Herbert Otto Gille was een Duitse officier die opklom tot hoge rangen binnen de Waffen-SS. Tijdens de Tweede Wereldoorlog voerde hij onder meer de SS-divisie Wiking en het IV. SS-Panzerkorps aan. Na 1945 raakte hij betrokken bij HIAG, een West-Duitse veteranenorganisatie van voormalige Waffen-SS-leden.
Vroege leven en opleiding
Herbert Otto Gille werd geboren op 8 maart 1897 in Gandersheim. Hij was de vierde zoon van fabrikant Hermann Gille en groeide op in een omgeving waar onderwijs en discipline een vaste plaats innamen. Van 1903 tot 1909 bezocht hij de Bürgerschule en daarna het gymnasium in zijn geboorteplaats. Deze opleiding vormde de basis voor zijn latere militaire loopbaan.
Vanaf zijn veertiende jaar maakte Gille deel uit van het Kadettenkorps Bensberg. In 1914 werd hij overgeplaatst naar de Hauptkadettenanstalt Berlin-Lichterfelde. Kort daarna kwam hij terecht bij het 2. Badische Feldartillerie-Regiment Nr. 30 in Rastatt. Daarmee koos hij voor een loopbaan binnen de artillerie, een wapen dat in de moderne oorlogsvoering steeds meer technische kennis vroeg.
Zijn jeugd stond daardoor al vroeg in het teken van militaire opleiding. De combinatie van kadettenonderwijs, artillerietraining en dienst in een regiment bepaalde zijn verdere ontwikkeling. Gille werd niet opgeleid als infanterist, maar als artillerieofficier. Dat bleef later zichtbaar in zijn functies binnen de SS-Verfügungstruppe en de Waffen-SS.
Deelname aan de Eerste Wereldoorlog
Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Gille overgeplaatst naar het nieuw opgestelde Reserve-Feldartillerie-Regiment Nr. 55. Met dit regiment vertrok hij in december 1914 naar het front. In januari 1915 werd hij bevorderd tot luitenant. Binnen zijn regiment diende hij als pelotonscommandant, batterijofficier en later als batterijcommandant.
Zijn taken lagen vooral bij de inzet van veldartillerie. Dat betekende het voorbereiden van vuursteun, het aansturen van manschappen en het onderhouden van verbindingen tussen artillerie en fronttroepen. Deze functies vroegen nauwkeurigheid en bevelsdiscipline. Gille ontving in deze periode het IJzeren Kruis der Tweede Klasse en het IJzeren Kruis der Eerste Klasse.
Naast de twee klassen van het IJzeren Kruis kreeg Gille ook het Braunschweiger Kriegsverdienstkreuz en het Oostenrijkse Militair Verdienste Kruis der IIIe Klasse. Na de wapenstilstand van Compiègne keerde hij met zijn regiment terug naar Duitsland. Eind januari 1919 kwam hij korte tijd opnieuw bij zijn oorspronkelijke regiment. Op 31 maart 1919 werd hij na demobilisatie uit militaire dienst ontslagen.
Interbellum: burgerlijk werk en toetreding tot de SS
Na zijn ontslag uit het leger werkte Gille aanvankelijk buiten de krijgsmacht. Hij verbleef als leerling op het landgoed Betzigerode bij Kassel. Daarna was hij in 1920 en 1921 beheerder op het landgoed Bamhof. Vervolgens werkte hij tot 1923 als beheerder op een landgoed bij Abbesbüttel. Deze jaren stonden in het teken van burgerlijk werk, niet van actieve militaire dienst.
Van 1922 tot 1926 was Gille lid van Der Stahlhelm, een nationalistische veteranenorganisatie uit de Weimarrepubliek. Daarna had hij wisselende functies op domeinen en riddergoederen. Tussen 1929 en 1931 werkte hij als reiziger voor Büssing AG. Op 25 januari 1931 werd hij wegens gokken veroordeeld tot een geldboete van twintig Reichsmark, met als vervangende straf vier dagen hechtenis.
