
USS Hovey (DD-208/DMS-11) was een Amerikaanse Clemson-klasse torpedobootjager die in 1940 werd omgebouwd tot snelle mijnenveger. Het schip diende in de Stille Oceaan, nam deel aan landingen bij Guadalcanal, Bougainville, Peleliu, Leyte en Luzon, en ging op 7 januari 1945 verloren bij Lingayen Golf.
Ontwerp en constructie
USS Hovey behoorde tot de Clemson-klasse, een reeks Amerikaanse torpedobootjagers die kort na de Eerste Wereldoorlog in dienst kwam. Het ontwerp was gebaseerd op snelheid, een lang doorlopend dek en een smalle romp. Daardoor kon het schip snel reageren binnen vlootverband, maar ruimte voor latere uitrusting bleef beperkt. Het schip werd gebouwd door William Cramp & Sons in Philadelphia. Hovey werd op 26 april 1919 te water gelaten, gedoopt door Louise F. Kautz, de zus van Ensign Charles Hovey, en op 2 oktober 1919 in dienst gesteld.
De naam verwees naar Charles Hovey, een Amerikaanse marineofficier die in 1911 op Basilan in de Filipijnen omkwam tijdens dienst aan land. Hovey had een waterverplaatsing van ongeveer 1.190 ton, een lengte van 314 voet en 4 inch, een breedte van 30 voet en 8 inch en een diepgang van 9 voet en 3 inch. De voortstuwing bestond uit geared turbines met twee schroeven en ongeveer 27.000 aspaardenkrachten. De opgegeven snelheid bedroeg 35 knopen. De bemanning telde in oorlogstijd ongeveer 149 tot 167 officieren en manschappen.
Bewapening
Hovey had bij haar oorspronkelijke uitrusting een zwaardere kanonopstelling dan veel andere schepen van dezelfde klasse. Zij was een van de weinige Clemson-klasse torpedobootjagers met vier dubbele Mk 14 4-inch kanonopstellingen. Deze opstellingen werden in 1940 verwijderd toen het schip werd aangepast aan een nieuwe rol. Na de ombouw tot destroyer minesweeper verschoof de bewapening naar zelfverdediging, luchtafweer, ondersteuning van landingen en onderzeebootbestrijding.
In de oorlogssamenstelling worden vier 4-inch kanonnen, acht .50 caliber machinegeweren en twee depth charge tracks genoemd. De depth charge tracks maakten het mogelijk om dieptebommen vanaf het achterschip te gebruiken.
Voor de mijnenveegrol moest Hovey ook sweep gear bedienen, waaronder kabels, davits, lieren en hulpmiddelen voor het vrijmaken van vaarroutes. Bij landingsoperaties voer het schip vaak voor transport- en vuursteunschepen uit. De bewapening hoorde daarom bij een breder takenpakket: mijnenvegen, escorte, luchtafweer en bescherming van aanlooproutes naar stranden.
Bepantsering
USS Hovey had geen zware bepantsering zoals een kruiser of slagschip. De Clemson-klasse was gebouwd als torpedobootjager, waarbij snelheid, bereik en bewapening zwaarder wogen dan bescherming door pantserplaten. Romp, machinekamers en brug waren daardoor kwetsbaar voor bommen, torpedo’s, granaatscherven en brand. Dit was gebruikelijk voor torpedobootjagers uit deze periode.
Bescherming kwam vooral voort uit snelheid, manoeuvreren, formatievaart, uitkijkposten, luchtafweer en samenwerking met andere schepen. Bij Lingayen Golf bleek deze kwetsbaarheid. Na de torpedotreffer in de achterste machinekamer vielen licht en vermogen direct uit. Het schip brak kort daarna in twee delen en zonk snel.
S>Sensoren en dataverwerking
p>De sensoren van USS Hovey moeten worden bekeken vanuit haar leeftijd en haar rol als omgebouwde torpedobootjager. Het schip was niet ontworpen rond radar, sonar of een centraal gevechtsinformatiesysteem. Zulke systemen werden pas later in de levensduur van veel oudere Amerikaanse schepen toegevoegd. Daardoor ontstond een gemengde situatie: Hovey kreeg moderne hulpmiddelen voor oorlogsdienst, maar bleef in de basis een ontwerp uit 1918-1919.Voor radar is vooral de gebeurtenis van 7 januari 1945 van belang. In de vroege ochtend werden vijandelijke vliegtuigen op radar waargenomen voordat de aanval op de mijnenveegformatie begon. Dat toont aan dat de formatie, en in ieder geval de commandovoering rond Hovey, over radarwaarneming beschikte. De aangeleverde scheepsbeschrijving noemt echter geen exact radartype aan boord van Hovey. Daarom kan alleen met zekerheid worden gesteld dat radarcontacten in de operatie werden gebruikt, niet welk type radarset op dit schip zelf was geplaatst.
