
De Slag om de Grebbeberg vond van 11 tot en met 13 mei 1940 bij Rhenen plaats. Rotterdam was het hoofddoel van de Duitse operatie tegen de zuidzijde van de Vesting Holland. De aanval had een afleidende, bindende en fixerende functie: Nederlandse troepen moesten in het oosten blijven, terwijl de Duitsers de Grebbelinie werkelijk wilden doorbreken.
Militaire en Politieke Situatie
Nederland probeerde in de jaren dertig buiten een nieuwe Europese oorlog te blijven. Na de Duitse aanval op Polen mobiliseerde de regering eind augustus 1939 de krijgsmacht, maar het land bleef officieel neutraal. De mobilisatie bracht honderdduizenden dienstplichtigen onder de wapenen en gaf het leger tijd om verdedigingswerken aan te leggen. Jaren van beperkte defensie-uitgaven konden echter niet binnen enkele maanden worden hersteld.
Het Nederlandse leger kampte met verouderde wapens, weinig radioverbindingen, beperkt gemotoriseerd vervoer en onvoldoende geoefende reserves. Veel officieren waren gevormd binnen een doctrine die uitging van centraal geleide verdediging vanuit vaste stellingen. Bevelen en rapporten liepen langs een lange hiërarchische keten. Daardoor kon de bevelvoering moeilijk reageren wanneer verbindingen uitvielen en het front snel veranderde.
De Duitse inval op 10 mei 1940 maakte deel uit van Fall Gelb. Binnen de Duitse operatie tegen de zuidzijde van de Vesting Holland was Rotterdam het hoofddoel. Luchtlandingstroepen moesten de bruggen bij Moerdijk, Dordrecht en Rotterdam innemen, waarna de 9. Panzer-Division vanuit Noord-Brabant naar de Maasstad kon oprukken. Deze corridor moest de Nederlandse verdediging in het westen openbreken.
De aanval bij de Grebbeberg ondersteunde deze hoofdinspanning. Zij was geen schijnaanval, want de Duitse grondtroepen wilden de Grebbelinie bij Rhenen werkelijk doorbreken. De operatie werkte tegelijk als afleiding, omdat Nederlandse troepen en reserves aan het oostfront gebonden bleven terwijl de Duitse opmars Rotterdam naderde. De militaire functie was daarom zowel aanvallend als bindend en fixerend.
Het gelijk en de fout van Reijnders
Generaal Izaäk Herman Reijnders was vanaf augustus 1939 opperbevelhebber van de Nederlandse Land- en Zeemacht. Hij wilde de Peel-Raamstelling krachtig verdedigen en Noord-Brabant niet vroegtijdig prijsgeven. Volgens Reijnders beschermde deze stelling de zuidflank van de Grebbelinie en kon zij tijd winnen voor aansluiting met Belgische en Franse strijdkrachten. Zijn opvattingen weken af van de koers die de Nederlandse legerleiding uiteindelijk volgde.
Binnen de Nederlandse krijgsmacht en een deel van de officiële naoorlogse geschiedschrijving werd de strategie van Reijnders lange tijd vooral kritisch beoordeeld. Onafhankelijke militair-historische deskundigen wezen later echter op zijn juiste inschatting van het gevaar in Noord-Brabant. De Duitse 9. Panzer-Division brak door deze provincie, bereikte de luchtlandingstroepen bij Moerdijk en rukte via Dordrecht naar Rotterdam op. Het verzwakken van de Peel-Raamstelling vergemakkelijkte daarmee de Duitse opmars naar de grote rivierbruggen en het hoofddoel Rotterdam.
De kwetsbaarheid van het plan van Reijnders lag in de afhankelijkheid van geallieerde samenwerking waarvoor geen bindende afspraken bestonden. België en Frankrijk wilden hun verdediging niet op de Peel-Raamstelling laten aansluiten. Zonder deze aansluiting bleef de zuidflank open en beschikten de Nederlandse eenheden over onvoldoende troepen, verbindingen en vuursteun voor een langdurige verdediging. Ook de praktische uitvoering van een eventuele terugtocht naar de Vesting Holland was onvoldoende verzekerd.
