Home Schepen Onderzeeboten USS Gudgeon (SS-211): een Amerikaanse onderzeeboot

USS Gudgeon (SS-211): een Amerikaanse onderzeeboot

USS Gudgeon voor anker bij Mare Island Naval Shipyard in Californië.
USS Gudgeon ligt voor anker bij Mare Island in Californië

USS Gudgeon (SS-211) was een Amerikaanse onderzeeboot van de Tambor-klasse die tussen 1941 en 1944 twaalf oorlogspatrouilles uitvoerde. Op 27 januari 1942 bracht zij als eerste Amerikaanse onderzeeboot in de Tweede Wereldoorlog een vijandelijk oorlogsschip tot zinken. Haar staat van dienst omvatte veertien bevestigde scheepsverliezen. In april 1944 verdween zij met alle opvarenden tijdens haar laatste patrouille.

Ontwerp en constructie

De Tambor-klasse was ontworpen als een vlootonderzeeboot met voldoende bereik voor langdurige operaties in de Stille Oceaan. Het ontwerp volgde op de Salmon- en Sargo-klassen en combineerde een groot vaarbereik met tien torpedobuizen en verbeterde leef- en werkruimten. USS Gudgeon droeg rompnummer SS-211 en was het laatste schip in de nummerreeks van de twaalf eenheden tellende klasse. Zij was niet de laatste Tambor-onderzeeboot die chronologisch in dienst werd gesteld.

De kiel werd gelegd bij de Mare Island Navy Yard in Californië en de tewaterlating volgde op 25 januari 1941. Annie B. Pye, de echtgenote van viceadmiraal William S. Pye, trad daarbij als sponsor op. USS Gudgeon kwam op 21 april 1941 in dienst en de bouwkosten bedroegen volgens een bericht uit die periode ongeveer zes miljoen dollar. Na proefvaarten langs de Californische kust vertrok zij op 28 augustus 1941 via Seattle naar Alaska om Sitka, Kodiak en Dutch Harbor als mogelijke marinebases te beoordelen.

De onderzeeboot had een lengte van 93,6 meter, een breedte van 8,3 meter en een diepgang van ongeveer 4,5 meter. De standaardwaterverplaatsing bedroeg circa 1.475 long ton aan de oppervlakte en ongeveer 2.370 long ton onder water. Een drukvaste binnenromp beschermde de bemanning en installaties tegen de waterdruk, terwijl de lichtere buitenvorm de stroomlijn, dekruimte en plaatsing van tanks bepaalde. De berekende beproevingsdiepte bedroeg ongeveer 76 meter, al konden operationele omstandigheden een commandant dwingen tijdelijk dieper te varen.

De voortstuwing was diesel-elektrisch en werkte via twee schroefassen. Aan de oppervlakte dreven vier dieselmotoren generatoren aan, die elektriciteit aan de tractiemotoren leverden, terwijl onder water grote accubatterijen de elektromotoren voedden. De ontwerpsnelheid bedroeg ongeveer 20,4 knopen boven water en 8,75 knopen onder water, met een vaarbereik van circa 11.000 zeemijl bij 10 knopen. De oorspronkelijke bezetting bestond uit ongeveer zestig officieren en manschappen, maar nam tijdens de oorlog toe door aanvullende apparatuur, bewapening en wachtfuncties.

Na haar reis door Alaska arriveerde USS Gudgeon op 10 oktober 1941 bij de onderzeebootbasis van Pearl Harbor. Training, oefeningen en plaatselijke opdrachten bepaalden de daaropvolgende weken. Tijdens de Japanse aanval op 7 december 1941 bevond zij zich voor speciale oefeningen bij Lahaina Roads, ten westen van Maui. De boot keerde onmiddellijk naar de basis terug en werd binnen enkele dagen gereedgemaakt voor een patrouille in Japanse wateren.

Bewapening

De hoofdbewapening bestond uit tien torpedobuizen met een diameter van 533 millimeter. Zes buizen waren in de boeg geplaatst en vier in de achtersteven, waardoor vanuit beide vaarrichtingen kon worden aangevallen. De boot kon 24 torpedo’s meenemen, inclusief de projectielen die bij vertrek in de buizen lagen. Deze verdeling gaf de Tambor-klasse een zwaarder voorwaarts salvo dan eerdere Amerikaanse ontwerpen en verminderde de noodzaak om tijdens een aanval van koers te veranderen.

