
De Grebbeberg was in mei 1940 het toneel van een van de hevigste en symbolisch belangrijkste gevechten tijdens de Duitse inval in Nederland. Gelegen nabij Rhenen, aan de zuidrand van de Grebbelinie, vormde deze natuurlijke hoogte een zwakke plek in de Nederlandse verdediging. De helling van de berg en de nabijgelegen Rijn maakten een frontale aanval door Duitse troepen naar verwachting moeilijk, maar niet onmogelijk. Juist om die reden werd het gebied zwaar versterkt door het Nederlandse leger. De verdediging bij de Grebbeberg kreeg een bijna mythische status in de volksgeest na de oorlog, als het symbool van dapper verzet tegen een overmachtige vijand.
Historische context van mei 1940
De gevechten bij de Grebbeberg in mei 1940 moeten niet worden gezien als het hoofddoel van Legergroep B, maar als onderdeel van een bredere operationele opzet. Het werkelijke strategische zwaartepunt lag in het westen van Nederland, met name rond Rotterdam. Deze stad was van groot belang vanwege haar haven, infrastructuur en verbindingen met de Noordzee. Daarmee vormde Rotterdam een potentiële toegangspoort voor geallieerde versterkingen, in het bijzonder het British Expeditionary Force (BEF) en het Franse 7e Leger, die volgens geallieerde planning snel naar Nederland zouden oprukken.
De Duitse strategie was erop gericht deze verbindingen zo snel mogelijk te blokkeren en een vaste voet te krijgen in de Randstad. Door luchtlandingen bij Moerdijk, Dordrecht en Rotterdam probeerde men de bruggen over de grote rivieren veilig te stellen. Daarmee werd niet alleen de Nederlandse verdediging ontwricht, maar ook de mogelijkheid afgesneden dat Britse en Franse troepen via Zeeland en Zuid-Holland effectief aansluiting konden vinden.
De strijd op de Grebbeberg had vooral een bindende en fixerende functie. Nederlandse troepen moesten daar worden vastgehouden en verzwakt, zodat de Duitse hoofdinspanning elders ongehinderd kon doorzetten. Strategisch gezien draaide de operatie om snelheid, bruggen en aanvoerlijnen, niet om terreinwinst op de Grebbelinie zelf.
De Nederlandse neutraliteit
In de jaren dertig probeerde Nederland net als in de Eerste Wereldoorlog een strikte neutraliteit te handhaven. Toch nam de dreiging vanuit Nazi-Duitsland gestaag toe. In 1939 begon de Tweede Wereldoorlog met de Duitse inval in Polen. Nederland mobiliseerde dat najaar zijn leger als voorzorg, maar bleef officieel neutraal.
Ondanks politieke druk om geen partij te kiezen, bereidde men zich defensief voor op een mogelijke invasie. Er werden noodverdedigingslinies ingericht en bestaande fortificaties versterkt. Toen Hitler in het voorjaar van 1940 zijn blik westwaarts richtte (het offensief Fall Gelb), kwam ook Nederland in zijn vizier. Duitsland wilde de noordflank veiligstellen voor de aanval op Frankrijk en beschikte over een overmacht aan moderne troepen.
De Duitse inval op 10 mei
Aanval op strategische punten
Op 10 mei 1940 voerden Duitse strijdkrachten een grootscheepse verrassingsaanval uit op Nederland. In de vroege ochtend, rond 04.00 uur, overvlogen grote formaties Duitse bommenwerpers de grens. Tegelijkertijd vielen grondtroepen op meerdere punten de landsgrenzen aan. Verraderlijke commando-eenheden in Nederlandse uniformen probeerden strategische bruggen te veroveren. Zo trachtten ze bij Westervoort de IJsselbrug in handen te krijgen met behulp van een gepantserde trein, wat dankzij alerte Nederlandse grenswachten op het nippertje mislukte.
Desondanks braken Duitse eenheden die ochtend langs verschillende routes door de grensverdediging. Parachutisten en luchtlandingstroepen landden bij sleutelobjecten rondom Den Haag, Rotterdam en de grote rivieren, om verwarring te zaaien en strategische doelen te bezetten.
De eerste gevechten
Voor Nederland kwam de aanval ondanks de mobilisatie toch nog deels onverwachts. Veel militairen dachten aanvankelijk dat het alarm een oefening was. Al snel werd echter duidelijk dat de neutraliteit was geschonden. De eerste gevechten laaiden op langs de IJssel en de Maas. Nederlandse grensbataljons en voorposten boden weerstand, maar het Duitse leger – gesteund door tanks, motorized infanterie en luchtaanvallen – had een enorm overwicht. Reeds op de ochtend van 10 mei bereikten Duitse voorhoedes steden als Arnhem en Eindhoven.
De Nederlandse troepen moesten planmatig terugvallen op de voorbereide hoofdlijnen van defensie. Het strijdtoneel verschoof daarmee naar de centrale verdedigingslinies van het land, waarvan de belangrijkste bekend stond als de Grebbelinie.
Strategische betekenis van de Grebbelinie en Grebbeberg
Ligging en functie
De Grebbelinie was een belangrijke schakel in de Nederlandse defensiestrategie. Na het uitbreken van de oorlog in 1939 besloot de legerleiding dat niet het hele land effectief te verdedigen viel. Men concentreerde de beschikbare troepen op het westen, ter bescherming van de dichtbevolkte en strategisch vitale provincies Holland en Utrecht (de Vesting Holland).
De Grebbelinie, ook wel Valleistelling genoemd, vormde de hoofdverdedigingslinie aan de oostzijde van deze vesting. De linie liep globaal van de voormalige Zuiderzee bij Amersfoort in zuidelijke richting langs de Gelderse Vallei tot de Rijn bij Rhenen. Samen met waterhindernissen en forten elders moest deze linie een Duits offensief vertragen en zo nodig de geallieerden (met name het Franse leger) tijd geven om te hulp te schieten.
Een kenmerk van de Grebbelinie was het gebruik van inundaties. Ten noorden van Rhenen konden uitgestrekte landerijen onder water worden gezet om de vijandelijke opmars te bemoeilijken. Dit onder water zetten gebeurde bij dreiging en maakte een gebied nagenoeg onbegaanbaar voor tanks en vrachtwagens.
De zwakke plek bij de Grebbeberg
Echter, juist bij de Grebbeberg zelf was deze inundatiemogelijkheid beperkt. De Grebbeberg is een uitloper van de Utrechtse Heuvelrug en steekt circa 50 meter boven de omgeving uit. Tussen deze heuvel en de oevers van de Nederrijn kon geen waterbarrière worden aangelegd, waardoor een kwetsbare droge doorgang bestond. Dit gold ook voor het gebied direct ten noorden van de berg, nabij Wageningen. Deze zwakke plek in de linie maakte de Grebbeberg tot een logische focus voor een Duitse doorbraakpoging.