Het conflict tussen Reijnders en minister van Defensie Adriaan Dijxhoorn ging zowel over de verdedigingsstrategie als over de bevoegdheden van de opperbevelhebber. Reijnders vertrok begin februari 1940 en werd opgevolgd door generaal Henri Gerard Winkelman. Winkelman maakte de Grebbelinie tot hoofdverdediging en bepaalde dat het IIIe Legerkorps en de Lichte Divisie zich bij een Duitse inval uit Noord-Brabant moesten terugtrekken. Hierdoor bleef de Peel-Raamstelling met een sterk verminderde bezetting achter, terwijl het Franse 7e Leger volgens de Dyle-Bredavariant naar Breda zou oprukken en aansluiting met de Nederlandse verdediging moest zoeken.
Verschil in doctrine en command and control
De kwaliteit van individuele Nederlandse officieren verschilde, maar zij werkten binnen een verouderd en sterk centraal systeem. De verdediging was voorbereid rond vaste lijnen, vooraf bepaalde vuursectoren en bevelen van hogere commandanten. Radio’s waren op bataljons- en compagniesniveau schaars, waardoor veldtelefoons en ordonnansen de communicatie verzorgden. Wanneer telefoonlijnen door artillerievuur uitvielen, verloren commandanten snel het overzicht over troepen, munitie en vuursteun.
De Duitse opleiding legde meer nadruk op beweging, infiltratie, samenwerking tussen wapens en zelfstandig handelen binnen een algemene opdracht. Officieren en onderofficieren waren zeer geoefend in het benutten van openingen en het verleggen van een aanval. Een deel van het Duitse kader had ervaring uit de Eerste Wereldoorlog of de veldtocht in Polen, al gold dit niet voor iedere militair die bij de Grebbeberg werd ingezet. Het voordeel lag vooral in training, verbindingen, vuursteun en een andere wijze van denken en vechten.
De Duitse command and control maakte een snellere afstemming tussen infanterie, mortieren, machinegeweren, artillerie, pioniers en luchtsteun mogelijk. Nederlandse eenheden probeerden vooral een lijn vast te houden of met een centraal geregelde tegenstoot te herstellen. Duitse groepen zochten naar openingen, flanken en zwak bewaakte doorgangen. Toen de Nederlandse verbindingen uitvielen, werd dit verschil tijdens de slag steeds duidelijker.
Locatie
De Grebbeberg ligt direct ten oosten van Rhenen en vormt een uitloper van de Utrechtse Heuvelrug. De hoogte rijst ongeveer vijftig meter boven het omliggende gebied uit. Aan de zuidzijde stroomt de Nederrijn, terwijl ten noorden de Gelderse Vallei ligt. De weg van Wageningen naar Rhenen bood door deze sector een directe route naar het westen.
De Grebbelinie vormde de hoofdverdediging aan de oostzijde van de Vesting Holland. Grote delen van het voorliggende terrein konden onder water worden gezet, maar bij de Grebbeberg sloot de inundatie niet volledig op de Nederrijn aan. Daardoor bleef tussen de hoge grond en de rivier een droge doorgang bestaan. Deze opening maakte de sector geschikt voor een Duitse doorbraakpoging.
De verdediging bestond uit een voorpostenstrook, een frontlijn en een stoplijn. Het Hoornwerk bij de Grebbesluis, loopgraven, kazematten, prikkeldraad en mitrailleurstellingen vormden de belangrijkste werken. Bossen, boomgaarden, boerderijen en hoogteverschillen beperkten de waarneming en onderlinge vuursteun. Voor een tegenaanval waren de open velden ten noorden van de berg ongunstig, omdat oprukkende militairen daar goed zichtbaar waren.
Militaire Leiders
Generaal Henri Gerard Winkelman was sinds februari 1940 opperbevelhebber van de Nederlandse Land- en Zeemacht. Luitenant-generaal Jan Joseph Godfried baron van Voorst tot Voorst voerde het bevel over het Veldleger. Generaal-majoor Jacob Harberts leidde het IIe Legerkorps, waaronder de zuidelijke sector van de Grebbelinie viel. Kolonel Antonie Marinus Michiel van Loon was commandant van de 4e Divisie, die de Grebbeberg en het omliggende frontvak verdedigde.