Bij de indienststelling voerde USS Gudgeon een 3-inch/50-dekkanon voor aanvallen aan de oppervlakte. Daarnaast waren mitrailleurs beschikbaar die bij een oppervlakteactie op daarvoor bestemde opstellingen konden worden geplaatst. Tijdens de oorlog werd de lichte luchtafweer versterkt, onder meer met een 20 mm Oerlikon-kanon, terwijl de precieze opstelling tijdens onderhoudsperioden kon veranderen. Het dekkanon werd vooral gebruikt tegen kleine vaartuigen wanneer inzet van een torpedo niet doelmatig was, zoals tijdens acties tegen vissersvaartuigen en kustschepen in 1943 en 1944.

Amerikaanse onderzeeboten gebruikten in de eerste oorlogsjaren vooral de Mark 14-torpedo met een magnetische en contactontsteker. Dit wapentype kende problemen met diepteloop, ontsteking en betrouwbaarheid, waardoor treffers niet altijd een ontploffing of een onmiddellijk verlies veroorzaakten. Technische onderzoeken en aanpassingen verbeterden de werking gedurende 1943. USS Gudgeon voerde daarom haar eerste patrouilles uit in een periode waarin bemanningen hun aanvalsmethoden moesten afstemmen op wapens waarvan de feitelijke prestaties achterbleven bij de berekende waarden.

Bepantsering

USS Gudgeon had geen bepantsering zoals een slagschip of kruiser. De drukromp was sterk genoeg om de waterdruk op de vastgestelde beproevingsdiepte te weerstaan, maar was niet ontworpen om granaten, vliegtuigbommen of dieptebommen rechtstreeks op te vangen. De lichte buitenbeplating en bovenbouw boden slechts beperkte bescherming tegen scherven en klein kaliber vuur. Overleving berustte daarom vooral op vroegtijdige waarneming, een klein zichtbaar profiel, snel duiken, stille vaart en het bewaren van afstand tot vijandelijke escortes.

De constructie was verdeeld in waterdichte compartimenten, zodat plaatselijke schade niet direct de gehele boot hoefde uit te schakelen. Deze indeling bood echter geen zekerheid bij een zware explosie dicht bij de drukromp. Dieptebommen konden lekkage, vervorming, uitval van elektrische installaties en schade aan batterijen veroorzaken zonder de romp onmiddellijk te doorboren. Voor een Tambor-onderzeeboot waren goed schadebeheer, geoefende noodprocedures en geregeld onderhoud daarom rechtstreeks verbonden met de kans om een aanval te overleven.

Sensoren en dataverwerking

USS Gudgeon beschikte over periscopen, passieve hydrofoons en een actieve sonarinstallatie voor echopeiling. De hydrofoons maakten het mogelijk schroefgeluiden en andere geluiden onder water waar te nemen zonder zelf een signaal uit te zenden. De actieve sonar van het toenmalige QC-type zond geluidspulsen uit en bepaalde aan de hand van de terugkerende echo de richting en afstand van een object. Passief luisteren bleef tactisch de voorkeur houden, omdat een actieve uitzending de aanwezigheid van de onderzeeboot kon verraden.

Tijdens de oorlog werden Amerikaanse vlootonderzeeboten uitgerust met SD-luchtwaarschuwingsradar en SJ-oppervlaktezoekradar. De SD-installatie waarschuwde voor vliegtuigen, maar leverde slechts beperkte informatie over richting en afstand. De SJ-radar kon schepen en kustlijnen bij duisternis of slecht zicht nauwkeuriger waarnemen en ondersteunde nachtelijke oppervlakteaanvallen. USS Gudgeon kreeg deze radarmiddelen tijdens haar oorlogsdienst, naast radioapparatuur en richtingzoekmiddelen voor navigatie, berichtgeving en het bepalen van posities.

