Simon Wiesenthal: nazi-jager en Holocaustoverlevende

Simon Wiesenthal was een Joods-Oostenrijkse Holocaustoverlevende die na 1945 documentatiecentra opzette om nazi-daders op te sporen. Zijn naam werd verbonden aan de vervolging van gevluchte oorlogsmisdadigers, aan de publieke herinnering aan de Holocaust en aan het bredere debat over berechting na de oorlog, onder meer in zaken rond Adolf Eichmann, Franz Stangl en Karl Silberbauer.

Vroege leven en opleiding

Simon Wiesenthal werd op 31 december 1908 geboren in Buczacz, in het toenmalige Oostenrijk-Hongarije. De stad lag in Galicië, een grensregio met wisselende politieke verhoudingen en een gemengde bevolking van Joden, Polen en Oekraïners. Na de Eerste Wereldoorlog veranderde de staatsgrens opnieuw en kwam het gebied binnen Polen te liggen. Die veranderende omgeving vormde de achtergrond van zijn jeugd, waarin familie, onderwijs en maatschappelijke positie voortdurend werden beïnvloed door grotere politieke ontwikkelingen.

Zijn vader sneuvelde tijdens de Eerste Wereldoorlog. Daarna verbleef het gezin korte tijd in Wenen, voordat het terugkeerde naar Buczacz. Wiesenthal volgde middelbaar onderwijs aan het gymnasium en wilde daarna bouwkunde studeren. Door toelatingsbeperkingen voor Joodse studenten werd hij niet toegelaten tot de polytechnische opleiding in Lwów. Hij week daarom uit naar de Technische Universiteit in Praag, waar hij in 1932 zijn opleiding in architectuur en bouwtechniek afrondde.

Zijn eerste vorming lag dus in de architectuur. Dat is relevant omdat hij later geen jurist of politieman werd, maar een documentalist die met dossiers, adresgegevens, getuigenverklaringen en archieven werkte. De overgang van architect naar onderzoeker was het gevolg van oorlog en vervolging. Tegelijk bleef de nauwkeurigheid van zijn opleiding zichtbaar in de manier waarop hij na 1945 gegevens ordende en bewijs liet aansluiten op concrete namen, plaatsen en data.

Interbellum: Studie, huwelijk en beroep

Na zijn studie keerde Wiesenthal terug naar Galicië. In de tweede helft van de jaren dertig woonde en werkte hij in Lwów, destijds een grote Poolse stad met een omvangrijke Joodse gemeenschap. In 1936 trouwde hij met Cyla Müller, met wie hij al langer een relatie had. In diezelfde periode opende hij een architectenbureau. Zijn loopbaan leek zich daarmee in een gebruikelijke richting te ontwikkelen, binnen een stedelijke omgeving die economisch en cultureel van gewicht was voor de regio.

Die stabiliteit verdween na het uitbreken van de oorlog in september 1939. Lwów kwam onder Sovjetbestuur te staan na het Duits-Sovjetpact en de verdeling van Polen. Wiesenthal verloor zijn zelfstandige beroepspositie en zijn kantoor werd genationaliseerd. Zoals veel Joodse inwoners van de stad werd hij geconfronteerd met nieuwe vormen van controle, onzekerheid en politieke repressie. De overgang van Pools naar Sovjetgezag was voor hem daarom geen verre staatskundige wijziging, maar een directe breuk in zijn persoonlijke en beroepsmatige bestaan.

De jaren tussen zijn afstuderen en 1939 zijn van belang omdat daarin de basis lag van het leven dat later werd vernietigd. Opleiding, huwelijk, beroepspraktijk en stedelijke inbedding geven aan wat er op het spel stond toen de bezetting begon. Zijn latere werk kwam niet voort uit een abstract programma, maar uit de ontwrichting van een concreet bestaan dat in korte tijd door vervolging en geweld werd afgebroken.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog

Wiesenthal nam niet als militair deel aan de Tweede Wereldoorlog. Zijn plaats in de oorlogsgeschiedenis ligt in de vervolging van de Joodse bevolking van Oost-Europa en in zijn overleving van gevangenissen, werkkampen en concentratiekampen. Na de Duitse inval in het door de Sovjet-Unie bezette gebied in 1941 werd hij gearresteerd. Vervolgens kwam hij terecht in een keten van plaatsen van gevangenschap die liep via onder meer de gevangenis van Brygidki, het getto en kampcomplex van Janowska, dwangarbeid bij de Ostbahn en later transporten naar kampen verder naar het westen.

