Home WO2 Blog Cubaanse Onafhankelijkheidsoorlog 1895-1898

Cubaanse Onafhankelijkheidsoorlog 1895-1898

Cubaanse strijders en Amerikaanse troepen bij kust, gewonden verzorgd en scheepswrak zichtbaar tijdens oorlog van 1895-1898
Scène met Cubaanse en Amerikaanse troepen tijdens gevechten, met gewonden, cavalerie en een gezonken schip langs de kust

De Cubaanse Onafhankelijkheidsoorlog van 1895 tot 1898 was de laatste Cubaanse bevrijdingsoorlog tegen Spanje. De strijd volgde op de Tienjarige Oorlog en de Kleine Oorlog. Cubaanse revolutionairen wilden volledige onafhankelijkheid, terwijl Spanje de kolonie met grote troepenmacht, verdedigingslinies en reconcentratiebeleid probeerde te behouden. In 1898 ging het conflict over in de Spaans-Amerikaanse Oorlog.

Militaire en Politieke Situatie

Na het einde van de Tienjarige Oorlog in 1878 bleef Cuba onder Spaans koloniaal bestuur. De Kleine Oorlog van 1879 tot 1880 bracht geen onafhankelijkheid. In de jaren daarna veranderde de Cubaanse samenleving sterk. De slavernij werd in oktober 1886 afgeschaft, waardoor voormalige slaven deel gingen uitmaken van de landbouwbevolking en de stedelijke arbeidersklasse.

De economie bleef sterk afhankelijk van suiker. Veel kleinere suikerproducenten verdwenen, terwijl grotere ondernemingen en rijke plantagehouders bleven bestaan. Voor delen van de witte bovenlaag was Spaans bestuur een middel om bezit en maatschappelijke orde te beschermen. Tegelijk groeide onder boeren, arbeiders, veteranen en ballingen de steun voor een nieuwe opstand tegen het koloniale gezag.

José Martí organiseerde vanuit de Verenigde Staten steun voor onafhankelijkheid. Vooral in Ybor City en Key West in Florida ontstonden Cubaanse gemeenschappen die geld, wapens en politieke steun verzamelden. Martí richtte mee de Partido Revolucionario Cubano op en verzette zich tegen Amerikaanse annexatie. Zijn doel was een onafhankelijke republiek, niet een overgang van Spaans naar Amerikaans bestuur.

Ook de Verenigde Staten keken naar Cuba. Het eiland lag aan de toegang tot de Golf van Mexico en had economische waarde door suiker, handel en havens. Amerikaanse politici en ondernemers zagen Cuba steeds vaker als onderdeel van hun invloedssfeer. Daardoor kreeg de Cubaanse strijd vanaf het begin ook een internationale politieke lading.

Locatie

De oorlog speelde zich af op Cuba, met het zwaartepunt in Oriente, het oostelijke deel van het eiland. Daar lagen plaatsen als Santiago de Cuba, Guantánamo, Jiguaní, El Cobre, El Caney en Alto Songo. In dit gebied hadden de opstandelingen meer steun, meer bewegingsruimte en betere mogelijkheden voor guerrilla-acties in bergachtig en landelijk terrein.

Het midden van Cuba, met onder meer Camagüey en Las Villas, werd later in de strijd betrokken. De opstandelingen wilden voorkomen dat de oorlog opnieuw beperkt bleef tot het oosten, zoals in de Tienjarige Oorlog. Daarom was de opmars naar het westen een vast onderdeel van hun militaire plan.

West-Cuba had grote economische waarde. De provincies Matanzas, Havana en Pinar del Río bevatten plantages, bestuurscentra en handelsroutes. De Spaanse verdediging richtte zich daarom op het afsnijden van de rebellen met verdedigingszones zoals de trocha tussen Júcaro en Morón. Die linie moest de oostelijke en westelijke gevechtsgebieden van elkaar scheiden.

