Karl Silberbauer, Anne Frank en de arrestatie 1944

Karl Josef Silberbauer (Wenen, 21 juni 1911 – 2 september 1972) was een Oostenrijkse politieman en SS-lid die in bezet Amsterdam betrokken was bij de inval in het Achterhuis op 4 augustus 1944. Onder zijn leiding werden Anne Frank, de andere onderduikers en twee helpers aangehouden. Na 1945 keerde hij terug naar Wenen, werkte opnieuw bij de politie en werd in 1963 publiekelijk met de arrestatie in verband gebracht.

Vroege leven en opleiding

Jeugd in Wenen

Karl Josef Silberbauer werd op 21 juni 1911 in Wenen geboren. Over zijn schoolopleiding is weinig met zekerheid bekend, maar wel staat vast dat hij vóór 1935 in het Oostenrijkse leger diende. Die militaire ervaring vormde de overgang naar een loopbaan in het staatsapparaat. In 1935 trad hij, net als zijn vader, toe tot het politiekorps. Daarmee begon een carrière die later nauw verweven raakte met het Duitse bezettingsbestuur in Nederland.

Overgang naar de politiedienst

De overstap naar de politie was voor Silberbauer een voortzetting van een bestaande beroepslijn. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog werkte hij binnen het Oostenrijkse politiewezen, waar discipline, administratieve routine en verhoortechnieken een vaste plaats hadden. Deze achtergrond maakte het voor hem mogelijk om na de Duitse machtsovername in Oostenrijk verder te gaan binnen het nationaalsocialistische veiligheidsapparaat. Zijn latere inzet in Nederland kwam dus voort uit een eerdere loopbaan in leger en politie.

Interbellum: Politiedienst en toetreding tot de Gestapo

Van Oostenrijkse politie naar Duitse veiligheidsdienst

Het interbellum markeerde voor Silberbauer de overgang van Oostenrijks politiebeambte naar medewerker van de Gestapo. Vier jaar na zijn indiensttreding bij de politie, in 1939, sloot hij zich bij de Gestapo aan. Dat gebeurde kort na de aansluiting van Oostenrijk bij het Duitse Rijk, toen Oostenrijkse instellingen in Duitse bevelsstructuren werden opgenomen. Voor veel politiemensen betekende dit een verschuiving naar Duitse veiligheidsdiensten, en Silberbauer maakte die overgang volledig mee.

Politieke opsporing als loopbaan

Met zijn toetreding tot de Gestapo kwam Silberbauer terecht in een dienst die niet werkte als gewone politie, maar als apparaat voor politieke opsporing en repressie. De werkzaamheden bestonden uit onderzoek, ondervraging en handhaving van bevelen van het nationaalsocialistische regime. De vaardigheden die hij eerder in leger en politie had opgedaan, werden zo ingezet in een systeem van controle en vervolging. Aan de vooravond van de oorlog was zijn loopbaan daarom al duidelijk verplaatst van burgerlijke politiedienst naar politieke veiligheidsdienst.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog

Dienst in bezet Nederland

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Silberbauer, na zijn toetreding tot de Gestapo, naar Nederland overgeplaatst. In 1943 werkte hij bij de Sicherheitsdienst in Den Haag en vervolgens in Amsterdam. Hij was daar verbonden aan Sektion IV B4, een onderdeel dat medewerkers uit Oostenrijkse en Duitse politiekorpsen samenbracht. Deze sectie hield zich bezig met de opsporing van ondergedoken Joden in bezet Nederland. In dezelfde periode trad hij toe tot de SS onder nummer 460.059 en bereikte hij de rang van Hauptscharführer.

Werkterrein in Amsterdam

Zijn functie in Amsterdam bracht hem in de dagelijkse praktijk van de bezettingspolitiek. De werkzaamheden bestonden uit onderzoek, arrestaties en verhoren. Later onderzoek heeft daarbij naar voren gebracht dat Silberbauer en zijn team niet alleen met onderduikerszaken, maar ook met financiële delicten te maken hadden. Dat past bij de verwevenheid van onderduik, distributiebonnen en zwarte handel in de bezettingsjaren en is van belang geworden bij reconstructies van de inval aan de Prinsengracht.