Op 1 mei 1931 trad Gille toe tot de NSDAP. In december van datzelfde jaar werd hij lid van de SS. Vanaf januari 1933 leidde hij de Motorstaffel van de 49. SS-Standarte in Braunschweig. Op 20 april 1933 werd hij bevorderd tot SS-Sturmführer en kreeg hij de leiding over de 49. SS-Standarte.
In juli 1933 werd Gille tijdelijk uit de NSDAP en de SS gezet na politieke verwikkelingen in Braunschweig. Een partijgerecht herstelde later zijn positie, waarna hij opnieuw werd toegelaten. In december 1934 sloot hij zich aan bij de SS-Verfügungstruppe, de gewapende voorloper van de Waffen-SS. In mei 1935 kreeg hij als SS-Obersturmführer het bevel over de 11e compagnie van de SS-Standarte 2 Deutschland.
Na een cursus aan de infanterieschool Döberitz werd Gille geplaatst bij het SS-regiment Germania in Arolsen. Daar kreeg hij op 15 februari 1936 het bevel over het IIe bataljon. Op 20 april 1937 volgde zijn bevordering tot SS-Sturmbannführer. Daarmee was zijn loopbaan opnieuw volledig militair geworden, maar nu binnen de gewapende SS.
Deelname aan de Tweede Wereldoorlog
Kort voor het begin van de Tweede Wereldoorlog kreeg Gille de opdracht een artillerieafdeling voor de SS-Verfügungsdivision op te bouwen. In 1939 nam hij als commandant van de I. Abteilung van het artillerieregiment deel aan de Duitse aanval op Polen. In 1940 volgde deelname aan de Westelijke veldtocht. Voor deze inzet kreeg hij gespen bij zijn IJzeren Kruisen uit de Eerste Wereldoorlog.
In november 1940 werd voor de SS-divisie Wiking een artillerieregiment ingericht. Gille kreeg op 30 januari 1941 het bevel over dit regiment. De divisie stond onder leiding van Felix Steiner en werd ingezet aan het oostfront. In juni 1941 nam Gille met zijn regiment deel aan Operatie Barbarossa, de Duitse aanval op de Sovjet-Unie.
Op 1 oktober 1941 werd Gille bevorderd tot SS-Oberführer. Op 28 februari 1942 ontving hij het Duitse Kruis in Goud voor zijn optreden tijdens gevechten rond de Mius-stelling en Rostov. In juli 1942 leidde hij een voorhoede die bijdroeg aan de hernieuwde Duitse inname van Rostov en de oversteek van de Koeban mogelijk maakte.
Op 8 oktober 1942 ontving Gille het Ridderkruis van het IJzeren Kruis. Kort daarna nam hij het bevel over de SS-divisie Wiking over. Tijdens de Duitse poging om de bij Stalingrad ingesloten 6e Armee te ontzetten, werd de divisie ingezet aan de zuidflank van de 4e Panzerarmee. Daarna trok de divisie zich terug richting de Don, die op 5 februari 1943 werd bereikt.
Na het mislukken van Operatie Zitadelle bij Koersk kreeg de SS-divisie Wiking opnieuw te maken met terugtrekkende bewegingen. Gille voerde de divisie vanaf 1 mei 1943 weer aan. Tijdens de terugtocht moest de eenheid posities opgeven, verbindingen bewaren en verliezen beperken. Voor zijn rol ontving hij op 1 november 1943 het Eikenloof bij het Ridderkruis.
In het najaar van 1943 werd de divisie Wiking ingezet bij de verdediging van de Dnjepr-sector rond Tsjerkassy. De gevechten waren zwaar en de divisie leed grote verliezen. Pogingen om Sovjeteenheden terug te dringen kostten meerdere bataljons hun gevechtskracht. Op 9 november 1943 werd Gille bevorderd tot SS-Gruppenführer en Generalleutnant der Waffen-SS.
