
USS Salamaua (CVE-96) was een Amerikaanse escortcarrier van de Casablanca-klasse. Het schip diende in de Tweede Wereldoorlog vooral in de Pacific, waar het vliegtuigen vervoerde, luchtdekking gaf en operaties rond Luzon en Okinawa ondersteunde. In januari 1945 raakte Salamaua zwaar beschadigd door een Japanse kamikaze bij Lingayen Gulf.
Ontwerp en constructie
Salamaua behoorde tot de Casablanca-klasse, de grootste serie vliegdekschepen die ooit is gebouwd. Deze escortcarriers waren kleiner dan vlootvliegdekschepen, maar konden snel en volgens een vaste standaard worden geproduceerd. De klasse werd gebouwd op de Type S4-S2-BB3-romp, een verlengde variant van de Doyen-klasse. Door gelaste, vooraf gemaakte secties kon Kaiser Shipbuilding Company deze schepen in hoog tempo afleveren.
De kiel van Salamaua werd gelegd op 4 februari 1944 in Vancouver, Washington. De carrier was eerst gepland als Anguilla Bay, maar kreeg op 6 november 1943 de naam Salamaua, naar de gevechten rond Salamaua in Nieuw-Guinea. Het schip werd op 22 april 1944 te water gelaten en op 26 mei 1944 in dienst gesteld onder kapitein ter zee Joseph Irwin Taylor junior, met 54 officieren en 518 manschappen aan boord.
Salamaua was 156,13 meter lang, 19,86 meter breed en had een diepgang van 6,32 meter. De standaardwaterverplaatsing bedroeg 8.188 long tons; volledig beladen was dat 10.902 long tons. Het schip had een hangardek van 78 meter en een vliegdek van 144 meter. Door de korte romp was een katapult op de boeg nodig. Twee vliegtuigliften verbonden het hangardek met het vliegdek.
De voortstuwing bestond uit vier Babcock & Wilcox Express D-ketels en twee Skinner Unaflow-stoommachines. Samen leverden zij 9.000 pk aan twee schroefassen. De maximumsnelheid bedroeg ongeveer 19 knopen. Bij 15 knopen had Salamaua een bereik van ongeveer 10.240 zeemijl, wat paste bij lange verplaatsingen tussen bases en operatiegebieden in de Pacific.
Bewapening
De vaste hoofdbewapening bestond uit één 5 inch/38 kanon op de achtersteven. Dit was een dubbeldoelkanon tegen oppervlakteschepen en vliegtuigen. De luchtafweer bestond aanvankelijk uit acht 40 mm Bofors-kanonnen in enkele opstellingen en twaalf 20 mm Oerlikon-kanonnen langs de randen van het dek. Deze bewapening was bedoeld om aanvallende vliegtuigen op korte en middellange afstand te bestrijden.
In 1945 waren Casablanca-carriers aangepast met zwaardere luchtafweer. Het aantal 20 mm Oerlikon-kanonnen werd verhoogd tot twintig. De 40 mm Bofors-bewapening kwam op zestien lopen door dubbele opstellingen. Deze uitbreiding sloot aan bij de Japanse dreiging vanuit de lucht, vooral bij aanvallen op lage hoogte en kamikazeaanvallen.
Bepantsering
Salamaua was niet ontworpen als zwaar bepantserd oorlogsschip. De Casablanca-klasse gebruikte een koopvaardijachtig rompconcept dat geschikt was voor snelle seriebouw. De technische gegevens noemen geen zware pantsergordel of bepantserd vliegdek. De bescherming lag vooral in compartimentering, brandbestrijding, schadebeheersing en begeleiding door andere schepen.
De aanval van 13 januari 1945 liet deze beperking duidelijk zien. Een kamikazevliegtuig sloeg door het vliegdek en veroorzaakte schade in lagere dekken, machinekamer en romp. Het schip bleef behouden door pompen, noodreparaties, brandbestrijding en het vermogen om met één motor verder te varen.
Vliegtuigen aan boord
Tijdens de operatie bij Lingayen Gulf bestond de luchtgroep van Salamaua uit 14 FM-2 Wildcat-jagers en 10 TBM-3 Avenger-torpedobommenwerpers. De FM-2 was bedoeld voor luchtverdediging en dekking van landingsoperaties. De TBM-3 kon bommen, torpedo’s en dieptebommen inzetten en werd gebruikt voor aanvalstaken, verkenning en onderzeebootbestrijding.