Inval op het Achterhuis

Op 4 augustus 1944 kreeg Silberbauer van zijn meerdere, SS-Obersturmführer Julius Dettmann, opdracht om een melding over onderduikers op Prinsengracht 263 te onderzoeken. Met enkele Nederlandse politiemannen ging hij naar het pand van Opekta in Amsterdam. Daar ondervroeg hij eerst Victor Kugler over de toegang tot het schuiladres. Ook Miep Gies en Johannes Kleiman werden bevraagd. Kugler en Kleiman werden aangehouden, terwijl Bep Voskuijl erin slaagde documenten weg te nemen die de zwarte handel rond de bevoorrading van het Achterhuis konden blootleggen.

Arrestaties en inbeslagname

Miep Gies mocht in het pand blijven. Zij heeft later verklaard dat Silberbauers Weense accent daarbij mogelijk een rol speelde, omdat zij dat accent herkende. Nadat de toegang was gevonden, werden Otto Frank, Edith Frank-Holländer, Margot Frank, Anne Frank, Hermann van Pels, Auguste van Pels, Peter van Pels en Fritz Pfeffer gearresteerd. Samen met Kugler en Kleiman werden zij naar het hoofdkwartier van de Sicherheitspolizei en de Sicherheitsdienst in Amsterdam gebracht.

Getuigenissen over 4 augustus 1944

Zowel Otto Frank als Silberbauer zijn na de oorlog over de arrestatie gehoord. In beide verklaringen kwam naar voren dat Silberbauer verbaasd was dat de onderduikers meer dan twee jaar in het Achterhuis hadden gezeten. Otto Frank herinnerde zich bovendien dat Silberbauer geld en waardevolle spullen in beslag nam en daarvoor Franks aktetas gebruikte. Bij het leegmaken van die tas kwamen de papieren en schriften van Anne Frank op de vloer terecht. Dat materiaal bleef achter in het pand en kon later worden bewaard.

Deportatie en gevolgen

Na de arrestatie volgde de deportatie van de acht onderduikers. Zij werden via Amsterdam overgebracht naar doorgangskamp Westerbork en daarna naar Auschwitz. Margot en Anne Frank werden later naar Bergen-Belsen vervoerd, waar zij aan tyfus overleden. Victor Kugler en Johannes Kleiman kwamen in werkkampen terecht. Van de tien gearresteerden overleefden alleen Otto Frank, Victor Kugler en Johannes Kleiman de oorlog.

Latere reconstructies van de ontdekking

Lange tijd gold een anonieme tip als de gebruikelijke verklaring voor de inval. Silberbauer verklaarde in 1963 dat zijn chef Dettmann een telefoontje had ontvangen van een betrouwbare bron. Die lezing kon echter niet worden getoetst, omdat Dettmann op 25 juli 1945 in een Amsterdamse gevangenis zelfmoord pleegde. Daardoor bleef het voor onderzoekers onmogelijk om de herkomst van de melding vast te stellen.

Onderzoek naar bonnenfraude

Later onderzoek, ondersteund door de Anne Frank Stichting, bracht een andere mogelijkheid naar voren. Daarbij werden Silberbauers verklaringen uit 1963 ook als wisselend en niet volledig betrouwbaar beoordeeld. Daarbij werd gewezen op de samenhang tussen onderduik, distributiebonnen en zwarte handel. In maart 1944 waren twee medewerkers van het bedrijf aan de Prinsengracht, Hendrik Daatzelaar en Martin Brouwer, al gearresteerd met een groot aantal distributiebonnen. Onderzoekers hebben daarom betoogd dat de inval van augustus 1944 ook kan zijn voortgekomen uit onderzoek naar bonnenfraude of financiële delicten, zonder dat een verraadsscenario definitief is uitgesloten.

De duur van de doorzoeking

Volgens latere reconstructies doorzochten agenten het pand gedurende bijna twee uur en controleerden zij eerst kratten, zakken zaaigoed en conserven voordat de draaibare boekenkast werd verplaatst. Zo’n werkwijze past bij een brede doorzoeking van een bedrijfspand en niet noodzakelijk bij een vooraf exact bekende schuilplaats. De arrestatie van Anne Frank en de andere onderduikers staat daarmee vast, maar het precieze spoor dat tot de ontdekking leidde blijft onderwerp van historisch onderzoek.

