Hermine Braunsteiner Ryan was een Oostenrijkse SS-Helferin en kampbewaakster in Ravensbrück, Majdanek en Genthin. Zij werd na de oorlog vervolgd voor haar aandeel in mishandeling, selectie en moord binnen het concentratiekampstelsel. In 1973 werd zij als eerste nazi-oorlogsmisdadiger vanuit de Verenigde Staten uitgeleverd aan West-Duitsland, waarna haar zaak juridisch vervolg kreeg.
Vroege leven en opleiding
Hermine Braunsteiner werd geboren op 16 juli 1919 in Wenen als jongste van zeven kinderen. Haar gezin was rooms-katholiek en leefde onder bescheiden omstandigheden in Nußdorf, een deel van Döbling. Haar vader, Friedrich Braunsteiner, werkte als slager en later als chauffeur voor een brouwerij-eigenaar. Haar moeder werkte als wasvrouw en huisbewaarder. De sociale omgeving waarin zij opgroeide was beperkt in middelen, maar sterk verbonden met arbeid en religieuze gewoonte.
Braunsteiner rondde in 1933 de Hauptschule af en wilde daarna verpleegster worden. Dat plan kwam niet tot uitvoering, omdat haar vader in 1934 overleed en zij moest bijdragen aan het onderhoud van het gezin. Zij werkte vervolgens als dienstmeisje, vooral in Wenen. In de zomer van 1936 verbleef zij ongeveer drie maanden bij familie in Nederland. Na terugkeer in Oostenrijk kreeg zij werk als montagearbeidster bij de brouwerij waar haar vader eerder had gewerkt.
Interbellum: Werk en verhuizing naar Duitsland
Tussen 1937 en mei 1938 werkte Braunsteiner in Londen in het huishouden van een Amerikaanse ingenieur. Na de Anschluss van Oostenrijk bij nazi-Duitsland keerde zij terug naar Oostenrijk. Zij vreesde dat een komende oorlog gevolgen kon hebben voor Oostenrijkers die in Groot-Brittannië verbleven. Door de annexatie werd zij Duits staatsburger, waardoor zij zich ook op arbeids- en opleidingsmogelijkheden in Duitsland kon richten.
Na haar terugkeer vroeg Braunsteiner toelating aan voor een verpleegstersopleiding bij de Blaue Schwesternschaft in Berlijn. Zij werd niet aangenomen. In augustus 1938 verhuisde zij naar Duitsland en vond zij werk in een munitiefabriek in Grüneberg. Daarna trok zij naar Berlijn, waar zij werkte bij de Heinkel-vliegtuigfabriek. Deze periode laat zien hoe haar loopbaan zich vóór de oorlog verplaatste van huishoudelijk werk naar fabrieksarbeid in de Duitse oorlogsindustrie.
Kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog hoorde Braunsteiner via haar huisbaas, een politiefunctionaris uit Fürstenberg, dat het nieuw opgerichte vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück personeel zocht. Het ging om contractfuncties voor vrouwelijke toezichthouders, aangeduid als Aufseherinnen. Het weekloon bedroeg 64 mark, vier keer haar eerdere inkomen. Op 15 augustus 1939 begon zij daar aan haar opleiding.
Deelname aan de Tweede Wereldoorlog
Ravensbrück
Braunsteiner begon haar opleiding in Ravensbrück onder toezicht van Maria Mandl en kreeg dienstnummer 38. Ravensbrück was opgezet als concentratiekamp voor vrouwen en werd na het begin van de oorlog steeds verder uitgebreid. Nieuwe gevangenen kwamen uit bezette gebieden, waardoor de organisatie van bewaking, dwangarbeid en bestraffing groeide. Braunsteiner bleef daar ongeveer drie jaar werkzaam als kampbewaakster.
