Elisabeth Becker: Stutthof 1944 – 1946 proces

Elisabeth Becker (Neuteich, 20 juli 1923 – Gdańsk, 4 juli 1946) was een Duitse bewaakster in het concentratiekamp Stutthof tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij diende vanaf september 1944 als SS-Aufseherin in het vrouwenkamp SK-III en werd na de oorlog veroordeeld in het eerste Stutthofproces.

Vroege leven en opleiding

Elisabeth Becker werd geboren in Neuteich, in de Vrije Stad Danzig. De plaats staat tegenwoordig bekend als Nowy Staw in Polen. Zij groeide op in een Duitse familie in een gebied waar Duitse, Poolse en Joodse gemeenschappen dicht bij elkaar leefden. Over haar gezinssituatie zijn in de beschikbare gegevens weinig bijzonderheden vermeld, behalve dat zij niet gehuwd was.

Becker bezocht de Volksschule, het gewone basisonderwijs in Duitstalige gebieden. Dat onderwijs bereidde leerlingen vooral voor op praktisch werk en lagere administratieve of dienstverlenende functies. Zij kreeg geen hogere opleiding. Haar latere loopbaan sloot aan bij deze achtergrond, omdat zij vanaf jonge leeftijd werk verrichtte in vervoer, bedrijfsarbeid en gemeentelijke administratie.

In 1936 werd Becker lid van de Bund Deutscher Mädel. Deze organisatie was de meisjesafdeling binnen de nationaalsocialistische jeugdstructuur. Lidmaatschap betekende dat jonge meisjes werden opgenomen in een systeem van politieke vorming, groepsactiviteiten en discipline. Voor Becker viel dit samen met haar tienerjaren, toen de invloed van de NSDAP op het dagelijks leven in Duitse gemeenschappen toenam.

Vanaf 1938 werkte Becker als tramconductrice in Danzig. Zij was toen vijftien jaar oud. Deze functie hield controle van kaartjes, contact met reizigers en uitvoering van dienstregelingen in. Het werk paste bij stedelijk openbaar vervoer in een havenstad met veel economische en bestuurlijke betekenis. Zij bleef volgens Duitse gegevens tot 1940 in deze functie werkzaam.

Na haar werk als tramconductrice keerde Becker terug naar Neuteich. Van 1940 tot 1941 werkte zij bij de firma Dokendorf. Daarna trad zij in dienst bij de gemeentelijke administratie, waar zij als landbouwassistente werd ingezet. Deze functie sloot aan bij de agrarische omgeving van Neuteich en bij de lokale bestuurspraktijk tijdens de oorlogsjaren.

Interbellum: Neuteich en Danzig

Het interbellum vormde de maatschappelijke omgeving waarin Becker opgroeide. De Vrije Stad Danzig was na de Eerste Wereldoorlog een afzonderlijk gebied onder toezicht van de Volkenbond. De stad en het omliggende gebied hadden een Duitse meerderheid, maar lagen economisch en geografisch nauw bij Polen. Die politieke situatie bepaalde het openbare leven in Neuteich en Danzig.

In de jaren dertig nam de invloed van het nationaalsocialisme in Danzig sterk toe. Jongerenorganisaties, arbeidsstructuren en lokale instellingen werden steeds meer met het regime verbonden. Becker was geen militair in deze periode, maar zij kwam wel terecht in organisaties en werkomgevingen die door de politieke orde van die jaren werden gevormd. Haar lidmaatschap van de Bund Deutscher Mädel past in die ontwikkeling.

De overgang van school naar werk verliep bij Becker vroeg. Zij werkte eerst in stedelijk vervoer, daarna in een lokaal bedrijf en vervolgens bij de gemeente. Deze gegevens tonen een loopbaan zonder hogere scholing of publieke bestuurlijke functie. Tot 1944 zijn er geen aanwijzingen dat zij een kampfunctie had of deel uitmaakte van een gewapende eenheid.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog

Beckers betrokkenheid bij de Tweede Wereldoorlog bestond uit haar dienst als bewaakster in Stutthof. Dit kamp lag bij Stutthof, het huidige Sztutowo, ten oosten van Danzig. Het kamp werd vanaf 1939 gebruikt voor gevangenen uit Polen en later uit meerdere bezette gebieden. In 1944 nam het aantal gevangenen toe, mede door verplaatsingen uit andere kampen.