In 1898 breidde het conflict zich uit door Amerikaanse deelname. Cuba bleef het hoofdgebied, maar de oorlog tegen Spanje werd ook gevoerd bij Puerto Rico en de Filipijnen. Binnen Cuba kregen Santiago de Cuba, Guantánamo Bay, Daiquirí, Siboney, El Caney en San Juan Hill toen militaire waarde voor de Amerikaanse landing en de aanval op Spaanse posities.

Militaire Leiders

Aan Cubaanse zijde waren José Martí, Máximo Gómez en Antonio Maceo de leidende personen in de voorbereiding en uitvoering van de opstand. Martí was vooral politiek organisator en schrijver. Gómez was een ervaren militair leider uit de eerdere onafhankelijkheidsstrijd. Maceo leidde mobiele strijdgroepen en kreeg veel gezag door zijn optreden in het veld.

Na de dood van Martí bij Dos Ríos op 19 mei 1895 gingen Gómez en Maceo door met de oorlog. Andere Cubaanse commandanten, onder wie Calixto García, Serafín Sánchez en Carlos Roloff, droegen bij aan de uitbreiding van de strijd. Salvador Cisneros en Bartolomé Masó kregen politieke functies binnen de Cubaanse regering in oorlogstijd.

Aan Spaanse zijde voerde Arsenio Martínez Campos aanvankelijk het bevel. Hij probeerde de opstand te beperken met verdedigingslinies en militaire druk. Toen dat onvoldoende resultaat gaf, werd hij vervangen door Valeriano Weyler. Weyler voerde het reconcentratiebeleid in, waarbij bewoners van het platteland gedwongen naar door Spanje gecontroleerde zones moesten verhuizen.

Ramón Blanco volgde Weyler eind 1897 op, nadat de Spaanse regering haar beleid wilde wijzigen. Tijdens de Amerikaanse interventie kwamen ook Amerikaanse bevelhebbers op de voorgrond, onder wie William R. Shafter, William T. Sampson en Nelson A. Miles. Aan Spaanse maritieme zijde speelde Pascual Cervera een rol bij de vlootoperaties rond Santiago de Cuba.

Doelstelling en planning

De Cubaanse doelstelling was volledige onafhankelijkheid van Spanje. Martí en Gómez wilden een brede opstand organiseren die niet afhankelijk was van één provincie of één sociale groep. Het Manifest van Montecristi van 25 maart 1895 legde vast dat zwarte en witte Cubanen samen moesten strijden, dat niet-vijandige Spanjaarden moesten worden ontzien en dat particuliere landelijke eigendommen niet doelbewust mochten worden vernietigd.

De planning bestond uit een gelijktijdige opstand op Cuba en de aanvoer van leiders, wapens en geld uit ballingschap. Op 24 februari 1895 begon de opstand. Daarna moesten expedities vanuit het buitenland de strijd versterken. De schepen Lagonda, Almadis en Baracoa waren bedoeld voor de aanvoer van manschappen en wapens, maar Amerikaanse autoriteiten onderschepten een deel van deze plannen.

Militair wilden de Cubanen de oorlog uitbreiden van oost naar west. Dat moest Spanje dwingen om troepen over het hele eiland te verspreiden. De opstandelingen gebruikten snelle cavalerie, guerrilla-aanvallen, hinderlagen en machete-aanvallen tegen Spaanse colonnes. Zij konden geen langdurige frontoorlog voeren tegen het veel grotere Spaanse leger.

De Spaanse planning was gericht op behoud van de kolonie. Spanje wilde steden, spoorlijnen, havens en plantagegebieden beschermen. De trocha’s moesten de rebellen beperken tot bepaalde gebieden. Weylers reconcentratiebeleid moest de opstandelingen scheiden van voedsel, informatie en steun van de plattelandsbevolking.

Militaire eenheden

De Cubaanse strijdkrachten stonden bekend als mambises en vormden het Bevrijdingsleger van de Cubaanse Republiek in Wapenen. De herkomst van de naam mambí is niet zeker. De term werd eerst als belediging gebruikt, maar de rebellen namen hem over als aanduiding voor hun eigen strijders. Hun leger bestond uit veteranen, boeren, voormalige slaven, arbeiders en ballingen.

