USS Grayling (SS-209): geschiedenis en verlies

USS Grayling (SS-209) was een Amerikaanse onderzeeboot van de Tambor-klasse die van 1941 tot 1943 in dienst was. Zij voltooide zeven oorlogspatrouilles en verdween tijdens haar achtste. De naoorlogse Amerikaanse beoordeling schreef haar vijf gezonken schepen van samen 20.575 bruto registerton toe. Alle 76 opvarenden kwamen om; het wrak en de verliesoorzaak zijn niet vastgesteld.

Naam, klasse en ontwerp

Grayling was het vierde schip van de United States Navy dat werd genoemd naar de vlagzalm, een zoetwatervis uit de zalmfamilie. Zij was de tiende van twaalf onderzeeboten van de Tambor-klasse die in dienst werd gesteld. Deze klasse vormde kort voor de Tweede Wereldoorlog een nieuwe generatie Amerikaanse vlootonderzeeboten met een groot bereik. Van de twaalf gebouwde exemplaren gingen er tijdens de oorlog zeven verloren, zodat slechts vijf schepen de strijd overleefden.

De onderzeeboot was ongeveer 93,6 meter lang en verplaatste aan de oppervlakte 1.475 long ton, overeenkomend met ongeveer 1.499 ton. Onder water bedroeg de waterverplaatsing ongeveer 2.370 long ton. De maximumsnelheid lag rond 20 knopen aan de oppervlakte en 8,75 knopen onder water. Met een bereik van circa 11.000 zeemijl bij 10 knopen kon Grayling langdurig in de uitgestrekte Stille Oceaan opereren.

De bewapening bestond uit tien torpedobuizen van 533 millimeter, waarvan zes in de boeg en vier in de achtersteven. Er konden 24 torpedo’s worden meegenomen, terwijl een 3-inchdekkanon en zware machinegeweren beschikbaar waren voor gevechten aan de oppervlakte. De normale vredesbezetting bedroeg ongeveer zestig officieren en manschappen, maar de bemanning werd tijdens de oorlog uitgebreid. Het ontwerp maakte aanvallen vanuit beide vaarrichtingen mogelijk en bood voldoende brandstof, voorraden en leefruimte voor lange patrouilles.

Bouw en indienststelling

De kiel van Grayling werd op 15 december 1939 gelegd bij de Portsmouth Navy Yard in Kittery, Maine. De onderzeeboot liep op 4 september 1940 van stapel en werd gedoopt door Marion Barnes Bryant Leary, de echtgenote van schout-bij-nacht Herbert F. Leary. Op 1 maart 1941 volgde de officiële indienststelling onder bevel van luitenant-commandant Eliot Olson. Daarna begonnen technische beproevingen, proefvaarten en de opleiding van de bemanning.

Op 20 juni 1941 hielp Grayling bij de zoektocht naar USS O-9 (SS-70), die na een oefenduik bij de Isles of Shoals niet meer boven water was gekomen. De vermiste onderzeeboot werd op de zeebodem gevonden, maar reddingspogingen konden de 33 opvarenden niet meer bereiken. Grayling nam op 22 juni deel aan de herdenkingsplechtigheid voor de slachtoffers. Deze inzet vond plaats voordat de Verenigde Staten rechtstreeks aan de Tweede Wereldoorlog deelnamen.

Grayling vertrok op 4 augustus voor een oefenreis naar Morehead City in North Carolina en Saint Thomas op de Amerikaanse Maagdeneilanden. Op 29 augustus keerde zij terug naar Portsmouth, waarna de marine de laatste controles uitvoerde. De onderzeeboot vertrok op 17 november, nam in Newport haar bewapening aan boord en zette koers naar de Pacific Fleet. Zij passeerde op 3 december het Panamakanaal en bereikte San Diego op 10 december 1941.

Aankomst in Pearl Harbor en Chester Nimitz

De Japanse aanval op Pearl Harbor van 7 december 1941 vond plaats terwijl Grayling onderweg was naar Californië. Zij verliet San Diego op 17 december en kwam op 24 december in Pearl Harbor aan. Op 31 december diende haar dek als locatie voor de bevelsoverdracht binnen de Pacific Fleet. Admiraal Chester W. Nimitz nam daar officieel het bevel over de vloot op zich.

