
De Stutthof-processen waren naoorlogse tribunalen tegen personeel en functionarissen van het concentratiekamp Stutthof, bij Sztutowo in bezet Polen. De zaken vonden vooral plaats in Gdańsk en Toruń tussen 1946 en 1953. Zij behandelden misdaden tegen gevangenen binnen het kampcomplex, waar tot 85.000 mensen werden vermoord. De procedures legden vast welke rollen rechtbanken aan die misdaden verbonden.
Wat waren de Stutthof-processen?
De Stutthof-processen vormden een reeks strafzaken tegen SS-personeel, opzichteressen, kampfunctionarissen en enkele kapo’s. De kern van de zaken was de verantwoordelijkheid voor moord, mishandeling, bewaking en ondersteuning van het kampstelsel. De Poolse tribunalen beoordeelden deze handelingen als misdaden tegen de menselijkheid en plaatsten ze binnen de Duitse bezetting van Polen tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Stutthof was niet alleen een hoofdkamp. Het omvatte ook buitenkampen, waaronder Bromberg-Ost in Bydgoszcz en later werkcommando’s rond Toruń. Daardoor ging de berechting niet alleen over één locatie, maar over een netwerk van bewaking, dwangarbeid, transporten en kampadministratie. In dat systeem hadden SS’ers, opzichteressen en kapo’s verschillende functies, maar zij konden allemaal bij strafzaken worden betrokken.
De term misdaden tegen de menselijkheid verwees in deze context naar vervolging, moord en systematisch geweld tegen burgers en gevangenen. Bij deze zaken was het onderscheid van belang tussen individuele schuld en het functioneren van een kamporganisatie. Een rechtbank moest niet alleen vaststellen dat Stutthof een plaats van misdaden was, maar ook welke verdachte daaraan persoonlijk had bijgedragen.
Van de circa 2.000 SS-mannen en vrouwen die het kampcomplex beheerden, werden in Polen 72 SS-officieren en zes opzichteressen gestraft. Dat aantal laat zien dat de berechting slechts een deel van het personeelsbestand bereikte. Toch kregen de processen juridische betekenis, omdat zij direct na de oorlog concrete functies binnen Stutthof koppelden aan strafrechtelijke aansprakelijkheid.
Hoe verliepen de Poolse processen?
Het eerste Poolse oorlogstribunaal over Stutthof kwam bijeen in Gdańsk van 25 april tot 31 mei 1946. Daarna volgden drie processen voor dezelfde rechtbank: van 8 tot 31 oktober, van 5 tot 10 november en van 19 tot 29 november 1947. De vijfde zaak vond in 1949 plaats in Toruń. De zesde en laatste Poolse Stutthof-zaak werd in 1953 in Gdańsk behandeld.
Deze volgorde laat zien dat de Poolse rechtbanken meerdere personeelsgroepen afzonderlijk behandelden. Sommige zaken gingen over bewakers en commandostructuren, andere over kapo’s of buitenkampen. Daardoor verschoof de aandacht per proces: van directe mishandeling en executie naar bewaking, dwangarbeid en toezicht binnen het kampcomplex. De indeling maakte het mogelijk om verschillende functies apart te beoordelen.
De vonnissen verschilden per zaak en per verdachte. Sommige beklaagden kregen de doodstraf, anderen gevangenisstraffen van uiteenlopende duur, en enkele personen werden vrijgesproken. Daardoor ontstond geen enkelvoudig oordeel over het volledige kamp, maar een reeks afzonderlijke strafrechtelijke beslissingen. Die aanpak sloot aan bij de vraag welke rol een persoon binnen Stutthof of een buitenkamp had vervuld.
Hoe verliep het eerste proces in Gdańsk?
Tijdens het eerste proces berechtte een gezamenlijke Sovjet-Poolse Speciale Strafrechtbank in Gdańsk een groep voormalige functionarissen, bewakers, opzichteressen en kapo’s. De zaak liep van 25 april tot 31 mei 1946 en betrof Stutthof in Sztutowo en het vrouwenbuitenkamp Bromberg-Ost in Bydgoszcz. De rechtbank stelde schuld vast bij de hoofdgroep die in deze zaak werd veroordeeld.