Tegelijk bood de heuvel ook defensieve voordelen. De Grebbeberg domineert visueel de omgeving en gaf de verdedigers een goed uitzicht over het voorveld. Ten westen van de berg lagen de lagergelegen polders van de Gelderse Vallei, die deels geïnundeerd konden worden. De berg en omliggende bossen waren bovendien door Nederlandse genie-eenheden versterkt met loopgraven, prikkeldraadversperringen en mitrailleurstellingen. Boven op de berg bevond zich een oud aardwerk, het Hoornwerk, dat als vooruitgeschoven bolwerk was ingericht.
Daarnaast waren langs de Grebbelinie zelf twee verdedigingslinies aangelegd: de voorpostenstrook (een vooruitgeschoven lijn met kleinere posten) en de eigenlijke hoofdweerstand bestaande uit de frontlijn en een daarachter gelegen stoplijn als tweede verdedigingslijn. In de frontlijn stonden op belangrijke punten enkele betonnen kazematten ter ondersteuning van de infanterie in de loopgraven.
Nederlandse militaire voorbereiding
Doctrine en strategie
Het Nederlandse leger van 1940 was in veel opzichten nog geënt op verouderde inzichten. Jarenlang was er weinig geïnvesteerd in defensie, vertrouwend op neutraliteit. De militaire doctrines gingen uit van statische verdediging langs vestinglinies, zoals succesvol gebleken in de 19e eeuw.
Tijdens de mobilisatie in 1939 werd haastig geprobeerd de weerbaarheid te vergroten, maar de tijd was kort. Er werden weliswaar nieuwe verdedigingsstellingen aangewezen (zoals de Grebbelinie ter vervanging van de meer westelijk gelegen Nieuwe Hollandse Waterlinie), maar deze waren bij lange na niet volledig gereed in mei 1940.
De focus lag op gebiedsverdediging: standhouden op vooraf voorbereide lijnen, zonder veel strategische diepte of mobiliteit.
Het gebrek aan een moderne commandostructuur en flexibele strategie speelde het Nederlandse leger parten. De opperbevelhebber, generaal Henri Winkelman, had pas in februari 1940 het commando overgenomen na interne conflicten over de te voeren strategie. Zijn voorganger, generaal Reynders, was van mening dat sommige posities (zoals de Peel-Raamstelling in Brabant) beter vooraf ontruimd konden worden om elders sterker te staan.
De regering en Winkelman besloten echter zoveel mogelijk een aaneengesloten front te verdedigen, van Noord-Brabant tot de Grebbelinie. Dit resulteerde in spreiding van de krachten. Het ontbrak aan voldoende mobiele reserve-eenheden achter de linies om snel op onverwachte situaties te reageren.
De weinige beschikbare reserveregimenten werden al vóór de strijd verdeeld over kwetsbare sectoren, waardoor de strategische slagkracht gering was zodra de vijand eenmaal doorbrak.
Opleiding en organisatie
Het Nederlandse leger bestond grotendeels uit dienstplichtigen, ondersteund door een kader van beroepsofficieren. De officieren waren opgeleid aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda of via officierscursussen binnen de krijgsmacht. Hoewel de theoretische vorming degelijk was, ontbrak het aan gevechtservaring.
Nederland had sinds 1830 geen grootschalige oorlog meer gevoerd en tijdens de Eerste Wereldoorlog was het neutraal gebleven. Hierdoor waren de tactieken en training veelal gebaseerd op verouderde principes en simulaties. Er was weinig gelegenheid geweest om moderne strijdmethoden te beoefenen. Veldmanoeuvres tijdens oefeningen vonden in beperkte mate plaats, en vaak nog te paard of per fiets in plaats van met gemotoriseerde eenheden.
De organisatie van het veldleger weerspiegelde deze klassieke aanpak. Nederland mobiliseerde ongeveer tien infanteriedivisies, maar deze waren kleiner en lichter bewapend dan hun Duitse tegenhangers. Een Nederlandse divisie telde rond de 10.000 man, tegenover bijna 18.000 in een Duitse divisie.
Bovendien waren de ondersteunende eenheden (artillerie, genietroepen, logistiek) minder talrijk. Het commando was strak hiërarchisch maar weinig gedecentraliseerd; initiatief op lagere niveaus werd niet sterk gestimuleerd.
Veel communicatie verliep via vaste telefoonlijnen of ordonnansen, aangezien radio’s schaars waren (vooral op bataljons- en compagniesniveau). Dit was in 1940 een achterstand vergeleken met de Duitse Wehrmacht, die wel op grote schaal radioverbindingen gebruikte voor coördinatie.
De dienstplichtigen in het Nederlandse leger varieerden in kwaliteit. Velen hadden na hun eerste opleidingstijd jaren in burgermaatschappij doorgebracht en werden bij mobilisatie weer opgeroepen. De paraatheid was daardoor wisselend. Sommige eenheden, vooral die in de frontlijn, hadden maanden mobilisatie achter de rug en gebruikten die tijd voor training en het versterken van stellingen. Andere troepen, zoals enkele reserve-eenheden, kwamen pas kort voor of zelfs na het begin van de gevechten in actie.
Ondanks inzet en plichtsbesef ontbrak het menigmans aan moderne gevechtstechnieken. Wel heerste er over het algemeen een duidelijke motivatie om het vaderland te verdedigen, gevoed door patriottisme en verantwoordelijkheidsgevoel.
Bewapening en materieel
In mei 1940 kampte Nederland met aanzienlijke tekorten aan modern materieel. Door jarenlange bezuinigingen was de uitrusting van de troepen grotendeels verouderd. De standaarduitrusting van de infanterist bestond uit een Steyr-Mannlicher M95-geweer, een wapen dat al dateerde uit de jaren 1890.
Automatische wapens waren beperkt: elk infanteriebataljon had slechts enkele lichte mitrailleurs (M20 Lewis) en zware machinegeweren (Schwarzlose of Vickers), onvoldoende in vergelijking met de Duitse vuursteun.
Hoewel er in de late jaren ’30 enige modernisering op gang kwam, was die niet voltooid. Zo beschikte het leger in mei ’40 nog maar over circa 33% van de benodigde antitankkanonnen en 20% van het beoogde luchtafweergeschut. Een deel van de artillerie bestond uit kanonnen van 8 cm uit 1878 zonder terugslagrem – deze werden bij het afvuren op een berg zandwallen geduwd om de terugstoot op te vangen.
Moderne veldkanonnen van 105 mm waren er in kleine aantallen. In totaal had Nederland rond 40% van de beoogde hoeveelheid artilleriestukken paraat. Aantallen granaten en patronen waren bovendien beperkt, zodat men zuinig moest schieten.
Bijzonder nijpend was het gebrek aan gemotoriseerd materieel. Het Nederlandse leger bezat geen tanks en slechts enkele tientallen pantserwagens. De paar pantserwagens (zoals de Landsverk M36/M38) waren verdeeld over verkenningseenheden en konden nauwelijks op tegen Duitse pantsers.