De dataverwerking was elektromechanisch en berustte voor een deel op handmatige waarneming en mondeling doorgegeven meetwaarden. Gegevens uit periscoop, radar en sonar gingen naar de aanvalspost, waar de Torpedo Data Computer koers, snelheid, afstand en doelhoek verwerkte tot een schietoplossing. De berekende gyrohoek werd vervolgens aan de torpedo doorgegeven. De kwaliteit van de uitkomst hing af van nauwkeurige metingen, een juiste schatting van de beweging van het doel en voortdurende correcties tijdens het naderen.

Bij USS Gudgeon waren de commandoruimte en de daarboven gelegen commandotoren afzonderlijke werkruimten. In de commandoruimte werden roer, diepte, trim, voortstuwing en diverse navigatiegegevens beheerd, terwijl de commandotoren tijdens een aanval als tactische centrale diende. De commandant gebruikte daar de periscoop, ontving sensorgegevens en gaf bevelen voor koerswijzigingen en torpedolanceringen. Bij onderzeeboten die vanaf de jaren vijftig werden gebouwd, verhuisden veel functies van de afzonderlijke commandotoren naar één geïntegreerde centrale, maar die ontwikkeling vond pas na de loopbaan van USS Gudgeon plaats.

Modificaties

De uitrusting van USS Gudgeon werd tijdens onderhoud aangepast aan ervaringen uit de oorlog. Radar vergrootte de waarnemingsmogelijkheden aan de oppervlakte, terwijl versterkte lichte luchtafweer bescherming moest bieden tijdens het varen en laden van batterijen boven water. Aan Amerikaanse vlootonderzeeboten werd bovendien een deel van de hoge beplating rond de brug verwijderd om het silhouet te verkleinen en het schootsveld te verbeteren. Zulke wijzigingen veranderden de basisconstructie niet, maar maakten de boot geschikter voor nachtelijke aanvallen en voor optreden in gebieden met Japanse luchtverkenning.

Na haar achtste oorlogspatrouille voer USS Gudgeon naar San Francisco voor een grote revisie, de eerste volledige onderhoudsbeurt sinds haar indienststelling. Motoren, batterijen, torpedoinstallaties, sensoren en romp konden daar grondig worden nagezien en hersteld. Ook werden tijdens zulke revisies beschikbare technische verbeteringen aangebracht en werkruimten aangepast aan de gegroeide bemanning. De boot keerde vervolgens terug naar Pearl Harbor en begon op 1 september 1943 aan haar negende oorlogspatrouille.

Status schip tijdens de oorlog

Bij het begin van de oorlog gold de Tambor-klasse als een moderne Amerikaanse vlootonderzeeboot. Het bereik, de snelheid aan de oppervlakte en de tien torpedobuizen pasten bij lange patrouilles in de Stille Oceaan. Nieuwere Gato- en Balao-klassen boden later een grotere beproevingsdiepte, bijgewerkte techniek en verbeteringen op basis van gevechtservaring. USS Gudgeon was daardoor in 1944 niet meer het nieuwste ontwerp, maar bleef na revisie geschikt voor offensieve patrouilles, bevoorradingsopdrachten en het afzetten of evacueren van personeel.

Het onderhoud stond onder druk door het hoge operationele tempo. Na de tweede patrouille ging de boot in dok, maar zij werd drie weken eerder dan voorzien uitgehaald en binnen ongeveer veertig uur gereedgemaakt voor de Slag bij Midway. Pas na acht patrouilles en twee jaar dienst volgde de omvangrijke revisie in Californië. De lange tussenperiode vergrootte de belasting van motoren, batterijen, leidingen en elektrische installaties, terwijl regelmatig boordonderhoud nodig bleef om de inzetbaarheid tijdens reizen van meerdere weken te behouden.

Operationele geschiedenis

Eerste tot en met derde oorlogspatrouille

USS Gudgeon vertrok op 11 december 1941 onder bevel van luitenant-commandant Elton W. Grenfell voor de eerste Amerikaanse onderzeebootpatrouille van de oorlog. De opdracht stond onbeperkte onderzeebootoorlog tegen Japanse scheepvaart toe en bracht haar naar de wateren voor Kyushu, waar op 31 december het eerste doelcontact volgde. Op 27 januari 1942 vuurde zij drie torpedo’s af op de Japanse onderzeeboot I-73, die zonk. Daarmee bracht USS Gudgeon als eerste Amerikaanse onderzeeboot in de Tweede Wereldoorlog een vijandelijk oorlogsschip tot zinken.