De doodvonnissen werden op 4 juli 1946 uitgevoerd op de heuvel Biskupia Górka bij Gdańsk, in aanwezigheid van een grote menigte. Tot de geëxecuteerden behoorden bewakerscommandant Johann Pauls en de opzichteressen Jenny-Wanda Barkmann, Elisabeth Becker, Wanda Klaff, Ewa Paradies en Gerda Steinhoff. Ook de kapo’s Tadeusz Kopczyński, Wacław Kozłowski, Józef Reiter, Franciszek Szopiński en Jan Brajt werden op die dag opgehangen.
Naast deze doodvonnissen kwamen in het vonnisoverzicht ook andere uitkomsten voor. Erna Beilhardt kreeg vijf jaar gevangenisstraf en Kazimierz Kowalski drie jaar. Aleksy Duzdal en Jan Preiss werden vrijgesproken. Marian Zielkowski, eveneens genoemd in verband met de zaak, overleed op 25 augustus 1945 in gevangenschap, nog vóór de openbare afhandeling van het proces.
Welke rol hadden Max Pauly en Paul-Werner Hoppe?
Geen van de commandanten van Stutthof werd in Polen berecht. Max Pauly, SS-Sturmbannführer en commandant van Stutthof en later Neuengamme, stond in Duitsland terecht voor een Britse militaire rechtbank. Die procedure ging niet over zijn daden in Stutthof, maar over Neuengamme bij Hamburg. Hij werd ter dood veroordeeld en op 8 oktober 1946 in de gevangenis van Hamelen geëxecuteerd.
Het Britse proces tegen Pauly vond plaats in het Curio Haus in Hamburg, in de Britse bezettingszone. De behandeling liep van 18 maart tot 13 mei 1946. Pauly werd samen met meerdere medebeklaagden veroordeeld; elf anderen kregen eveneens de doodstraf. De beul Albert Pierrepoint voerde de executie uit door ophanging met lange val.
Paul-Werner Hoppe was de tweede commandant van Stutthof van augustus 1942 tot januari 1945. Hij werd in 1953 in West-Duitsland aangehouden en later tot negen jaar gevangenisstraf veroordeeld. Zijn zaak hoorde daardoor niet bij de Poolse Stutthof-processen, maar is wel verbonden met de naoorlogse behandeling van verantwoordelijkheid binnen de kampcommandantuur.
Hoe verliep het tweede Stutthof-proces?
Het tweede proces vond van 8 tot 31 oktober 1947 plaats voor een Poolse Speciale Strafrechtbank. Vierentwintig voormalige functionarissen en bewakers van Stutthof werden voorgeleid en schuldig bevonden. Tien veroordeelden kregen de doodstraf. De executies vonden plaats op 28 oktober 1948 en betroffen negen SS’ers en de kapo Alfred Nikolaysen.
De ter dood veroordeelde SS’ers waren Kurt Dietrich, Karl Eggert, Theodor Meyer, Ewald Foth, Albert Paulitz, Fritz Peters, Hans Rach, Paul Wellnitz en Karl Zurell. Nikolaysen kreeg hetzelfde vonnis als kapo. Erich Thun kreeg levenslang. Wilhelm Vogler werd tot vijftien jaar veroordeeld, Eduard Zerlin tot twaalf jaar. De vonnissen maakten onderscheid tussen rang, functie en vastgestelde betrokkenheid.
Oskar Gottchau, Adolf Grams, Emil Wenzel en Werner Wöllnitz kregen tien jaar gevangenisstraf. Johannes Görtz, Karl Reger, Martin Stage, Adalbert Wolter en Josef Wennhardt kregen acht jaar. Hugo Ziehm en Walter Englert kregen drie jaar. Daarmee werd het tweede proces een brede zaak tegen lagere en middelhoge functies binnen het kamp.
Hoe verliepen het derde en vierde proces?