Luitenant-kolonel Wilhelm Frederik Hennink voerde het bevel over het 8e Regiment Infanterie. Majoor Willem Pieter Landzaat was commandant van I-8 R.I., terwijl reserve-majoor Johan Henri Azon Jacometti II-8 R.I. leidde. Jacometti sneuvelde op 12 mei tijdens een plaatselijke tegenstoot tegen doorgedrongen Duitse troepen. Landzaat kwam op 13 mei om tijdens de verdediging van zijn commandopost op de Grebbeberg.
Kapitein Gerhard Julius Wilhelm Gelderman diende bij de Koninklijke Marechaussee. Hij kreeg bij het spoorviaduct ten oosten van Rhenen de opdracht een ongeordende terugtocht tegen te gaan en militairen naar hun eenheden terug te sturen. Nadat Duitse troepen de Nederlandse stellingen waren binnengedrongen, verdedigde zijn detachement de doorgang bij het viaduct. Daarmee werd de Duitse opmars naar Rhenen tijdelijk gestuit.
Aan Duitse zijde stond het 18e Leger onder Generaloberst Georg von Küchler. Generalleutnant Carl von Tiedemann voerde het bevel over de 207. Infanterie-Division. Georg Keppler leidde SS-regiment Der Führer van de SS-Verfügungsdivision, dat de eerste aanvallen tegen de Nederlandse voorposten en hoofdstelling uitvoerde. De Duitse bevelhebbers konden tijdens de slag aanvullende infanterie en vuursteun naar het aanvalsgebied brengen.
Doelstelling en planning
De Duitse operatie tegen de zuidzijde van de Vesting Holland was opgebouwd rond Rotterdam en de bruggenroute over de grote rivieren. Luchtlandingstroepen moesten de overgangen bij Moerdijk, Dordrecht en Rotterdam veroveren voordat de Nederlanders deze konden vernielen of heroveren. Daarna moesten grondtroepen vanuit Noord-Brabant via dezelfde corridor naar Rotterdam oprukken. Het bezit van de Maasstad zou de Nederlandse verdediging in het westen verder ontregelen.
De aanval op de Grebbeberg moest gelijktijdig de Nederlandse hoofdstelling in het oosten onder druk zetten. Eerst moesten de voorposten worden uitgeschakeld, waarna artillerievuur de frontlijn, telefoonverbindingen en aanvoerroutes moest beschadigen. Infanterie en pioniers zouden vervolgens doorgangen zoeken en de verdediging van dichtbij aanvallen. Nieuwe eenheden moesten daarna de stoplijn doorbreken en aangrenzende stellingen vanaf de flank oprollen.
Deze planning gaf de aanval bij Rhenen een dubbele functie. De Duitsers wilden een werkelijke doorgang door de Grebbelinie openen en tegelijk Nederlandse troepen aan het oostfront vasthouden. De operatie leek daardoor op een afleidingsaanval, maar verschilde van een schijnbeweging omdat de terreinwinst werkelijk moest worden bereikt. De hoofdinspanning bleef gericht op Rotterdam, de rivierbruggen en de verbindingen binnen de Vesting Holland.
De Nederlandse planning ging uit van verdediging in meerdere lagen. De voorposten moesten tijd winnen, de frontlijn moest de Duitse hoofdaanval opvangen en de stoplijn moest een binnendringende vijand afsluiten. Artillerie achter de berg moest Duitse verzamelplaatsen, vuurstellingen en toegangswegen bestrijken. Plaatselijke reserves moesten een doorbraak met een snelle tegenstoot herstellen.
De uitvoering was afhankelijk van tijdige berichten, betrouwbare verbindingen en nauwkeurig afgestemde vuursteun. De telefoonlijnen lagen kwetsbaar in het terrein en radio’s waren schaars. Reserves stonden verspreid, kenden het terrein niet altijd en waren nauwelijks gezamenlijk geoefend voor een aanval onder zwaar vuur. Daardoor kon de Nederlandse planning moeilijk worden aangepast toen de Duitsers tussen de stellingen doordrongen.