Anti-tankwapens beperkten zich tot lichte 47 mm antitankkanonnen en wat geïmproviseerde maatregelen (zoals sommige kanonnen van 6 cm uit 1903 die tegen pantsers werden ingezet). Veel Nederlandse eenheden waren aangewezen op paarden, fietsen of gewoon de voetmars voor verplaatsing.
Dit contrast met de gemotoriseerde delen van het Duitse leger beperkte de mobiliteit en reactietijd van de verdedigers enorm.
Ook de luchtmacht – formeel onderdeel van de Landmacht als Wapen der Militaire Luchtvaart – was klein en verouderd. Nederland kon ongeveer 125 gevechtsklare vliegtuigen inzetten, waarvan een handvol moderne Fokker G.I jachtkruisers en D.XXI jachtvliegtuigen. De rest bestond uit verouderde modellen (Fokker C.V lichte bommenwerpers uit de late jaren ’20, enzovoort).
Tegen de meer dan duizend moderne toestellen van de Duitse Luftwaffe was dit luchtwapen vrijwel kansloos. Al op 10 mei ging een groot deel van de Nederlandse vliegtuigen verloren in moedige doch vergeefse pogingen de invasie te stuiten.
Samengevat was de Nederlandse militaire voorbereiding in 1940 onvoldoende om een Duitse overmacht langer tijd weerstand te bieden. Er was moed en plichtsgevoel bij de troepen, maar de uitrusting en organisatie liepen achter. De Grebbelinie was nog niet af, er waren te weinig moderne wapens en er bestond geen volwaardige strategische reserve. Ondanks deze handicaps gingen de Nederlandse soldaten in mei 1940 vastberaden de strijd aan, vertrouwend op hun stellingen en de hoop dat hulp van bondgenoten zou komen. Duitse aanval en tactieken
Blitzkrieg en gecombineerde wapens
De Duitse aanval op Nederland maakte deel uit van een bliksemoorlogstrategie die in heel West-Europa werd toegepast. De kern van de tactiek was snelheid, verrassing en gecombineerde wapens – beter bekend als Blitzkrieg. Hoewel Nederland voor de Duitse oorlogsmachine een secundair front was, zette de Duitse legerleiding voldoende troepen in om een snelle overwinning te verzekeren.
Het Duitse 18e Leger kreeg de opdracht om binnen enkele dagen de Vesting Holland te veroveren. Daartoe werden verschillende manoeuvres gelijktijdig uitgevoerd: parachutisten en luchtlandingstroepen werden ingezet om verwarring te zaaien en strategische objecten diep achter de linies te nemen, terwijl conventionele grondtroepen de verdedigingslinies frontaal aanvielen met steun van luchtmacht en artillerie.
Duitsland maakte op 10 mei onmiddellijk duidelijk dat het bereid was alle beschikbare middelen in te zetten. In het zuiden rukten pantserdivisies en gemotoriseerde infanterie razendsnel op, gesteund door Stuka-duikbommenwerpers die bruggen en troepenconcentraties aanvielen.
In het oosten, bij de Grebbelinie, waren voornamelijk klassieke infanteriedivisies ingezet, maar ook daar was de coördinatie met de artillerie en luchtmacht nauwgezet. De Duitse commandanten beschikten over gedetailleerde inlichtingen.
Voorafgaand aan de aanval hadden Duitse spionnen, vermomd als toeristen, ongestoord de Nederlandse stellingen kunnen observeren. Doordat in Nederland vóór de inval geen volledige staat van beleg gold, waren er bijvoorbeeld nog burgerbewegingen mogelijk in gevoelig gebied. De Duitse inlichtingendienst maakte daar gretig gebruik van. Zo wisten de Duitsers waar de sterke en zwakke punten van de Grebbelinie lagen.
Verkenningseenheden van de Wehrmacht en Waffen-SS speelden een belangrijke rol bij de aanval op de Grebbeberg. Vooraf rukten verkenners, soms in buitgemaakte Nederlandse uniformen, op om de aanvoerroutes te verkennen en gaten te vinden. Zo probeerden ze de bruggen over rivieren intact te veroveren (bijvoorbeeld de IJsselbruggen). In sommige gevallen slaagden zulke commando’s, maar vaak ook niet volledig: de eerder genoemde gepantserde trein bij Westervoort werd tijdig gestopt, en bij Rotterdam wisten Nederlandse mariniers de Willemsbrug aanvankelijk te heroveren van parachutisten.
Maar ondanks enkele tegenslagen slaagden de Duitsers erin hun hoofdmacht snel dicht op de Nederlandse hoofdverdedigingslijn te brengen. Rond Wageningen en Rhenen stond op 10 mei in de avond een compleet Duits legerkorps paraat voor de aanval op de Grebbelinie.
De strijd barst los: 11 mei 1940
Aanval op de voorpostenstrook
In de nacht van 10 op 11 mei 1940 begon de daadwerkelijke Slag om de Grebbeberg. Even na 02.00 uur ’s nachts opende de Duitse artillerie het vuur. Vanuit de omgeving van Wageningen vlogen granaten richting de Nederlandse voorpostenlinie aan de oostelijke voet van de Grebbeberg.
Deze voorpostenstrook bestond uit verspreide kleine bunkers en schuttersputten, bemand door vooruitgeschoven secties Nederlandse infanterie. Het doel van de Duitse beschieting was tweeledig: allereerst de voorposten verzwakken en desoriënteren, en ten tweede de achterliggende hoofdweerstand (frontlijn) te isoleren.
Daarom werd niet alleen de directe voorste lijn bestookt, maar vielen ook granaten verder westwaarts neer, onder andere langs de Cuneraweg bij Rhenen en op bekende Nederlandse stellinglocaties achter de berg. De Nederlandse artilleriewaarnemers op de Grebbeberg zagen in het duister de mondingsvlammen aan de overkant van het dal en rapporteerden onmiddellijk de inslagen.
Aanvankelijk konden de Nederlandse verdedigers terugschieten. Achter de Grebbeberg, aan de westkant, stonden enkele batterijen Nederlandse veldartillerie opgesteld (75 mm kanonnen). Deze opstellingen openden vuur op de vermoedelijke Duitse stukken en troepenconcentraties in en om Wageningen.
Omdat radioverbindingen ontbraken, moesten Nederlandse artilleriewaarnemers vanaf de berg per telefoon of visuele signalen werken. Enkele waarnemers hadden in bomen op de helling postgevat met verrekijkers om de inslagen te corrigeren. Ze merkten bijvoorbeeld dat de toren van de Grote Kerk in Wageningen door de Duitsers als observatiepost werd gebruikt. Prompt werd deze markante kerktoren doelwit van Nederlands vuur: na meerdere voltreffers vloog de toren in brand.
Ondanks dit soort tegenmaatregelen was het voor de Nederlandse artillerie moeilijk effectief te blijven. Het voortdurende Duitse tegenbombardement veroorzaakte dikke rook- en stofwolken, waardoor het zicht slecht werd. Waarnemers konden doelen niet goed herkennen en schoten soms noodgedwongen “blind” op verdachte gebieden.