In Ravensbrück maakte Braunsteiner deel uit van het systeem van vrouwelijke kampbewaking binnen de SS-structuur. Aufseherinnen hielden toezicht op gevangenen, bewaakten arbeidscommando’s en voerden opdrachten uit die door de kampleiding werden gegeven. De latere Oostenrijkse veroordeling had betrekking op niet-dodelijke mishandeling in Ravensbrück. Een meningsverschil met Maria Mandl leidde ertoe dat Braunsteiner in oktober 1942 om overplaatsing vroeg.
Majdanek en Alter Flughafen
Op 16 oktober 1942 begon Braunsteiner haar dienst bij een kledingwerkplaats voor dwangarbeid in de omgeving van Majdanek, bij Lublin in bezet Polen. Majdanek, ook aangeduid als KL Lublin, was zowel een concentratie- en werkkamp als een vernietigingskamp. Het complex beschikte over gaskamers en crematoria. In januari 1943 werd zij bevorderd tot plaatsvervangend bewaakster onder Oberaufseherin Elsa Ehrich.
Binnen Majdanek werkte Braunsteiner samen met andere vrouwelijke bewakers, onder wie Elsa Ehrich, Hildegard Lächert, Alice Orlowski, Marta Ulrich, Erna Wallisch en Elisabeth Knoblich. Getuigen verklaarden later dat zij betrokken was bij selecties van vrouwen en kinderen die naar gaskamers werden gestuurd. Ook verklaarden overlevenden dat zij gevangenen sloeg, schopte en met zwepen mishandelde. Onder gevangenen kreeg zij de bijnaam Kobyła, in het Duits Stute, omdat verklaringen melding maakten van stampen met metaal beslagen laarzen.
De verklaringen over Majdanek vormden later een groot deel van de strafzaak in Düsseldorf. Overlevenden beschreven mishandeling van vrouwen, kinderen en jonge gevangenen. Ook kwamen verklaringen naar voren over kinderen die op transportwagens naar de gaskamers werden geplaatst. De rechtbank beoordeelde deze verklaringen binnen een juridisch kader en kwam in 1981 tot veroordelingen voor moord, medeplichtigheid aan moord en samenwerking bij moord.
Terugkeer naar Ravensbrück en Genthin
In januari 1944 werd Braunsteiner teruggestuurd naar Ravensbrück, terwijl Majdanek door de naderende frontlinie werd ontruimd. Daarna kreeg zij een toezichthoudende functie in het buitenkamp Genthin, dat onder Ravensbrück viel en buiten Berlijn lag. Getuigen verklaarden dat zij daar gevangenen met een zweep mishandelde. In verklaringen werd ook gesteld dat ten minste twee vrouwen door haar geweld om het leven kwamen.
Een Franse arts die in Genthin gevangen zat, verklaarde later over een straf waarbij Braunsteiner een jonge Russische gevangene met een rijzweep sloeg. De arts mocht de verwondingen niet direct behandelen. Zulke getuigenissen waren van belang omdat zij patronen van geweld en gezagsuitoefening binnen de kampbewaking lieten zien. Op 7 mei 1945 verliet Braunsteiner het kamp, kort voordat het Rode Leger het gebied bereikte.
Na de oorlog
Arrestatie en Oostenrijkse veroordeling
Na haar vlucht keerde Braunsteiner terug naar Wenen. De Oostenrijkse politie arresteerde haar op 6 mei 1946 en droeg haar over aan de Britse bezettingsautoriteiten. Zij verbleef daarna in meerdere interneringskampen tot 18 april 1947. Op 7 april 1948 werd zij opnieuw door Oostenrijkse autoriteiten gearresteerd. Daarmee begon een eerste juridische afwikkeling van haar kampverleden.
Op 22 november 1949 veroordeelde het Oostenrijkse Volksgerecht in Graz haar wegens misdaden tegen de menselijke waardigheid. Die veroordeling had betrekking op mishandeling zonder dodelijke afloop in Ravensbrück. Voor Majdanek, waaronder beschuldigingen van moord, volgde geen veroordeling omdat het hof onvoldoende getuigen kon horen. Zij kreeg drie jaar gevangenisstraf en verloor haar bezit. Door verrekening van eerdere detentie kwam zij op 26 april 1950 vrij.