In 1944 had de SS meer kampbewakers nodig. Vrouwelijke gevangenen werden in afzonderlijke kampdelen geplaatst, waardoor ook vrouwelijke bewakers werden ingezet. Becker werd opgeroepen voor dienst in Stutthof en kwam daar op 5 september 1944 aan. Zij begon toen met haar opleiding tot SS-Aufseherin, een vrouwelijke kampbewaker binnen het SS-kampsysteem.

De opleiding van een Aufseherin was gericht op toezicht, bevelvoering en handhaving van kampregels. Vrouwelijke bewakers stonden meestal niet in dezelfde formele positie als mannelijke SS-officieren, maar zij hadden wel directe macht over gevangenen. In Stutthof betekende dit dat zij toezicht hielden bij appèls, werkcommando’s, verplaatsingen en strafmaatregelen binnen het vrouwenkamp.

Na haar opleiding werkte Becker in het vrouwenkamp SK-III. Dit kampdeel maakte deel uit van het bredere Stutthofcomplex. De gevangenen waren onderworpen aan dwangarbeid, voedseltekort, ziekte, geweld en selectie. Becker bevond zich daardoor in een functie waarin dagelijks contact met gevangenen samenging met uitvoering van bevelen binnen het kampapparaat.

In de processtukken werd Becker verweten dat zij vrouwen en kinderen aanwees of begeleidde die naar de gaskamer werden gestuurd. In één verklaring bekende zij dat zij ten minste dertig vrouwelijke gevangenen had geselecteerd voor vergassing. Later trok zij deze bekentenis in. Zij verklaarde toen dat zij vrouwen niet voor vergassing had geselecteerd, maar had aangegeven dat zij niet arbeidsgeschikt waren.

Deze latere intrekking veranderde niets aan de uitkomst van het proces. De rechtbank beoordeelde haar handelen binnen de bredere werking van Stutthof en het vrouwenkamp. Daarbij werd gekeken naar haar functie, de duur van haar dienst, verklaringen over selecties en de gevolgen voor gevangenen. Haar rol werd niet los gezien van het kamp als vervolgings- en vernietigingssysteem.

Becker diende slechts enkele maanden in Stutthof. Zij begon op 5 september 1944 en verliet het kamp op 15 januari 1945. Die korte periode viel samen met een fase waarin het kamp onder grote druk stond door de nadering van het Rode Leger. Tegelijk bleef Stutthof functioneren als plaats van detentie, dwangarbeid en moord.

Op 15 januari 1945 vluchtte Becker uit het kamp en keerde zij terug naar Neuteich. Daarmee eindigde haar directe kampdienst. Het kamp zelf werd pas later bevrijd, op 9 mei 1945, toen Sovjettroepen Stutthof bereikten. Veel gevangenen waren toen al geëvacueerd, op dodenmarsen gestuurd of omgekomen door ziekte, geweld en uitputting.

Na de oorlog

Na haar vertrek uit Stutthof ging Becker terug naar haar woonplaats. Volgens Duitse gegevens werd zij later ziek door tyfus en kwam zij in een ziekenhuis in Danzig terecht. Op 13 april 1945 werd zij door de Poolse politie gearresteerd. Daarna werd zij gevangengezet in afwachting van vervolging wegens haar dienst in Stutthof.

Het eerste Stutthofproces vond plaats in Gdańsk van 25 april tot en met 31 mei 1946. De zaak werd behandeld door een Pools-Sovjetrechtbank. Onder de aangeklaagden bevonden zich voormalige SS-bewakers, vrouwelijke kampbewakers en kapo’s. Kapo’s waren gevangenen die door de kamporganisatie werden ingezet voor toezicht of bevelvoering over andere gevangenen.

Becker stond terecht naast onder anderen Gerda Steinhoff, Jenny-Wanda Barkmann, Wanda Klaff en Ewa Paradies. Ook Johann Pauls, de commandant van de bewaking, behoorde tot de aangeklaagden. De rechtbank onderzocht hun betrokkenheid bij misdaden tegen gevangenen in Stutthof en in verbonden kampdelen. De aanklacht plaatste hun handelingen binnen het kampbestuur en de uitvoering van vervolging.

Op 31 mei 1946 werd Becker schuldig bevonden aan misdaden tegen de menselijkheid. Zij kreeg de doodstraf door ophanging. De rechtbank maakte bij de beoordeling verschil tussen de aangeklaagden, maar kwam bij Becker toch tot de zwaarste straf. Haar korte diensttijd werd wel genoemd, maar woog uiteindelijk niet op tegen de bewezen geachte betrokkenheid.