Een dergelijke plechtigheid werd gewoonlijk aan boord van een groot oppervlakteschip gehouden. De Amerikaanse slagschepen die tijdens de aanval in Pearl Harbor lagen, waren echter gezonken of beschadigd, waardoor Grayling voor de ceremonie werd gekozen. De gebeurtenis gaf de onderzeeboot een bijzondere plaats in de vroege geschiedenis van de Amerikaanse oorlogvoering in de Stille Oceaan. Kort daarna begon zij aan haar eerste operationele opdracht tegen Japan.

Eerste en tweede oorlogspatrouille

De eerste oorlogspatrouille begon op 5 januari 1942 en voerde Grayling naar de noordelijke Gilberteilanden. Het gebied lag aan de oostelijke rand van de toenmalige Japanse opmars en werd gebruikt voor verkenning van scheepvaart en militaire bewegingen. Grayling bracht tijdens deze patrouille geen vijandelijk schip tot zinken. Zij keerde op 7 maart terug naar Pearl Harbor met operationele ervaring die van belang was voor latere missies.

Op 27 maart vertrok Grayling voor haar tweede patrouille, ditmaal naar de wateren bij de Japanse thuiseilanden. Op 13 april torpedeerde zij ten zuidwesten van Shikoku het Japanse vrachtschip Ryujin Maru. Het schip, met een inhoud van 6.243 bruto registerton, zonk en werd de eerste naoorlogs bevestigde overwinning van Grayling. De onderzeeboot beëindigde de patrouille op 16 mei in Pearl Harbor.

Inzet bij Midway en derde oorlogspatrouille

Tijdens de Japanse aanval op Midway in juni 1942 plaatste de Amerikaanse marine beschikbare onderzeeboten in een waaiervormige verkenningslinie ten westen van het atol. Grayling maakte deel uit van Task Group 7.1 en moest vijandelijke bewegingen waarnemen en doorgeven. De onderzeeboten speelden geen beslissende aanvallende rol in de slag, maar droegen bij aan de bewaking van de toegangswegen. Deze inzet werd niet als een afzonderlijke oorlogspatrouille geteld.

Op 7 juni zagen twaalf Amerikaanse B-17 Flying Fortress-bommenwerpers Grayling aan de oppervlakte varen. Drie toestellen herkenden haar niet en wierpen gezamenlijk twintig bommen van 1.000 pond vanaf meer dan 3.000 meter hoogte. Alle bommen misten, waarna Grayling snel onder water ging en zonder schade ontkwam. De vliegtuigbemanningen meldden ten onrechte dat zij in korte tijd een Japanse zware kruiser tot zinken hadden gebracht.

De derde oorlogspatrouille begon op 14 juli en voerde naar Truk, de zwaar verdedigde Japanse vlootbasis in de Carolinen. De Amerikaanse marine zette onderzeeboten rond dit gebied in om scheepvaart te volgen en aan te vallen in samenhang met de strijd om de Salomonseilanden. Grayling beschadigde op 13 augustus een Japans onderzeebootmoederschip, maar behaalde geen bevestigde vernietiging. Brandstoflekkages dwongen haar de opdracht af te breken en op 26 augustus naar Pearl Harbor terug te keren.

Vierde oorlogspatrouille

Tijdens het herstel in Pearl Harbor kreeg Grayling een oppervlakteradar, waarmee schepen ook bij duisternis en slecht zicht konden worden opgespoord. Zij begon op 19 oktober 1942 aan haar vierde patrouille en opereerde opnieuw in de omgeving van Truk. Japanse torpedobootjagers vielen haar met geschut en tijdens zes afzonderlijke dieptebomaanvallen aan. De onderzeeboot wist aan deze bestrijding te ontsnappen en zette haar opdracht voort.

In de nacht van 10 november viel Grayling ten zuidwesten van Truk een vrachtschip van naar schatting 4.000 ton aan. Het doel zonk en werd in de naoorlogse Amerikaanse verlieslijst als een onbekend Japans vrachtschip opgenomen; later onderzoek bracht het in verband met Sendai Maru. Op 4 december vernietigde Grayling met haar dekbewapening ook een Japanse schoener. Zij beëindigde de patrouille op 13 december in Fremantle in West-Australië, dat vervolgens haar nieuwe uitvalsbasis werd.