De Cubaanse troepen hadden weinig vaste uitrusting. Na de Tienjarige Oorlog was particulier wapenbezit verboden, waardoor veel strijders aanvankelijk slecht bewapend waren. Zij verkregen wapens door aanvallen op Spaanse posten, door smokkel vanuit de Verenigde Staten en door steun van Cubaanse ballingen. Ongeveer veertig procent van de officieren was van kleur, wat de brede sociale basis van de opstand zichtbaar maakte.

Spanje beschikte over een veel groter leger. Bij het begin van de oorlog waren er ongeveer 80.000 Spaanse troepen op Cuba, waaronder 20.000 reguliere militairen en 60.000 Spaanse en Cubaanse vrijwilligers. Spanje stuurde tijdens de oorlog 220.285 soldaten naar Cuba. Tegen het einde van 1897 waren er zeer grote Spaanse aantallen op het eiland, aangevuld met onregelmatige en lokale formaties.

De Amerikaanse deelname bracht nieuwe eenheden in het conflict. USS Maine werd in januari 1898 naar Havana gestuurd en zonk na een explosie op 15 februari. Daarna blokkeerden Amerikaanse marineschepen verschillende Cubaanse havens. Amerikaanse landstrijdkrachten onder Shafter landden in juni 1898 bij Daiquirí en Siboney, terwijl de Amerikaanse vloot rond Santiago de Spaanse Caribische vloot vastzette.

Het verloop van de Cubaanse Onafhankelijkheidsoorlog

De opstand van 1895

De opstand begon op 24 februari 1895. De eerste acties vonden vooral plaats in Oriente, waar de steun voor onafhankelijkheid groot was. Martí en Gómez hoorden eind februari dat de opstand was begonnen. Op 1 en 11 april 1895 landden de voornaamste rebellenleiders in Oriente. Maceo kwam aan bij Baracoa, terwijl Martí en Gómez bij Playitas landden.

De oorlog verliep niet overal gelijk. In sommige centrale gebieden mislukten opstanden door gebrekkige coördinatie. Leiders werden gevangengenomen, gedeporteerd of geëxecuteerd. In Havana werd de opstand ontdekt voordat zij goed kon beginnen. In Pinar del Río kregen rebellen de opdracht om te wachten totdat de strijd vanuit het oosten verder was gevorderd.

Martí sneuvelde op 19 mei 1895 bij Dos Ríos. Zijn dood veranderde de militaire leiding, maar maakte geen einde aan de opstand. Gómez en Maceo zetten de campagne voort en breidden het strijdgebied uit. Tegen het einde van juni was ook Camagüey in oorlog.

De opmars naar het westen

In september 1895 kwamen vertegenwoordigers van de vijf legerkorpsen bijeen in Jimaguayú. Daar werd een grondwet aangenomen en een regeringsraad ingesteld. Deze raad moest de politieke leiding van de Cubaanse Republiek in Wapenen organiseren. De militaire strijd kreeg daardoor een bestuurlijk kader.

Gómez en Maceo begonnen daarna aan de campagne van oost naar west. Zij trokken door Camagüey en Matanzas en wisten Spaanse troepen herhaaldelijk te ontwijken. De Spaanse trocha’s moesten de beweging stoppen, maar de Cubaanse cavalerie wist de linies te passeren. Op 22 januari 1896 bereikten de rebellen het westelijke uiteinde van Cuba.

De uitbreiding naar het westen had grote militaire en economische gevolgen. Plantagegebieden werden bedreigd, spoorlijnen werden aangevallen en Spaanse troepen moesten over grotere afstand worden ingezet. Spanje kon steden en versterkte plaatsen blijven houden, maar het platteland werd moeilijker te controleren.

Reconcentratie en Spaanse beleidswijziging

Weyler reageerde met hard tegenopstandbeleid. Vanaf 1896 werden plattelandsbewoners gedwongen zich te verzamelen in door Spanje gecontroleerde steden en versterkte zones. Wie buiten die zones bleef, kon als rebel worden behandeld. Boerderijen, gewassen en vee werden vernietigd om de Cubaanse strijders voedsel en steun te ontnemen.