Begin 1944 raakte de SS-divisie Wiking ingesloten tijdens de Korsun-Sjevtsjenkivsky-operatie. Twee Duitse legerkorpsen met meerdere divisies kwamen terecht in de zogenoemde ketel van Tsjerkassy. Onder leiding van generaal Wilhelm Stemmermann brak een deel van de troepen uit. Zware wapens, uitrusting en veel gewonden moesten daarbij worden achtergelaten.
Na de gevechten rond Tsjerkassy ontving Gille op 20 februari 1944 de Zwaarden bij het Eikenloof van het Ridderkruis. In maart 1944 liet hij zich invliegen naar Kovel, dat door Sovjettroepen was ingesloten. Daar nam hij het bevel over de verdediging op zich. Begin april 1944 werd een verbinding met de Duitse linies hersteld.
Op 19 april 1944 kreeg Gille de Briljanten bij het Ridderkruis met Eikenloof en Zwaarden. Daarmee behoorde hij binnen het Duitse oorlogsonderscheidingenstelsel tot de hoogst onderscheiden Waffen-SS-officieren. In augustus 1944 kreeg hij het bevel over het nieuw gevormde IV. SS-Panzerkorps. Deze formatie werd ingezet tijdens de Duitse pogingen om Sovjetdoorbraken na Operatie Bagration af te remmen.
Aan het einde van 1944 werd het IV. SS-Panzerkorps naar Hongarije verplaatst. Daar nam Gille deel aan pogingen om Duitse en Hongaarse troepen in Boedapest te ontzetten. De aanvallen begonnen in januari 1945, maar liepen vast door Sovjetweerstand, terreinproblemen en tekorten aan brandstof en munitie. Een tweede poging kwam eveneens niet tot een doorbraak.
In maart 1945 leidde Gille het IV. SS-Panzerkorps tijdens het Balatonoffensief. Deze Duitse operatie was bedoeld om het Sovjetleger in Hongarije terug te dringen en oliegebieden te behouden. De aanval mislukte en de Duitse troepen moesten zich verder terugtrekken. Op 7 mei 1945 verplaatste Gille zijn korps richting Oostenrijk. Een dag later gaf hij zich bij Radstadt over aan Amerikaanse troepen.
Na de oorlog
Na zijn overgave kwam Gille in Amerikaanse krijgsgevangenschap. Tot juni 1946 verbleef hij in het interneringskamp Stuttgart-Zuffenhausen, waar hij als kampoudste optrad. Daarna werd hij naar Neurenberg overgebracht. Uiteindelijk werd afgezien van een getuigenis van Gille in het proces tegen de grote oorlogsmisdadigers.
Op 21 mei 1948 werd Gille vrijgelaten en keerde hij terug naar zijn gezin in Stemmen. Omdat de SS tijdens het proces van Neurenberg als misdadige organisatie was aangemerkt, kreeg hij in het kader van de denazificatie in april 1949 een gevangenisstraf van anderhalf jaar opgelegd. In beroep werd dit vonnis vernietigd. Gille werd daarna ingedeeld in categorie V, de groep van ontlasten.
In 1950 werd Gille in Britse inlichtingenrapportage in verband gebracht met de Bruderschaft, een netwerk van oud-nazi’s rond voormalig gouwleider Karl Kaufmann. Deze groep werd in verband gebracht met pogingen om invloed te krijgen binnen de jonge Bondsrepubliek Duitsland. De vermelding past binnen de bredere naoorlogse bezorgdheid over netwerken van voormalige nationaalsocialisten.
Vanaf het begin van de jaren vijftig werd Gille actief binnen HIAG, de Hilfsgemeinschaft auf Gegenseitigkeit der Angehörigen der ehemaligen Waffen-SS. Deze organisatie zette zich in voor juridische, sociale en historische rehabilitatie van voormalige Waffen-SS-leden. Gille werkte daarbij samen met andere voormalige hoge Waffen-SS-officieren, onder wie Paul Hausser, Felix Steiner en Otto Kumm.