Vijfde en zesde oorlogspatrouille

Grayling vertrok op 7 januari 1943 uit Fremantle voor haar vijfde patrouille in de Filipijnse wateren. Op 26 januari torpedeerde zij in de Verde Island Passage het vrachtschip Ushio Maru van 749 bruto registerton. Een dag later beschadigde zij een ander Japans schip en op 24 februari bestreed zij een schoener met het dekkanon. Na afloop keerde de onderzeeboot terug naar Fremantle voor onderhoud, bevoorrading en nieuwe torpedo’s.

De zesde patrouille begon in maart 1943 en omvatte de wateren rond Tarakan, Mindoro en de Verde Island Passage. Op 9 april bracht Grayling ten oosten van Mindoro het Japanse transportschip Shanghai Maru van 4.103 bruto registerton tot zinken. Daarnaast meldde de bemanning schade aan vier andere schepen en vernietiging van kleinere vaartuigen. Niet alle meldingen konden na de Japanse capitulatie aan geregistreerde scheepsverliezen worden gekoppeld, waarna Grayling op 25 april in Fremantle terugkeerde.

Zevende oorlogspatrouille

De zevende patrouille begon op 18 mei 1943 en voerde naar de Zuid-Chinese Zee ten noordwesten van Borneo. Tijdens de uitreis liet een PBY Catalina van Patrol Squadron 101 per vergissing een dieptebom vallen toen Grayling in de Indische Oceaan dook. Het incident vond plaats rond 17 graden zuiderbreedte en 115 graden oosterlengte. De bom ontplofte niet, zodat de onderzeeboot haar tocht zonder gemelde schade kon voortzetten.

In haar patrouillegebied viel Grayling verschillende Japanse schepen aan. Zij beschadigde op 22 juni de tanker Eiyo Maru en rapporteerde daarnaast schade aan een vrachtschip en twee kleinere vaartuigen. De naoorlogse beoordeling kende aan deze patrouille geen bevestigd gezonken schip toe. Grayling bereikte Fremantle op 6 juli en onderging daar gedurende 24 dagen onderhoud.

Achtste oorlogspatrouille en speciale opdrachten

Op 30 juli 1943 vertrok Grayling onder haar nieuwe commandant, luitenant-commandant Robert M. Brinker, voor de achtste oorlogspatrouille. De route liep via de Straat Makassar naar de Filipijnen. Naast aanvallen op Japanse scheepvaart moest de onderzeeboot voorraden en uitrusting afleveren bij Filipijnse guerrillastrijders op Panay. Deze bevoorradingsmissies verbonden het lokale verzet met de geallieerde strijdkrachten buiten de bezette archipel.

Marineoverzichten vermelden twee bezoeken aan Pucio Point in Pandan Bay, waarvan een levering op 23 augustus door guerrillastrijders werd gemeld. De eveneens genoemde datum 31 juli voor een eerder bezoek is moeilijk te verenigen met het vertrek uit Fremantle op 30 juli en de afstand tot Panay. Op 19 augustus meldde Grayling schade aan een vrachtschip bij Balikpapan. Een dag later rapporteerde zij dat een klein tankschip in de Sibutu Passage met kanonvuur was vernietigd; dit was haar laatste rechtstreeks ontvangen radiobericht.

Op 27 augustus werd het passagiers- en vrachtschip Meizan Maru in de Tablasstraat door torpedo’s getroffen. De naoorlogse verliesbeoordeling schreef het schip van 5.480 bruto registerton aan Grayling toe. Japanse waarnemers zagen de volgende dag in hetzelfde gebied een onderzeeboot aan de oppervlakte, waarschijnlijk hetzelfde Amerikaanse schip. Grayling moest daarna tot 2 september bij de Tablasstraat verkennen en vervolgens tot 10 september de toegangswegen naar Manilla bewaken.

Verdwijning en mogelijke ramactie

Grayling moest op 12 september een gepland radiobericht verzenden, maar dit werd niet ontvangen. Herhaalde pogingen om contact te krijgen bleven zonder resultaat en op 30 september werd de onderzeeboot officieel als vermist en vermoedelijk verloren gemeld. De Amerikaanse marine hanteert 9 september 1943 als verliesdatum. Er waren 76 mensen aan boord en niemand keerde terug.

Japanse gegevens vermelden op 9 september een waargenomen Amerikaanse onderzeeboot in de Golf van Lingayen. Het Japanse passagiers- en vrachtschip Hokuan Maru meldde die dag ten westen van Luzon een aanvaring met een voorwerp onder water nadat het over een onderzeebootpositie was gevaren. Daardoor ontstond de opvatting dat Hokuan Maru Grayling mogelijk heeft geramd. Er bestaat echter geen wrakonderzoek, schadeverslag of ander rechtstreeks bewijs waarmee deze verklaring kan worden bevestigd.