De gevolgen voor burgers waren zwaar. Honderdduizenden mensen verlieten hun huizen en kwamen terecht in overvolle gebieden met weinig voedsel, slechte huisvesting en gebrekkige sanitaire voorzieningen. Het reconcentratiebeleid veroorzaakte naar schatting ten minste 170.000 burgerdoden, ongeveer tien procent van de Cubaanse bevolking in die periode.

In 1897 bleef het Cubaanse Bevrijdingsleger actief in Camagüey en Oriente. De Spaanse regering probeerde het beleid te veranderen nadat de oorlog duur bleef en internationale kritiek toenam. Weyler werd vervangen door Ramón Blanco. Spanje stelde ook een vorm van koloniale autonomie voor Cuba en Puerto Rico voor, maar de opstandelingen wezen die regeling af omdat zij volledige onafhankelijkheid eisten.

Het Maine-incident en Amerikaanse interventie

In januari 1898 ontstond in Havana onrust onder Spaansgezinde Cubanen tegen de nieuwe autonome regering. De Amerikaanse consul meldde zorgen over Amerikanen in de stad. Daarom werd USS Maine naar Havana gestuurd. Op 15 februari 1898 explodeerde het schip in de haven, waarbij 260 bemanningsleden omkwamen.

Een onderzoek in 1898 stelde dat een mijn onder de romp de explosie had veroorzaakt. Latere onderzoeken plaatsten daar vraagtekens bij en wezen op een mogelijke interne oorzaak. De precieze oorzaak bleef onzeker. Toch had de ramp groot politiek effect in de Verenigde Staten. De Amerikaanse sensatiepers vergrootte berichten over Spaans geweld tegen Cubaanse burgers uit en beïnvloedde de publieke opinie.

President William McKinley vroeg het Congres op 11 april 1898 om toestemming voor militair optreden. Op 19 april nam het Congres resoluties aan waarin Cubaanse onafhankelijkheid werd gesteund en Spaanse terugtrekking werd geëist. Het Teller Amendment verklaarde dat de Verenigde Staten Cuba niet wilden annexeren. Op 25 april verklaarde het Congres Spanje de oorlog.

Santiago de Cuba en de vredesregeling

De Verenigde Staten kozen voor een landing in Oriente, waar Cubaanse strijders al veel terrein beheersten. Op 6 juni 1898 werd Guantánamo Bay aangevallen als marinebasis. Tussen 22 en 24 juni landden Amerikaanse troepen bij Daiquirí en Siboney. Daarna volgden gevechten bij Las Guásimas, El Caney en San Juan Hill.

Santiago de Cuba werd het voornaamste doel. De Amerikaanse vloot wilde de Spaanse Caribische vloot vernietigen, terwijl landtroepen de stad omsingelden. Op 3 juli 1898 werd de Spaanse vloot bij Santiago de Cuba verslagen. De stad gaf zich op 16 juli over. Cubaanse troepen mochten Santiago niet binnengaan bij de overgave, wat tot protest van Calixto García leidde.

Spanje koos daarna voor vrede. Op 12 augustus 1898 tekenden Spanje en de Verenigde Staten een vredesprotocol. Op 10 december 1898 volgde het Verdrag van Parijs. Spanje gaf zijn aanspraken op Cuba op, maar Cubaanse vertegenwoordigers mochten niet deelnemen aan de vredesbesprekingen. Daardoor eindigde het Spaanse gezag, terwijl Amerikaanse bezetting en toezicht volgden.

Resultaat

Tactisch bereikten de Cubaanse opstandelingen dat Spanje het platteland niet volledig kon beheersen. De opmars naar het westen doorbrak het patroon van eerdere oorlogen, die vooral in het oosten waren gebleven. De Spaanse strijdmacht behield veel steden en versterkte plaatsen, maar moest grote aantallen troepen inzetten om verbindingen, plantages en havens te beschermen.

