
USS New Mexico (BB-40) was een Amerikaans slagschip van de New Mexico-klasse. Het schip diende van 1918 tot 1946, voerde kustbombardementen uit in de Pacific en was aanwezig bij de Japanse capitulatie in Tokyo Bay op 2 september 1945. Het schip ontving zes battle stars voor oorlogsdienst.
Ontwerp en constructie
USS New Mexico werd op 30 juni 1914 door het Amerikaanse Congres goedgekeurd. Het schip was aanvankelijk bestemd voor de naam California, maar kreeg tijdens de bouw de naam New Mexico. De kiel werd gelegd op 14 oktober 1915 bij de New York Navy Yard. De tewaterlating volgde op 13 april 1917 en de indienststelling op 20 mei 1918, met kapitein Ashley Herman Robertson als eerste commandant.
New Mexico was het leidende schip van een klasse van drie slagschepen, samen met USS Mississippi en USS Idaho. De klasse hoorde bij de Amerikaanse standard-type battleships. Deze schepen waren ontworpen voor een slaglinie met vergelijkbare snelheid, draaicirkel, bepantsering en vuurkracht. De romp kreeg een lengte van 624 voet, ongeveer 190 meter, een breedte van 97 voet en 5 inch, ongeveer 29,69 meter, en een diepgang van 30 voet, ongeveer 9,1 meter.
De waterverplaatsing bedroeg 32.000 long tons als ontworpen en ongeveer 33.000 long tons bij volledige gevechtsbelasting. Het schip had bij indienststelling een bemanning van 1.084 officieren en manschappen. De romp en opbouw waren gebouwd rond zware artillerie, bescherming tegen granaatinslagen en een bereik dat oceaanoperaties mogelijk maakte.
Een technisch kenmerk was de turbo-elektrische voortstuwing. New Mexico kreeg vier schroefassen, General Electric stoomturbines met turbo-electric transmission en negen oliegestookte Babcock & Wilcox-ketels. Het vermogen bedroeg 27.500 shaft horsepower. Daarmee haalde het schip ongeveer 21 knopen, gelijk aan 39 kilometer per uur. Het bereik bedroeg ongeveer 8.000 zeemijl bij 10 knopen. Deze installatie maakte New Mexico het eerste Amerikaanse slagschip met turbo-elektrische aandrijving.
Bewapening
De hoofdbatterij bestond uit twaalf 14-inch/50 caliber kanonnen in vier drielingkoepels. Twee koepels stonden voor de opbouw en twee achter de opbouw, telkens in superfiring-opstelling. De drie lopen in elke koepel konden afzonderlijk in elevatie bewegen. Daardoor was de vuurleiding nauwkeuriger te regelen dan bij oudere Amerikaanse drielingconstructies waarbij lopen sterker mechanisch gekoppeld waren.
De secundaire batterij bestond oorspronkelijk uit 5-inch/51 caliber kanonnen in kazematten rond de midscheepse opbouw. Het ontwerp voorzag in meer stukken, maar de lager geplaatste kazematten waren bij ruwe zee beperkt bruikbaar. Daarom werden deze posities verwijderd of dichtgezet om waterinloop te voorkomen. Als gebouwd voerde het schip veertien 5-inch/51 kanonnen, aangevuld met vier 3-inch/50 caliber luchtafweerkanonnen.
New Mexico had daarnaast twee onderwater geplaatste 21-inch torpedobuizen, één aan elke zijde. In de jaren dertig werden de 3-inch luchtafweerkanonnen vervangen door acht 5-inch/25 caliber luchtafweerkanonnen. Tijdens de oorlog werd de luchtafweer verder uitgebreid met 40 mm Bofors en 20 mm Oerlikon-kanonnen. De oorspronkelijke 5-inch/51 batterij werd in 1942 verminderd; de literatuur noemt daarbij 8 of 6 overblijvende stukken, omdat ruimte nodig was voor moderne luchtafweer.