In de laatste oorlogsfase voerde Salamaua tijdens onderzeebootpatrouilles 18 FM-2-jagers, 2 FM-2P-verkenningsjagers en 12 TBM-3E Avengers mee. Bij transporttaken kon het schip tot ongeveer 50 vliegtuigen meenemen, wanneer ook het vliegdek als opslagruimte werd gebruikt.
Sensoren en dataverwerking
De sensoren van Salamaua bestonden uit een SG-oppervlaktezoekradar en een SK-luchtzoekradar. De SG-radar werd gebruikt om schepen, kustlijnen en andere oppervlaktedoelen te volgen. De SK-radar was bedoeld voor vroegtijdige waarneming van vliegtuigen. Samen vormden deze systemen de basis voor de tactische waarneming van de carrier. Voor een escortcarrier in 1944 was vooral luchtwaarschuwing van groot belang, omdat het schip langzaam was, een groot vliegdek had en zelf niet sterk bepantserd was.
Voor Salamaua wordt geen sonarinstallatie genoemd. Dat past bij de rolverdeling binnen Amerikaanse taakgroepen. Onderzeebootdetectie lag vooral bij destroyers en destroyer escorts, die sonar, dieptebommen en later ook andere onderzeebootbestrijdingsmiddelen gebruikten. De carrier droeg bij door vliegtuigen in te zetten voor zoekpatrouilles, visuele waarneming en aanvallen met dieptebommen. Tijdens de latere onderzeebootoperaties werkte Salamaua daarom samen met gespecialiseerde escorteschepen.
De dataverwerking aan boord draaide om het samenbrengen van radarwaarnemingen, visuele meldingen, radiocontacten en vliegtuigbewegingen. Op Amerikaanse vliegdekschepen werd dit werk vanaf 1943 uitgevoerd binnen een Combat Information Center (CIC) of, bij carriers, vaak binnen een Combat Direction Center (CDC). De Engelse benaming is hier van belang, omdat het systeem niet alleen informatie verzamelde. Het leidde ook jachtvliegtuigen naar doelen, verdeelde luchtpatrouilles en ondersteunde beslissingen over luchtafweer.
Bij oudere schepen zonder geïntegreerd radarbeeld bleven meldingen vaker gescheiden tussen brug, radarpost, radio en vuurleiding. Een CIC of CDC bracht die gegevens in één operationeel beeld samen. Daardoor konden koers, snelheid en afstand van luchtgroepen sneller worden beoordeeld. Voor een carrier was dat direct verbonden met Combat Air Patrol (CAP), omdat jagers vroeg genoeg naar een inkomende aanval moesten worden geleid.
De technische beschrijvingen geven geen afzonderlijke plattegrond van het CIC of CDC van Salamaua. De operationele gebeurtenissen tonen wel dat radarwaarnemingen werden verwerkt in de gevechtsleiding. Op 4 januari 1945 werden ongeveer vijftien Japanse vliegtuigen op radar waargenomen op circa 72 kilometer afstand. Daarna werden jagers vanaf de carriergroep ingezet. De onderschepping werd gehinderd door foutieve radarsignalen, waardoor slechts een deel van de aanval vroegtijdig kon worden opgevangen.
Bij Lingayen Gulf was deze informatieketen belangrijk voor de reactie van de taakgroep. Radar gaf waarschuwing, luchtpatrouilles werden ingezet en luchtafweer kwam in actie zodra vliegtuigen door de dekking heen kwamen. Toch konden lage bewolking, snelheid van de duikaanval en korte reactietijd de verdediging doorbreken. Dat gebeurde op 13 januari 1945, toen een kamikaze bijna verticaal uit de bewolking kwam.
Modificaties
De belangrijkste wijzigingen betroffen de luchtafweer. Zoals bij andere schepen van de Casablanca-klasse werd de 40 mm-bewapening uitgebreid door dubbele Bofors-opstellingen te plaatsen. Ook het aantal 20 mm Oerlikon-kanonnen nam toe. Deze aanpassing was gericht op betere verdediging tegen vliegtuigen die door de luchtdekking heen kwamen.
Na de kamikazeschade van 13 januari 1945 onderging Salamaua noodreparaties in Leyte en verdere reparaties bij Seeadler Harbor, Pearl Harbor en San Francisco. Na de tyfoonschade van juni 1945 werden opnieuw herstelwerkzaamheden uitgevoerd op Guam. Deze werkzaamheden richtten zich op vliegdek, katapult, romp, machine-installatie en inzetbaarheid.