De tweede patrouille duurde van 22 februari tot 15 april 1942 in de Oost-Chinese Zee. Een claim van 26 maart bleef onbevestigd, maar een dag later zonk de Nissho Maru van 6.526 bruto ton. Voor haar derde patrouille vertrok USS Gudgeon op 18 mei naar het onderzeebootscherm rond Midway. Identificatieproblemen en positierapporten beperkten de aanvalsmogelijkheden, waarna zij op 14 juni zonder nieuw scheepsverlies terugkeerde.

Vierde tot en met zesde oorlogspatrouille

De vierde patrouille liep van 11 juli tot 2 september 1942 en eindigde in Fremantle. Bij Truk zonk op 3 augustus de Naniwa Maru van 4.853 bruto ton, terwijl op 17 augustus de tankers Shinkoku Maru en Nichiei Maru van elk 10.020 bruto ton beschadigd raakten. Tijdens de vijfde patrouille, van 8 oktober tot 1 december, zonk de Choko Maru van 6.783 bruto ton bij Rabaul. Een konvooiaanval op 11 november leverde geen bevestigd verlies op.

De zesde patrouille duurde van 27 december 1942 tot 18 februari 1943 en leverde geen bevestigd scheepsverlies op. Op 14 januari zette USS Gudgeon bij Catmon Point op Negros zes mannen voor het Filipijnse verzet aan land. Bij Timor nam zij op 10 februari 28 Australiërs, Britten, Portugezen en Filipino’s aan boord. Onder hen bevond zich de 22-jarige Australiër Alfred James Ellwood van Z Special Unit, waarna de groep naar Fremantle werd gebracht.

Zevende en achtste oorlogspatrouille

Tijdens de zevende patrouille, vanaf 13 maart 1943, opereerde USS Gudgeon in de Java- en Makassarzee. Op 22 maart zonk de Meigen Maru van 5.434 bruto ton en raakten twee schepen beschadigd. Vijf dagen later werd de tanker Tōhō Maru van 9.987 bruto ton tijdens een nachtelijke oppervlakteaanval met vijf torpedo’s tot zinken gebracht. Daarna beschadigde de boot de Kyoei Maru van 1.192 bruto ton en keerde wegens haar verbruikte torpedo’s terug.

De achtste patrouille liep van 15 april tot 25 mei 1943 en eindigde in Pearl Harbor. Op 28 april zonk bij Panay de Kamakura Maru van 17.526 bruto ton, een voormalig passagiersschip en een van de grootste Japanse transportschepen. Daarna zette USS Gudgeon zes verzetsstrijders en drie ton uitrusting af, zonk de 500 ton metende trawler Naku Maru en raakte een kustvaartuig beschadigd. Op 12 mei zonk bij Luzon de Sumatra Maru van 5.861 bruto ton, waarna de boot voor revisie naar San Francisco voer.

Negende tot en met elfde oorlogspatrouille

De negende patrouille begon op 1 september 1943 en voerde naar de Marianen. USS Gudgeon bracht de Taian Maru van 3.158 bruto ton tot zinken en beschadigde ten noorden van Saipan de hulppatrouilleboot Santo Maru van 3.266 bruto ton. De torpedovoorraad was verbruikt toen zij op 6 oktober Midway bereikte. Tijdens de tiende patrouille, van 31 oktober tot 11 december, opereerde de boot langs de Chinese kust.

Op 23 november naderde USS Gudgeon ten noorden van de Zhoushan-eilanden een konvooi van vier schepen en vuurde zes torpedo’s af. Het escorteschip Wakamiya van 870 bruto ton brak in tweeën en zonk. De tankers Ichiyo Maru van 5.106 bruto ton en Goyo Maru van 8.469 bruto ton raakten beschadigd. Daarna bracht de onderzeeboot het troepentransportschip Nekka Maru van 6.783 bruto ton tot zinken.

