Home Personen Nederlands Johan Henri Azon Jacometti op de Grebbeberg

Johan Henri Azon Jacometti op de Grebbeberg

Johan Henri Azon Jacometti was een Nederlandse infanterieofficier die zijn loopbaan grotendeels bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger doorbracht. Na zijn pensionering keerde hij in 1939 terug in militaire dienst. Als commandant van II-8 R.I. leidde hij tijdens de Duitse inval op 12 mei 1940 een tegenstoot op de Grebbeberg, waarbij hij sneuvelde.

Vroege leven en opleiding

Johan Henri Azon Jacometti werd op 1 september 1887 geboren in Loemadjang, in de residentie Pasoeroean op Oost-Java. Zijn geboorteplaats maakte destijds deel uit van Nederlands-Indië. Over zijn jeugd en vooropleiding bevatten de beschikbare militaire gegevens weinig bijzonderheden. Zijn latere plaatsing aan de Koninklijke Militaire Academie laat wel zien dat hij koos voor een beroepsloopbaan als officier bij de koloniale infanterie.

Jacometti begon op 27 september 1907 aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Hij werd daar als cadet opgeleid voor de infanterie van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, meestal afgekort tot KNIL. De opleiding bestond uit militaire vakken, lichamelijke oefening, leidinggeven en voorbereiding op dienst onder koloniale omstandigheden. In juni 1910 volgde zijn bevordering van cadet-korporaal tot cadet-sergeant. In dezelfde periode werd hij voor een deel van zijn praktische vorming in Ede gedetacheerd.

Bij Koninklijk Besluit van 29 juli 1911, nummer 33, werd Jacometti benoemd tot tweede luitenant. Daarmee ging hij van de opleiding over naar de actieve officiersdienst. Op 30 december 1911 vertrok hij met het stoomschip Kawi naar Nederlands-Indië. Hij had het bevel over een detachement van twee onderofficieren en twintig militairen van lagere rang. Tweede luitenant A.M. Sierevelt reisde mee als mede-begeleider van het detachement.

Na aankomst in Nederlands-Indië werd Jacometti geplaatst bij het 11e bataljon infanterie. In mei 1913 volgde een overplaatsing naar het garnizoensbataljon van de Westerafdeling van Borneo, met Pontianak als standplaats. Deze plaatsingen brachten hem van Java naar een ander deel van de archipel. Op 18 december 1914 werd hij bevorderd tot eerste luitenant. Zijn loopbaan bestond in deze jaren uit reguliere garnizoens- en troependiensten binnen het KNIL.

Interbellum: loopbaan bij het KNIL

Jacometti zette zijn militaire loopbaan na zijn eerste jaren op Borneo voort bij verschillende KNIL-onderdelen. In januari 1918 werd hij overgeplaatst naar het 3e depotbataljon. Een depotbataljon hield zich onder meer bezig met de opvang, opleiding en verdeling van militair personeel. In januari 1920 kreeg hij na acht jaar dienst tien maanden verlof naar Europa. Volgens de verlofbepaling moest hij zijn functie acht dagen voor het vertrek naar Nederland neerleggen.

Op 4 juni 1921 keerde Jacometti met het schip Djambi terug naar Nederlands-Indië. Tijdens deze reis voerde hij het bevel over een detachement van de Koloniale Reserve. Dit detachement telde 142 onderofficieren, onder wie sergeant-majoors, sergeanten en fouriers. Het vervoer van zo’n groep vergde toezicht op discipline, administratie en inzetbaarheid tijdens de overtocht. Kort na zijn terugkeer werd Jacometti bevorderd tot kapitein, met ingang van 22 juli 1921.

Als kapitein diende Jacometti opnieuw bij infanterie-eenheden op Java en Borneo. In mei 1925 werd hij overgeplaatst van Soerakarta naar de Westerafdeling van Borneo. In Soerakarta had hij gediend bij de eerste helft van het 21e bataljon. De nieuwe plaatsing sloot aan bij zijn eerdere ervaring in het gebied rond Pontianak. Zijn loopbaan toont daardoor een afwisseling tussen dienst op Java, dienst op Borneo en perioden van verlof in Europa.