Bepantsering
De bescherming van New Mexico was afgestemd op een gevecht tussen slagschepen. De hoofdgordel had een dikte tot 13,5 inch, ongeveer 343 millimeter. Deze gordel beschermde de machinekamers, ketelruimen, magazijnen en andere vitale delen langs de waterlijn. Het hoofddek had een pantserdikte tot 3,5 inch, ongeveer 89 millimeter, bedoeld om neerkomende granaten en scherfwerking te beperken.
De hoofdkoepels hadden frontplaten van 18 inch, ongeveer 457 millimeter. De barbettes, de gepantserde kokers onder de koepels, waren tot 13 inch, ongeveer 330 millimeter dik. De commandotoren had zijden tot 16 inch, ongeveer 406 millimeter. Deze bescherming paste bij het ontwerp van een slagschip dat vuur moest kunnen ontvangen terwijl het in de slaglinie bleef opereren.
Sensoren en dataverwerking
Bij indienststelling vertrouwde New Mexico op optische waarneming, afstandsmeters, spotting tops en centrale vuurleiding. De twee vakwerkmasten droegen observatieposten voor de hoofdbatterij. In de jaren dertig veranderde dit beeld. De modernisering bracht nieuwe opbouwvormen, betere vuurleiding en aangepaste verbindingen tussen brug, plotruimten en geschutdirecteurs. Daarmee werd het schip geschikt gemaakt voor langere schootsafstanden en voor samenwerking met vliegtuigen die granaatinslagen konden waarnemen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd radar een vast onderdeel van de gevechtsvoering. Kort na de Amerikaanse deelname aan de oorlog kreeg de New Mexico-klasse Mark 3 Fire Control Radar voor de hoofdbatterij. Voor New Mexico is in 1944 vastgelegd dat de 14-inch gun directors waren voorzien van Mark 3 Fire Control Radar. Deze radar leverde afstandsgegevens voor de zware artillerie en maakte vuren bij beperkt zicht beter uitvoerbaar dan met alleen optische middelen.
Voor luchtwaarschuwing en oppervlaktewaarneming beschikte New Mexico in 1944 over SK-1 air-search radar en SG surface-search radar. De SK-1 bevond zich op de voormast en diende voor het vroegtijdig opbouwen van een luchtbeeld. Boven deze installatie stond een SG surface-search set; een tweede SG was geplaatst op de hoofdmast. SG-radar werd gebruikt voor oppervlaktedoelen, navigatie, formatiecontrole en kustnavigatie tijdens bombardementen. In het actieverslag van Kavieng op 20 maart 1944 worden radar fixes met SK Radar en afstandsmetingen met SG Radar genoemd. Dat toont dat radar niet alleen voor waarschuwing, maar ook voor navigatie en bombardementsvoorbereiding werd gebruikt.
De dataverwerking gebeurde niet digitaal, maar via radarplot, kaarten, telefooncircuits, spraakradio en de vuurleidingsplot. In hetzelfde actieverslag worden Navigator, Plot, CIC en andere plotting stations genoemd als gebruikers van Combat Navigation Charts. Daarmee is duidelijk dat het schip in 1944 een Combat Information Center had. Dit CIC verzamelde waarnemingen uit radar, visuele posten, radioverkeer en vliegtuigen, waarna informatie naar brug, vuurleiding en commandovoering ging.
Het systeem had ook grenzen. Mark 3 Fire Control Radar was een vroeg vuurleidingsradar en niet gelijk aan latere systemen met hogere nauwkeurigheid. De luchtafweer bleef afhankelijk van kanondirecteurs, lokale waarneming en snelle doorgegeven meldingen. New Mexico was geen gespecialiseerde fighter-direction ship. De kracht lag vooral in het samenbrengen van radarbeeld, kaartwerk, radioverkeer en vuurleiding binnen één commandostructuur.
Sonar wordt in de technische gegevens en operatieverslagen van New Mexico niet als scheepsuitrusting genoemd. Onderzeebootbeveiliging werd uitgevoerd door escorterende destroyers, patrouilles en formatieprocedures. Voor de maatstaven van 1944 was New Mexico dus een ouder slagschip met gemoderniseerde radar, vuurleiding en CIC, maar zonder zelfstandige anti-onderzeebootrol.