Na haar vrijlating werkte Braunsteiner in uitvoerende functies in hotels en restaurants in Karinthië. In 1957 kreeg zij gedeeltelijke amnestie. Zij leefde daarna enige tijd buiten het zicht van justitie. De Oostenrijkse afhandeling sloot verdere vervolging niet definitief uit in andere rechtsgebieden, vooral omdat de feiten in Majdanek later opnieuw aan de orde kwamen in West-Duitsland en de Verenigde Staten.
Emigratie, huwelijk en ontdekking
Braunsteiner ontmoette Russell Ryan, een Amerikaan die als monteur bij de Amerikaanse luchtmacht in Duitsland had gewerkt. Zij trouwden in oktober 1958, nadat zij naar Nova Scotia in Canada waren geëmigreerd. In april 1959 kwam zij de Verenigde Staten binnen. Op 19 januari 1963 werd zij Amerikaans staatsburger. Het echtpaar woonde in Maspeth, Queens, in New York.
De opsporing van Braunsteiner kwam op gang nadat Simon Wiesenthal informatie kreeg van overlevenden van Majdanek. Via gegevens over Wenen, Halifax, Toronto en Queens werd haar verblijfplaats achterhaald. In 1964 wees Wiesenthal de Amerikaanse pers op een vrouw die mogelijk onder de naam Ryan in Queens woonde. Journalist Joseph Lelyveld vond haar kort daarna in Maspeth. Braunsteiner verklaarde toen dat zij slechts beperkt in Majdanek had gediend en vooral in de ziekenbarak had gewerkt.
De Amerikaanse autoriteiten begonnen later een procedure om haar staatsburgerschap in te trekken. De reden was dat zij bij haar naturalisatie haar eerdere veroordeling en kampverleden niet had gemeld. In 1971 verloor zij haar Amerikaanse staatsburgerschap na een rechterlijke regeling. In 1972 werd een woning met brandbommen aangevallen door mensen die dachten dat zij daar woonde; het bleek om het verkeerde huis te gaan.
Uitlevering en proces in Düsseldorf
Het parket in Düsseldorf onderzocht Braunsteiners rol in Majdanek. In 1973 vroeg West-Duitsland haar uitlevering vanuit de Verenigde Staten. Het verzoek beschuldigde haar van gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de dood van 200.000 mensen binnen het kampcomplex; de latere veroordeling werd beperkter en juridisch gespecificeerd. Op 22 maart 1973 werd zij in hechtenis genomen, eerst op Rikers Island en daarna in de gevangenis van Nassau County.
De Amerikaanse rechter verwierp meerdere procedurele bezwaren. De verdediging stelde onder meer dat haar denaturalisatie ongeldig was, dat de feiten politiek van aard waren en dat vervolging in West-Duitsland niet mogelijk was. Ook bezwaren over dubbele vervolging en gebrek aan aannemelijke grond werden afgewezen. Op 1 mei 1973 werd haar uitlevering gecertificeerd. Op 7 augustus 1973 werd Braunsteiner Ryan de eerste nazi-oorlogsmisdadiger die vanuit de Verenigde Staten aan West-Duitsland werd uitgeleverd.
In Düsseldorf kwam zij terecht in het derde Majdanek-proces, samen met vijftien andere voormalige SS’ers en kampfunctionarissen. Het proces begon op 26 november 1975 en duurde 474 zittingen. Het gold als het langste en duurste strafproces in West-Duitsland tot dan toe. Getuigen verklaarden over selecties, mishandeling, het wegvoeren van kinderen en dodelijk geweld. Braunsteiner ontkende delen van de beschuldigingen en stelde dat getuigen onwaarheden vertelden.
