Martin Bormann was een invloedrijke functionaris binnen de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP). Als hoofd van de Parteikanzlei en later als privésecretaris van Adolf Hitler speelde hij een centrale rol in het binnenste machtscentrum van het Derde Rijk. Zijn invloed op partijbeleid, administratie en persoonlijke toegang tot Hitler maakte hem tot een sleutelfiguur in de politieke en ideologische werking van het nationaalsocialisme. Bormann bleef tot de laatste dagen in de Führerbunker in Berlijn en verdween daarna uit beeld. Pas decennia later werd zijn dood bevestigd.
Vroege leven en opleiding
Martin Ludwig Bormann werd op 17 juni 1900 geboren in Wegeleben, in het toenmalige Koninkrijk Pruisen binnen het Duitse Keizerrijk. Hij was de zoon van postambtenaar Theodor Bormann en diens tweede echtgenote Antonie Mennong. Het gezin behoorde tot de lutherse gemeenschap. Na het overlijden van zijn vader in 1903 hertrouwde zijn moeder. Van de drie zonen die uit dit huwelijk voortkwamen, bereikten alleen Martin en zijn jongere broer Albert de volwassenheid.
Bormann volgde onderwijs aan een landbouwkundige handelsschool, maar zijn opleiding werd onderbroken toen hij zich in juni 1918 meldde voor militaire dienst. Hij werd toegewezen aan het 55e veldartillerieregiment, maar kwam door de late fase van de oorlog niet meer in actieve gevechtsacties terecht. Zijn inzet bleef beperkt tot garnizoensdienst, die duurde tot februari 1919.
Na zijn militaire dienst werkte Bormann korte tijd in een veevoederfabriek en werd daarna beheerder van een groot landgoed in Mecklenburg. Tijdens zijn werkzaamheden op het landgoed werd hij lid van een antisemitische vereniging van grootgrondbezitters. De naoorlogse economische chaos en hyperinflatie maakten voedselvoorraden bijzonder waardevol. Om plunderingen te voorkomen werden Freikorps-eenheden gestationeerd op landgoederen. Bormann sloot zich aan bij het Freikorps Roßbach, waar hij actief was als sectieleider en penningmeester.
Deelname aan de Eerste Wereldoorlog
Bormanns betrokkenheid bij de Eerste Wereldoorlog was beperkt. In juni 1918 meldde hij zich bij het 55e veldartillerieregiment, een onderdeel van het keizerlijke Duitse leger. De oorlog bevond zich op dat moment in zijn slotfase, en Bormann werd ingezet voor garnizoensdiensten in plaats van frontgevechten. Zijn militaire dienst eindigde in februari 1919, kort na de wapenstilstand van november 1918.
Ondanks het ontbreken van daadwerkelijke gevechtsdeelname gaf zijn diensttijd hem toegang tot netwerken van rechts-nationalistische veteranen, zoals het Freikorps, die later een belangrijke voedingsbodem vormden voor de ontwikkeling van het nationaalsocialisme in de Weimarrepubliek.
Interbellum: Van paramilitair naar partijfunctionaris
Na zijn vrijlating uit de gevangenis in februari 1925 — waar hij bijna een jaar had doorgebracht wegens betrokkenheid bij de moord op Walther Kadow — vestigde Martin Bormann zich in Oberweimar. In de nasleep van deze veroordeling bleef hij actief in nationaal-rechtsmilieu. In 1927 werd hij lid van de NSDAP, onder lidmaatschapsnummer 60.508. Hij werkte aanvankelijk als regionaal persfunctionaris, maar zijn gebrek aan spreekvaardigheid maakte hem ongeschikt voor publieke optredens.
Bormann ontwikkelde zich tot een organisator en administratief expert binnen de partij. In 1928 kreeg hij een functie bij het SA-verzekeringsbureau in München. Omdat reguliere verzekeringsmaatschappijen weigerden uit te keren bij geweld tussen politieke groeperingen, richtte hij in 1930 de Hilfskasse der NSDAP op. Dit hulpfonds compenseerde leden voor verwondingen tijdens partijactiviteiten en werd tevens een alternatieve financieringsbron voor de partij.