De Duitse infanterieaanval
Opmars door de voorpostenstrook
Intussen, in de schemering van de vroege ochtend van 11 mei 1940, zette de Duitse infanterie haar grondaanval op de voorposten in. Rond 05.00 uur kwamen ongeveer drie Duitse bataljons, voornamelijk SS-troepen van het regiment “Der Führer”, in beweging richting de Nederlandse voorpostenstrook. Deze strook liep van de Rijn bij het dorpje Achterberg noordwaarts langs de oosthelling van de Grebbeberg.
De Nederlandse soldaten in de voorposten – ongeveer 400 man sterk verdeeld over diverse secties – werden geconfronteerd met een overmachtige vijand. Toch boden zij felle tegenstand. In de eerste uren wisten de Nederlanders verschillende Duitse aanvallen af te slaan. Mitrailleurs ratelden vanuit verscholen nestjes en geweerschutters schoten op silhouetten die naderden door het halfdonker.
Nederlandse artillerie ondersteunde hen nog kort, totdat de verbindingen verbroken raakten. Al snel waren namelijk de weinige telefoonlijnen die naar de voorposten liepen, door granaatinslagen doorgesneden. Zonder telefoon en zonder radio moesten bevelen per estafette (ordonnans) worden doorgegeven, wat onder intens vuur uiterst riskant was.
De Duitsers voerden de druk steeds verder op. Dankzij hun numerieke meerderheid en betere uitrusting konden zij de Nederlandse voorposten stukje bij beetje omsingelen en uitroeien. In de loop van de ochtend wist een Duitse aanvalsploeg een bres te slaan in het noordelijke deel van de voorpostenstrook. Hier, in het relatief open terrein bij de Grebbedijk, braken SS’ers door en begonnen langs de lijn naar het zuiden op te schuiven, waardoor andere Nederlandse steunpunten in de rug bedreigd werden.
Eenzelfde tactiek paste men toe waar mogelijk elders langs de strook: posten werden van opzij aangevallen zodra de buurman gevallen was. De gevechten namen vaak een grimmig karakter aan. Meerdere Nederlandse groepen raakten volledig afgezonderd en munitie raakte op.
Wreedheden door SS-troepen
Misbruik van krijgsgevangenen
Tijdens deze fase begaan de SS-troepen enkele grove schendingen van de oorlogsregels. Zo dwongen ze gevangen genomen Nederlandse militairen om voor hen uit te lopen in het schootsveld van de nog vechtende Nederlandse bunkers. Keer op keer probeerden de SS’ers op deze lafhartige wijze de verdedigers te dwingen het vuur te staken, uit angst hun eigen makkers te raken.
Ook zijn er gedocumenteerde gevallen dat Nederlandse militairen die zich uiteindelijk overgaven, onmiddellijk na hun capitulatie door de SS werden geëxecuteerd. Dit soort incidenten – unieke wreedheden in de kortdurende strijd in Nederland – maakten duidelijk dat men te maken had met fanatieke troepen die terreur als wapen hanteerden. Voor de Nederlandse dienstplichtigen in de frontlijn was dit uiteraard zeer beangstigend en ondermijnend voor het moreel.
Terugtrekking naar de hoofdverdediging
De val van de voorposten
Desondanks hielden de voorposten tot diep in de middag stand op verschillende punten. De hevigheid van de Nederlandse weerstand blijkt uit het feit dat de Duitse opmars hier ernstig vertraagde. Pas tegen het einde van de middag (rond 17.00–18.00 uur) wisten de Duitsers de allerlaatste Nederlandse voorpost te overmeesteren na bittere gevechten.
Op dat moment waren veel Nederlandse stellingen letterlijk tot de laatste patroon verdedigd. Sommige groepen zagen zich genoodzaakt zich over te geven, waarna ook daar vaak misstanden plaatsvonden (zoals het doodschieten van de eerste twee overgevers in een groep door SS-soldaten, alvorens de rest krijgsgevangen te maken).
Al met al kostte het de aanvallers bijna de hele dag om een strook in te nemen die door slechts circa twee compagnieën verdedigd werd. De vertraging die hier optrad, was aanzienlijk in het Duitse tijdschema – men had immers gehoopt al vóór de middag de Grebbeberg zelf te kunnen bestormen.
Terugtocht onder dekking
Van de Nederlandse militairen in de voorpostenlinie wist ongeveer de helft zich terug te trekken richting de hoofdverdedigingslijn op de Grebbeberg. Onder dekking van de schemering en waar mogelijk via routes onder dekking van vuur trokken groepjes zich terug naar de frontlijn op de berghelling.
Ordonnansen rende halverwege terug om aan de hoofdmacht door te geven dat eigen troepen naderden, zodat men niet per ongeluk op eigen mensen zou schieten. Dankzij zulke communicaties wisten veel soldaten de frontlijn veilig te bereiken. De overige verdedigers van de voorposten waren gesneuveld, gewond achtergebleven of krijgsgevangen gemaakt.
12 mei 1940: Doorbraak van de frontlijn
Artillerievoorbereiding bij zonsopkomst
In de vroege uren van 12 mei 1940 barstte een orkaan van vuur los op de Grebbeberg. Vanaf ongeveer 04.00 uur voerden de Duitsers een ongekend zwaar artilleriebombardement uit op de Nederlandse hoofdstellingen. Vijf volledige artillerie-afdelingen concentreerden hun vuur op een smalle sector rond de weg van Wageningen naar Rhenen, precies waar deze langs het Hoornwerk en de frontlijn liep.
Negentig minuten lang regende het granaten op de loopgraven, kazematten en prikkeldraadversperringen. De Nederlandse soldaten op de Grebbeberg schuilden zo goed als het ging in hun loopgraven, terwijl rondom hen de aarde trilde en wrede scherfregens neerkwamen.
Veel telefoonlijnen die de commandoposten op de berg verbonden met hogerhand of met de artillerie achter hen, gingen nu definitief verloren. Het gevolg was dat communicatie en bevoorrading vrijwel stilvielen. Bewegende ordonnansen werden door het spervuur getroffen of konden hun bestemming niet bereiken.
Munitie-aanvoer naar de voorste posities stokte; al binnen een paar uur meldden posten, met name in het Hoornwerk, dat hun patroon- en granaatvoorraad kritiek laag werd.
Grondaanval op het Hoornwerk
Onder dekking van dit intensieve preparatief vuur begonnen de Duitse infanteriebataljons aan hun aanval op de frontlijn van de Grebbelinie. Tegen het einde van de ochtend, rond 12.00–13.00 uur, kwamen SS-troepen van “Der Führer”, gesteund door reguliere Wehrmacht-infanterie, in beweging over de hellingen.
De Nederlandse frontlinie op de Grebbeberg bestond hoofdzakelijk uit één lange aaneengesloten loopgraaf met schietgaten, versterkt met hier en daar een betonnen mitrailleurkazemat. Bij het Hoornwerk – een uitsteeksel aan de voet van de berg – waren extra versterkingen, maar juist daar hadden de Duitse granaten verwoestend huisgehouden.