Op 30 juni 1981 sprak de rechtbank haar schuldig uit op drie punten. Zij werd veroordeeld voor de moord op 80 mensen, medeplichtigheid aan de moord op 102 kinderen en samenwerking bij de moord op 1.000 mensen. Op zes andere onderdelen vond de rechtbank het bewijs onvoldoende. De straf was levenslange gevangenisstraf. Daarmee kreeg zij een zwaardere straf dan haar medeverdachten.
Vrijlating, overlijden en juridische betekenis
In 1996 werd Braunsteiner vrijgelaten uit de vrouwengevangenis van Mülheim wegens ernstige gezondheidsproblemen. Zij leed aan complicaties van diabetes en had onder meer een beenamputatie ondergaan. Op 19 april 1999 overleed zij in Bochum, op 79-jarige leeftijd. Haar overlijden maakte een einde aan een zaak die zich over Oostenrijk, Canada, de Verenigde Staten en Duitsland had uitgestrekt.
De uitlevering van Braunsteiner Ryan kreeg ook betekenis voor het Amerikaanse beleid rond nazi-oorlogsmisdadigers. In 1979 richtte het Amerikaanse ministerie van Justitie het Office of Special Investigations op. Die afdeling kreeg als taak om personen met een verborgen verleden in nazi-vervolging, oorlogsmisdaden of collaboratie op te sporen, hun naturalisatie te laten intrekken en uitzetting of uitlevering mogelijk te maken.
Militaire Rangen
Hermine Braunsteiner Ryan had geen reguliere Wehrmacht-rang. Haar functies hoorden bij het systeem van SS-helpers en vrouwelijke kampbewakers. Zij werd aangeduid als SS-Helferin en Aufseherin. In Ravensbrück was zij kampbewaakster in opleiding en later toezichthouder. In Majdanek werd zij in januari 1943 plaatsvervangend bewaakster onder Elsa Ehrich. In Genthin kreeg zij een hogere toezichthoudende functie binnen het buitenkamp van Ravensbrück.
Deze functienamen moeten niet worden gelijkgesteld aan gewone militaire rangen zoals die binnen het leger golden. Vrouwelijke kampbewakers waren verbonden aan het SS-kampstelsel en voerden bevelen uit binnen een hiërarchie van kampadministratie, arbeidstoezicht en bewaking. De rechtbank in West-Duitsland oordeelde dat Braunsteiner tijdens de oorlog als functionaris van het Duitse Rijk handelde, wat van belang was voor de rechtsmacht.
Onderscheidingen
Braunsteiner ontving in 1943 het Kriegsverdienstkreuz tweede klasse. Deze Duitse oorlogsonderscheiding werd binnen het naziregime toegekend voor diensten die de oorlogsinspanning ondersteunden. In haar geval viel de onderscheiding samen met haar werkzaamheden in het kampstelsel. De onderscheiding staat in haar biografie naast de latere strafrechtelijke veroordeling voor moord, medeplichtigheid aan moord en samenwerking bij moord.
Conclusie
Hermine Braunsteiner Ryan was een Oostenrijkse kampbewaakster die tijdens de Tweede Wereldoorlog diende in Ravensbrück, Majdanek en Genthin. Haar loopbaan begon met gewone arbeid, maar ontwikkelde zich vanaf 1939 tot een functie binnen het SS-kampstelsel. Vooral haar optreden in Majdanek leidde tot zware beschuldigingen en later tot een veroordeling voor moord en medeplichtigheid aan moord.
Na de oorlog wist zij naar Noord-Amerika te emigreren en Amerikaans staatsburger te worden, maar haar verleden werd alsnog achterhaald. De uitlevering aan West-Duitsland in 1973 maakte haar zaak juridisch van belang. Het proces in Düsseldorf bevestigde dat kampbewakers ook decennia na de oorlog konden worden vervolgd wanneer getuigenissen, documenten en rechtsmacht daarvoor voldoende basis boden.