Militaire eenheden
De verdediging bij Rhenen behoorde tot de 4e Divisie van het IIe Legerkorps. Het 8e Regiment Infanterie bemande de voorpostenstrook, de frontlijn en delen van de stoplijn. Andere infanterieonderdelen leverden versterkingen, terwijl artillerie, genie, verbindingstroepen, huzaren en marechaussees ondersteuning gaven. Tijdens de strijd raakten militairen uit verschillende onderdelen steeds sterker met elkaar vermengd.
De Nederlandse infanterie gebruikte vooral het Steyr-Mannlicher M95-geweer, lichte Lewis-mitrailleurs en zware Schwarzlose- of Vickers-mitrailleurs. Een deel van de artillerie was oud en weinig mobiel. Veel vervoer vond plaats met paarden, fietsen en een beperkt aantal vrachtwagens. Het tekort aan radio’s en gemotoriseerd vervoer vertraagde de inzet van reserves.
Voor de tegenaanval van 13 mei werden I-29 R.I., III-29 R.I. en II-24 R.I. van Brigade B samengebracht, aangevuld met I-20 R.I. Deze bataljons kwamen uit verschillende gebieden, hadden lange marsen achter de rug en stonden niet allemaal op organieke sterkte. Veel reservisten waren vooral voor stellingdienst opgeleid. Zij hadden weinig gezamenlijk geoefend voor een aanval in open terrein onder zwaar vuur.
Aan Duitse zijde trad SS-regiment Der Führer op als voorste aanvalseenheid. De 207. Infanterie-Division leverde infanterie, artillerie, pioniers en verbindingstroepen; later werd Infanterie-Regiment 322 naar voren gebracht. De Duitse infanterie beschikte over veel machinegeweren en mortieren. De Luftwaffe leverde verkenning en zette op 13 mei Junkers Ju 87-duikbommenwerpers in, terwijl tanks op de Grebbeberg geen hoofdrol speelden.
Het verloop van de Slag om de Grebbeberg
Duitse nadering op 10 mei 1940
In de vroege ochtend van 10 mei overschreden Duitse grondtroepen de Nederlandse grens. Grensdetachementen vernielden bruggen en voerden vertragende gevechten, maar konden de opmars naar Arnhem en Wageningen niet langdurig stoppen. Voorste Duitse eenheden bereikten Wageningen en brachten daarna artillerie, mortieren, munitie en infanterie naar voren. Nederlandse artillerie beschoot verzamelplaatsen en mogelijke waarnemingspunten, terwijl de verdedigers op de Grebbeberg zich op de aanval voorbereidden.
Aanval op de voorposten op 11 mei
In de nacht van 10 op 11 mei begon de Duitse aanval met artillerievuur op de voorposten. Daarna rukten bataljons van SS-regiment Der Führer op door het terrein tussen Wageningen en de Grebbeberg. De Nederlandse posten lagen verspreid tussen boerderijen, boomgaarden en open velden. Zij boden plaatselijk langdurig weerstand, maar konden elkaar niet overal met vuur ondersteunen.
Duitse groepen bewogen tussen Nederlandse steunpunten door en vielen volgende posities vanaf een flank of uit de achterzijde aan. Door granaatinslagen vielen telefoonlijnen uit, waardoor artillerieverzoeken en bevelen steeds moeilijker konden worden doorgegeven. Ordonnansen moesten berichten te voet door beschoten terrein brengen en bereikten hun bestemming niet altijd. De Duitse werkwijze maakte gebruik van de zwakke samenhang tussen afzonderlijke Nederlandse posten.
Tijdens de gevechten gebruikten leden van het SS-regiment op verschillende plaatsen Nederlandse krijgsgevangenen als dekking. Ook vonden incidenten rond overgave en gevangenneming plaats die in strijd waren met het oorlogsrecht. Tegen de avond waren de meeste voorposten ingenomen en trokken overlevenden naar de hoofdstelling terug. De aanval had vrijwel de gehele dag gekost, maar de Nederlandse hoofdstelling had haar voorwaartse waarneming en meerdere verbindingen verloren.