Voor onderzeebootbestrijding had Hovey een duidelijke rol. Op 7 december 1941 voer zij als antisubmarine screen voor de kruiser Minneapolis, buiten Pearl Harbor. Ook later werd zij ingezet voor antisubmarine patrol, onder meer bij Peleliu. De oorlogssamenstelling met depth charge tracks past bij die taak. De beschikbare gegevens noemen geen exact sonartype, zoals een specifieke QC- of QGB-installatie. Wel blijkt uit de taakstelling dat geluidswaarneming, visuele waarneming en formatierapportage deel uitmaakten van de onderzeebootbestrijding. De dataverwerking verliep bij oudere destroyer minesweepers anders dan bij nieuwere destroyers en vliegdekschepen.
In een modern Combat Information Center werden radar, sonar, radio, uitkijkmeldingen en luchtafweerinformatie samengebracht in een centrale ruimte. Bij Hovey is geen afzonderlijk Combat Information Center of Air Information Center bekend in de operationele beschrijving. Waarnemingen werden daarom verwerkt via brug, radio, seinposten, uitkijken, vuurleiding en het commandonet van de formatie. Voor mijnenvegen was dataverwerking vooral praktisch ingericht. Posities, gesleepte kabels, paravanes, boeien, snelheid en koers moesten voortdurend worden afgestemd met andere schepen in de veeglijn.
Fouten konden ertoe leiden dat een geveegde route te smal werd of dat een schip buiten de veilige baan kwam. Bij amfibische operaties was deze navigatie-informatie direct verbonden met de veiligheid van transporten en vuursteunschepen. Deze beperking had gevolgen voor de gevechtskracht.
Hovey kon vijandelijke vliegtuigen waarnemen, op luchtaanvallen reageren en binnen een mijnenveeggroep opereren, maar het schip had niet de informatieverwerking van modernere Amerikaanse oorlogsschepen uit 1943-1945. De rol als vlaggenschip van een Minesweeping and Hydrographic Group maakte communicatie extra belangrijk, maar dat betekende niet dat het schip dezelfde centrale gevechtsinformatiecapaciteit had als nieuwere eenheden. Voor operaties dicht bij vijandelijke vliegvelden, zoals bij Lingayen Golf, was dit een duidelijke beperking.
M>Modificaties
p>De belangrijkste wijziging vond plaats in 1940. Hovey werd toen omgebouwd van torpedobootjager tot destroyer minesweeper en kreeg de aanduiding DMS-11. Deze ombouw paste binnen de Amerikaanse behoefte aan snelle mijnenvegers die vóór invasievloten konden opereren.De ombouw veranderde de functie van het achterschip. Er kwam ruimte voor mijnenveeguitrusting, waaronder lieren, davits en sweep gear. Beeldmateriaal uit 1943 toont Hovey met drie schoorstenen, een aangepast achterschip en uitrusting voor mijnenveegwerk. De oorspronkelijke dubbele 4-inch opstellingen waren in 1940 verwijderd.
Het schip werd daardoor minder geschikt voor een klassiek torpedogevecht, maar bruikbaarder voor landingsoperaties, konvooi-escorte en het vrijmaken van vaarroutes. Tijdens de oorlog kreeg het schip onderhoud en reparaties, waaronder verblijf aan de Amerikaanse westkust in 1943 en 1944. Zulke perioden waren nodig om een ouder schip inzetbaar te houden na langdurige dienst in tropische wateren.
Sta>Status schip tijdens de oorlog
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Hovey operationeel inzetbaar, maar technisch verouderd. De romp en machine-installatie stamden uit de periode direct na de Eerste Wereldoorlog. Het schip kon nog steeds hoge snelheid halen en had waarde voor escorte- en mijnenveegtaken, maar het was geen moderne destroyer volgens de normen van 1943. De ombouw tot DMS-11 gaf Hovey een nieuwe functie en verlengde de bruikbaarheid. Toch bleef de bescherming beperkt, terwijl luchtaanvallen in de Stille Oceaan gevaarlijker werden.Vooral vanaf 1944, toen kamikazeaanvallen bij amfibische operaties toenamen, werden oudere mijnenvegers zwaar belast. Zij moesten vooraan in de formatie varen, vaak dicht bij kustwateren. Onderhoud en updates vonden plaats, maar zij konden het basisontwerp niet veranderen. Zonder bekend afzonderlijk Combat Information Center of Air Information Center bleef de verwerking van gevechtsinformatie achter bij modernere schepen. Hovey bleef daardoor inzetbaar, maar kwetsbaar binnen haar inzetgebied.
Ope>Operationele geschiedenis
>Vroege dienst en herindienststellingNa proefvaart bij Florida en in het Caribisch gebied vertrok Hovey op 19 december 1919 vanuit Newport met Chandler naar de Azoren en Brest. Zij diende als stationsschip en voer in 1920 naar de Adriatische Zee, Constantinopel en Russische havens. Eind 1920 ging zij via Port Said naar de Aziatische Vloot in de Filipijnen. Op 2 oktober 1922 keerde zij terug naar San Francisco; op 1 februari 1923 werd zij in San Diego buiten dienst gesteld.
