggen dat hij zijn aanspraken niet als opgegeven beschouwde. De regering in Wenen zag dit als bevestiging dat hij politiek gevaarlijk kon blijven voor de jonge republiek. Daarom volgde op 3 april 1919 het Habsburgergesetz. Die wet verbande Karel en Zita uit Oostenrijk en bepaalde dat andere Habsburgers alleen mochten terugkeren wanneer zij afstand deden van heersersaanspraken en zich als burgers van de republiek opstelden.

Pogingen in Hongarije

In 1921 probeerde Karel tweemaal de Hongaarse troon terug te krijgen. Hongarije was toen formeel weer een koninkrijk, maar werd bestuurd door rijksregent Miklós Horthy. Bij de eerste poging reisde Karel rond Pasen naar Hongarije en vroeg hij Horthy de macht over te dragen. Horthy weigerde, mede door binnenlandse druk en dreiging van naburige staten. De tweede poging vond plaats in oktober 1921. Karel en Zita vlogen naar West-Hongarije, waarna koningsgezinde troepen oprukten richting Boedapest. Na gevechten bij Budaörs gaf Karel de poging op om verdere strijd te voorkomen.

Na de oorlog

Madeira en overlijden

Na de mislukte tweede herstelpoging werd Karel met Zita door de Hongaarse autoriteiten vastgezet en vervolgens onder geallieerd toezicht naar Madeira gebracht. Zij kwamen daar op 19 november 1921 aan. Het gezin woonde eerst bij Funchal en later in Quinta do Monte, een huis in Monte boven de stad. In maart 1922 werd Karel ziek. Een verkoudheid ontwikkelde zich tot bronchitis en zware longontsteking. Op 1 april 1922 stierf hij in Funchal op 34-jarige leeftijd aan ademhalingsfalen. Zijn lichaam bleef begraven in de kerk Nossa Senhora do Monte.

Begrafenis en stoffelijke resten

Karel werd op 4 april 1922 begraven in Monte, bij Funchal. Zijn graf bleef op Madeira, ondanks latere pogingen en plannen om zijn lichaam naar de Kapuzinergruft in Wenen over te brengen. Zijn hart werd apart bewaard en kwam uiteindelijk terecht in de Loretokapel van het klooster Muri in Zwitserland, waar ook het hart van Zita werd bijgezet. Daardoor raakte zijn nagedachtenis verbonden met zowel Madeira als de Habsburgse familieherinnering in Zwitserland.

Nalatenschap en kerkelijke verering

Karels beoordeling bleef na zijn dood verdeeld. In sommige Oostenrijkse kringen werd hij herdacht als vorst die vrede zocht; in andere beoordelingen stonden juist zijn beperkte politieke mogelijkheden en de ineenstorting van de monarchie centraal. Binnen de katholieke kerk kreeg zijn religieuze leven veel aandacht. Het proces rond zijn zaligverklaring begon in de twintigste eeuw en leidde op 3 oktober 2004 tot zijn zaligverklaring door paus Johannes Paulus II. Zijn kerkelijke gedenkdag werd vastgesteld op 21 oktober, de datum van zijn huwelijk met Zita.

Gezin en dynastieke lijn

Zita overleefde Karel ruim zes decennia en bleef binnen de familie de herinnering aan zijn koningschap bewaren. Hun oudste zoon Otto werd later hoofd van het huis Habsburg-Lotharingen en bleef lange tijd betrokken bij Europese vraagstukken. De kinderen van Karel en Zita vormden na 1918 geen regerende dynastie meer, maar hun namen bleven verbonden met de geschiedenis van Oostenrijk-Hongarije, het einde van de Eerste Wereldoorlog en de overgang van Midden-Europa naar republikeinse en nationale staten.

Militaire Rangen

Karel had een militaire loopbaan voordat hij keizer werd. Zijn loopbaan verliep binnen het Oostenrijks-Hongaarse leger, waar adel, dynastieke positie en militaire opleiding nauw met elkaar verbonden waren. De rangen en functies laten zien dat zijn militaire loopbaan in korte tijd verschoof van opleiding en regimentstaken naar bevelvoering aan fronten en uiteindelijk naar het opperbevel over het leger.

  • 1903: luitenant bij het ulanenregiment “Erzherzog Otto” nr. 1.
  • 1906: Oberleutnant na actieve dienst bij een dragonderregiment.
  • 1912: majoor bij het k.u.k. infanterieregiment nr. 39 in Wenen.
  • 1 juli 1915: generaal-majoor.
  • 12 maart 1916: Feldmarschallleutnant.
  • 1916: commandant van het XXe Korps aan het Italiaanse front.
  • 1916: commandant van de Heeresgruppe Erzherzog Carl aan het oostelijke front.
  • 2 december 1916: opperbevelhebber van het Oostenrijks-Hongaarse leger.