Modificaties
De eerste wijzigingen betroffen de secundaire batterij. In 1922 werden twee 5-inch/51 caliber kanonnen verwijderd. Tussen maart 1931 en januari 1933 volgde een grote modernisering in Philadelphia. De turbo-elektrische aandrijving werd vervangen door conventionele geared turbines van Curtis. Ook kreeg het schip acht 5-inch/25 caliber luchtafweerkanonnen ter vervanging van de 3-inch/50 caliber stukken.
De modernisering paste het schip aan de eisen van het interbellum aan. De vuurleiding werd verbeterd, de opbouw werd aangepast en de hoofdbatterij bleef het centrale wapensysteem. Tijdens oefeningen in de jaren dertig bleef New Mexico deel van de Amerikaanse slaglinie, maar de beperkte snelheid van 21 knopen liet zien dat snellere slagschepen nodig waren voor toekomstige vlootoperaties.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog vonden meerdere refits plaats. In mei 1942 werd de secundaire batterij verminderd om ruimte te maken voor extra luchtafweer. Na de Aleoeten-campagne kreeg het schip opnieuw werfonderhoud in Puget Sound. In oktober en november 1944 volgde een overhaul in Bremerton. Schade na kamikazeaanvallen in januari en mei 1945 leidde tot reparaties in Pearl Harbor en Leyte. De combinatie van radar, extra luchtafweer, betere communicatie en CIC hield het schip inzetbaar voor kustbombardementen en escorte.
Status schip tijdens de oorlog
Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog was New Mexico geen modern snel slagschip. Het ontwerp stamde uit de Eerste Wereldoorlog en de maximumsnelheid van ongeveer 21 knopen was te laag voor langdurige samenwerking met fast carrier task forces. De hoofdbatterij was nog bruikbaar voor kustbombardementen, maar het schip was minder geschikt voor gevechten waarin snelheid, luchtverdediging en snelle dataverwerking centraal stonden.
Toch was het schip onderhouden en herhaaldelijk aangepast. De grote modernisering van 1931–1933, de radarinstallaties, de uitbreiding van de luchtafweer en het gebruik van een Combat Information Center verbeterden de operationele waarde. New Mexico werd daarom vooral ingezet als vuursteunschip, escorteschip en vlaggenschip binnen formaties waar snelheid minder zwaar woog dan artillerie, commandoruimte en aanwezigheid.
Operationele geschiedenis
Vroege dienst en interbellum
Na proefvaarten en training sloot New Mexico zich in 1918 aan bij de Atlantic Fleet. In december 1918 lag zij bij een vlootschouw in New York. Kort daarna escorteerde zij het passagiersschip George Washington, dat president Woodrow Wilson naar Frankrijk bracht voor de vredesbesprekingen van Versailles. Op 22 februari 1919 nam zij de bemanning van een zinkende schoener over en gebruikte daarna het wrak als oefendoel voor de secundaire batterij.
In juli 1919 werd New Mexico het vlaggenschip van de nieuwe Pacific Fleet. Zij voer via het Panamakanaal naar San Pedro en nam daarna deel aan jaren van oefeningen in de Pacific, de Caraïben en de Atlantische Oceaan. In deze periode werd het schip ook gebruikt voor vroege proeven met PID controllers voor automatische scheepsbesturing. In 1925 maakte zij een reis naar Australië en Nieuw-Zeeland. Na de modernisering van 1931–1933 keerde zij terug naar trainingsdienst. In 1937 voer zij naar Dutch Harbor in Alaska om operaties onder subarctische omstandigheden te testen.
Atlantische patrouilles en terugkeer naar de Pacific
Van 6 december 1940 tot 20 mei 1941 was New Mexico gebaseerd in Pearl Harbor. Daarna werd zij naar de Atlantic Fleet gestuurd voor Neutrality Patrols vanuit Norfolk. Deze dienst bestond uit korte periodes van konvooibegeleiding en patrouille langs de Atlantische route. Na de Japanse aanval op Pearl Harbor keerde zij terug naar de Pacific. Op 10 december 1941 ramde zij per ongeluk het vrachtschip Oregon ten zuiden van Nantucket Lightship. De rechterlijke beoordeling verklaarde New Mexico niet aansprakelijk voor het verlies.