Binnen de eerste aanvalsuren waren bijna alle Nederlandse machinegeweren in het Hoornwerk vernietigd of onbruikbaar gemaakt, en de voorraad munitie slonk snel. Om 13.00 uur kregen de verdedigers daar het bevel zich terug te trekken naar de hoofdstelling op de berg zelf, wegens gebrek aan munitie en onhoudbaarheid van de positie.
Via de deels opgeblazen Grebbe-brug konden Duitse soldaten nu doordringen. De genie had de brug nog trachten te vernietigen, maar blijkbaar was de explosie niet afdoende geweest: er bleef een gedeeltelijke passage over de Grebbe (een smalle beek/rivier langs de berg) bestaan. Duitse pioniers benutten dit en wisten een bruggenhoofd te vestigen binnen de Nederlandse frontlijn. Hiermee was een eerste serieuze bres geslagen.
In de loop van de middag veroverden de Duitsers stukje bij beetje de oostelijke boshelling van de Grebbeberg. Bepalend was dat de Nederlanders nu op twee fronten tegelijk moesten vechten: frontaal tegen de opstormende vijand over de weg en flanken, en in hun rug tegen Duitsers die via de brug en onderlangs het Hoornwerk binnengedrongen waren.
Behouden van de stoplijn
De Nederlandse troepen gaven zich echter niet gewonnen. Rond 14.00 uur slaagde de Duitse hoofdaanval erin enkele stukken van de frontlijn te bezetten, maar stuitte toen op de stoplijn. Deze stoplijn lag enkele honderden meters achter de frontlijn en was bedoeld als laatste verdedigingswal.
In feite was het niet meer dan een tweede loopgraaf, minder uitgebreid uitgerust dan de frontlijn. Niettemin wisten de terugtrekkende Nederlandse troepen zich hier te hergroeperen. De Duitsers die de frontlijn waren gepasseerd, werden nu op korte afstand onder vuur genomen vanaf de stoplijn. Hierdoor stokte de Duitse opmars tijdelijk.
Nederlandse tegenaanval bij de Grebbeberg
Majoor Jacometti en de contra-aanval
Het Nederlandse bevel ter plaatse besefte dat dit het moment was om te proberen de vijand terug te slaan. Er werd besloten tot een tegenaanval in de middag van 12 mei, ondanks de chaos. Majoor G.J. Jacometti, commandant van I bataljon 8e Regiment Infanterie, verzamelde in allerijl wat manschappen die beschikbaar waren – uiteindelijk niet meer dan een peloton of dertig man – voor een tegenstoot.
Volgens getuigen sprong Jacometti met getrokken pistool voor zijn troepen uit en riep leuzen als: “Weg met die moffen!” en “Leve de koningin!”. Deze moedige charge had aanvankelijk enig effect; de plotselinge felheid deed de voorste Duitsers aarzelen.
Maar al snel merkten de Duitsers dat de tegenaanval kleinschalig was, en hun numerieke overwicht deed zich gelden. Een moordend spervuur van Duitse mitrailleurs en mortieren sloeg de tegenaanvallers terug. Majoor Jacometti sneuvelde in de vuurlinie, evenals een groot deel van zijn groep.
Vervolging van 12 mei: strijd in de stoplijn
Chaos en wanorde in de verdediging
Na de mislukte pogingen tot tegenaanval ontstond er verwarring in de stoplijn. De loopgraven vulden zich met een bont geheel: overlevenden van de frontlijn, restanten van verschillende compagnies, officieren zonder hun volledige eenheden, enzovoort.
Veel onderofficieren en officieren namen spontaan de leiding over gemengde groepen om de verdediging georganiseerd te houden. Ondanks de chaos bleef de stoplijn die middag grotendeels in Nederlandse handen. Duitse infanterie voerde herhaalde aanvallen uit, maar werd vooralsnog afgeslagen door fanatiek verweer met geweren, lichte mitrailleurs en bajonetten.
Op sommige plekken kwam het tot man-tegen-mangevechten: in de bossen vlogen handgranaten over en weer, en bajonetaanvallen werden ingezet om indringende groepjes vijand te verdrijven. De Nederlanders vochten met verbetenheid, beseffend dat er geen achteruit meer was behalve totale terugtocht.
Doorbraak in de stoplijn
Tegen de avond van 12 mei veranderde de situatie abrupt. Omstreeks 19.00 uur begonnen de Duitsers een laatste geconcentreerde poging om de stoplijn te breken. Ze richtten alle beschikbare artillerie en mortieren op één segment: de plaats waar de hoofdweg Rhenen–Wageningen de stoplijn kruiste, nabij een kleine open plek.
Onder dekking van dit plotse, hevige vuur stormde een volledig SS-bataljon naar voren. Deze verrassingsaanval vond precies op een zwak moment plaats. Enkele Nederlandse eenheden waren net herpositioneerd of uitgeput, en de continuïteit in de stoplijn was gebrekkig. De SS’ers braken door de loopgraaf, en er ontstond een gat in de stoplijn.
Dit veroorzaakte een lokaal paniek. In het halfdonker en te midden van explosies zagen Nederlandse soldaten aanpalende kameraden terugtrekken, wat de vrees voor omsingeling aanwakkerde. Honderden militairen, vooral van reserve-eenheden achter de stoplijn, besloten op eigen initiatief de terugtocht in westelijke richting te aanvaarden. Er ontstond een ongecoördineerde vlucht uit delen van de tweede linie.
De Duitsers maakten dankbaar gebruik van de ontstane bres. Ze drongen door richting het spoorwegviaduct net ten oosten van Rhenen. Dit viaduct lag achter de stoplijn en vormde een doorgang van het slagveld naar het stadje Rhenen.
Verdediging bij het spoorviaduct
Marechaussees houden stand
Bij het spoorviaduct had kapitein Jacob Gelderman van de Koninklijke Marechaussee zich ingegraven met een groep marechaussees. Hun expliciete opdracht was om desnoods met geweld te voorkomen dat Nederlandse troepen zonder bevel zouden terugtrekken – met andere woorden, zij moesten door aanwezigheid en gezag paniekremming uitoefenen.
Ironisch genoeg werden ze nu de laatste drempel voor de oprukkende Duitsers. Wäckerle’s SS-bataljon dat doorgebroken was, kwam in de late avond bij het spoorviaduct aan. In lijn met de eerdere methoden probeerden de SS’ers weer krijgsgevangenen als schild te misbruiken.
Ze positioneerden gevangengenomen Nederlandse soldaten met opgeheven handen voor zich achter een lage afrastering, terwijl ze zelf daarachter dekking zochten en vuurden. Kapitein Gelderman liet zich echter niet intimideren. Hij riep zijn mannen op het vuur te openen, ondanks de risico’s. Een salvo van Nederlandse mitrailleurvuur kletste door de duisternis. Enkele ongelukkige Nederlandse gevangenen werden hierbij eveneens geraakt, maar de SS-aanval stuitte op hevig verzet en de Duitsers trokken zich terug.