Status schip tijdens de oorlog
Salamaua was geen operationeel verouderd schip tijdens haar oorlogsdienst. Ze werd pas in mei 1944 in dienst gesteld en was gebouwd voor de actuele eisen van de Pacificoorlog. Haar snelheid en bescherming waren beperkt, maar dat hoorde bij het ontwerp van escortcarriers. Voor haar takenpakket telden vooral vliegcapaciteit, radar, luchtafweer en samenwerking met escorte-eenheden.
Het schip werd tijdens de oorlog onderhouden en hersteld na zware schade. De uitbreiding van de luchtafweer toont dat de klasse werd aangepast aan nieuwe dreigingen. De schade bij Lingayen Gulf en tijdens Typhoon Connie beperkte tijdelijk de inzetbaarheid, maar Salamaua keerde terug in dienst en voerde in augustus 1945 nog onderzeebootpatrouilles uit.
Operationele geschiedenis
Indienststelling en eerste transporttaken
Na de indienststelling vertrok Salamaua op 17 juni 1944 naar Bremerton, waar bewapening en testen volgden. Via Seattle voer het schip naar San Diego met beschadigde vliegtuigen. Eind juni en begin juli oefende de carrier bij Baja California. Op 6 juli ging Salamaua naar Pearl Harbor. Daarna keerde zij naar Naval Air Station Alameda terug en nam 50 vliegtuigen en 300 passagiers aan boord voor Finschhafen in Nieuw-Guinea.
De reis naar Nieuw-Guinea begon op 24 juli. Salamaua kwam op 12 augustus in Finschhafen aan, nam onbruikbare vliegtuigen mee terug en stopte bij Palikulo Bay voor brandstof. Op 1 september was het schip weer bij Alameda. Na onderhoud, training en vrachtvervoer naar San Diego kreeg het op 26 september haar gevechtsluchtgroep VC-87. Vanaf 30 september voerde Salamaua vliegoefeningen uit met USS Thornton. Deze periode stond vooral in het teken van dekprocedures, vliegtuigbehandeling, transporttaken en samenwerking met escorteschepen.
Leyte en Lingayen Gulf
Op 16 oktober 1944 vertrok Salamaua uit San Diego als onderdeel van Task Unit 19.15.1. De groep stond onder Rear Admiral Calvin T. Durgin en bestond ook uit Makin Island, Lunga Point en Bismarck Sea. Via Pearl Harbor bereikte de formatie Ulithi op 5 november. Slecht weer vertraagde het vertrek, maar op 10 november ging de groep verder richting Leyte Gulf. Tussen 14 en 23 november leverde Salamaua luchtdekking voor konvooien in het gebied. Op 23 november kwam een Japanse Mitsubishi G4M door de dekking heen en beschoot de carriers; het toestel werd daarna neergeschoten.
Daarna voer Salamaua naar de Admiralty Islands voor de voorbereiding van de aanval op Luzon, als onderdeel van Carrier Division 29. Onderweg onderzochten destroyers Patterson en Bagley een mogelijk onderzeebootcontact met dieptebommen. Op 27 november bereikte de taakgroep Seeadler Harbor. Na oefeningen in Huon Gulf en verdere voorbereiding vertrok Salamaua op 27 december naar Kossol Roads. Op 1 januari 1945 ging de formatie richting Luzon. Op 4 januari werden Japanse vliegtuigen op radar waargenomen. Een eerste kamikazeaanval werd deels afgeslagen, maar Salamaua zag dezelfde dag hoe Ommaney Bay na een zware treffer verloren ging.
Op 5 januari schoten de luchtafweergeschutten van Salamaua twee aanvallers neer. De volgende dag kwam het schip bij de ingang van Lingayen Gulf aan. Haar vliegtuigen vielen doelen aan land aan en leverden dekking voor de naderende landingsmacht. Op 9 januari beschermden zij de troepen op de stranden. Deze taak duurde tot 13 januari, toen Salamaua zelf werd getroffen. Die ochtend kwam een Japans toestel uit lage bewolking en dook vrijwel verticaal op het vliegdek. Het vliegtuig droeg twee bommen van 250 kilogram. De inslag sloeg een groot gat in het vliegdek, veroorzaakte branden en beschadigde machinekamer, romp en interne verbindingen.