Doorbraak van de frontlijn op 12 mei
Op 12 mei concentreerde de Duitse artillerie haar vuur op het Hoornwerk, de frontlijn en de toegangswegen naar Rhenen. Loopgraven, versperringen, telefoonlijnen en commandoposten werden geraakt. De Nederlandse artillerie vuurde terug, maar kreeg steeds minder betrouwbare waarnemingen. Daardoor konden doelen, eigen troepen en munitiebehoeften niet voortdurend nauwkeurig worden gevolgd.
Na de beschieting vielen Duitse infanterie en pioniers de frontlijn aan. Zij gebruikten beschadigde overgangen bij de Grebbesluis en zochten openingen tussen de steunpunten. Nederlandse eenheden die frontaal weerstand boden, kregen daarna ook vuur vanaf de flanken of uit de achterzijde. In de loop van de middag ging een groot deel van de frontlijn verloren en trokken militairen terug naar de stoplijn.
Reserve-majoor Johan Henri Azon Jacometti leidde een plaatselijke tegenstoot om de doorgedrongen Duitsers terug te werpen. De haastig samengestelde groep kreeg onvoldoende steun van artillerie en zware infanteriewapens. Duits machinegeweer- en mortiervuur bracht de beweging tot stilstand en Jacometti sneuvelde. De stoplijn ving daarna militairen uit verschillende onderdelen op, waardoor gemengde groepen zonder duidelijke onderlinge samenhang ontstonden.
In de avond drong een Duits bataljon door tot het gebied tussen de stoplijn en de spoorlijn bij Rhenen. Kapitein Gerhard Julius Wilhelm Gelderman hield met marechaussees en aangesloten militairen de doorgang bij het spoorviaduct bezet. Zijn detachement verhinderde enige tijd dat Duitse troepen de spoorlijn in westelijke richting overschreden. Daardoor ontstond op 12 mei nog geen vrije doorgang naar de bebouwde kom van Rhenen.
Tegenaanval en uiteenvallen op 13 mei
In de nacht van 12 op 13 mei werden vier Nederlandse bataljons voor een tegenaanval bij Achterberg verzameld. De operatie moest de Duitse penetratie afsnijden en verloren terrein heroveren. Door late aankomst, vermoeidheid, onbekend terrein en onduidelijke berichten begon de aanval later dan gepland. Ook was niet precies bekend waar eigen en Duitse troepen zich bevonden.
De bataljons rukten door open terrein ten noorden van de Grebbeberg op en kwamen onder machinegeweer-, mortier- en artillerievuur. Duitse waarnemers konden de bewegingen vanuit de bosrand en vanaf hoger terrein volgen. Nederlandse artillerie kon slechts beperkt ondersteunen, omdat de ligging van eigen troepen onzeker was. Hierdoor ontbrak de vuursteun die nodig was om de Duitse posities te onderdrukken.
Vervolgens vielen Junkers Ju 87-duikbommenwerpers de oprukkende troepen en achterliggende gebieden aan. De luchtaanvallen waren niet de enige oorzaak van het mislukken, maar zij vergrootten de verwarring en onderbraken de zwakke samenhang. Tegelijk zetten verse Duitse onderdelen de aanval op de stoplijn voort. De Nederlandse tegenaanval verloor haar richting en delen van de troepen trokken terug.
Majoor Willem Pieter Landzaat bleef met stafpersoneel en teruggetrokken militairen weerstand bieden vanuit zijn commandopost bij het paviljoen op de Grebbeberg. Duitse troepen omsingelden en beschoten de positie, waarna Landzaat tijdens de laatste fase van de verdediging om het leven kwam. Elders bleven kleinere groepen afzonderlijk vechten, maar de Nederlandse linie bestond niet langer als samenhangend front. Het verschil in verbindingen, training en gezamenlijke vuursteun was op 13 mei volledig zichtbaar.

