Wilhelm Keitel: Nazi-generaal en Oorlogsmisdadiger WW2

Wilhelm Keitel was een Duitse veldmaarschalk die van 1938 tot 1945 aan het hoofd stond van het Oberkommando der Wehrmacht, het hoogste militaire coördinatieorgaan van nazi-Duitsland. Zijn loopbaan laat zien hoe een hoge officier zich verbond aan Hitlers besluitvorming en betrokken raakte bij bevelen die later als oorlogsmisdaden zijn aangemerkt.

Vroege leven en opleiding

Wilhelm Bodewin Johann Gustav Keitel werd op 22 september 1882 geboren in Helmscherode, bij Gandersheim, in het hertogdom Brunswijk. Hij was de oudste zoon van Carl Keitel, een landeigenaar uit de middenklasse, en Apollonia Vissering. Zijn jeugd speelde zich af in een agrarische omgeving. Jagen, paardrijden en het beheer van land vormden vroege interesses. Aanvankelijk wilde hij na zijn schooltijd het familiebezit overnemen, maar dat plan verviel toen zijn vader niet wilde terugtreden.

Na zijn opleiding aan het gymnasium koos Keitel in 1901 voor een militaire loopbaan. Als niet-adellijke kandidaat trad hij niet toe tot de cavalerie, maar tot een veldartillerieregiment in Wolfenbüttel. Daar ontwikkelde hij zich tot een plichtsgetrouwe officier met aanleg voor organisatie en stafwerk. Vanaf 1908 diende hij als adjudant. Op 18 april 1909 trouwde hij met Lisa Fontaine, de dochter van een welgestelde landeigenaar uit de omgeving van Hannover.

Deelname aan de Eerste Wereldoorlog

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, diende Keitel aan het westfront. Hij nam deel aan de gevechten in Vlaanderen en raakte daar zwaar gewond. Daarna verschoof zijn loopbaan van direct frontdienst naar stafwerk, een overgang die voor zijn verdere carrière van groot belang bleek. In 1915 werd hij als kapitein geplaatst bij de staf van een infanteriedivisie. Daar deed hij ervaring op met planning, bevelsverwerking en coördinatie tussen onderdelen.

De oorlog maakte van Keitel geen zelfstandig veldcommandant, maar wel een officier met veel ervaring in de militaire bureaucratie. Dat profiel sloot aan bij de behoeften van het Duitse leger na 1918. Terwijl veel officieren afvloeiden, bleef hij in dienst van de nieuwe Reichswehr van de Weimarrepubliek. Daarmee legde hij de basis voor zijn latere opmars in de hogere staven van Duitsland.

Interbellum: opkomst in Reichswehr en Wehrmacht

Van Reichswehr naar ministerie

Na 1918 bleef Keitel in de Reichswehr en was hij betrokken bij de organisatie van Freikorps-eenheden aan de Poolse grens. In 1924 werd hij overgeplaatst naar het Reichswehrministerium in Berlijn, waar hij werkte bij het Truppenamt. Dat orgaan fungeerde in de praktijk als vervanger van een generale staf, die na het Verdrag van Versailles formeel verboden was. Drie jaar later keerde hij terug naar een troepenfunctie, maar in 1929 volgde opnieuw een benoeming in het ministerie, nu als hoofd van de organisatorische afdeling T-2.

In deze jaren werkte Keitel mee aan de herstructurering en latere herbewapening van de Duitse strijdkrachten. Hij reisde ook naar de Sovjet-Unie om geheime Reichswehr-opleidingen te inspecteren. In het najaar van 1932 kreeg hij een hartaanval en dubbele longontsteking, maar na zijn herstel zette zijn loopbaan door. In oktober 1933 werd hij plaatsvervangend commandant van de 3e Infanteriedivisie. Een jaar later kreeg hij het bevel over de 22e Infanteriedivisie in Bremen.

Benoeming tot chef van het OKW

In 1935 volgde, op aanbeveling van Werner von Fritsch, zijn bevordering tot Generalmajor en zijn benoeming tot chef van het Wehrmachtsamt binnen het Reichsministerium van Oorlog. Dat bureau coördineerde leger, marine en luchtmacht. Op 1 januari 1936 werd hij bevorderd tot Generalleutnant en hoorde hij bij de kleine groep officieren die dicht bij de politieke en militaire top opereerden.