In 1951 begon Gille met de uitgave van Wiking-Ruf. Deze periodiek richtte zich aanvankelijk vooral op veteranen van de SS-divisie Wiking. Binnen HIAG-kringen kreeg het blad een bredere rol, maar later ontstonden conflicten over koers, geld en organisatie. Vanaf 1956 verscheen Der Freiwillige als concurrerende landelijke uitgave van HIAG. Wiking-Ruf werd uiteindelijk in 1958 beëindigd.
Gille raakte ook betrokken bij openbare veteranenbijeenkomsten. In 1952 vond in Verden een grote HIAG-bijeenkomst plaats die veel ophef veroorzaakte door uitspraken van voormalig generaal Hermann-Bernhard Ramcke. De gebeurtenis kreeg aandacht in binnen- en buitenlandse kranten. Binnen HIAG ontstond daarna spanning tussen een meer uitgesproken politieke lijn en een voorzichtiger strategie.
In 1955 verliet Gille de HIAG. De reden lag in conflicten over de verdere inrichting van de organisatie en de positie van zijn blad. Daarna verdween hij meer naar de achtergrond. Hij dreef na de oorlog ook een boekhandel. Herbert Otto Gille overleed op 26 december 1966 aan de gevolgen van een hartinfarct.
Gille was sinds 4 januari 1935 getrouwd met Sophie Charlotte Mennecke, geboren op 31 december 1903 in Stemmen. Het echtpaar kreeg op 9 oktober 1935 een dochter. Binnen de SS viel op dat Gille geen volledig afstammingsbewijs tot 1750 indiende, ondanks herhaalde verzoeken van het SS-Sippenamt.
Militaire Rangen
Gilles militaire rangontwikkeling begon in het Duitse keizerlijke leger en liep later door binnen de SS en Waffen-SS. Zijn eerste opleiding lag bij de artillerie. Daarna volgde een periode zonder actieve militaire dienst. Vanaf 1934 werd zijn loopbaan opnieuw militair, nu binnen de SS-Verfügungstruppe en later binnen de Waffen-SS.
| Jaar | Rang of functie |
|---|---|
| 1914 | Fähnrich bij het 2. Badische Feldartillerie-Regiment Nr. 30 |
| 1915 | Leutnant in het Reserve-Feldartillerie-Regiment Nr. 55 |
| 1933 | SS-Sturmführer |
| 1935 | SS-Obersturmführer |
| 1937 | SS-Sturmbannführer |
| 1941 | SS-Standartenführer en commandant van SS-Artillerie-Regiment 5 Wiking |
| 1941 | SS-Oberführer |
| 1942 | SS-Brigadeführer en Generalmajor der Waffen-SS |
| 1943 | SS-Gruppenführer en Generalleutnant der Waffen-SS |
| 1944 | SS-Obergruppenführer en General der Waffen-SS |
Deze rangontwikkeling toont de snelle stijging van Gille binnen de Waffen-SS tijdens de oorlogsjaren. Vooral zijn functies aan het oostfront waren bepalend voor zijn verdere bevorderingen. De rangen moeten worden gezien binnen de militaire en politieke structuur van nazi-Duitsland, waarin SS-rang, partijlidmaatschap en bevelsfuncties nauw met elkaar verbonden waren.
Onderscheidingen
Gille ontving tijdens de Eerste Wereldoorlog beide klassen van het IJzeren Kruis. Daarnaast kreeg hij het Braunschweiger Kriegsverdienstkreuz en het Oostenrijkse Militair Verdienste Kruis der IIIe Klasse. Deze onderscheidingen hielden verband met zijn dienst als artillerieofficier aan het front. In de Tweede Wereldoorlog werden zijn eerdere IJzeren Kruisen aangevuld met gespen.