Zijn reputatie als financieel beheerder groeide. In 1933, na de machtsovername door de NSDAP, werd het fonds hervormd tot een algemene ongevallenverzekering en nam Bormann afstand van het beheer. Hij werd vervolgens benoemd tot chef van de staf van Rudolf Hess, de toenmalige plaatsvervanger van Hitler. In oktober van dat jaar volgde zijn benoeming tot Reichsleiter, de op een na hoogste partijfunctie.
Bormann genoot het vertrouwen van Hitler en kreeg de leiding over diverse bouwprojecten op de Obersalzberg, waaronder de uitbreiding van het Berghof en de bouw van het Kehlsteinhaus. Daarnaast verwierf hij aanzienlijke invloed als beheerder van Hitlers persoonlijke financiën en als architect van het “Adolf Hitler Fonds der Deutschen Wirtschaft”, dat donaties van industriëlen kanaliseerde naar de partijtop.
Vanaf medio jaren dertig nam Bormanns invloed binnen de partij en de entourage van Hitler gestaag toe. Hij wist anderen, zoals Wilhelm Brückner, uit Hitlers nabijheid te verdringen en controleerde steeds meer de toegang tot de Führer. In deze rol legde hij de basis voor zijn latere machtspositie.
Deelname aan de Tweede Wereldoorlog
Na de vlucht van Rudolf Hess naar Schotland in mei 1941 nam Bormann diens taken over onder de nieuwe titel Leiter der Parteikanzlei (hoofd van de partijkanselarij). Kort daarna werd hij benoemd tot minister zonder portefeuille in de oorlogskabinetraad voor de landsverdediging. Daarmee was hij formeel verantwoordelijk voor alle partijbenoemingen en partijorganisatie in Duitsland en de bezette gebieden.
In april 1943 werd Bormann officieel benoemd tot privésecretaris van Adolf Hitler. Deze functie maakte hem tot een sleutelfiguur in de communicatie tussen Hitler en de rest van de partij en het bestuur. Hij beheerste de toegang tot Hitler, bepaalde welke informatie hem bereikte, en formuleerde partijstandpunten en beleidslijnen in zijn naam. Door deze positie kon hij concurrerende machtsblokken zoals die van Joseph Goebbels, Hermann Göring en Heinrich Himmler doeltreffend beperken.
Tijdens de oorlog bevorderde Bormann antireligieuze beleidslijnen en was hij betrokken bij de vervolging van christelijke kerken. In 1941 verklaarde hij dat nationaalsocialisme en christendom onverenigbaar waren. Hij ondersteunde de secularisatie van het onderwijs, het sluiten van kloosters, en het weren van geestelijken uit de partij.
Bormann was eveneens betrokken bij het nazibeleid in de bezette gebieden in Oost-Europa. Hij ondertekende decreten die gericht waren op het beperken van burgerrechten van Slaven en Joden, onder andere door invoering van het Duitse strafrecht en maatregelen ter ondersteuning van de Holocaust, zoals de uitbreiding van de Neurenberger Wetten naar de bezette gebieden.
Hij nam deel aan beleidsvorming rond de inzet van dwangarbeid en volksmilitie. Samen met Heinrich Himmler deelde hij verantwoordelijkheid voor de oprichting van de Volkssturm, een laatste poging om verzet te bieden tegen de oprukkende geallieerden door mannen van 16 tot 60 jaar te mobiliseren.
In januari 1945 trok Bormann met Hitler terug in de Führerbunker in Berlijn. Hij bleef daar tot na Hitlers zelfmoord op 30 april. Bormann was aanwezig bij het huwelijk van Hitler met Eva Braun en ondertekende diens politieke testament. Op 2 mei probeerde hij uit Berlijn te vluchten, maar verdween spoorloos.
Na de oorlog
Na het uiteenvallen van het Derde Rijk op 2 mei 1945 verdween Martin Bormann spoorloos uit het zicht. In de chaotische omstandigheden van de laatste dagen van de Slag om Berlijn probeerde hij met een kleine groep, waaronder SS-arts Ludwig Stumpfegger, uit de stad te ontsnappen. Volgens getuigen werd hij voor het laatst gezien nabij het Lehrter Bahnhof in Berlijn, waar hij vermoedelijk cyanide innam om gevangenneming te voorkomen.