De door Hitler uitgebuite Blomberg-Fritsch-crisis veranderde zijn positie beslissend. Op 4 februari 1938 nam Hitler zelf het opperbevel over de Wehrmacht op zich en verving hij het oorlogsministerie door het Oberkommando der Wehrmacht, het OKW. Keitel werd chef van dit nieuwe orgaan. Formeel kreeg hij geen ministerstitel, maar wel een rang en toegang die vergelijkbaar waren met kabinetsniveau. In november 1938 werd hij Generaloberst en in april 1939 ontving hij het Gouden Partij-insigne.

Binnen de militaire top was zijn reputatie verdeeld. Keitel had toegang tot Hitler, maar weinig gezag als zelfstandig strategisch tegenwicht. Collega’s zagen hem vaak als uitvoerder van Hitlers wil, mede omdat hij zelden openlijk tegensprak. In de legerleiding ontstonden daardoor bijnamen als “Lakeitel”, een woordspeling die verwees naar zijn volgzame reputatie.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog

Polen, Frankrijk en de uitbreiding van zijn positie

Kort voor de aanval op Polen werd Keitel op 30 augustus 1939 benoemd in de Ministerraad voor de Verdediging van het Reich, een klein oorlogskabinet dat de Duitse oorlogvoering bestuurlijk moest ondersteunen. Als chef van het OKW stond hij niet aan het hoofd van een afzonderlijk frontleger, maar hij bevond zich wel in het centrum van de bevelsketen tussen Hitler en de krijgsmachtdelen. Juist die positie maakte zijn handtekening onder orders en richtlijnen van groot gewicht.

Tijdens de veldtocht in het westen in mei en juni 1940 groeide zijn status verder. Na de Duitse overwinning op Frankrijk leidde hij de onderhandelingen over de wapenstilstand van 22 juni 1940 in Compiègne. Op 19 juli 1940 werd hij bevorderd tot Generalfeldmarschall. In dezelfde periode noemde hij Hitler “de grootste veldheer aller tijden”, een uitspraak die laat zien hoe sterk hij zijn politieke en militaire lot aan dat van Hitler had verbonden.

Operatie Barbarossa en strategische rol

Na de Franse capitulatie verschoof de aandacht van de Duitse leiding naar een oorlog tegen de Sovjet-Unie. Op 31 juli 1940 nam Keitel deel aan een conferentie waarin Hitler met de hoogste militaire leiding sprak over de voorbereiding van wat later Operatie Barbarossa zou worden. Keitel verzette zich niet tegen die stap, ondanks de risico’s van een langdurige oorlog op meerdere fronten. Hoewel het OKH de dagelijkse landoperaties in het oosten grotendeels aanstuurde, bleef Keitel via het OKW de schakel voor Hitlers algemene richtlijnen.

Bij de voorbereiding speelden ook economische vragen een rol. Georg Thomas, die binnen het Duitse militaire apparaat verantwoordelijk was voor economische analyses, wees op problemen met brandstof en rubber. Keitel schoof die bezwaren terzijde en drong aan op een gunstiger beoordeling van de vooruitzichten. Daarmee ondersteunde hij een besluitvorming waarin politieke wil zwaarder woog dan logistieke haalbaarheid. De onderschatting van Sovjetweerstand, afstanden en bevoorrading droeg later bij aan de mislukking van de campagne.

Strafbevelen en oorlogsmisdaden

Keitels rol tijdens de oorlog beperkte zich niet tot algemene strategie. Vanaf het voorjaar van 1941 ondertekende of verspreidde hij een reeks bevelen die het optreden van de Wehrmacht in het oosten verscherpten en juridische grenzen oprekten. Deze bevelen maakten ruim baan voor executies van burgers, politieke functionarissen en andere groepen buiten de normale krijgsgevangenregeling. Bovendien werd in verschillende richtlijnen vastgelegd dat daders binnen de Duitse troepen vaak niet door krijgsraden hoefden te worden vervolgd.

Het bekendste voorbeeld is het Kommissarbefehl van 6 juni 1941. Dit bevel schreef voor dat Sovjet-politieke commissarissen na gevangenneming buiten het reguliere krijgsgevangenenstelsel moesten worden gedood. Kort daarna volgden aanvullende richtlijnen voor het optreden in de Sovjet-Unie. In september 1941 liet Keitel opnieuw vastleggen dat hard optreden tegen verzet noodzakelijk was en dat de executie van grote aantallen vermeende communisten als vergelding kon gelden voor Duitse verliezen. Zulke instructies verbonden de Wehrmacht direct aan een ideologisch gemotiveerde vernietigingsoorlog.