Op 20 februari 1930 kwam het schip opnieuw in dienst. Hovey werd vooral gebruikt voor reservistenopleiding, oefeningen en vloottraining. In 1934 voer zij via het Panamakanaal naar New York en daarna terug naar de Amerikaanse westkust. George Thomas Sullivan en Francis Henry Sullivan, twee van de vijf Sullivan-broers, dienden aan boord.
Pearl Harbor en de Salomonseilanden
Op 19 november 1940 werd Hovey heringedeeld als DMS-11. Na training vertrok zij op 4 februari 1941 naar Pearl Harbor. Tijdens de Japanse aanval van 7 december 1941 voer zij met Chandler als antisubmarine screen voor Minneapolis, ongeveer 20 zeemijl buiten Pearl Harbor. Daarna volgden patrouille- en konvooidiensten rond Hawaï. In mei 1942 escorteerde zij een konvooi naar San Francisco; in juli voer zij met Argonne naar de zuidwestelijke Stille Oceaan.
Bij de landing op Guadalcanal op 7 augustus 1942 kreeg Hovey een schermpositie bij de transporten. Kort voor 08.00 uur nam zij een bombardementspositie in bij Gavutu. Japanse kustbatterijen openden het vuur, maar werden door Hovey en andere ondersteunende schepen tot zwijgen gebracht. Daarna veegde zij tussen Gavutu en Bungana. De volgende ochtend ging zij het Lengo Channel binnen om torpedovliegtuigen af te weren.
Na de eerste gevechten bleef Hovey actief rond Guadalcanal. Zij voer naar Nieuw-Caledonië voor aanvulling, bracht een verkenningsgroep mariniers naar Ndeni en vervoerde in oktober 1942 twee PT-boten en 127 vaten vliegtuigbenzine naar Tulagi. Vervolgens voer zij escortes tussen Guadalcanal en Espiritu Santo. Op 19 april 1943 keerde zij naar San Francisco terug voor onderhoud. Na terugkeer nam zij op 1 november 1943 deel aan de landing bij Cape Torokina in Empress Augusta Bay, waar zij transporten afschermde en vooraf mijnenveegwerk uitvoerde.
Peleliu, Leyte en de Centrale Pacific
In april 1944 escorteerde Hovey Lindenwald van Tulagi naar Majuro. Daarna sloot zij zich aan bij Task Unit 34.9.3, die vervangende vliegtuigen naar carriers bij Manus bracht. Eind april ontmoette deze groep Fast Carrier Task Force 58 voor aanvallen op Truk. Vervolgens ging Hovey via Pearl Harbor naar de Amerikaanse westkust en kwam daar op 31 mei 1944 aan. Na reparaties vertrok Hovey op 29 juli 1944 weer naar Pearl Harbor. Zij werd vlaggenschip van Mine Squadron Two onder Commander Wayne R. Loud. In september voer zij vanuit Port Purvis mee met de Western Gunfire Support Group voor operaties in de zuidelijke Palaus.
Hovey veegde tussen Angaur en Peleliu en in Kossol Passage. Daarna patrouilleerde zij tegen onderzeeboten bij de transportzone voor Peleliu. Bij de invasie van Leyte in oktober 1944 maakte Hovey deel uit van de Minesweeping and Hydrographic Group van Rear Admiral Thomas Sprague. Op 17 oktober begon zij met vegen vóór snelle transporten en vuursteunschepen bij Dinagat Island. Daarna volgden Looc Bay en de route Tacloban-Dulag. Op 25 oktober trok zij zich terug naar Manus.
Lingayen Golf en verlies van het schip
Als vlaggenschip van de Minesweeping and Hydrographic Group vertrok Hovey op 23 december 1944 uit Manus en bereikte Leyte Gulf op 30 december. Op 2 januari 1945 voer zij via Surigao Strait en de Mindanaozee naar Luzon. Vanaf 3 januari kreeg het konvooi te maken met zware luchtaanvallen. Hovey vuurde alleen wanneer zij rechtstreeks werd aangevallen, om munitie te sparen. Bij de ingang van Lingayen Golf kwam de mijnenveegformatie op 6 januari onder aanval. Hovey schoot een kamikazevliegtuig neer.
Kort daarna werden Brooks en Long geraakt. Hovey stopte haar mijnenveegwerk en probeerde Long te helpen. Door brand, explosies en luchtaanvallen kon zij niet langszij komen, maar nam zij 149 overlevenden aan boord. Van hen hadden 35 mannen brandwonden; één overleed. In de vroege ochtend van 7 januari werden twee vliegtuigen op radar waargenomen. Een toestel vloog laag langs Hovey. Een ander toestel werd door Chandler in brand geschoten en stortte naast Hovey neer. Direct daarna trof een torpedo Hovey aan stuurboord in de achterste machinekamer.
Licht en vermogen vielen uit. Het schip brak in tweeën en zonk in 54 vadem water. Vierentwintig bemanningsleden kwamen om, naast vierentwintig geredde mannen van Long en Brooks. Overlevenden werden opgepikt door Chandler en later door West Virginia. Commander Wayne R. Loud kreeg voor de leiding van de mijnenveegeenheden bij Lingayen de Navy Cross. Hovey kreeg acht battle stars voor haar oorlogsdienst.