In eigen publicaties sprak Wiesenthal over twaalf kampen en gevangenissen. Historische overzichtswerken noemen meestal de hoofdroute van zijn gevangenschap en concentreren zich op Janowska, Płaszów, Gross-Rosen, Buchenwald en Mauthausen. Dat verschil in telling hangt samen met de vraag wat als afzonderlijk kamp, subkamp of tijdelijke gevangenschap wordt meegeteld. Vast staat dat hij gedurende meerdere jaren werd vervolgd, dwangarbeid verrichtte, mishandeling en ondervoeding overleefde en in mei 1945 in zeer slechte lichamelijke toestand uit Mauthausen werd bevrijd door Amerikaanse troepen.

De oorlog trof ook zijn directe familie. Wiesenthal en Cyla Müller werden van elkaar gescheiden. Cyla overleefde onder een valse Poolse identiteit en verrichtte dwangarbeid in Duitsland. Een groot deel van hun verwanten werd vermoord. Volgens biografische overzichten verloor het echtpaar tientallen familieleden. Na de oorlog vonden Simon en Cyla elkaar in Linz terug; in 1946 werd hun dochter Pauline geboren.

De bevrijding van Mauthausen op 5 mei 1945 betekende voor Wiesenthal niet het einde van de oorlog als onderwerp, maar het begin van een nieuwe fase. Zodra zijn gezondheid het toeliet, begon hij namen van vermoedelijke daders te verzamelen en door te geven aan Amerikaanse instanties. Hij werkte korte tijd voor onderdelen van de Amerikaanse bezettingsmacht en leverde materiaal voor onderzoek naar oorlogsmisdrijven. Die overgang van overlevende naar documentalist vond dus vrijwel direct na de bevrijding plaats.

Na de oorlog

Linz en het eerste documentatiecentrum

Na 1945 vestigde Wiesenthal zich in Linz. Daar werkte hij in vluchtelingen- en displaced persons-kampen voor Joodse hulporganisaties, terwijl hij parallel informatie over daders bleef verzamelen. In 1947 hielp hij bij de oprichting van het Joods Historisch Documentatiecentrum in Linz. Dat centrum verzamelde getuigenverklaringen, persoonsdossiers en ander bewijsmateriaal voor toekomstige processen. Het werk was arbeidsintensief en vond plaats in een periode waarin de aandacht voor vervolging al begon af te nemen, mede door de opkomst van de Koude Oorlog en veranderende prioriteiten bij overheden.

Het centrum in Linz bleef niet onbeperkt bestaan. In 1954 werd het gesloten, onder meer door gebrek aan middelen en afnemende bereidheid om nieuwe zaken actief te vervolgen. Een groot deel van het opgebouwde archief ging vervolgens naar Yad Vashem in Israël. Die overdracht laat zien dat Wiesenthals werk vanaf het begin twee doelen had: berechting van daders en bewaring van bewijsmateriaal. Ook wanneer processen uitbleven, moest documentatie volgens hem behouden blijven voor rechtspraak, geschiedschrijving en publieke herinnering.

Wenen, Eichmann en nieuwe opsporing

In 1961 verhuisde Wiesenthal met zijn gezin naar Wenen, waar hij een nieuw documentatiecentrum opbouwde. Dit centrum stond organisatorisch los van het latere Simon Wiesenthal Center in Los Angeles. In Wenen werkte hij met een kleine staf en met een omvangrijk papieren archief. Hij gebruikte getuigenissen, correspondentie, oude adresboeken, krantenberichten en internationale contacten om verblijfplaatsen van voormalige nazi’s te reconstrueren. Zijn methode bestond minder uit eigen veldoperaties dan uit het verbinden van verspreide aanwijzingen tot bruikbare dossiers voor justitie en politie in meerdere landen.

De zaak-Adolf Eichmann speelde een grote rol in zijn publieke reputatie. Wiesenthal leverde in de jaren vijftig informatie over Eichmanns mogelijke verblijf in Argentinië en hield de zaak onder aandacht van Israëlische vertegenwoordigers. De arrestatie in 1960 werd echter uitgevoerd door Israëlische diensten, niet door Wiesenthal zelf. Zijn bijdrage lag in het aanleveren van informatie, in het vasthouden aan de zaak gedurende een periode van geringe aandacht en later in het ondersteunen van het juridische en publieke kader rond het proces.

Bekende zaken en invloed

Ook in andere dossiers was Wiesenthals rol meestal die van documentalist en aanjager. In 1963 identificeerde hij Karl Silberbauer, de Oostenrijkse politieman die in 1944 betrokken was geweest bij de arrestatie van Anne Frank en haar familie. Die identificatie had gevolgen die verder gingen dan de persoon zelf, omdat zij hielp om ontkenning en vervalsingsclaims rond het dagboek van Anne Frank te weerleggen. Het ging dus niet alleen om individuele opsporing, maar ook om de verdediging van historische betrouwbaarheid in het publieke debat.