Na de oorlog

Terugkeer naar Wenen

Silberbauer keerde in april 1945 terug naar Wenen. Vanwege zijn lidmaatschap van de SS en andere nationaalsocialistische organisaties werd hij in 1946 uit de politiedienst geschorst. Daarnaast bracht hij veertien maanden in de gevangenis door wegens het gebruik van buitensporig geweld tegen leden van de Communistische Partij van Oostenrijk. In 1952 stond hij opnieuw terecht in verband met zijn nationaalsocialistische betrokkenheid, maar daarvan werd hij vrijgesproken.

Werk voor de Gehlen-organisatie en de BND

Na zijn vrijlating werd Silberbauer gerekruteerd door de Gehlen-organisatie, de West-Duitse inlichtingendienst die later opging in de Bundesnachrichtendienst. Volgens later openbaar geworden informatie werkte hij ongeveer tien jaar als infiltrant in West-Duitsland en Oostenrijk. Zijn opdrachten richtten zich op neonazistische en pro-Sovjetorganisaties. Juist zijn verleden in de SS maakte hem volgens zijn opdrachtgevers geschikt om in dergelijke milieus geloofwaardig op te treden.

Herstel in de Weense politie

In 1954 keerde hij bovendien terug bij de Weense Kriminalpolizei. Daar werd hij opnieuw in dienst genomen en later bevorderd tot inspecteur. In verschillende reconstructies is gesuggereerd dat druk vanuit de Gehlen-organisatie die terugkeer heeft vergemakkelijkt. Vast staat in elk geval dat Silberbauer midden jaren vijftig opnieuw een officiële politiepositie bekleedde, ondanks zijn eerdere betrokkenheid bij het nationaalsocialistische veiligheidsapparaat.

Opsporing door Simon Wiesenthal

De naam van Silberbauer kwam opnieuw naar voren door het speurwerk van Simon Wiesenthal. Wiesenthal begon in 1958 naar de leider van het arrestatieteam te zoeken nadat Oostenrijkse Holocaustontkenners hem hadden uitgedaagd te bewijzen dat Anne Frank had bestaan. Tijdens een Nederlands politieonderzoek uit 1948 was de naam van de betrokken SS-man onjuist overgeleverd als Silvernagel. Miep Gies herinnerde zich wel dat de leider van het arrestatieteam een Weens accent had.

De identificatie in 1963

Otto Frank steunde die zoektocht niet actief. Hij sprak zich in die jaren uit voor verzoening en vond dat de nadruk eerder moest liggen op degene die de onderduikers had verraden dan op de uitvoerders van de arrestatie. Wiesenthal zette het onderzoek toch voort. In 1963 kreeg hij van Nederlandse onderzoekers een Gestapo-telefoonboek uit oorlogstijd in handen, waarin hij de naam Karl Silberbauer aantrof bij Sektion IV B4. Daarmee kon hij de zoekrichting in Wenen sterk vernauwen.

Schorsing en openbaarmaking

Na zijn terugkeer in Wenen nam Wiesenthal contact op met Josef Wiesinger van het Oostenrijkse ministerie van Binnenlandse Zaken. Officieel liet de Weense politie maandenlang weten dat het onderzoek nog niet kon worden afgerond. In werkelijkheid was inspecteur Silberbauer al snel geïdentificeerd. De politie schorste hem zonder salaris en droeg hem op te zwijgen over de reden van die maatregel. Die stilte hield echter geen stand.

Erkenning van zijn rol

Silberbauer vertelde een collega waarom hij was geschorst. Via die collega, die lid was van de Communistische Partij van Oostenrijk, bereikte de informatie een partijkrant, die de zaak op 11 november 1963 publiceerde. Daarna kreeg de vondst internationale aandacht. Toen journalisten zich bij zijn woning in Wenen meldden, erkende Silberbauer dat hij Anne Frank had gearresteerd. Hij verklaarde ook dat hij kort daarvoor het dagboek had gekocht, maar zichzelf daarin niet had teruggevonden.