Rotterdam en de ontruiming van de Grebbelinie
Terwijl de gevechten bij Rhenen voortduurden, bereikte de Duitse 9. Panzer-Division de luchtlandingstroepen bij Moerdijk. Daardoor kwam de route via Dordrecht naar Rotterdam open te liggen en bereikten Duitse grondtroepen op 13 mei de zuidzijde van de stad. De Nederlandse reserves die bij de Grebbeberg waren ingezet, konden toen niet meer naar het westen worden verplaatst. De bindende werking van de aanval bij Rhenen was daarmee bereikt.
De frontlijn was verloren, de stoplijn was op meerdere plaatsen doorbroken en de tegenaanval was mislukt. Nederlandse eenheden waren vermengd, uitgeput en deels zonder verbinding met hogere commandanten. Luitenant-generaal Jan Joseph Godfried baron van Voorst tot Voorst gaf daarom op 13 mei bevel de Grebbelinie te ontruimen. Het Veldleger moest zich terugtrekken achter de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
De aftocht vond in de avond en nacht plaats, deels onder dekking van achterhoeden en mist. Veel militairen bereikten het westen, maar de formaties verloren materieel, verbinding en een deel van hun gevechtssamenhang. De terugtocht voorkwam dat het gehele Veldleger bij Rhenen werd ingesloten. Zij kon de verslechterde toestand bij Rotterdam en de grote rivieren echter niet meer herstellen.
Documentaire: De Slag om de Grebbeberg 1940
Resultaat
Het tactische resultaat bij de Grebbeberg was een Duitse overwinning. De voorpostenstrook, frontlijn en stoplijn werden doorbroken en de Nederlandse 4e Divisie kon haar sector niet behouden. De aanval duurde langer dan de Duitsers hadden gewenst en vereiste aanvullende infanterie en vuursteun. Toch werd uiteindelijk een doorgang door het zuidelijke deel van de Grebbelinie geopend.
Het strategische resultaat lag in de samenhang met de operatie tegen Rotterdam. De strijd bij Rhenen bond Nederlandse troepen en reserves aan het oostfront, terwijl de Duitse bruggenroute via Moerdijk en Dordrecht werd uitgebouwd. Daarmee vervulde de Grebbebergaanval haar bindende en afleidende functie. De slag was niet op zichzelf de oorzaak van de Nederlandse nederlaag, omdat de Duitse doorbraak naar Rotterdam de Vesting Holland rechtstreeks bedreigde.
Op 14 mei 1940 bombardeerde de Luftwaffe het centrum van Rotterdam. De verwoesting van de stad, de Duitse aanwezigheid bij de Maasbruggen, het verlies van de Grebbelinie en de dreiging tegen Utrecht brachten generaal Henri Gerard Winkelman tot het besluit de strijd in het grootste deel van Nederland te staken. De capitulatievoorwaarden werden op 15 mei in Rijsoord ondertekend. In Zeeland duurden de gevechten nog enkele dagen voort.
Politiek betekende de nederlaag het einde van de Nederlandse neutraliteit en het begin van de Duitse bezetting. De regering en koningin Wilhelmina waren naar Groot-Brittannië uitgeweken, terwijl het bestuur in Nederland onder Duits gezag kwam. Het Nederlandse leger werd ontwapend en later ontbonden. Voor de bevolking van Rhenen en omliggende plaatsen betekende de strijd evacuatie, woningverlies, beschadigde bedrijven en langdurig herstel van de infrastructuur.
Miltaire en burger slachtoffers
Voor de Nederlandse strijdkrachten worden voor de Grebbeberg en de directe omgeving doorgaans ongeveer 420 gesneuvelden genoemd. Daarnaast raakten honderden militairen gewond en werden anderen krijgsgevangen gemaakt. Vooral het 8e Regiment Infanterie en de later ingezette reserve-eenheden verloren veel manschappen en kaderleden. Het verlies van officieren en onderofficieren verminderde het vermogen om verspreide groepen opnieuw te verzamelen en te leiden.