De elfde patrouille verliep aanvankelijk zonder bevestigd resultaat. Op 2 februari 1944 werd USS Gudgeon tijdens het naderen van een beschadigd vliegdekschip door twee escortes ontdekt en moest zij ontkomen. Op 11 februari zonk bij Wenzhou de eerder door Chinese vliegtuigen beschadigde Satsuma Maru van 3.091 bruto ton. Op 17 februari werd een Japanse sampan met geschut tot zinken gebracht en een tweede beschadigd, waarna de boot op 5 maart Pearl Harbor bereikte.

Twaalfde oorlogspatrouille en verlies

USS Gudgeon vertrok op 4 april 1944 voor haar twaalfde oorlogspatrouille en nam op 7 april brandstof in bij Johnston Island. Daarna werden geen berichten meer ontvangen en keerde de boot niet naar de basis terug. De Amerikaanse marine verklaarde haar op 7 juni 1944 te laat en vermoedelijk verloren met alle opvarenden. De precieze datum, plaats en oorzaak van het verlies zijn niet vastgesteld.

Japanse oorlogsgegevens bevatten aanvallen op onderzeeboten die niet sluitend aan USS Gudgeon kunnen worden gekoppeld. Een aanval werd op 18 april 1944 ten zuidoosten van Iwo Jima gemeld, terwijl andere beoordelingen de Maug-eilanden in de noordelijke Marianen noemen. Geen wrakonderzoek heeft een van deze locaties of een andere oorzaak bevestigd. De officiële vaststelling blijft daarom beperkt tot het verlies van de boot tijdens haar twaalfde patrouille.

Na de oorlog

De Amerikaanse marine kende USS Gudgeon een Presidential Unit Citation toe voor haar eerste acht oorlogspatrouilles. Verder ontving het schip de American Defense Service Medal met Fleet-gesp, de Asiatic-Pacific Campaign Medal met elf gevechtssterren en de World War II Victory Medal. De naoorlogse telling kwam uit op veertien bevestigde scheepsverliezen met een gezamenlijke tonnage van meer dan 71.000 ton. Daarmee stond de boot volgens de gebruikelijke Amerikaanse rangschikking op de vijftiende plaats naar het aantal bevestigde schepen.

Van de twaalf onderzeeboten van de Tambor-klasse overleefden vijf de oorlog. De naam Gudgeon keerde op 21 november 1952 terug bij de indienststelling van de onderzeeboot USS Gudgeon (SS-567) van de Tang-klasse. Dit tweede schip diende tot 30 september 1983 in de Amerikaanse Pacific Fleet en ging daarna als TCG Hızırreis (S 342) over naar de Turkse marine. Na de uitdienststelling in 2004 bleef het schip in Turkije als museumschip bewaard.

Conclusie

USS Gudgeon combineerde de kenmerken van een vooroorlogse Amerikaanse vlootonderzeeboot met de technische aanpassingen die tijdens de oorlog noodzakelijk werden. De boot voerde twaalf patrouilles uit, bestreed Japanse marineschepen en koopvaardij en vervulde daarnaast opdrachten voor verzetspersoneel, bevoorrading en evacuatie. Haar eerste patrouille kreeg een afzonderlijke plaats in de Amerikaanse marinegeschiedenis door het verlies van de Japanse I-73. De latere staat van dienst bestond uit veertien bevestigde scheepsverliezen, naast meerdere beschadigde doelen.

De Tambor-klasse was in 1944 door nieuwere ontwerpen ingehaald, maar USS Gudgeon bleef na haar revisie operationeel inzetbaar. Haar verdwijning na het bunkeren bij Johnston Island maakte zonder overlevenden of bevestigd wrak een einde aan de twaalfde patrouille. Japanse meldingen geven mogelijke locaties, maar bewijzen de oorzaak niet. Daardoor blijven alleen het vertrek, het uitblijven van verdere communicatie en de officiële verliesverklaring van 7 juni 1944 met zekerheid vaststaan.

Bronnen en meer informatie

  1. Friedman, Norman (1995). U.S. Submarines Through 1945: An Illustrated Design History. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-55750-263-6.
  2. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946