Strategisch eindigde de oorlog met het verlies van Cuba voor Spanje. De directe Spaanse nederlaag kwam in 1898 door de combinatie van Cubaanse uitputtingsoorlog, binnenlandse druk op Spanje en Amerikaanse militaire interventie. De Spaanse nederlaag bij Santiago de Cuba maakte voortzetting van de oorlog nauwelijks uitvoerbaar.

Politiek had het resultaat drie gevolgen. Spanje verloor Cuba en daarnaast ook Puerto Rico en de Filipijnen. De Verenigde Staten traden op als nieuwe macht in het Caribisch gebied en de Stille Oceaan. Cuba kreeg formeel uitzicht op onafhankelijkheid, maar niet op volledige directe zeggenschap over de vredesregeling.

Maatschappelijk liet de oorlog diepe schade achter. Dorpen, boerderijen, voedselvoorraden en plantagegebieden waren getroffen. De burgerbevolking had onder verplaatsing, ziekte en honger geleden. Tegelijk kreeg de deelname van Afro-Cubanen, voormalige slaven en arbeiders aan de onafhankelijkheidsstrijd een blijvende plaats in de Cubaanse nationale herinnering.

Miltaire en burger slachtoffers

De militaire verliezen verschilden per telling, omdat gevechtsdoden, ziektegevallen en verwondingsdoden niet altijd op dezelfde manier zijn berekend. Statistische overzichten noemen voor de Cubaanse strijdkrachten 5.480 gesneuvelden en 3.437 doden door ziekte. Voor Spanje worden 9.413 gevechtsdoden en 53.313 doden door ziekte genoemd. Andere militaire studies geven voor Spaanse gevechtsverliezen lagere aantallen, maar bevestigen dat ziekte een zeer grote oorzaak van sterfte was.

De Spaanse strijdmacht kon verliezen aanvullen door nieuwe troepen uit Spanje te sturen. Dat betekende niet dat de kwaliteit gelijk bleef. Veel vervangers waren dienstplichtigen die moesten vechten in een tropisch klimaat, ver van hun thuisbasis en met kwetsbare medische en logistieke omstandigheden. Daardoor bleef het leger groot, maar niet altijd even inzetbaar.

De Cubaanse verliezen waren moeilijker aan te vullen. Het Bevrijdingsleger had geen normaal reservesysteem en bleef afhankelijk van lokale rekrutering, ballingen, buitgemaakte wapens en succesvolle bevoorrading. Het verlies van ervaren leiders, zoals Martí en Maceo, kon niet eenvoudig worden hersteld. Toch bleef de opstand voortbestaan door verspreide strijdgroepen en brede steun in delen van het land.

De burgerverliezen waren het zwaarst. Het reconcentratiebeleid veroorzaakte naar schatting 155.000 tot 170.000 doden en mogelijk meer in bredere tellingen van oorlogsschade, ziekte en honger. Ook de explosie van USS Maine veroorzaakte 260 doden, maar die slachtoffers hoorden bij de Amerikaanse bemanning en vormden vooral een keerpunt in de internationale escalatie.

Materiele verliezen

De materiële verliezen lagen vooral in landbouw, transport, havens, schepen en voorraden. Door de strijd en het Spaanse reconcentratiebeleid werden boerderijen, voedselvoorraden, gewassen en vee vernietigd. Dat trof niet alleen de rebellen, maar ook de burgerbevolking en de suikereconomie. De schade maakte herstel na de oorlog moeilijker.

Voor de Cubaanse strijdkrachten was wapentekort een blijvend probleem. Veel aanvoerpogingen vanuit het buitenland werden tegengehouden door Amerikaanse of Spaanse autoriteiten. Een deel van de wapens en munitie kwam uit buit op Spaanse posten. Daardoor konden de rebellen snelle aanvallen uitvoeren, maar zij hadden beperkte mogelijkheden voor langdurige gevechten tegen versterkte Spaanse posities.