Eén bom ontplofte boven de bilge, dicht bij opslagruimten voor munitie. De tweede bom ontplofte niet en verliet het schip aan stuurboordzijde bij de waterlijn. Daardoor stroomde zeewater naar binnen. Stroom, communicatie en besturing vielen uit. De achterste machinekamer liep vol en de stuurboordmotor werd uitgeschakeld. Brandbestrijders kregen meerdere branden onder controle, maar het hangardek bleef gevaarlijk door brandstof, brokstukken en gewapende vliegtuigen. Salamaua maakte slagzij naar stuurboord, maar kon met haar bakboordmotor bij de groep blijven. Bij de aanval kwamen 15 bemanningsleden om het leven en raakten 88 gewond. De aanval geldt als de laatste geslaagde kamikazeaanval van de Filipijnen-campagne. Later die dag voer het schip richting Leyte, begeleid door Gridley, Ralph Talbot en Apache.
Okinawa, tyfoon en onderzeebootbestrijding
Salamaua bereikte Leyte op 14 januari. Gewonden werden van boord gehaald, wrakstukken verwijderd en lekkage gedeeltelijk beheerst. Daarna voer het schip naar Seeadler Harbor voor herstel in een drijvend droogdok. Op 5 februari vertrok het met Kitkun Bay naar Pearl Harbor en daarna naar San Francisco. De grotere reparatie begon op 3 maart. Op 21 april voer Salamaua weer westwaarts en nam bij Pearl Harbor een nieuwe luchtgroep, VC-70, aan boord. Na training vertrok het schip naar Guam en sloot zich eind mei aan bij een taakgroep die operaties rond Okinawa ondersteunde.
Vanaf 3 juni werd Salamaua toegevoegd aan een logistieke ondersteuningsgroep met Attu, Windham Bay en Bougainville. Op 5 juni trok Typhoon Connie over de Third Fleet. Door beperkte hangarruimte moesten vliegtuigen op het vliegdek worden vastgezet. De storm beschadigde vliegdek, katapult, dekuitrusting en vliegtuigen. Een losgeslagen Avenger vernielde andere toestellen op het dek en een bemanningslid kwam om. Na noodreparaties op Guam bereikte Salamaua op 18 juli Ulithi. Op 21 juli werd het schip ingedeeld bij Task Group 94.17 voor onderzeebootpatrouilles tussen de Marianen, Okinawa en later Leyte. Die verplaatsing hing samen met het verlies van Underhill en Indianapolis door Japanse onderzeeboten. Op 5 augustus droeg Taylor het commando over aan kapitein John Hook Griffin. De groep werd ook ingezet bij mijnenruiming en acties tegen Japanse dwergonderzeeboten. Deze inzet duurde tot de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945.
Na de oorlog
Na de capitulatie keerde Salamaua op 25 augustus 1945 terug naar Leyte. Twee dagen later begeleidde het schip een troepenkonvooi met eenheden van het Amerikaanse Achtste Leger naar Tokyo Bay. De formatie arriveerde op 2 september. Vliegtuigen van Salamaua fotografeerden de landing van bezettingstroepen bij Yokohama, terwijl aan boord van USS Missouri de formele Japanse overgave plaatsvond.
Daarna werd Salamaua ingezet voor Operation Magic Carpet, de terugkeer van Amerikaanse militairen naar de Verenigde Staten. Op 3 oktober zette het schip de eerste groep veteranen af in Alameda. Voor het einde van 1945 voerde Salamaua nog twee reizen uit. In 1946 werd de carrier voorbereid op buitengebruikstelling. Het schip werd op 9 mei 1946 uit dienst gesteld, op 21 mei uit het Naval Vessel Register geschrapt en op 18 november verkocht aan Zidell Ship Dismantling Company in Portland, Oregon. De romp werd in 1947 gesloopt.
Conclusie
USS Salamaua (CVE-96) was een escortcarrier die vooral waarde had door vliegtuigcapaciteit, radar, luchtafweer en inzet binnen grotere taakgroepen. Het schip was compact, beperkt beschermd en niet bedoeld voor zelfstandig optreden tegen zware vijandelijke eenheden. De oorlogsdienst laat zien hoe Casablanca-carriers werden gebruikt als luchtsteunplatform, transportcarrier en onderzeebootbestrijdingsschip.
Voor de beoordeling van een oorlogsschip uit de Tweede Wereldoorlog zijn sensoren en dataverwerking belangrijk. Salamaua had een SK-luchtzoekradar en SG-oppervlaktezoekradar. De gebeurtenissen bij Lingayen Gulf tonen dat radarwaarnemingen werden gebruikt voor waarschuwing, jagerinzet en luchtafweercoördinatie. Daarmee was het schip niet operationeel verouderd volgens de normen van 1943. De schade bij Lingayen Gulf en tijdens Typhoon Connie toont vooral de kwetsbaarheid van kleine escortcarriers.