Een andere bekende zaak betrof Franz Stangl, de voormalige commandant van Sobibor en Treblinka. Wiesenthal verzamelde aanwijzingen over zijn verblijf in Brazilië. Stangl werd daar in 1967 gearresteerd, daarna uitgeleverd aan West-Duitsland en later veroordeeld. Ook bij Hermine Braunsteiner, een voormalige kampbewaker die in de Verenigde Staten woonde, droeg door hem verstrekte informatie bij aan opsporing en uitlevering. Zulke dossiers tonen dat zijn werk vaak bestond uit het openen of heropenen van zaken die door autoriteiten waren blijven liggen.

Publieke overzichten verbinden ongeveer 1.100 opgespoorde of vervolgde oorlogsmisdadigers met Wiesenthals naam. Dat getal moet zorgvuldig worden gelezen. In sommige zaken leverde hij de eerste tip, in andere een getuige, een document of blijvende publieke druk. Historici hebben erop gewezen dat hij zijn eigen aandeel soms ruimer voorstelde dan uit archieven blijkt, vooral in de Eichmann-zaak. Tegelijk staat buiten twijfel dat zijn documentatiecentra, zijn netwerk en zijn vasthoudendheid meerdere processen mede mogelijk maakten en de bereidheid tot vervolging zichtbaar op de agenda hielden.

Herinnering, publicaties en latere jaren

Wiesenthals werk richtte zich niet alleen op berechting, maar ook op herinnering. Hij zag documentatie en onderwijs als middelen om de Holocaust historisch vast te leggen en ontkenning tegen te gaan. In dat kader publiceerde hij later onder meer Ich jagte Eichmann, The Murderers Among Us, The Sunflower, Every Day Remembrance Day en Justice, Not Vengeance. Die boeken combineren memoires, beschouwingen en documentair materiaal en droegen eraan bij dat zijn naam buiten juridische kring bekend werd.

Zijn publieke reputatie werkte ook door in de populaire cultuur. Voor de verfilming van The Odessa File trad hij op als adviseur, terwijl het personage Yakov Liebermann in The Boys from Brazil mede op zijn publieke beeld was gebaseerd. Na zijn dood bleef zijn leven onderwerp van biografieën als Simon Wiesenthal: A Life in Search of Justice, Nazi Hunter: The Wiesenthal File en Simon Wiesenthal: The Life and Legends.

In 1977 werd in Los Angeles het Simon Wiesenthal Center opgericht, een instelling die zijn naam draagt maar niet hetzelfde was als zijn Weense documentatiecentrum. Het centrum richtte zich op Holocaustherinnering, educatie, mensenrechten en de bestrijding van antisemitisme. Wiesenthal verleende zijn naam en bleef er symbolisch mee verbonden, maar de dagelijkse leiding lag elders. Dat onderscheid is van belang, omdat in populaire samenvattingen soms ten onrechte wordt aangenomen dat zijn Weense kantoor later eenvoudig in deze Amerikaanse organisatie opging.

Zijn publieke rol bracht ook conflicten en tegenstand met zich mee. In Oostenrijk gold hij voor tegenstanders geregeld als een lastige criticus van het naoorlogse zelfbeeld. Hij kreeg bedreigingen en in 1982 werd zijn huis in Wenen doelwit van een bomaanslag. Daarnaast kwamen er inhoudelijke discussies over zijn nauwkeurigheid, over zijn optreden in politieke affaires rond Bruno Kreisky en Kurt Waldheim en over de grenzen van persoonlijke herinnering als historische bron. Die kritiek veranderde niets aan het feit dat zijn werk blijvende invloed had op de manier waarop nazi-misdaden in de openbaarheid werden besproken.

Aan het begin van de jaren 2000 trok Wiesenthal zich terug uit het actieve speurwerk. In 2003 verklaarde hij dat de massamoordenaars die hij nog zocht dood, zeer oud of niet langer procesgeschikt waren en dat zijn taak voor hem voltooid was. Zijn vrouw Cyla overleed op 10 november 2003. Simon Wiesenthal stierf op 20 september 2005 in Wenen, 96 jaar oud. Op zijn verzoek werd hij begraven in Herzliya in Israël. Daarmee eindigde een publieke loopbaan die meer dan een halve eeuw had geduurd.

Onderscheidingen

De erkenning voor Wiesenthal kwam vooral laat in zijn leven. Tot de onderscheidingen die vaak worden genoemd behoren de Amerikaanse Congressional Gold Medal uit 1980 en het Franse Legioen van Eer uit 1986. Later ontving hij ook de Presidential Medal of Freedom in de Verenigde Staten en in 2004 een ereridderschap in de Orde van het Britse Rijk. Daarnaast kreeg hij onderscheidingen van Joodse, Europese en internationale instellingen die zijn werk op het terrein van vervolging, documentatie en herinnering wilden markeren.