Spanje leed grote materiële schade door de Amerikaanse blokkade en de vernietiging van de Spaanse Caribische vloot bij Santiago de Cuba. Het verlies van deze vloot maakte bevoorrading, ontsnapping en verdere maritieme verdediging veel moeilijker. Ook versterkingen, spoorlijnen en verdedigingsposten verloren waarde zodra de Amerikaanse landingen en Cubaanse acties de Spaanse controle beperkten.

Voor de Verenigde Staten was USS Maine het bekendste materiële verlies vóór de oorlogsverklaring. Tijdens de campagne in Cuba had de Amerikaanse krijgsmacht daarna voldoende schepen, manschappen en voorraden om de operatie voort te zetten. Voor Spanje werd aanvulling van munitie, voedsel, medisch materieel en scheepscapaciteit steeds moeilijker door de afstand tot Europa en de Amerikaanse zeemacht.

Conclusie

De Cubaanse doelstelling was onafhankelijkheid van Spanje. Dat doel werd uiteindelijk bereikt, maar niet volledig volgens de oorspronkelijke planning van Martí en Gómez. De opstand slaagde erin de oorlog over het hele eiland te verspreiden en Spanje langdurig onder druk te zetten. De beslissende afsluiting kwam echter pas na Amerikaanse interventie in 1898.

De Spaanse planning mislukte op strategisch niveau. De trocha’s, grote troepenaantallen en reconcentratie konden de opstand niet beëindigen zonder hoge menselijke en economische kosten. Het beleid veroorzaakte omvangrijke burgersterfte en beschadigde de Spaanse positie in de internationale publieke opinie.

Het resultaat was het einde van Spaans koloniaal gezag op Cuba, maar ook het begin van een periode waarin de Verenigde Staten grote invloed kregen. De verliezen aan mensenlevens, voedsel, landbouwgrond, schepen en voorraden bepaalden de nasleep. De oorlog werd daardoor niet alleen een militaire strijd om grondgebied, maar ook een breukpunt in de politieke geschiedenis van Cuba, Spanje en de Verenigde Staten.

Bronnen en meer informatie

  1. Tone, John Lawrence (2008). War and Genocide in Cuba, 1895–1898. Chapel Hill: University of North Carolina Press. ISBN 978-0-8078-5926-1.
  2. Clodfelter, Micheal (2017). Warfare and Armed Conflicts: A Statistical Encyclopedia of Casualty and Other Figures, 1492–2015. Jefferson: McFarland. ISBN 978-0-7864-7470-7.
  3. Scheina, Robert L. (2003). Latin America’s Wars: The Age of the Caudillo, 1791–1899. Washington, D.C.: Brassey’s. ISBN 978-1-57488-450-0.
  4. Offner, John L. (1992). An Unwanted War: The Diplomacy of the United States and Spain over Cuba, 1895–1898. Chapel Hill: University of North Carolina Press. ISBN 978-0-8078-4380-2.
  5. Trask, David F. (1996). The War with Spain in 1898. Lincoln: University of Nebraska Press. ISBN 978-0-8032-9429-5.
  6. Fountain, Anne (2014). José Martí, the United States, and Race. Gainesville: University Press of Florida. ISBN 978-0-8130-4974-8.
  7. Ferrer, Ada (1999). “Cuba, 1898: Rethinking Race, Nation, and Empire.” Radical History Review 1999 (73): 22–45. DOI 10.1215/01636545-1999-73-22.
  8. Mormino, Gary R. (1998). “Tampa’s Splendid Little War: Local History and the Cuban War of Independence.” OAH Magazine of History 12 (3): 37–42. DOI 10.1093/maghis/12.3.37. ISSN 0882-228X.
  9. Pérez, Louis A. (1989). “The Meaning of the Maine: Causation and the Historiography of the Spanish-American War.” Pacific Historical Review 58 (3): 293–322. DOI 10.2307/3640268. JSTOR 3640268.
  10. Campbell, W. Joseph (2000). “Not Likely Sent: The Remington-Hearst ‘Telegrams’.” Journalism & Mass Communication Quarterly 77 (2): 405–422. DOI 10.1177/107769900007700212.
  11. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.