Ook in West-Europa tekende Keitel voor maatregelen die in strijd waren met bestaande rechtsnormen. Het Nacht-und-Nebel-besluit van december 1941 maakte het mogelijk om verzetsverdachten en andere burgers in het geheim te laten verdwijnen naar Duitsland of naar concentratiekampen, zonder duidelijke informatie aan familie of lokale autoriteiten. Op 18 oktober 1942 ondertekende hij het Kommandobefehl, dat de dood van geallieerde commando’s toestond, ook wanneer zij in uniform waren gevangengenomen.

Keitels betrokkenheid reikte ook tot de bredere vervolgingspolitiek van het regime. Het OKW werkte onder zijn leiding samen met SS en politieorganen in de bezette gebieden. In richtlijnen uit 1941 werd de strijd tegen het bolsjewisme uitdrukkelijk gekoppeld aan hard optreden tegen Joden. Toen de deportaties en de inzet van Joodse dwangarbeid in 1942 verder werden gecentraliseerd onder SS-leiding, legde Keitel zich daarbij neer en ondersteunde hij de uitvoering. De directe leiding over de vernietigingskampen lag elders in het nazi-apparaat, maar Keitel droeg bij aan een militair en bestuurlijk kader waarin vervolging, deportatie en massamoord konden plaatsvinden.

Positie na Stalingrad en 20 juli 1944

Na de nederlaag bij Stalingrad probeerde Hitler het bestuur van de oorlog verder te centraliseren. In januari 1943 ontstond een driekoppig comité met Keitel, Hans Lammers en Martin Bormann. Dit orgaan moest de oorlogseconomie en het bestuur beter stroomlijnen. In de praktijk bleef Hitler zelf de meeste beslissingen vasthouden, terwijl andere machtscentra hun invloed verdedigden. Het comité verloor daardoor al snel gewicht.

Na de mislukte aanslag van 20 juli 1944 kreeg Keitel opnieuw een rol in de politieke repressie. Hij maakte deel uit van het legertribunaal dat betrokken officieren uit de Wehrmacht verwijderde en overdroeg aan het Volksgerichtshof van Roland Freisler. Daardoor konden zij in een politiek proces worden berecht. Deze fase onderstreepte hoe ver Keitel intussen van een louter militaire rol was afgedreven.

De laatste oorlogsmaanden

In april 1945, tijdens de Slag om Berlijn, riep Keitel nog op tot tegenaanvallen om de Sovjetopmars te stoppen en de hoofdstad te ontzetten. De middelen daarvoor ontbraken vrijwel volledig. Na Hitlers zelfmoord op 30 april 1945 bleef Keitel korte tijd deel uitmaken van de regering in Flensburg onder grootadmiraal Karl Dönitz. Daar trad hij nog altijd op als een hoge vertegenwoordiger van een staat die militair al was ingestort.

Op 7 mei 1945 tekende Alfred Jodl in Reims de Duitse capitulatie op alle fronten. Op aandringen van de Sovjet-Unie volgde een tweede ondertekening in Berlin-Karlshorst. Daar zette Keitel op 8 mei 1945 namens Duitsland zijn handtekening onder de akte van onvoorwaardelijke overgave. Vijf dagen later, op 13 mei, werd hij gearresteerd. Zijn loopbaan eindigde daarmee op dezelfde plaats waar zijn naam het sterkst mee verbonden was geraakt: de hoogste leiding van een verslagen leger.

Na de oorlog

Proces in Neurenberg

Na zijn arrestatie werd Keitel voorgeleid aan het Internationaal Militair Tribunaal in Neurenberg. Daar werd hij aangeklaagd op vier punten: samenzwering, misdaden tegen de vrede, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. De zaak tegen hem steunde in hoge mate op documenten, bevelen en notities waarop zijn handtekening stond. Juist doordat hij als chef van het OKW zo veel formele orders had ondertekend, was zijn betrokkenheid in uitzonderlijk detail te reconstrueren.

Tijdens het proces voerde Keitel vooral aan dat hij als militair bevelen van Hitler had uitgevoerd en door zijn eed van trouw aan de Führer gebonden was. Ook probeerde hij zijn rol deels voor te stellen als administratief. Het tribunaal verwierp die redenering. De rechters oordeelden dat hij niet slechts bevelen had doorgegeven, maar bewust had meegewerkt aan maatregelen die in strijd waren met het oorlogsrecht en met fundamentele normen van menselijkheid.