Tactieken en misleiding door de SS
Vervolgens veranderden de SS van tactiek: een groep Nederlandse gevangenen, half ontkleed om ze te vernederen en hun uniformen onbruikbaar te maken, werd voor de tweede maal vooruit gedreven richting de marechaussees. Wederom beantwoordden de Nederlanders dit met vuurstoten. De gevangenen lieten zich plat vallen zodra de schoten vlogen, waardoor de achterliggende SS’ers zichtbaar werden en wederom met verliezen werden teruggeslagen.
Een derde en zelfs vierde listige poging – waaronder SS-soldaten die zich in buitgemaakte Nederlandse uniformen hadden gestoken – mislukten eveneens. Bij die laatste poging verrieden de zware legerkisten aan hun voeten de vermomming, waarna ook dat plan op niets uitliep.
Afgesneden Duitse eenheden
In de tussentijd was de doorgebroken situatie in de stoplijn achter het front gedeeltelijk gestabiliseerd. Dappere Nederlandse officieren en kleinere eenheden grepen in. Zo wisten Nederlandse troepen de losgebroken SS-groep bij de fabriek De Stoomhamer (een fabriekje net buiten Rhenen, waar de SS’ers zich hadden verscholen) af te snijden van hun achterhoede.
De onverwachte weerstand van verspreide posten – waaronder de marechaussees bij het viaduct, een groep huzaren ten zuiden daarvan en restanten van een infanteriepeloton noordelijk langs de spoorlijn – zorgde ervoor dat de Duitse opmars feitelijk tot stilstand kwam voor Rhenen.
Ondanks de bres hadden de Duitsers de Grebbeberg op 12 mei nog niet volledig kunnen innemen. De nacht viel met een patstelling: vijandelijke eenheden zaten al deels in de Nederlandse linies, maar waren ook afgeremd en hier en daar omsingeld.
Voorbereiding van de tegenaanval
Nachtelijke reorganisatie
Het Nederlandse opperbevel zag in dat de volgende dag beslissend zou zijn. Er werd op 12 mei laat in de avond koortsachtig gewerkt aan een laatste reddingsplan: een grootschalige tegenaanval om de vijandelijke penetratie ongedaan te maken.
Omdat vrijwel alle directe reserves reeds in de strijd waren, verzamelde men geïmproviseerd vier bataljons vanuit verschillende richtingen (sommige kwamen uit de Betuwestelling ten zuiden van de Rijn, andere van elders in de Valleistelling). Deze eenheden, aangeduid als Brigade B, marcheerden in de nacht naar een verzamelpunt ten noorden van de Grebbeberg.
Ze waren vermoeid door eerdere gevechten en nachtelijke marsen, maar moesten nu alsnog ingezet worden. Het plan was dat twee bataljons frontaal vanuit het noorden over de open velden richting de Grebbeberg zouden aanvallen, terwijl twee andere in tweede echelon volgden. Gelijktijdig zou de bestaande stoplijn op de berg zoveel mogelijk standhouden om de doorgebroken Duitsers geïsoleerd te houden.
13 mei 1940: Climax van de slag
Laatste hoop: de tegenaanval
De ochtend van 13 mei – Tweede Pinksterdag – begon met de laatste en beslissende gevechtsacties op de Grebbeberg. In alle vroegte kregen de Nederlandse troepen in de stoplijn het bevel nog enkele uren stand te houden, koste wat kost, om de geplande tegenaanval de kans te geven.
De mannen waren uitgeput na twee dagen vechten, maar bleven op hun posten in de loopgraaf, hopend op ontzet. Vanuit de Betuwe (ten zuiden) waren in de nacht verse Nederlandse versterkingen gearriveerd en naar voren gestuurd om de stoplijn te ondersteunen.
Deze nieuwe troepen namen posities in tussen de doorweekte en gehavende restanten van de oorspronkelijke verdedigers. Hun komst gaf tijdelijk een morele steun: men wist dat men niet geheel aan het lot werd overgelaten.
Duitse versterking
Tegelijkertijd brachten de Duitsers ook versterking aan. De volledige 322e Infanterieregiment van de 207e divisie was in de nacht aangesloten bij de strijd om de Grebbeberg. Dit verse regiment nam de taak over om de Nederlandse stoplijn frontaal aan te vallen, terwijl het uitgeleefde SS-regiment “Der Führer” de opdracht kreeg langs de loopgraven naar het noorden op te rukken (“oprollen” van de linie) en zo de resterende Nederlandse weerstand in de flank te treffen.
Hiermee werd getracht de laatste elementen van de verdediging definitief uiteen te doen vallen.
De Nederlandse tegenaanval
Gebrek aan overzicht
Voor de Nederlanders begon de tegenaanval in de ochtend onder een slecht gesternte. Communicatieproblemen speelden opnieuw parten: door gebrekkige verbindingen wist men bij de aanvallende brigade niet exact waar de vijand zich bevond, en zelfs niet zeker waar eigen troepen nog standhielden.
Om friendly fire te voorkomen, werd besloten dat de Nederlandse artillerie bij de tegenaanval alleen doelen vóór de Grebbeberg (dus oostelijk van de berg) zou beschieten, en niet op de berg zelf – men wilde immers niet per ongeluk eigen loopgraven treffen waar nog Nederlanders vochten.
Dit betekende echter dat de Duitse troepen die zich al op de Grebbeberg ingegraven hadden, gespaard bleven van artilleriebeschieting.
Uitvoering van de aanval
Om ongeveer 07.00 uur op 13 mei zetten de twee aangevoerde Nederlandse bataljons vanuit het noorden de tegenaanval in. Voorafgaand waren er nog enige vertragingen door misverstanden en het opstellen van de troepen.
Een klein lichtpuntje was dat in de schemering rond 05.00 uur nog drie Nederlandse Fokker C.X-vliegtuigen een aanval hadden uitgevoerd op Duitse posities tussen Wageningen en de Grebbeberg. Verrassend genoeg waren er op dat moment geen Duitse jagers of luchtafweer direct paraat, zodat deze vliegtuigen enkele bommen konden afwerpen en mitrailleurvuur konden geven op de vijandelijke troepenopbouw.
Hoewel het effect daarvan beperkt was, bood het psychologisch steun aan de eigen troepen die zagen dat zelfs de luchtmacht zich nog inzette.
De tegenaanval vorderde aanvankelijk langzaam maar gestaag. De Nederlandse infanterie moest in open weilanden vol sloten en versperringen oprukken ten noorden van de Grebbeberg. Ze ondervond direct hevig vuur van Duitse mitrailleurs vanaf de rand van het bos op de berg en vanuit voorliggende posities.
Toch wisten delen van de Nederlandse troepen een stuk terrein te winnen en duwden zij de meest vooruitgeschoven Duitse posten iets terug. Er ontstond bij de Duitse bevelhebbers onrust dat hun doorbraak afgesneden dreigde te raken.