Op 17 januari 1942 bereikte zij het Panamakanaal. Na een werfperiode in Puget Sound vertrok het schip naar Hawaï en escorteerde daarna konvooien en transportschepen naar de Fiji-eilanden. Vervolgens patrouilleerde zij in de zuidwestelijke Pacific en bereidde zich in Pearl Harbor voor op inzet in de Aleoeten.
Aleoeten, Gilberts en Marshalleilanden
In mei 1943 voer New Mexico naar Adak als basis voor operaties tegen Attu en Kiska. Op 21 juli nam zij deel aan de beschieting van Kiska. De Japanse bezetting werd kort daarna geëvacueerd. Na onderhoud in Puget Sound keerde zij terug naar Pearl Harbor voor oefeningen rond de invasie van de Gilbert Islands. Op 20 november 1943 beschoot zij Makin Atoll. Daarbij beschermde zij transportschepen, leverde luchtafweer en ondersteunde de landing.
In januari 1944 maakte New Mexico deel uit van de aanvalsmacht tegen de Marshall Islands. Zij beschoot Kwajalein en Ebeye van 31 januari tot 1 februari. Daarna volgden bombardementen op Wotje, New Ireland en Kavieng. Bij Kavieng gebruikte zij radar, kaarten, luchtwaarneming en vuurleiding om kustdoelen te bestoken. Na deze reeks operaties voer het schip naar de Solomon Islands voor oefeningen voor de Mariana-campagne, met een tussenstop in Sydney.
Marianen, Filipijnen en Okinawa
In juni 1944 nam New Mexico deel aan bombardementen op Tinian, Saipan en Guam. Op 18 juni hielp zij twee luchtaanvallen afslaan. Terwijl snelle vliegdekschepen de Japanse carrierstrijdmacht bevochten in de Battle of the Philippine Sea, escorteerde New Mexico transportschepen en later escort carriers. Op 21 juli hervatte zij het bombardement van Guam en bleef dat tot 30 juli doen.
Na werfonderhoud in Bremerton kwam New Mexico aan in Leyte Gulf. Daar escorteerde zij versterkingen en voorraden terwijl Japanse luchtaanvallen dagelijks voorkwamen. Daarna sloot zij zich aan bij een konvooi richting Mindoro en leverde luchtafweer en dekkingsvuur. In januari 1945 ondersteunde zij de landing in Lingayen Gulf op Luzon. Op 6 januari trof een kamikaze de brug. Kapitein Robert Walton Fleming en 29 anderen kwamen om. Onder de doden was luitenant-generaal Herbert Lumsden; admiraal Bruce Fraser overleefde de aanval.
Na reparaties in Pearl Harbor werd New Mexico ingedeeld bij Task Force 54 voor de invasie van Okinawa. Vanaf 26 maart 1945 ondersteunde zij troepen aan land met zware artillerie. Op 11 mei vernietigde zij acht Shinyo-suicideboten. Een dag later werd zij bij Hagushi aangevallen door twee kamikazes. Het schip vatte brand; 54 bemanningsleden kwamen om en 119 raakten gewond. De branden werden binnen ongeveer dertig minuten geblust.
Japanse capitulatie en terugkeer
Na reparaties in Leyte oefende New Mexico voor de geplande invasie van Japan. Het nieuws van de Japanse overgave bereikte haar bij Saipan op 15 augustus 1945. Zij voer vervolgens naar Okinawa en daarna naar Sagami Wan. Op 28 augustus ging zij Tokyo Bay binnen. Op 2 september 1945 was zij aanwezig bij de formele Japanse capitulatie. Op 6 september vertrok zij naar de Verenigde Staten via Okinawa, Hawaï en het Panamakanaal. Op 17 oktober kwam zij aan in Boston.
Na de oorlog
New Mexico werd op 19 juli 1946 in Boston buiten dienst gesteld. Op 25 februari 1947 werd zij uit het Naval Vessel Register geschrapt. In november 1947 werd het schip voor 381.600 dollar verkocht aan de Lipsett Division of Luria Bros voor sloop.