Onderscheidingen

Karel ontving onderscheidingen uit Oostenrijk-Hongarije en uit verschillende bondgenootschappelijke of dynastiek verbonden staten. Deze onderscheidingen horen bij zijn positie als aartshertog, militair commandant, keizer en koning. Ze tonen ook hoe dynastieke eerbewijzen, militaire orden en bondgenootschappelijke erkenning in het Europa van voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog met elkaar verweven waren.

  • Ridder in de Orde van het Gulden Vlies, 1905.
  • Grootkruis van de Militaire Orde van Maria Theresia, 1917.
  • Groot-officier in de Orde van het Kruis van Militaire Verdienste.
  • Bronzen Medaille van Militaire Verdienste op rood lint en de Gouden Signum Laudis.
  • Militair Kruis ter herinnering aan het zestigjarige regeringsjubileum van Frans Jozef.
  • Grootkruis van de Toscaanse Orde van Sint-Jozef.
  • Baljuw Grootkruis van Eer en Devotie van de Soevereine Militaire Orde van Malta.
  • Honorair Grootkruis van de Royal Victorian Order.
  • Herinneringsmedaille voor de kroning van koning George V.
  • Ridder in de Orde van de Zwarte Adelaar.
  • Pour le Mérite, met Eikenloof.
  • IJzeren Kruis, eerste en tweede klasse.
  • Ridder in de Orde van Sint-Hubertus.
  • Grootkruis van de Militaire Orde van Max Joseph.
  • Ridder in de Orde van de Rautenkrone.
  • Grootkruis van de Militaire Orde van Sint-Hendrik.
  • Grootlint in de Orde van Leopold.
  • Grootkruis van de Wendische Kroon.
  • Ridder in de Orde van de Heiligen Cyrillus en Methodius.
  • Orde voor Dapperheid, graad I, tweede klasse.