Verklaringen over de arrestatie

Zijn herinneringen aan de inval bleken in enkele opzichten gedetailleerd. Hij zei dat Otto Frank hem had verteld dat de onderduikers twee jaar en een maand verborgen hadden gezeten. Ook herinnerde hij zich Anne Frank en de markeringen op de muur waarop haar lengte werd bijgehouden. Tegelijk leverden zijn verklaringen geen bruikbare aanwijzing op over de bron van de melding. Voor de Nederlandse politie bleef daardoor onduidelijk wie de ontdekking had veroorzaakt.

Disciplinair onderzoek

De Oostenrijkse regering verklaarde vervolgens dat Silberbauers rol bij de arrestatie niet voldoende grond bood voor vervolging als oorlogsmisdadiger. Wel volgde een disciplinair onderzoek binnen de Weense politie. Otto Frank trad daar als getuige op en verklaarde dat Silberbauer tijdens de arrestatie slechts zijn taak had uitgevoerd en zich correct had gedragen, al gaf hij ook aan de man liever niet meer te willen ontmoeten. De commissie stelde geen ambtelijke schuld vast, hief de schorsing op en plaatste hem daarna in een bureaufunctie bij het Erkennungsamt, de identificatiedienst van de politie.

Overlijden

Karl Josef Silberbauer overleed op 2 september 1972 in Wenen. Hij werd op 7 september 1972 begraven op Friedhof Mauer. Daarmee eindigde een loopbaan die liep van Oostenrijkse politieman en SS-lid tot naoorlogs rechercheur en informant voor een West-Duitse inlichtingendienst. Zijn naam bleef vooral verbonden aan de inval van 4 augustus 1944, niet omdat hij de aanleiding van die inval kon ophelderen, maar omdat hij de leiding had over de arrestatie van de onderduikers in het Achterhuis.

Militaire Rangen

Rangen en functies

Van Silberbauers periode in het Oostenrijkse leger is geen exacte rang bekend. Wel staat vast dat hij vóór 1935 militaire dienst verrichtte en daarna overstapte naar de politie. Zijn loopbaan ontwikkelde zich vervolgens niet meer in een regulier leger, maar binnen politie, Gestapo, SS en Sicherheitsdienst. Daardoor liepen militaire en politiële rangen in zijn loopbaan geregeld door elkaar.

Hoogste bekende rang

Tijdens zijn dienst in bezet Nederland bereikte hij binnen de SS de rang van Hauptscharführer. Na de oorlog keerde hij niet terug in een militair ambt. In Wenen droeg hij later de burgerlijke politierang van inspecteur bij de Kriminalpolizei. Voor zijn naoorlogse werk bij de Gehlen-organisatie en de Bundesnachrichtendienst is geen afzonderlijke rang overgeleverd.

Conclusie

Karl Silberbauer was een uitvoerend functionaris binnen Gestapo, SS en Sicherheitsdienst. Zijn historische plaats berust vooral op zijn rol bij de inval in het Achterhuis, de arrestatie van Anne Frank en de daaropvolgende deportatie van de onderduikers. Na 1945 kon hij terugkeren in politie- en inlichtingenwerk, terwijl vervolging voor de arrestatie uitbleef. Onderzoekers hebben later nieuwe vragen gesteld over de aanleiding van de inval, maar over Silberbauers betrokkenheid bij de arrestatie zelf bestaat geen onzekerheid.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Unknown photographer, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Gies, Miep; Gold, Alison Leslie (1988). Anne Frank Remembered. New York: Simon and Schuster. ISBN 9780671547714.
  3. Gies, Miep; Gold, Alison Leslie (1987). Meine Zeit mit Anne Frank. Bern/München/Frankfurt am Main/Wien: S. Fischer Verlag. ISBN 3-502-18266-3.
  4. Koch, Peter-Ferdinand (2011). Enttarnt. Doppelagenten: Namen, Fakten, Beweise. Salzburg: Ecowin. ISBN 978-3-7110-0008-8.
  5. Prose, Francine (2009). Anne Frank: The Book, the Life, the Afterlife. New York: HarperCollins. ISBN 978-0061430794.
  6. van Wijk-Voskuijl, Joop; De Bruyn, Jeroen (2023). The Last Secret of the Secret Annex: The Untold Story of Anne Frank, Her Silent Protector, and a Family Betrayal. New York: Simon & Schuster. ISBN 9781982198213.
  7. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946