Veroordeling en executie

Op 1 oktober 1946 werd Keitel op alle vier de punten schuldig bevonden. Hij vroeg om executie door een vuurpeloton, omdat hij zichzelf als militair zag, maar dat verzoek werd afgewezen. Het vonnis werd op 16 oktober 1946 voltrokken door ophanging in de gevangenis van Neurenberg. Daarmee behoorde hij tot de hoogste Duitse militairen die na de oorlog persoonlijk strafrechtelijk verantwoordelijk werden gehouden.

Het proces tegen Keitel bevestigde dat gehoorzaamheid aan een meerdere geen afdoende verdediging vormt wanneer een bevel duidelijk onrechtmatig is. Voor de geschiedschrijving is hij daarom niet alleen van belang als chef van het OKW, maar ook als voorbeeld van hoe een hoge officier zich onder een dictatuur kon verbinden aan agressieve oorlog, bezettingsgeweld en vervolgingspolitiek. Na zijn dood verschenen zijn memoires postuum in druk, maar zij veranderden het juridische oordeel over zijn rol niet.

Militaire Rangen

Keitels loopbaan verliep in een vrijwel ononderbroken stijgende lijn. Hij begon in 1901 als officier-kadet in het Pruisische leger, was in 1915 kapitein en stafofficier, werd in 1935 Generalmajor, in 1936 Generalleutnant, in 1938 Generaloberst en bereikte op 19 juli 1940 de rang van Generalfeldmarschall. Deze opmars werd vooral gedragen door stafwerk, bestuurlijke functies en nabijheid tot de politieke leiding.

Onderscheidingen

Een vast genoemde politieke onderscheiding uit Keitels loopbaan is het Gouden Partij-insigne, dat Hitler hem in april 1939 verleende. Zijn openbare loopbaan werd echter sterker bepaald door zijn functies en rangen dan door decoraties, omdat zijn historische betekenis vooral samenhangt met zijn rol binnen het OKW en zijn verantwoordelijkheid voor bevelen tijdens de oorlog.

Conclusie

Wilhelm Keitel behoorde tussen 1938 en 1945 tot de hoogste militaire leiding van nazi-Duitsland. Zijn macht lag minder in zelfstandig strategisch leiderschap dan in zijn positie als schakel tussen Hitler en de krijgsmachtdelen. Juist die positie maakte zijn rol zwaarwegend. Hij ondersteunde de aanvalsoorlogen van het regime, hielp juridische grenzen afbreken en zette zijn handtekening onder bevelen die rechtstreeks leidden tot executies, verdwijningen en andere oorlogsmisdaden.