In mei 1927 werd aan Jacometti opnieuw Europees verlof toegekend. Het verlof duurde acht maanden en ging op 1 januari 1928 in. Na afloop reisde hij met het passagiersschip Pieter Corneliszoon Hooft terug naar Nederlands-Indië. Bij terugkeer werd hij geplaatst bij het 4e bataljon in Tjimahi, het huidige Cimahi op West-Java. Deze garnizoensplaats lag bij Bandoeng en vormde een belangrijk militair centrum van het KNIL.

In mei 1932 werd Jacometti aangesteld als leider van het Barisankorps in Bangkalan op Madoera. De Barisan van Madoera was een plaatselijk georganiseerd militair korps dat onder Nederlands koloniaal gezag stond. Door zijn benoeming werd hij administratief bij het KNIL ‘voor herinnering’ gevoerd. Deze term betekende dat hij in de legeradministratie vermeld bleef terwijl hij buiten een gewone formatieplaats werkzaam was. Zijn verantwoordelijkheid lag voortaan bij de leiding van dit afzonderlijke korps.

Met ingang van 1 juni 1933 werd Jacometti bevorderd tot majoor. Twee jaar later vroeg en kreeg hij eervol pensioen na een loopbaan van bijna drie decennia in militaire dienst en opleiding. Hij keerde met het schip Johan van Oldenbarnevelt terug naar Nederland, waar hij op 7 augustus 1935 aankwam. Zijn actieve loopbaan bij het KNIL was daarmee beëindigd. De opgedane ervaring met infanterie, garnizoensdienst en leidinggevende functies bleef later van belang.

Na zijn terugkeer vervulde Jacometti een functie binnen de Nederlandse luchtbescherming. Hij werd hoofd van een Luchtbeschermingsdienst, een organisatie die de bevolking moest voorbereiden op de gevolgen van luchtaanvallen. De werkzaamheden omvatten plaatselijke voorbereiding, alarmering, bescherming en hulpverlening. Op 1 augustus 1939 legde hij deze functie neer. Door de verslechterde internationale toestand stelde hij zich vervolgens beschikbaar voor de Nederlandse krijgsmacht, kort voordat de algemene mobilisatie begon.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog

Jacometti werd in 1939 als reservemajoor opnieuw in werkelijke dienst genomen. Hij kreeg het bevel over het 2e bataljon van het 8e Regiment Infanterie, aangeduid als II-8 R.I. Dit bataljon maakte deel uit van de Nederlandse verdediging bij de Grebbeberg en lag in de hoofdweerstandsstrook van de Grebbelinie. Jacometti droeg verantwoordelijkheid voor de inzet van meerdere compagnieën en ondersteunende onderdelen. Zijn commandopost bevond zich achter de voorste stellingen in het gebied ten oosten van Rhenen.

De Grebbeberg vormde in mei 1940 een belangrijke toegang tot het achterliggende Nederlandse verdedigingsgebied. Het terrein bestond uit hellingen, bospercelen, bouwland, wegen en ingegraven stellingen. Nederlandse eenheden hadden er een voorpostenstrook, een frontlijn en een daarachter gelegen stoplijn ingericht. II-8 R.I. bezette een deel van de noordelijke sector op en rond de berg. De beschikbare verbindingen liepen vooral via veldtelefoon, ordonnansen en mondeling doorgegeven berichten, waardoor actuele informatie niet altijd tijdig aankwam.

Na de Duitse inval op 10 mei 1940 naderden Duitse eenheden vanuit de richting Wageningen en de Nude. Op 11 mei vielen de voorposten van het 8e Regiment Infanterie na gevechten terug. De aanval op de hoofdweerstandsstrook werd daarna voortgezet met artillerievuur en infanterie. Op 12 mei drongen Duitse militairen op verschillende plaatsen door of langs de Nederlandse frontlijn. Daardoor ontstond een onduidelijke situatie, waarin plaatselijke commandanten niet steeds beschikten over een volledig beeld van aantal, positie en richting van de aanvallers.