Na de uitspraak vroeg Becker meerdere keren om gratie bij de Poolse president Bolesław Bierut. Ook werd door de rechtbank aanbevolen om haar straf om te zetten in vijftien jaar gevangenisstraf, omdat haar rol minder zwaar werd beoordeeld dan die van sommige andere veroordeelde bewaaksters. Deze aanbeveling leidde niet tot een wijziging van het vonnis.

Op 4 juli 1946 werd Becker publiekelijk opgehangen op Biskupia Górka in Gdańsk. Het vonnis werd samen met tien andere doodvonnissen voltrokken. Onder de geëxecuteerden waren voormalige vrouwelijke kampbewakers en kapo’s uit het Stutthofproces. De executie maakte deel uit van de vroege naoorlogse vervolging van personeel uit het concentratiekamp Stutthof.

Militaire Rangen

Elisabeth Becker wordt in de bronnen aangeduid als SS-Aufseherin. Dat was een functie voor vrouwelijke kampbewakers binnen het SS-kampsysteem. De term betekende letterlijk opzichteres of bewaakster. Vrouwen met deze functie hielden toezicht op vrouwelijke gevangenen, maar zij stonden niet op dezelfde formele ranglijn als mannelijke SS-officieren.

Er zijn geen gegevens dat Becker een reguliere militaire rang in de Wehrmacht had. Haar bekende positie was verbonden aan het SS-Gefolge, de vrouwelijke hulpcategorie rond de SS. In praktische zin had zij gezag over gevangenen in het kamp, maar haar functie moet worden onderscheiden van gevechtsdienst, officiersrang of commandovoering binnen het leger.

Conclusie

Elisabeth Becker was een jonge Duitse vrouw uit Neuteich die in 1944 als SS-Aufseherin in Stutthof werd ingezet. Haar eerdere leven bestond uit basisonderwijs, jeugdorganisatie, werk in Danzig en lokale administratieve arbeid. Haar historische plaats wordt vooral bepaald door haar korte, maar strafrechtelijk beoordeelde dienst in het vrouwenkamp SK-III.

Het eerste Stutthofproces stelde haar verantwoordelijk voor deelname aan het kampapparaat en voor handelingen rond selectie en overbrenging van gevangenen. Zij werd veroordeeld tot de doodstraf, ondanks gratieverzoeken en een aanbeveling tot strafomzetting. Haar executie op 4 juli 1946 sloot haar zaak af binnen de vroege naoorlogse rechtspraak over Stutthof.

Bronnen en meer informatie

  1. Megargee, Geoffrey P.; Dean, Martin (2009). The United States Holocaust Memorial Museum Encyclopedia of Camps and Ghettos, 1933–1945. Indiana University Press. ISBN 978-0-253-35328-3.
  2. Wachsmann, Nikolaus (2015). KL: A History of the Nazi Concentration Camps. Farrar, Straus and Giroux. ISBN 978-0-374-11825-9.
  3. Brown, Daniel Patrick (2002). The Camp Women: The Female Auxiliaries Who Assisted the SS in Running the Nazi Concentration Camp System. Schiffer Publishing. ISBN 978-0-7643-1444-5.
  4. Lower, Wendy (2013). Hitler’s Furies: German Women in the Nazi Killing Fields. Houghton Mifflin Harcourt. ISBN 978-0-547-86338-2.
  5. Helm, Sarah (2014). Ravensbrück: Life and Death in Hitler’s Concentration Camp for Women. Doubleday. ISBN 978-0-385-52059-1.
  6. Longerich, Peter (2010). Holocaust: The Nazi Persecution and Murder of the Jews. Oxford University Press. ISBN 978-0-19-280436-5.
  7. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946
Previous articleHerbert Otto Gille 1897-1966 SS-commandant
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in de Tweede Wereldoorlog. Sommigen hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring en strategisch inzicht mee, terwijl anderen een academische of wetenschappelijke opleiding hebben gevolgd, zoals aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) of in historisch onderzoek. Deze combinatie van expertise zorgt voor diepgaande, goed onderbouwde artikelen die zowel feitelijk accuraat als analytisch sterk zijn. De redactie streeft ernaar om objectieve en goed gedocumenteerde informatie te bieden, waarbij kennis en ervaring samenkomen om een genuanceerd beeld te schetsen van deze ingrijpende periode in de geschiedenis.