Voor de Duitse zijde lopen de aantallen uiteen door verschillen in de afbakening van het gevechtsgebied en de onderzochte periode. Voor de sector rond de Grebbeberg worden doorgaans ruim tweehonderd tot ongeveer 275 gesneuvelden genoemd, naast honderden gewonden. SS-regiment Der Führer en onderdelen van de 207. Infanterie-Division verloren daardoor personeel en aanvalskracht. Duitsland kon de verliezen echter beter opvangen door nieuwe onderdelen en voorraden naar voren te brengen.
De Nederlandse personeelsverliezen konden na de slag niet meer doelmatig worden aangevuld. Reservepersoneel was nog aanwezig, maar het was verdeeld over verschillende formaties en had een wisselend opleidingsniveau. Veel reservisten waren bruikbaar voor bewaking en stellingdienst, maar minder geoefend in gezamenlijke tegenaanvallen zonder betrouwbare verbindingen. Tussen de terugtocht op 13 mei en het staken van de strijd op 14 mei bleef bovendien vrijwel geen tijd voor reorganisatie.
De burgerbevolking van Rhenen, Wageningen en omliggende plaatsen was voor een groot deel geëvacueerd. Daardoor bevonden zich minder burgers in het directe gevechtsgebied dan zonder evacuatie het geval zou zijn geweest. Het aangeleverde materiaal geeft geen afzonderlijk en controleerbaar totaal voor alleen de burgerslachtoffers van de Slag om de Grebbeberg. De gevolgen voor burgers bestonden vooral uit evacuatie, verlies van bezit, beschadigde woningen en de terugkeer naar een gebied met vernielingen en achtergebleven explosieven.
Materiele verliezen
De Nederlandse landmacht verloor in de ingenomen sector loopgraven, kazematten, versperringen en telefoonnetten. Geweren, mitrailleurs, munitie, verbindingsmiddelen, voertuigen en paardenmaterieel bleven in beschadigde of verlaten stellingen achter. Een deel van de artillerie kon tijdens de terugtocht niet tijdig worden verplaatst. Het verlies bestond daarom uit vernietigd materieel, buitgemaakte uitrusting en wapens die door het verlies van personeel niet meer inzetbaar waren.
Herstel of verbetering van de Grebbelinie was na 13 mei niet meer mogelijk, omdat het gebied in Duitse handen lag. De Nederlandse genie moest zich richten op vernielingen en de voorbereiding van achterliggende posities. Beschadigde wapens en voertuigen konden slechts gedeeltelijk naar het westen worden afgevoerd. Voor volledige reparatie, vervanging of aanpassing van de uitrusting ontbrak de tijd.
Plaatselijke munitietekorten ontstonden vaak door een verbroken aanvoer en niet alleen door een landelijke uitputting van de voorraad. Munitie kon in achterliggende depots aanwezig zijn, terwijl voorste stellingen door vernielde telefoonlijnen en beschoten routes niet werden bereikt. Brandstof speelde op de Grebbeberg een kleinere rol dan bij de Duitse opmars naar Rotterdam, omdat de strijd daar vooral door infanterie en artillerie werd gevoerd. Voor vrachtwagens, artillerietrekkers en de verplaatsing van reserves bleef brandstof wel noodzakelijk.
De Duitse bevoorrading kon na de inname van de voorposten via Arnhem en Wageningen worden voortgezet. Infanteriemunitie, mortiergranaten, artilleriegranaten en pioniermateriaal konden daardoor worden aangevuld. Beschadigde Duitse wapens en voertuigen konden achter het front worden hersteld of vervangen. Omdat tanks op de Grebbeberg geen hoofdrol speelden, beperkten materiële verliezen de voortzetting van de Duitse aanval niet beslissend.
Ook de burgerlijke infrastructuur liep zware schade op. Artillerievuur en branden beschadigden woningen, winkels, bedrijven, wegen, spoorvoorzieningen en openbare gebouwen in Rhenen en omgeving. Terugkerende bewoners troffen een gebied aan waarin vervoer, communicatie en economische activiteiten slechts beperkt konden worden hervat. Het herstel begon tijdens de bezetting en werd na de oorlog voortgezet.