Jacometti ontving op 12 mei berichten dat Duitse militairen tot op de Grebbeberg waren doorgedrongen. De informatie waarover hij beschikte wekte de indruk dat het om een beperkte groep ging. Hij besloot daarom een plaatselijke tegenstoot te organiseren om het binnengedrongen deel terug te dringen en de verbinding met de voorste verdediging te herstellen. De actie werd niet opgezet als een brede bataljonsaanval. Zij moest snel worden uitgevoerd met militairen die bij de commandopost en in de directe omgeving beschikbaar waren.

Voor de tegenstoot verzamelde Jacometti ongeveer veertig man uit verschillende onderdelen. Hij nam zelf de leiding en bracht zijn bedoeling in directe bewoordingen over: “We zullen ze er wel even uitgooien en er met de blanke klewang op ingaan.” De klewang was een kort slag- en steekwapen dat binnen het KNIL werd gebruikt. De uitdrukking ‘blanke klewang’ verwees naar het getrokken wapen. Jacometti verbond zijn Indische militaire achtergrond daarmee aan een infanterieactie op korte afstand.

De groep trok vanuit de Nederlandse stellingen in oostelijke richting over open bouwland. Jacometti liep vooraan toen de militairen het terrein overstaken. De opmars bracht hen buiten de directe dekking van loopgraven en bosranden. Duitse militairen waren in groter aantal en op meer plaatsen aanwezig dan bij het begin van de actie werd aangenomen. De Nederlandse groep kwam daardoor onder gericht geweer- en mitrailleurvuur te liggen voordat zij het bezette terrein kon hernemen.

De tegenstoot was bovendien onvoldoende afgestemd met nabijgelegen Nederlandse eenheden. Bezettingen in de stoplijn waren niet overal op de hoogte van de verplaatsing van Jacometti’s groep. Daardoor werd de groep tijdens de opmars ook door eigen militairen beschoten. De verbinding tussen de betrokken onderdelen schoot tekort en gezamenlijke vuursteun ontbrak. Onder deze omstandigheden verloor de kleine formatie haar samenhang. De aanval liep vast zonder dat de Duitse doorbraak ongedaan werd gemaakt.

Jacometti sneuvelde op 12 mei 1940 tijdens het oversteken van het bouwland. Hij bevond zich aan het hoofd van de groep toen hij werd getroffen. De overgebleven militairen konden de aanval niet voortzetten en trokken zich terug naar de eigen linies. Zijn dood betekende dat II-8 R.I. zijn bataljonscommandant verloor terwijl de gevechten nog voortduurden. De strijd op de Grebbeberg eindigde voor de Nederlandse verdedigers op 13 mei met een algemene terugtocht uit de Grebbelinie.

De tegenstoot van Jacometti was een plaatselijke actie binnen een veel groter gevecht. Zij berustte op onvolledige informatie over de Duitse penetratie en werd met een kleine, samengestelde groep uitgevoerd. Het open terrein, het Duitse vuur, het ontbreken van afstemming en het vuur van eigen zijde bepaalden mede het verloop. De actie bereikte haar militaire doel niet. De persoonlijke leiding door de bataljonscommandant werd na de oorlog wel betrokken bij de beoordeling van zijn optreden.

Na de oorlog

Jacometti’s lichaam werd na de gevechten op de Grebbeberg geborgen. Hij kreeg zijn graf op het Militair Ereveld Grebbeberg in Rhenen, waar Nederlandse militairen uit de meidagen van 1940 zijn begraven. Zijn rustplaats bevindt zich in rij 4, graf 1. De registratie vermeldt Loemadjang als geboorteplaats, 1 september 1887 als geboortedatum en Rhenen als plaats van overlijden. Hij was 52 jaar toen hij sneuvelde.