In de geschiedschrijving geldt Keitel daarom als een voorbeeld van militaire gehoorzaamheid die samenviel met politieke medeplichtigheid. Het oordeel van Neurenberg maakte duidelijk dat hoge officieren niet buiten persoonlijke verantwoordelijkheid vallen wanneer zij bewust meewerken aan onrechtmatige bevelen. Zijn levensloop verbindt de geschiedenis van de Wehrmacht, de structuur van de nationaalsocialistische dictatuur en de ontwikkeling van het naoorlogse internationale strafrecht.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Bundesarchiv, Bild 183-H30220 / CC-BY-SA 3.0CC BY-SA 3.0 DE, via Wikimedia Commons
  2. Browning, Christopher (2004). The Origins of the Final Solution. University of Nebraska Press and Yad Vashem. ISBN 0-8032-1327-1.
  3. Broszat, Martin (1981). The Hitler State: The Foundation and Development of the Internal Structure of the Third Reich. New York: Longman Inc. ISBN 0-582-49200-9.
  4. Burleigh, Michael (2010). Moral Combat: Good and Evil in World War II. New York and London: Harper Collins. ISBN 978-0-00-719576-3.
  5. Conot, Robert E. (2000) [1947]. Justice at Nuremberg. New York: Carroll & Graf Publishers. ISBN 978-0-88184-032-2.
  6. Förster, Jürgen (1998). “Complicity or Entanglement? The Wehrmacht, the War and the Holocaust”. In Michael Berenbaum & Abraham Peck (eds.), The Holocaust and History: The Known, the Unknown, the Disputed, and the Reexamined. Bloomington: Indiana University Press. ISBN 978-0-253-33374-2.
  7. Goerlitz, Walter (2003). “Keitel, Jodl, and Warlimont”. In Correlli Barnett (ed.), Hitler’s Generals. Grove Press. ISBN 978-0802139948.
  8. Heer, Hannes; Manoschek, Walter; Pollak, Alexander; Wodak, Ruth (2008). The Discursive Construction of History: Remembering the Wehrmacht’s War of Annihilation. New York: Palgrave Macmillan. ISBN 978-0230013230.
  9. Hildebrand, Klaus (1986). The Third Reich. London & New York: Routledge. ISBN 0-04-9430327.
  10. Kane, Thomas M. (2004). “Keitel, Wilhelm”. In James C. Bradford (ed.), International Encyclopedia of Military History. Routledge. ISBN 978-1-135-95034-7.
  11. Keitel, Wilhelm (2000). The Memoirs of Field-Marshal Wilhelm Keitel. New York: Rowman & Littlefield. ISBN 978-0-8154-1072-0.
  12. Kershaw, Ian (2001). Hitler 1936–1945: Nemesis. Penguin. ISBN 978-0140272390.
  13. Kershaw, Ian (2008). Hitler: A Biography. New York: W. W. Norton & Company. ISBN 978-0-393-06757-6.
  14. Knopp, Guido (2001) [1998]. Hitlers Krieger. Leipzig: Goldmann Verlag. ISBN 91-89442-17-2.
  15. Margaritis, Peter (2019). Countdown to D-Day: The German Perspective. Oxford, UK & PA, US: Casemate. ISBN 978-1-61200-769-4.
  16. Mazower, Mark (2008). Hitler’s Empire: Nazi Rule in Occupied Europe. London: Allen Lane. ISBN 978-0713996814.
  17. Megargee, Geoffrey P. (2000). Inside Hitler’s High Command. Lawrence: University Press of Kansas. ISBN 0-7006-1015-4.
  18. Megargee, Geoffrey (2006). War of Annihilation: Combat and Genocide on the Eastern Front, 1941. Rowman & Littlefield. ISBN 0-7425-4481-8.
  19. Mitcham, Samuel; Mueller, Gene (2012). Hitler’s Commanders: Officers of the Wehrmacht, the Luftwaffe, the Kriegsmarine, and the Waffen-SS. Lanham, MD: Rowman & Littlefield. ISBN 978-1-44221-153-7.
  20. Mitcham, Samuel W. Jr. (2001). Hitler’s Field Marshals and Their Battles. New York: Cooper Square Press. ISBN 0-8154-1130-8.
  21. Mueller, Gene (1979). The Forgotten Field Marshal: Wilhelm Keitel. Durham, NC: Moore Publishing. ISBN 978-0-87716-105-9.
  22. Shepherd, Ben (2016). Hitler’s Soldiers: The German Army in the Third Reich. Yale University Press. ISBN 978-0300179033.
  23. Shirer, William L. (1990). Rise and Fall of the Third Reich: A History of Nazi Germany. Simon and Schuster. ISBN 978-0-671-72868-7.
  24. Stahel, David (2009). Operation Barbarossa and Germany’s Defeat in the East. Cambridge University Press. ISBN 978-0-521-76847-4.
  25. Tucker, Spencer (2005). World War II: A Student Encyclopedia. ABC Clio. ISBN 1-85109-857-7.
  26. Walker, Andrew (2006). The Nazi War Trials. CPD Ltd. ISBN 978-1-903047-50-7.
  27. Wheeler-Bennett, John W. (1980) [1953]. Nemesis of Power: The German Army in Politics 1918–1945. Basingstoke: Palgrave Macmillan. ISBN 0-333-06864-5.
  28. Wistrich, Robert (1982). Who’s Who in Nazi Germany. Macmillan Publishing Co. Inc. ISBN 0-02-630600-X.
  29. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946
Previous articleWeimarrepubliek: crisis, herstel en val 1918–1933
Next articleHermann Göring: Nazi-leider en oorlogsmisdadiger
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in de Tweede Wereldoorlog. Sommigen hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring en strategisch inzicht mee, terwijl anderen een academische of wetenschappelijke opleiding hebben gevolgd, zoals aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) of in historisch onderzoek. Deze combinatie van expertise zorgt voor diepgaande, goed onderbouwde artikelen die zowel feitelijk accuraat als analytisch sterk zijn. De redactie streeft ernaar om objectieve en goed gedocumenteerde informatie te bieden, waarbij kennis en ervaring samenkomen om een genuanceerd beeld te schetsen van deze ingrijpende periode in de geschiedenis.