Op 28 februari 1942 ontving Gille het Duitse Kruis in Goud als SS-Oberführer in het SS-Artillerie-Regiment 5. Op 8 oktober 1942 volgde het Ridderkruis van het IJzeren Kruis als commandant van SS-Artillerie-Regiment 5 Wiking. Daarna ontving hij op 1 november 1943 het Eikenloof, op 20 februari 1944 de Zwaarden en op 19 april 1944 de Briljanten.
Tot zijn verdere onderscheidingen behoorden de Medaille ter herinnering aan 13 maart 1938, de Medaille ter herinnering aan 1 oktober 1938 met gesp Prager Burg, de SS-Dienstauszeichnung, de Ehrendegen des Reichsführers SS en de Totenkopfring der SS. Ook ontving hij het Finse Vrijheidskruis der Eerste Klasse met Zwaarden.
Verder werd Gille onderscheiden met het Allgemeines Sturmabzeichen, de Medaille Winterschlacht im Osten 1941/42 en het Verwundetenabzeichen in zilver. Hij werd op 6 april 1944 en 2 september 1944 genoemd in het Wehrmachtbericht. Deze onderscheidingen maakten deel uit van het militaire beloningssysteem van nazi-Duitsland en moeten in die historische context worden geplaatst.
Conclusie
Herbert Otto Gille was een Duitse beroepsmilitair die vanuit de artillerie doorgroeide naar hoge bevelsfuncties binnen de Waffen-SS. Zijn loopbaan liep van de Eerste Wereldoorlog via de SS-Verfügungstruppe naar divisie- en korpscommando’s aan het oostfront. Na 1945 was hij betrokken bij veteranenorganisaties die streefden naar rehabilitatie van voormalige Waffen-SS-leden. Zijn biografie blijft verbonden met oorlogvoering, nationaalsocialistische organisaties en naoorlogse beeldvorming.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Bundesarchiv, Bild 101I-090-3916-14 / Etzhold / CC-BY-SA 3.0, CC BY-SA 3.0 DE, via Wikimedia Commons
- Large, David Clay (1987). “Reckoning without the Past: The HIAG of the Waffen-SS and the Politics of Rehabilitation in the Bonn Republic, 1950–1961”. The Journal of Modern History 59 (1): 79–113. DOI 10.1086/243161. JSTOR 1880378. S2CID 144592069.
- Patzwall, Klaus D.; Scherzer, Veit (2001). Das Deutsche Kreuz 1941 – 1945 Geschichte und Inhaber Band II. Norderstedt: Verlag Klaus D. Patzwall. ISBN 978-3-931533-45-8.
- Scherzer, Veit (2007). Die Ritterkreuzträger 1939–1945. Jena: Scherzers Militaer-Verlag. ISBN 978-3-938845-17-2.
- Seidler, Franz W. (2000). “Herbert Gille. Der unpolitische Soldat”. In: Smelser, Ronald; Syring, Enrico (red.). Die SS. Elite unter dem Totenkopf. 30 Lebensläufe. Paderborn: Ferdinand Schöningh. ISBN 3-506-78562-1.
- Bradley, Dermot; Schulz, Andreas; Wegmann, Günter (2003). Die Generale der Waffen-SS und der Polizei. Band 1: Abraham–Gutenberger. Bissendorf: Biblio. ISBN 3-7648-2373-9.
- Wilke, Karsten (2011). Die Hilfsgemeinschaft auf Gegenseitigkeit (HIAG) 1950–1990. Veteranen der Waffen-SS in der Bundesrepublik. Paderborn: Schöningh. ISBN 978-3-506-77235-0.
- Manig, Bert-Oliver (2004). Die Politik der Ehre. Die Rehabilitation der Berufssoldaten in der frühen Bundesrepublik. Göttingen: Wallstein. ISBN 978-3-89244-658-3.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.