Ook de plaats van de waarneming levert een probleem op, omdat de Golf van Lingayen noordelijker lag dan het toegewezen patrouillegebied bij de toegangswegen naar Manilla. Andere geregistreerde Japanse aanvallen verklaren het verlies evenmin. Een operationeel verlies, een niet vastgelegde aanval en een aanvaring behoren daarom tot de niet bewezen mogelijkheden. Vaststaat alleen dat Grayling na de aanval op Meizan Maru verdween en haar geplande radiomelding van 12 september niet uitvoerde.

Gevechtsresultaten en beoordeling

Het aantal aan Grayling toegeschreven scheepsverliezen verschilt per beoordelingsmethode. De Joint Army-Navy Assessment Committee stelde na de oorlog vijf gezonken schepen vast met een gezamenlijke inhoud van 20.575 bruto registerton: Ryujin Maru, een toen onbekend vrachtschip van 4.000 ton, Ushio Maru, Shanghai Maru en Meizan Maru. Dit is de gebruikelijke officiële naoorlogse score. Kleinere schoeners en andere vaartuigen vielen door de gekozen criteria vaak buiten deze telling.

Amerikaanse oorlogsrapporten schreven Grayling eerder zestien gezonken schepen van samen 61.400 ton en zes beschadigde schepen van samen 36.600 ton toe. Zulke cijfers waren gebaseerd op waarnemingen vanuit de onderzeeboot, geluiden van treffers en inschattingen van doelgrootte. Vergelijking met Japanse verliesregisters leidde na 1945 tot een sterke verlaging. Moderner scheepsonderzoek identificeert sommige doelen anders, maar verandert niets aan het onderscheid tussen oorlogsclaims en naoorlogs bevestigde verliezen.

Grayling kreeg zes battle stars voor haar dienst tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zeven van de acht begonnen oorlogspatrouilles werden door de Amerikaanse marine als succesvol beoordeeld, hoewel de achtste niet werd voltooid. De onderzeeboot vertegenwoordigt daarmee zowel de uitbreiding van de Amerikaanse onderzeebootoorlog als de onzekerheid van maritieme verliesregistratie. Haar wrak is voor zover bekend niet gelokaliseerd, waardoor de precieze plaats en oorzaak van het verlies onbekend blijven.

Conclusie

USS Grayling begon haar loopbaan in de Atlantische Oceaan, bereikte Pearl Harbor kort na de Japanse aanval en voerde daarna opdrachten uit van de Gilberteilanden tot Japan, Truk, Borneo en de Filipijnen. Zij voltooide zeven oorlogspatrouilles en verdween tijdens de achtste, nadat zij Japanse scheepvaart had aangevallen en guerrillastrijders op Panay had bevoorraad. De naoorlogse Amerikaanse beoordeling kende haar vijf gezonken schepen van samen 20.575 bruto registerton toe. Het ontbreken van het wrak en sluitende Japanse gegevens maakt een definitieve verklaring voor haar verlies niet mogelijk.

Bronnen en meer informatie

  1. Friedman, Norman (1995). U.S. Submarines Through 1945: An Illustrated Design History. Naval Institute Press. ISBN 1-55750-263-3.
  2. Bauer, K. Jack en Stephen S. Roberts (1991). Register of Ships of the U.S. Navy, 1775–1990: Major Combatants. Greenwood Press. ISBN 0-313-26202-0.
  3. Joint Army-Navy Assessment Committee (1947). Japanese Naval and Merchant Shipping Losses During World War II by All Causes. United States Government Printing Office.
  4. Naval History and Heritage Command (2015). Grayling IV (SS-209). Dictionary of American Naval Fighting Ships.
  5. United States Navy, Pacific Fleet, Submarine Force (1949). U.S. Submarine Losses, World War II. NAVPERS 15,784. United States Government Printing Office.
  6. Hinman, Charles R. en Douglas E. Campbell (2019). The Submarine Has No Friends: Friendly Fire Incidents Involving U.S. Submarines During World War II. Syneca Research Group. ISBN 978-0-359-76906-3.
  7. Roscoe, Theodore (1949). United States Submarine Operations in World War II. United States Naval Institute.