Duitse reactie: artillerie en luchtsteun
Al spoedig sloeg het Duitse antwoord toe. De Duitse artillerieobserveurs merkten de Nederlandse troepenbewegingen op en riepen zware beschietingen af op het open terrein. Granaten sloegen tussen de oprukkende bataljons in, waardoor formaties uit elkaar gerukt werden.
Korte tijd later verschenen een aantal Stuka-duikbommenwerpers boven het slagveld. Het typische angstaanjagende gejank van de Stuka’s was voor veel Nederlandse soldaten een eerste kennismaking met luchtbombardement.
Deze vliegtuigen voerden in golven precisie-aanvallen uit op de Nederlandse tegenaanvallers, waarbij bommen op de weilanden neerploften en enorme rook- en stofwolken opwierpen.
De toch al vermoeide en weinig ervaren troepen raakten hiervan danig onder de indruk. De morele weerstand die nog restte, begon te breken.
Paniek in het veld
Onder de allesvernietigende druk van explosies en fluitende granaatscherven begonnen groepen Nederlandse infanteristen zich terug te trekken. Wat begon als een ordelijke terugloop, ontaardde al snel in paniek.
Soldaten probeerden uit de “hel” van het open veld te ontsnappen en zochten dekking achterwaarts. Velen renden richting de bosschages of de dijk om aan het zicht van de duikbommenwerpers te ontkomen.
Officieren en kaderleden deden hun best de eenheden te hergroeperen. Uiteindelijk lukte het om op een wat meer westwaarts gelegen lijn een deel van de troepen te verzamelen en een geïmproviseerde defensieve opstelling te vormen.
Maar duidelijk was dat de tegenaanval was vastgelopen en zijn momentum geheel verloren had. Voor de Nederlandse kant was hiermee de laatste hoop op een doorbraak ten gunste vervlogen.
Laatste verzet op de Grebbeberg
Verspreide gevechten
Intussen woedde op de Grebbeberg zelf de strijd voort, nu in de vorm van vele afzonderlijke gevechten her en der. De stoplijn, die in de avond ervoor al gedeeltelijk was bezet door de Duitsers, brokkelde verder af. Duitse infanterie van het verse 322e regiment drong op meerdere punten door tot in de Nederlandse loopgraven.
Hier vonden hevige handgemeen plaats. Nederlandse en Duitse militairen bevochten elkaar op korte afstand met handgranaten, pistolen en geweerbajonetten. De restanten van de Nederlandse compagnies hielden zo lang mogelijk stand, maar de continuïteit van de linie verdween; het was geen gesloten front meer maar een verzameling van verzetshaarden.
Stand van majoor Landzaat
Een van de meest heroïsche episodes voltrok zich bij de commandopost van I-8 R.I. (Eerste Bataljon van het 8e Regiment Infanterie), onder leiding van majoor Willem Pieter Landzaat. Deze CP bevond zich in een theehuis-paviljoen nabij de ingang van Ouwehands Dierenpark bovenop de Grebbeberg. Majoor Landzaat had zich daar met zijn staf en toevlucht zoekende restanten van zijn bataljon verschanst – in totaal zo’n 15 à 20 man. Zij besloten het gebouw tot het uiterste te verdedigen.
Toen Duitse stormtroepen naderden, openden Landzaat en zijn mannen vernietigend vuur vanuit ramen en deurposten. Het paviljoen werd spoedig omsingeld, maar de kleine groep binnenin wist urenlang stand te houden. Duitse aanvallen werden keer op keer afgewezen met goed gericht vuur en vasthoudendheid.
Uiteindelijk zetten de Duitsers zware wapens in: antitankkanonnen en vlakschietende artillerie namen het houten paviljoen onder vuur. In de namiddag stortte het gebouw, inmiddels in lichterlaaie, gedeeltelijk in.
Landzaat had inmiddels bijna geen munitie meer over. Hij gaf de overlevenden onder zijn mannen toestemming zich terug te trekken of over te geven. “Jullie hebben gevochten als helden, mijn dank!” zou hij hen hebben toegesproken.
Zelf weigerde hij mee te gaan. In overeenstemming met zijn plichtsbesef en eerder bevel (“standhouden tot de laatste man, laatste patroon”) koos majoor Landzaat ervoor zijn post niet te verlaten. Hij bleef achter in de puinhopen van het paviljoen en vuurde zijn laatste pistoolpatronen af op de oprukkende vijand tot hij werd gedood.
Pas na de strijd werd zijn lichaam gevonden, tot as verbrand; schrijnend genoeg herkende zijn echtgenote hem later aan persoonlijke eigendommen. Landzaats stand werd nadien symbool voor de verbeten moed waarmee op de Grebbeberg is gestreden.
Laatste acties rondom Rhenen
Verspreid over het terrein vonden nog meer van dergelijke laatste standjes plaats. Groepjes Nederlandse soldaten, soms geïsoleerd zonder radio of telefoon, bleven vechten in bosjes, loopgraven of huizenruïnes.
Dit slooppatroon van weerstand had een uitputtend effect op de aanvallers. De Duitse 322e Regiment dat vers was ingezet, ondervond zulk hardnekkig tegenspel dat zijn opmars stokte bij de oostrand van Rhenen, rond de spoorlijn. Hier hadden de Duitsers gehoopt makkelijk door te stoten, maar nog steeds lagen her en der Nederlandse mitrailleurs die de oversteek verhinderden.
De terugtocht en capitulatie
Laatste Nederlandse successen
Bij het spoorviaduct vond gelijktijdig een opvallende ontwikkeling plaats. De marechaussees van kapitein Gelderman bleven tot diep in de middag hun positie bezet houden. De SS-soldaten van Wäckerle slaagden er niet in dit cruciale punt te veroveren.
Sterker nog, later op de middag (rond 17.00 uur) slaagde een Nederlandse compagnie die als versterking was gearriveerd, erin een tegenstoot uit te voeren ten zuiden van het viaduct. Deze compagnie, waarschijnlijk onderdeel van Brigade B dat nog deels intact was, viel de SS-posities bij De Stoomhamer aan. In een kort gevecht wist men de Duitsers daar te verdrijven en de locatie te heroveren.
Hiermee werden de SS’ers die de vorige avond doorgebroken waren, geheel afgesneden van hun hoofdmacht. Op papier was de situatie nu dat er ten oosten van Rhenen nog steeds geen doorlopend Duits front was gevormd – de spoorlijn markeerde voorlopig de verrewikte grens tot waar de vijand gekomen was.
Besluit tot ontruiming
Toch was voor de Nederlandse legerleiding duidelijk dat de uitputtingsslag verloren ging. Overal begonnen de Nederlandse posities te bezwijken of waren al vernietigd. De bataljons die nog standhielden, waren gereduceerd tot kleine groepjes, vaak zonder munitie of communicatie.
De Duitsers daarentegen beschikten nog over verse troepen net achter de hand en konden elk moment een nieuwe gecoördineerde aanval inzetten. Bovendien was de situatie elders in Nederland inmiddels kritiek: in het zuiden hadden Duitse tanks de Moerdijkbruggen gepasseerd en naderden ze Rotterdam; de Franse bondgenoten die in Brabant waren verschenen, trokken zich terug nadat hun aanvallen faalden.