Conclusie
De Duitse planning bij de Grebbeberg bereikte haar tactische doel. De Grebbelinie werd doorbroken, Nederlandse reserves bleven aan het oostfront gebonden en het Veldleger moest zich terugtrekken. De aanval duurde langer en kostte meer manschappen dan gewenst. Toch bleef de Duitse aanvoer functioneren en konden nieuwe eenheden de druk voortzetten.
Rotterdam was het hoofddoel van de Duitse operatie tegen de zuidzijde van de Vesting Holland. De bruggen bij Moerdijk en Dordrecht vormden de route waarlangs Duitse grondtroepen de Maasstad bereikten. De aanval bij de Grebbeberg was geen schijnbeweging, maar had wel het karakter van een afleidende, bindende en fixerende operatie. Zij hield Nederlandse troepen bij Rhenen terwijl de Duitse hoofdinspanning Rotterdam naderde.
Generaal Izaäk Herman Reijnders kreeg gelijk met zijn waarschuwing dat Noord-Brabant, de Peel-Raamstelling en de route via Moerdijk rechtstreeks samenhingen met de verdediging van Rotterdam. De Duitse 9. Panzer-Division rukte juist door Noord-Brabant op, bereikte de luchtlandingstroepen bij Moerdijk en vervolgde de opmars via Dordrecht naar Rotterdam.
De Franse opmars naar Breda was opgenomen in de Dyle-Bredavariant en moest aansluiting met de Nederlandse verdediging mogelijk maken. Door het IIIe Legerkorps en de Lichte Divisie uit Noord-Brabant terug te trekken, bleef de Peel-Raamstelling echter met een sterk verminderde bezetting achter en werd de Duitse route naar het hoofddoel Rotterdam onvoldoende verdedigd.
Het verschil in doctrine en command and control woog zwaar. De Nederlandse verdediging steunde op vaste lijnen, centrale bevelvoering en kwetsbare telefoonverbindingen. Duitse eenheden waren beter geoefend in infiltratie, samenwerking tussen wapens en zelfstandig handelen binnen een opdracht. Daardoor konden zij sneller reageren op openingen en de Nederlandse stellingen vanaf meerdere richtingen aanvallen.
De Nederlandse personele en materiële verliezen konden na de slag niet voldoende worden hersteld. Reservepersoneel was beschikbaar, maar tijd, samenhang, verbindingen en uitrusting ontbraken om opnieuw volwaardige eenheden te vormen. Het verlies van de Grebbelinie, de Duitse doorbraak naar Rotterdam en het bombardement van 14 mei bepaalden gezamenlijk de militaire toestand. De Grebbeberg was daarmee een zwaar tactisch verlies binnen een operatie waarvan het zwaartepunt in West-Nederland bij Rotterdam lag.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding 1: No machine-readable author provided. NielsB assumed (based on copyright claims)., CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons
- Afbeelding 2: NielsB, CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons
- Brongers, E.H. (2002). Grebbelinie 1940. Soesterberg: Uitgeverij Aspekt. ISBN 9789059110830.
🛈 Let op: deze bron is informatief, maar wordt onder historici als niet altijd objectief beoordeeld en moet kritisch worden gelezen. - Amersfoort, H., & Kamphuis, P. (2005). Mei 1940: De strijd op Nederlands grondgebied. Den Haag: Sdu Uitgevers. ISBN 9789085061603.
- De Jong, L. (1969). Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 3: Mei ’40. Den Haag: Staatsuitgeverij. ISBN 9789029505031.
- Minjon, S. (2015). Slag om de Grebbeberg: Strijd om Wageningen en Rhenen in mei 1940. Utrecht: Matrijs. ISBN 9789053454893.
- Het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) biedt uitgebreide archieven en analyses van de Slag om de Grebbeberg, inclusief ooggetuigenverslagen en militaire rapporten.
- Winkelman, H.G. (1946). Verslag van de Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht betreffende de oorlogshandelingen der Koninklijke Landmacht in Nederland 10–15 mei 1940. ’s-Gravenhage: Staatsdrukkerij. JSTOR 10.2307/4585787.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