Het derde proces liep van 5 tot 10 november 1947. Twintig voormalige functionarissen en bewakers werden berecht; negentien werden schuldig bevonden en één werd vrijgesproken. Karl Meinck kreeg twaalf jaar. Gustav Eberle, Erich Jassen, Adolf Klaffke, Otto Schneider, Otto Welke en Willy Witt kregen elk tien jaar gevangenisstraf. Daarmee behandelde de rechtbank opnieuw verschillende rangen binnen het kamp.
Daarna volgden lagere straffen in dezelfde zaak. Alfred Tissler, Johann Lichtner, Ernst Thulke, Heinz Löwen en Erich Stampniok kregen vijf jaar. Hans Möhrke, Harry Müller, Richard Timm, Nikolaus Dirnberger, Friedrich Tessmer en Johann Sporer kregen vier jaar. Nikolai Klawan kreeg drie jaar. Hans Tolksdorf werd vrijgesproken. Deze uitkomsten tonen de variatie in strafmaat binnen één proces.
Het vierde proces vond plaats van 19 tot 29 november 1947. Zevenentwintig voormalige functionarissen en bewakers stonden terecht; zesentwintig werden schuldig bevonden en één werd vrijgesproken. Willi Buth kreeg de doodstraf en werd op 10 januari 1949 geëxecuteerd. Albert Weckmüller kreeg vijftien jaar gevangenisstraf. De zaak sloot aan op de eerdere Poolse vervolgingen van kampbewakers.
Rudolf Berg, Fritz Glawe, Horst Köpke, Emil Lascheit, Kurt Reduhn en Josef Stahl kregen tien jaar. Waldemar Henke, Gustav Kautz, Hermann Link, Erich Mertens, Martin Pentz, Johann Pfister en Johannes Wall kregen vijf jaar. Richard Akolt, Anton Kniffke en Christof Schwarz kregen drie jaar. Franz Spillmann, een kapo, werd vrijgesproken.
Een groep lagere straffen bedroeg zeven maanden gevangenis. Dat gold voor Gustav Brodowski, Walter Ringewald, Richard Wohlfeil, Johann Wrobel, Ernst Knappert, Bernard Eckermann, Leopold Baumgartner en Emil Paul. De variatie in duur laat zien dat de rechtbanken niet één standaardstraf toepasten, maar per persoon een oordeel vaststelden op basis van functie en bewezen gedrag.
Welke zaken volgden in Toruń en Gdańsk?
De vijfde Poolse zaak vond in 1949 plaats in Toruń. Hans Jacobi, SS-Hauptsturmführer en commandant van Stutthof-buitenkampen rond Baukommando Weichsel of OT Thorn, stond daar terecht. Deze buitenkampen waren verbonden met vrouwelijke gevangenen die antitankgrachten moesten graven. Jacobi kreeg drie jaar gevangenisstraf. De zaak verbond het kampcomplex met dwangarbeid buiten het hoofdkamp.
De zesde Poolse Stutthof-zaak vond in 1953 plaats in Gdańsk. Paul Bielawa, SS-Rottenführer en bewaker van gevangenen bij de derde compagnie in Stutthof tussen 1941 en 1945, werd tot twaalf jaar gevangenisstraf veroordeeld. Daarnaast werd Emil Strehlau op 23 april 1948 in de regio Toruń/Włocławek ter dood veroordeeld en op 8 november 1948 in Włocławek geëxecuteerd.
Welke latere processen vonden in Duitsland plaats?
In de jaren vijftig kregen ook enkele kampcommandanten in Duitsland gevangenisstraffen. Daarbij werden Otto Knott, Otto Haupt en Bernard Lüdtke genoemd in verband met toezicht op de moord op Joodse gevangenen in gaskamers tussen 1942 en 1944. Deze zaken vielen buiten de eerste Poolse reeks, maar behandelden dezelfde kampgeschiedenis. Zij maakten deel uit van latere vervolging buiten Polen.
Vanaf 2017 kwamen opnieuw zaken rond voormalige Stutthof-bewakers aan de orde. De vervolging van twee mannen uit Borken en Wuppertal begon toen. De verdachte uit Wuppertal ontkende de beschuldigingen en verklaarde dat hij tijdens moorden niet aanwezig was en daarvan niets had gemerkt. De zaken pasten in een bredere Duitse beoordeling van kampdienst.