Conclusie

Karel I van Oostenrijk regeerde in een periode waarin Oostenrijk-Hongarije militair, economisch en politiek uitgeput raakte. Zijn pogingen tot vrede, sociale maatregelen en bestuurlijke hervorming konden de ontbinding van de dubbelmonarchie niet voorkomen. Na 1918 bleef hij vasthouden aan zijn dynastieke aanspraken, maar zijn herstelpogingen in Hongarije mislukten. Zijn leven eindigde in ballingschap op Madeira. Historisch blijft hij verbonden met het einde van de Habsburgse monarchie en de overgang van Midden-Europa na de Eerste Wereldoorlog.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Hermann Clemens Kosel, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Broucek, Peter, ed.; Lehár, Anton (1973). Erinnerungen. Gegenrevolution und Restaurationsversuche in Ungarn 1918–1921. Wien: Verlag für Geschichte und Politik. ISBN 3-7028-0069-7.
  3. Broucek, Peter (1997). Karl I. (IV.). Der politische Weg des letzten Herrschers der Donaumonarchie. Wien: Böhlau. ISBN 3-205-98737-3.
  4. Demblin, Alexander, ed. (1997). Minister gegen Kaiser. Aufzeichnungen eines österreichisch-ungarischen Diplomaten über Außenminister Czernin und Kaiser Karl. Wien: Böhlau. ISBN 3-205-98762-4.
  5. Demmerle, Eva (2004). Kaiser Karl I. “Selig, die Frieden stiften …”. Die Biographie. Wien: Amalthea. ISBN 3-85002-521-7.
  6. Demmerle, Eva (2016). Kaiser Karl, Mythos & Wirklichkeit. Wien: Amalthea. ISBN 978-3-99050-044-6.
  7. Feigl, Erich, ed. (1984). Kaiser Karl. Persönliche Aufzeichnungen, Zeugnisse und Dokumente. Wien: Amalthea. ISBN 3-85002-179-3.
  8. Gelmi, Josef (2004). Der letzte Kaiser. Karl I. (1887–1922) und Tirol. Innsbruck/Wien: Tyrolia. ISBN 3-7022-2619-2.
  9. Görlich, Ernst Joseph (1976). Der letzte Kaiser – ein Heiliger? Stein am Rhein: Christiana-Verlag. ISBN 3-7171-0507-8.
  10. Gottsmann, Andreas, ed. (2007). Karl I. (IV.), der Erste Weltkrieg und das Ende der Donaumonarchie. Wien: Verlag der Österreichischen Akademie der Wissenschaften. ISBN 978-3-7001-3929-4.
  11. Jedlicka, Ludwig (1977). Karl. In Neue Deutsche Biographie, Band 11. Berlin: Duncker & Humblot. ISBN 3-428-00192-3.
  12. Kovács, Elisabeth (2004). Untergang oder Rettung der Donaumonarchie? Wien: Böhlau. ISBN 3-205-77237-7. ISBN 3-205-77238-5.
  13. Lichem, Heinz von (1996). Karl I. Ein Kaiser sucht den Frieden. Bilddokumentation. Innsbruck/Wien: Tyrolia. ISBN 3-7022-1993-5.
  14. Macek, Bernhard A. (2012). Kaiser Karl I. Der letzte Kaiser Österreichs. Ein biografischer Bilderbogen. Erfurt: Sutton Verlag. ISBN 978-3-95400-076-0.
  15. Oppermann, Jochen (2023). Das kriegerische Erbe. Karl I. von Österreich-Ungarn 17. August 1887–1. April 1922. In Unglückliche Thronfolger. Glück ist Schicksal und Zufall. Oppenheim am Rhein: Nünnrich-Asmus. ISBN 978-3-96176-236-1.
  16. Mikrut, Jan, ed. (2004). Kaiser Karl I. (IV.) als Christ, Staatsmann, Ehemann und Familienvater. Wien: Dom Verlag. ISBN 3-85351-188-0.
  17. Polzer-Hoditz, Arthur (1980). Kaiser Karl. Aus der Geheimmappe seines Kabinettchefs. 2e druk. Wien: Amalthea. ISBN 3-85002-122-X.
  18. Rieder, Heinz (1981). Kaiser Karl. Der letzte Monarch Österreich-Ungarns 1887–1922. München: Callwey. ISBN 3-7667-0596-2.
  19. Roth, Markus (2013). Karl von Österreich: Kaiser – Kriegsherr – Kirchenmann. Politischer Heiliger in der Neuzeit? Hamburg: Kovac. ISBN 978-3-8300-6804-4.
  20. Schausberger, Franz (2011). Hochzeit auf Schloss Schwarzau. Vor 100 Jahren heirateten Erzherzog Karl Franz Josef von Habsburg-Lothringen und Prinzessin Zita von Bourbon-Parma. Salzburg: PM-Verlag. ISBN 978-3-902557-13-1.
  21. Unterreiner, Katrin (2017). Meinetwegen kann er gehen. Kaiser Karl und das Ende der Habsburgermonarchie. Wien/Graz/Klagenfurt: Molden. ISBN 978-3-222-15008-1.
  22. Weissensteiner, Friedrich (1998). Frauen auf Habsburgs Thron. Die österreichischen Kaiserinnen 1804–1918. Wien: Ueberreuter. ISBN 3-8000-3709-2.
  23. Gall, Franz (1992). Österreichische Wappenkunde. Handbuch der Wappenwissenschaft. Wien/Köln/Weimar: Böhlau. ISBN 3-205-05352-4.
  24. Cornwall, Mark (2004). Auflösung und Niederlage. Die österreichisch-ungarische Revolution. In Die letzten Jahre der Donaumonarchie. Essen: Magnus. ISBN 978-3-88400-415-9.
  25. Shanafelt, Gary W. (1985). The Secret Enemy. Austria-Hungary and the German Alliance 1914–1918. Boulder/New York: East European Monographs/Columbia University Press. ISBN 0-88033-080-5.
  26. Rumpler, Helmut (1971). Die Sixtusaktion und das Völkermanifest Kaiser Karls. Zur Strukturkrise des Habsburgerreiches 1917/18. In Versailles – St. Germain – Trianon. Umbruch in Europa vor fünfzig Jahren. München/Wien: Oldenbourg. ISBN 3-486-47321-2.
  27. Hautmann, Hans (1987). Geschichte der Rätebewegung in Österreich. 1918–1924. Wien/Zürich: Europa. ISBN 3-203-50985-7.
  28. Brauneder, Wilhelm (2010). Ein Kaiser abdiziert doch nicht bloß zum Scheine! Der Verzicht Kaiser Karls am 11. November 1918. In Thronverzicht: die Abdankung in Monarchien vom Mittelalter bis in die Neuzeit. Köln/Weimar/Wien: Böhlau. ISBN 978-3-412-20535-5.
  29. Heraldik in der Kapelle Wilen-Wartegg, Rorscherberg. DOI 10.5169/seals-746206.
  30. Schlag, Gerald (2001). Aus Trümmern geboren. Burgenland 1918–1921. Eisenstadt: Burgenländisches Landesmuseum. ISBN 3-85405-144-1.
  31. Kovács, Elisabeth (2004). Untergang oder Rettung der Donaumonarchie? Band 1: Die österreichische Frage. Kaiser und König Karl I. (IV.) und die Neuordnung Mitteleuropas (1916–1922). Wien/Köln/Weimar: Böhlau. ISBN 978-3-205-77237-8.
  32. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.
Previous articleLuigi Capello en het Italiaanse leger 1917
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in geschiedenis, militaire geschiedenis en de Tweede Wereldoorlog. Sommige redacteuren hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring, operationeel inzicht en kennis van commandostructuren mee. Andere redacteuren houden zich bezig met historisch onderzoek, educatieve content en kennisprojecten. Door deze combinatie van achtergronden ontstaan goed gedocumenteerde artikelen waarin feitelijke nauwkeurigheid, bronnenkritiek, context en analyse centraal staan. De redactie streeft naar objectieve en zorgvuldig onderbouwde publicaties die bijdragen aan een beter begrip van deze belangrijke periode in de geschiedenis.