Bronnen en meer informatie
- Afbeeldingen: Majdanek Museum, Public domain, via Wikimedia Commons
- Wistrich, Robert S. (2001). Who’s Who in Nazi Germany. London: Routledge. ISBN 978-0-415-26038-1.
- Storthmann, Dietrich (1981). “…als wären wir Vieh”. Die Zeit. ISSN 0044-2070.
- Rabinowitz, Dorothy (2000). New Lives: Survivors of the Holocaust Living in America. Bloomington: iUniverse. ISBN 0-595-14128-5.
- Levy, Alan (1994). The Wiesenthal File. Lancaster: Constable and Company. ISBN 978-0-8028-3772-1.
- Bazyler, Michael J. (2017). Holocaust, Genocide, and the Law: A Quest for Justice in a Post-Holocaust World. Oxford: Oxford University Press. ISBN 978-0-19-066403-9.
- Lichtblau, Eric (2014). The Nazis Next Door: How America Became a Safe Haven for Hitler’s Men. Boston: Houghton Mifflin Harcourt. ISBN 978-0-547-66922-9.
- Kolbert, Elizabeth (2015). “The Last Trial”. The New Yorker. ISSN 0028-792X.
- Soffer, Michael (2024). Our Nazi: An American Suburb’s Encounter with Evil. Chicago: University of Chicago Press. ISBN 978-0-226-83555-6.
- Stoltzfus, Nathan; Friedlander, Henry (2008). Nazi Crimes and the Law. Cambridge: Cambridge University Press. ISBN 978-0-521-89974-1.
- Himmelfarb, Milton; Singer, David, red. (1985). American Jewish Yearbook. Philadelphia: Jewish Publication Society of America. ISBN 0-8276-0247-2.
- Kaplan, Morris (1973). “Mrs. Ryan Is Flown To Europe for Trial”. The New York Times. ISSN 0362-4331.
- “Fire Bombers Said to Pick Wrong Home” (1972). The New York Times. ISSN 0362-4331.
- Rabinowicz, Dorothy (1990). “The Holocaust as Living Memory”. In Lefkowitz, Eliot, red. Dimensions of the Holocaust: Lectures at Northwestern University. Evanston: Northwestern University Press. ISBN 978-0-8101-0908-7.
- Ashman, Charles R.; Wagman, Robert J. (1988). The Nazi Hunters. New York: Pharos Books. ISBN 0-88687-357-6.
- Blum, Howard (1977). Wanted!: The Search for Nazis in America. New York: Quadrangle/New York Times Book Company. ISBN 0-8129-0607-1.
- Brown, Daniel Patrick (2002). The Camp Women: The Female Auxiliaries Who Assisted the SS in Running the Nazi Concentration Camp System. Atglen: Schiffer Publishing. ISBN 0-7643-1444-0.
- Lelyveld, Joseph (2005). Omaha Blues: A Memory Loop. New York: Farrar, Straus and Giroux. ISBN 978-0-374-22590-2.
- Miles, Rosalind; Cross, Robin (2008). Hell Hath No Fury: True Stories of Women at War from Antiquity to Iraq. New York: Three Rivers Press. ISBN 978-0-307-34637-7.
- Milton, Sybil (1984). “Women and the Holocaust”. In Bridenthal, Renate; Grossmann, Atina; Kaplan, Marion, red. When Biology Became Destiny: Women in Weimar and Nazi Germany. New York: Monthly Review Press. ISBN 0-85345-642-9.
- Ryan, Allan A. Jr. (1984). Quiet Neighbors: Prosecuting Nazi War Criminals in America. San Diego: Harcourt Brace Jovanovich. ISBN 0-15-175823-9.
- Wiesenthal, Simon (1989). Justice Not Vengeance. London: Weidenfeld and Nicolson. ISBN 0-297-79683-6.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.