Johann Rehbogen, afkomstig uit Borken, stond in november 2018 terecht voor zijn dienst in Stutthof van juni 1942 tot september 1944. In december 2018 werd de behandeling geschorst wegens ernstige hart- en nierproblemen. Op 25 februari 2019 werd bekendgemaakt dat voortzetting van het proces onwaarschijnlijk was door zijn gezondheid. Daardoor kwam de zaak niet tot een gewone afronding.
Bruno Dey uit Hamburg werd in oktober 2019 beschuldigd van medeplichtigheid aan de moord op 5.230 gevangenen in Stutthof tussen 1944 en 1945. Omdat hij destijds ongeveer zeventien jaar was, werd de zaak door een jeugdrechtbank behandeld. In juli 2020 werd hij veroordeeld voor 5.232 gevallen van medeplichtigheid aan moord en één geval van medeplichtigheid aan poging tot moord.
Irmgard Furchner, voormalige secretaresse en stenografe van kampcommandant Paul-Werner Hoppe, werd in 2021 aangeklaagd voor 11.412 gevallen van medeplichtigheid aan moord en achttien gevallen van medeplichtigheid aan poging tot moord. Op 20 december 2022 werd zij schuldig bevonden en kreeg zij een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar. Op 20 augustus 2024 bevestigde het Duitse Bundesgerichtshof haar veroordeling.
Wat was de betekenis van de Stutthof-processen?
De Stutthof-processen laten zien hoe naoorlogse rechtbanken verschillende vormen van kampdienst beoordeelden. Niet alleen commandanten of directe daders kwamen in beeld, maar ook bewakers, opzichteressen, kapo’s en administratieve medewerkers. Daardoor werd het kampstelsel juridisch onderzocht als een organisatie waarin meerdere functies bijdroegen aan gevangenschap, dwangarbeid en moord. Dat maakte de zaken breder dan individuele geweldshandelingen alleen.
De Poolse zaken hadden een ander karakter dan de latere Duitse processen. In Polen lag de beoordeling kort na de oorlog bij personeel dat toen beschikbaar was voor vervolging. De latere Duitse zaken richtten zich vaker op medeplichtigheid, ook wanneer de betrokkene als bewaker of administratieve kracht had gewerkt. Zo bleef Stutthof decennia later onderwerp van strafrecht.
De Stutthof-zaken stonden naast andere naoorlogse procedures over concentratie- en vernietigingskampen, waaronder zaken over Dachau, Sobibór, Bełżec, Majdanek en Chełmno. Zij hadden een kleinere schaal dan de processen tegen de hoogste leiders van het Derde Rijk, maar behandelden juist het functioneren van kampbewaking en buitenkampen. Daarmee vullen zij het beeld van naoorlogse rechtspraak aan.
Voor historisch onderzoek zijn de processen van waarde door hun concrete gegevens over rangen, functies, buitenkampen en strafmaat. Zij maken zichtbaar hoe Stutthof niet als losse plaats moet worden gezien, maar als kampcomplex met bewaking, administratie en dwangarbeid. Tegelijk blijft nauwkeurige bronkritiek nodig, omdat vonnisoverzichten, rechtbankstukken en latere nieuwsberichten elk een andere invalshoek hebben.
Conclusie
De Stutthof-processen waren een reeks naoorlogse strafzaken over misdaden binnen het concentratiekamp Stutthof en de bijbehorende buitenkampen. In Polen vonden tussen 1946 en 1953 zes zaken plaats, vooral in Gdańsk en Toruń. Later volgden in Duitsland aanvullende vervolgingen. De zaken tonen hoe rechtbanken bewaking, toezicht, kampadministratie en commandofuncties verbonden aan strafrechtelijke verantwoordelijkheid.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: See page for author, Public domain, via Wikimedia Commons
- Chrzanowski, Bogdan; Gąsiorowski, Andrzej (1984). Załoga obozu Stutthof. Zeszyty Muzeum, 5. Wrocław, Warszawa, Kraków: Zakład Narodowy im. Ossolińskich. ISSN 0137-5377.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