Die onderscheidingen zeggen niet alleen iets over Wiesenthal als persoon, maar ook over de ontwikkeling van de naoorlogse herinneringscultuur. In de eerste decennia na 1945 werkte hij vaak tegen politieke onwil in. Pas later groeide in brede kring de bereidheid om zijn vasthoudendheid te waarderen als onderdeel van rechtspraak, archiefvorming en onderwijs over de Holocaust. De late erkenning weerspiegelt daardoor ook een verandering in de manier waarop staten en instellingen naar hun eigen verleden keken.

Conclusie

Simon Wiesenthal was geen rechercheur in de populaire zin van het woord en evenmin de enige persoon die nazi-daders na 1945 opspoorde. Zijn betekenis lag in de combinatie van overlevingsgeschiedenis, archiefwerk, publieke druk en juridische volharding. Vanuit Linz en later Wenen bouwde hij dossiers op, hield zaken levend en verbond individuele getuigenissen aan bredere vragen over berechting en historische verantwoordelijkheid.

Zijn nalatenschap ligt daarom op twee niveaus. Enerzijds droeg hij bij aan concrete opsporings- en uitleveringszaken rond daders als Eichmann, Stangl, Silberbauer en Braunsteiner. Anderzijds hielp hij de Holocaust te verankeren in documentatie, onderwijs en publiek debat. Wie zijn levensloop nauwkeurig volgt, ziet een overlevende die zijn ervaring omzette in langdurig en systematisch werk aan recht en herinnering.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: W. Punt for Anefo, CC BY-SA 3.0 NL,  via Wikimedia Commons
  2. Simon Wiesenthal Centrum: Het Simon Wiesenthal Centrum is een internationale Joodse mensenrechtenorganisatie die zich richt op het herdenken van de Holocaust, het bestrijden van antisemitisme en het bevorderen van mensenrechten .
  3. Yad Vashem: Yad Vashem is het Israëlische officiële gedenkteken voor de slachtoffers van de Holocaust. Ze bieden uitgebreide informatie over de Holocaust, overlevenden en de jodenvervolging .
  4. United States Holocaust Memorial Museum: Het Holocaust Memorial Museum in Washington D.C. biedt een diepgaand overzicht van de Holocaust, met uitgebreide tentoonstellingen en educatieve programma’s
  5. Segev, Tom (2010). Simon Wiesenthal: The Life and Legends. London: Jonathan Cape. ISBN 978-0-224-09104-6.
  6. Levy, Alan (2002). Nazi Hunter: The Wiesenthal File. New York: Carroll & Graf. ISBN 978-1-56731-687-2.
  7. Pick, Hella (1996). Simon Wiesenthal: A Life in Search of Justice. Boston: Northeastern University Press. ISBN 978-1-55553-273-4.
  8. Wiesenthal, Simon (1967). The Murderers Among Us: The Simon Wiesenthal Memoirs. London: Heinemann. ISBN 978-0-434-86550-5.
  9. Wiesenthal, Simon (1970). The Sunflower. London: W. H. Allen. ISBN 978-0-491-00005-5.
  10. Wiesenthal, Simon (1987). Every Day Remembrance Day: A Chronicle of Jewish Martyrdom. New York: Henry Holt. ISBN 978-0-8050-0098-6.
  11. Wiesenthal, Simon (1989). Justice, Not Vengeance. New York: Grove Weidenfeld. ISBN 978-0-8021-1278-1.
  12. Forsyth, Frederick (1972). The Odessa File. New York: Viking Press. ISBN 978-0-670-52042-8.
  13. Levin, Ira (1976). The Boys from Brazil: A Novel. New York: Random House. ISBN 978-0-394-40267-3.
  14. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.
Previous articleWilly Paul Franz Lages SS-Sturmbannführer (1901 – 1971)
Next articleNeville Chamberlain en de politiek van appeasement
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in de Tweede Wereldoorlog. Sommigen hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring en strategisch inzicht mee, terwijl anderen een academische of wetenschappelijke opleiding hebben gevolgd, zoals aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) of in historisch onderzoek. Deze combinatie van expertise zorgt voor diepgaande, goed onderbouwde artikelen die zowel feitelijk accuraat als analytisch sterk zijn. De redactie streeft ernaar om objectieve en goed gedocumenteerde informatie te bieden, waarbij kennis en ervaring samenkomen om een genuanceerd beeld te schetsen van deze ingrijpende periode in de geschiedenis.