De beschikbare verslagen legden zijn laatste optreden kort na de strijd vast. Daarbij werden verklaringen van militairen, gevechtsberichten en gegevens over het terrein samengebracht. Deze stukken maakten het mogelijk om de samenstelling, route en uitkomst van de tegenstoot te reconstrueren. Zijn militaire loopbaan en overlijden worden daarnaast bewaard in personeelsregistraties, onderscheidingsdossiers en oorlogsgravenregisters. Daardoor zijn de hoofdlijnen van zijn diensttijd en zijn optreden op 12 mei 1940 controleerbaar gebleven.

Militaire Rangen

Jacometti doorliep de gebruikelijke officiersrangen van de infanterie. Tijdens zijn opleiding was hij achtereenvolgens cadet, cadet-korporaal en cadet-sergeant. Op 29 juli 1911 volgde zijn benoeming tot tweede luitenant. Hij werd op 18 december 1914 eerste luitenant en op 22 juli 1921 kapitein. Met ingang van 1 juni 1933 bereikte hij de rang van majoor. Deze bevorderingen liepen samen met zijn toenemende verantwoordelijkheid binnen bataljons, garnizoenen en het Barisankorps.

Na zijn eervolle pensionering in 1935 bleef Jacometti als officier inzetbaar voor buitengewone omstandigheden. In augustus 1939 kwam hij als reservemajoor weer in actieve dienst. Zijn rang bleef majoor, maar zijn positie veranderde van gepensioneerd KNIL-officier naar commandant binnen de Nederlandse landmacht. Als commandant van II-8 R.I. had hij tijdens de mobilisatie en de gevechten de leiding over een infanteriebataljon. Die functie bekleedde hij tot zijn overlijden op 12 mei 1940.

Onderscheidingen

Aan Jacometti werd in 1946 postuum de Bronzen Leeuw toegekend. Het Koninklijk Besluit van 9 mei 1946, nummer 6, legde de toekenning vast. De motivering verwees naar zijn optreden op 12 mei 1940, toen hij aan het hoofd van enkele groepen infanterie een tegenstoot uitvoerde tegen Duitse militairen die op korte afstand waren doorgedrongen. De Bronzen Leeuw is een Nederlandse dapperheidsonderscheiding voor moedig en beleidvol optreden tegenover de vijand.

Uit zijn loopbaan bij het KNIL zijn daarnaast twee dienstonderscheidingen bekend. Hij ontving het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven met de gesp ‘W.-Afdeeling Borneo 1912-1914’. Ook droeg hij het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als Officier, achtereenvolgens met de jaartekens XV en XX. Deze onderscheidingen hadden een andere grondslag dan de Bronzen Leeuw. Zij betroffen respectievelijk inzet in een aangewezen gebied en de duur van zijn loopbaan als officier.

Conclusie

Johan Henri Azon Jacometti diende vanaf 1907 in Nederlandse militaire organisaties. Zijn loopbaan begon aan de Koninklijke Militaire Academie en voerde langs infanterie-eenheden op Java, Borneo en Madoera. Na zijn bevordering tot majoor ging hij in 1935 met pensioen, maar in 1939 keerde hij als reservemajoor terug. Als commandant van II-8 R.I. werd hij tijdens de Duitse aanval ingezet in de verdediging van de Grebbeberg.

Op 12 mei 1940 leidde Jacometti persoonlijk een tegenstoot met ongeveer veertig militairen. De actie was gebaseerd op onvolledige informatie, werd onvoldoende afgestemd en liep vast onder Duits en Nederlands vuur. Jacometti sneuvelde tijdens de opmars en werd begraven op het Militair Ereveld Grebbeberg. De postume Bronzen Leeuw legde de officiële waardering voor zijn persoonlijke optreden vast. Zijn loopbaan verbindt de geschiedenis van het KNIL met de Nederlandse strijd in mei 1940.

Bronnen en meer informatie

  1. Nierstrasz, V.E. (1940). Het sneuvelen van majoor J.H.A. Jacometti, commandant van II-8 R.I. op 12 mei 1940 en de verdediging door luitenant-kolonel W.F. Hennink, C.-8 R.I. van zijn commandopost op 13 en 14 mei 1940 op den Grebbeberg. De Militaire Spectator, 109(12), 508-518. ISSN 0026-3869.
  2. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946