De sleepreis naar Newark verliep moeizaam. In november 1947 vertrok New Mexico uit Boston, getrokken door twee sleepboten. Door zwaar weer bij New York moesten de sleeplijnen worden losgemaakt. Het slagschip dreef daarna als verlaten romp totdat een vliegtuig van de United States Coast Guard het op ongeveer 35 mijl uit de kust terugvond.
De aankomst in Newark leidde tot bestuurlijk verzet. De stad wilde geen verdere scheepssloop langs de waterkant en stuurde brandweerboten om de toegang te blokkeren. De Coast Guard gaf aan veilige doorgang te zullen waarborgen als de juridische toegang was toegestaan. Onderstaatssecretaris W. John Kenney bemiddelde tussen Newark en Lipsett. De stad liet uiteindelijk toe dat New Mexico, Idaho en Wyoming werden gesloopt, maar zonder blijvende sloopinrichting.
New Mexico bereikte Newark Channel op 19 november 1947. De sloop begon op 24 november en was in juli 1948 voltooid. Twee scheepsbellen werden aan de staat New Mexico geschonken. De grootste bel kwam uiteindelijk in de collectie van het New Mexico History Museum. De kleinere bel ging naar de University of New Mexico.
Conclusie
USS New Mexico was in 1941 een ouder slagschip, maar niet zonder operationele waarde. De snelheid en het basisontwerp beperkten haar inzet bij snelle vlootoperaties. De hoofdbatterij, radar, uitgebreide luchtafweer en het Combat Information Center maakten haar vanaf 1944 geschikt voor kustbombardementen, escorte en vlaggenschiptaken. Volgens de militaire normen van 1943 was een schip zonder CIC of vergelijkbare dataverwerking verouderd. New Mexico had in 1944 aantoonbaar een CIC en moderne radar voor zoek-, navigatie- en vuurleidingstaken. Daardoor bleef zij bruikbaar binnen de rol waarvoor zij in de Pacific vooral werd ingezet.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Naval History & Heritage Command, Public domain, via Wikimedia Commons
Bennett, Stuart (1986). A History of Control Engineering, 1800–1930. London: IET. ISBN 978-0-86341-047-5.
Bonner, Kermit (1997). Final Voyages. Paducah: Turner Publishing Company. ISBN 978-1-56311-289-8.
Breyer, Siegfried (1973). Battleships and Battle Cruisers 1905–1970. Garden City: Doubleday and Company. ISBN 0-385-07247-3.
Cressman, Robert (2000). Chapter III: 1941. The Official Chronology of the U.S. Navy in World War II. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-55750-149-3.
Driscoll, John C. (2009). USS New Mexico (BB-40): The Queen’s Story in the Words of Her Men. Agincourt: Agincourt Research Services. ISBN 978-0-9840784-0-0.
Friedman, Norman (1985). U.S. Battleships: An Illustrated Design History. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-715-9.
Friedman, Norman (1986). United States of America. In Gardiner, Robert; Gray, Randal (eds.). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1906–1921. London: Conway Maritime Press. ISBN 978-0-85177-245-5.
Nofi, Albert A. (2010). To Train The Fleet For War: The U.S. Navy Fleet Problems, 1923–40. Washington D.C.: Government Printing Office. ISBN 978-1-884733-87-1.
Rohwer, Jürgen (2005). Chronology of the War at Sea, 1939–1945: The Naval History of World War II. Washington D.C.: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-119-8.
Sturton, Ian (2008). Conway’s Battleships: The Definitive Visual Reference to the World’s All-Big-Gun Ships. London: Conway Maritime Books. ISBN 978-1-84486-068-5.
Turner Publishing (2002). USS New York. Nashville: Turner Publishing. ISBN 1-56311-809-2.
Wiper, Steve (2003). Warship Pictorial 18: USS New Mexico BB-40. Tucson: Classic Warship Publishing. ISBN 0-9710687-8-X.