Omdat zijn lichaam destijds niet werd gevonden, bleef zijn lot decennialang onderwerp van speculatie. In afwezigheid werd Bormann op 1 oktober 1946 veroordeeld tot de doodstraf door ophanging tijdens het Internationaal Militair Tribunaal in Neurenberg. Hij werd schuldig bevonden aan oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid.
In 1972 werden bij graafwerkzaamheden in de buurt van het voormalige Lehrter Bahnhof twee skeletten gevonden. Forensisch onderzoek, inclusief reconstructies van het gebit en later DNA-onderzoek in 1998, bevestigde dat een van de lichamen aan Martin Bormann toebehoorde. Zijn stoffelijk overschot werd gecremeerd en in 1999 boven de Oostzee uitgestrooid om een gedenkplaats te voorkomen die als pelgrimsoord voor neonazistische groeperingen zou kunnen dienen.
Militaire rangen
Hoewel Martin Bormann vanaf 1937 lid was van de SS, bekleedde hij geen operationele militaire functie. Hij bereikte de rang van SS-Obergruppenführer, een hoge erefunctie binnen de paramilitaire organisatie, die voornamelijk diende ter erkenning van zijn politieke rol binnen de partij. Zijn militaire ervaring uit de Eerste Wereldoorlog bleef beperkt tot garnizoensdienst als artillerist zonder gevechtsdeelname.
Onderscheidingen
Tijdens zijn politieke loopbaan ontving Bormann meerdere partij- en ereonderscheidingen, waaronder:
- Blutorden (1938)
- Gouden Partij-insigne van de NSDAP (1934)
- Eremes van de Reichsführer-SS
- SS-Totenkopfring
- Dienstonderscheidingen van de NSDAP in brons en zilver
- Olympia-Ereteken Eerste Klasse (1936)
- Ridder Grootkruis van de Kroon van Italië
Deze onderscheidingen weerspiegelden zijn status binnen de partijstructuur en zijn loyaliteit aan het nationaalsocialistische regime, eerder dan verdiensten op militair vlak.
Conclusie
Martin Bormann bekleedde tijdens het Derde Rijk een centrale positie binnen het administratieve en politieke apparaat van de NSDAP. Als hoofd van de partijkanselarij en privésecretaris van Adolf Hitler had hij grote invloed op benoemingen, beleidsvorming en informatievoorziening. Zijn rol in de onderdrukking van religieuze instellingen, zijn steun aan het antisemitische beleid en zijn nauwe betrokkenheid bij de uitvoering van de Holocaust plaatsen hem in de kern van het repressieve beleid van het nationaalsocialistische Duitsland. Na de oorlog werd hij bij verstek veroordeeld voor zijn daden, maar pas tientallen jaren later werd zijn dood officieel bevestigd.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Bundesarchiv, Bild 183-R14128A / CC-BY-SA 3.0, CC BY-SA 3.0 DE, via Wikimedia Commons
- Lang, Jochen von (1979). The Secretary: Martin Bormann – The Man Who Manipulated Hitler. New York: Random House. ISBN 978-0-394-50321-9
- Kershaw, Ian (2008). Hitler: A Biography. New York: W.W. Norton & Co. ISBN 978-0-393-06757-6
- Evans, Richard J. (2008). The Third Reich at War. New York: Penguin Group. ISBN 978-0-14-311671-4
- Miller, Michael (2006). Leaders of the SS and German Police, Vol. 1. San Jose: R. James Bender. ISBN 978-93-297-0037-2
- Beevor, Antony (2002). Berlin: The Downfall 1945. New York: Viking-Penguin. ISBN 978-0-670-03041-5
- Bullock, Alan (1999). Hitler: A Study in Tyranny. New York: Konecky & Konecky. ISBN 978-1-56852-036-0
- Shirer, William L. (1960). The Rise and Fall of the Third Reich. New York: Simon & Schuster. LCCN 60-6729
- Overy, Richard (2005). The Dictators: Hitler’s Germany and Stalin’s Russia. London: Penguin. ISBN 978-0-14-191224-0
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946