De Vesting Holland dreigde van meerdere kanten onder druk te komen. Op de avond van 13 mei 1940 nam generaal Godfried van Voorst tot Voorst, bevelhebber van het Nederlandse Veldleger, een ingrijpend besluit. Hij gaf bevel tot het ontruimen van de Grebbelinie. Het veldleger zou zich moeten terugtrekken achter de Nieuwe Hollandse Waterlinie, dichter bij de grote steden.
Dit besluit werd genomen nadat duidelijk was geworden dat verdere verdediging van de Grebbeberg geen doel meer diende en slechts tot zinloze verliezen zou leiden. Ook was er angst dat een doorbraak bij Rhenen zou leiden tot een omsingeling van de rest van het leger in de Vallei.
Kort na dit bevel vielen ook de laatste Nederlandse stellingen op de Grebbeberg. De Duitsers trokken Rhenen binnen, dat grotendeels in puin lag door artillerievuur en branden.
Nachtelijke aftocht en einde van de strijd
De terugtocht van de Nederlandse troepen vond plaats in de nacht van 13 op 14 mei. Ondanks de chaos slaagde dit grotendeels. Met hulp van achterhoede-eenheden (die zich opofferingsgezind opstelden om de Duitsers af te remmen) en dankzij een dikke mist die die nacht opgetrokken was, konden duizenden Nederlandse soldaten zich losmaken van de linie en westwaarts marcheren.
Men stak de Nederrijn en de Lek over via beschikbare veren en bruggen achter de Waterlinie. De Duitse achtervolging was voorzichtig en door de beperkte zichtbaarheid ook vertraagd.
Zo kon het veldleger zich groeperen achter de inundaties van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. In militair opzicht was de Slag om de Grebbeberg daarmee ten einde gekomen op 13 mei.
Het Nederlandse leger had drie dagen lang standgehouden op de Grebbelinie, langer dan de Duitse opzet was, maar had uiteindelijk de strijd moeten staken.
Capitulatiedag 14 mei 1940
Militaire situatie na 13 mei
Op 14 mei 1940 waren de meeste Nederlandse grondtroepen teruggevallen op de laatste verdedigingslinie rond de kern van de Vesting Holland. In theorie was er nu nog een aaneengesloten front ten noorden en oosten van dit gebied. In de praktijk waren de mogelijkheden om verder te vechten echter minimaal.
De Nieuwe Hollandse Waterlinie was slechts ten dele bemand en voorzien; veel forten waren onvoltooid omdat de focus op de Grebbelinie had gelegen. Bovendien was de zuidflank ingestort: Duitse pantsertroepen bereikten dezelfde ochtend de zuidelijke rand van Rotterdam, na eerdere gevechten op het Eiland van Dordrecht. Daarmee dreigden nu de grote steden rechtstreeks betrokken te raken bij frontgevechten.
Bombardement op Rotterdam en dreiging van meer
De Duitse commandant besloot een dramatische maatregel in te zetten om de resterende Nederlandse weerstand te breken: in de middag van 14 mei werd het centrum van Rotterdam gebombardeerd door de Luftwaffe. Deze aanval verwoestte grote delen van de binnenstad en eiste honderden burgerlevens.
Duitsland dreigde vervolgens ook Utrecht, Haarlem en andere steden te vernietigen als de Nederlanders niet capituleerden. Voor generaal Winkelman, die het opperbevel voerde, was dit het breekpunt. Met het leger uitgeput, de Grebbelinie gevallen en de bevolking acuut gevaar lopend, besloot hij de strijd te staken om verder bloedvergieten te voorkomen.
Ondertekening van de capitulatie
In de late middag van 14 mei tekende Nederland de capitulatie (met uitzondering van de provincie Zeeland waar nog even doorgevochten werd). Daarmee eindigde de campagne van mei 1940 in Nederland formeel. De Slag om de Grebbeberg werd achteraf gezien als de meest significante veldslag tijdens die vijf Meidagen, waarin Nederlandse troepen aan het oostfront van de Vesting Holland nog georganiseerde weerstand boden.
Documentaire: De Slag om de Grebbeberg 1940
Nasleep: militaire conclusies en lessen
Bij de Grebbeberg was geen sprake van een klassieke numerieke overmacht in absolute zin. De Duitse troepen beschikten niet overal over meer manschappen dan de Nederlandse verdedigers. Het verschil lag vooral in organisatie, inzet en middelen. De Duitse eenheden waren beter getraind in moderne aanvalstactieken, beschikten over directe luchtsteun, meer automatische wapens en een flexibelere bevelvoering.
De Nederlandse verdediging was statisch ingericht, met beperkte reserves en gebrekkige communicatie. De Duitse artillerievoorbereiding, infiltratietactieken en snelle concentratie van kracht op zwakke punten gaven hen lokaal wel een tijdelijk overwicht. Dat was beslissend. De nederlaag was dus minder het gevolg van pure aantallen, maar van doctrinaire achterstand, gebrekkige commandovoering en het ontbreken van samenhang tussen infanterie, artillerie en luchtmacht.
Duitse waardering en verliezen
Aan Duitse zijde trok men eveneens conclusies. De vertraging op de Grebbeberg had hun schema’s doorkruist en was niet voorzien. Duitse rapporten prezen de felheid van de Nederlandse verdediging en benoemden dat de Waffen-SS een zware dobber had gehad, onmiskenbaar met zware eigen verliezen.
Volgens naoorlogse tellingen sneuvelden bij de Grebbeberg circa 275 Duitse militairen, waaronder opvallend veel officieren van de SS-eenheid. Dit was een hoger aantal dan men voor een dergelijk korte operatie had verwacht. Het dwong respect af: generaal von Tiedemann van de 207e Divisie schreef dat de Nederlandse soldaten “standvastig en moedig” hadden gevochten, zij het in een hopeloze situatie.
Voor de Duitsers was de les dat zelfs een slecht uitgerust leger in defensieve stellingen serieus genomen moest worden.
Gevolgen voor Nederlandse defensieplanning
Hoewel de bezetting verdere open discussie smoorde, hielden Nederlandse militaire kringen (in het geheim of in ballingschap) de herinneringen levend. In Londen werd bijvoorbeeld binnen de staf van Prins Bernhard, die bezig was een Nederlandse brigade op te richten, gekeken naar de ervaringen van 1940.
Zaken als betere uitrusting, integratie van artillerie en infanterie, en het belang van luchtafweer kregen later bij de wederopbouw van de strijdkrachten aandacht, mede ingegeven door de lessen van de Grebbeberg.
Nationale herinnering en herdenking
De slag als symbool
Al tijdens de oorlog groeide de Slag om de Grebbeberg uit tot een symbool in de Nederlandse collectieve herinnering. Hij stond symbool voor de moed en tragiek van de korte maar hevige Nederlandse weerstand in mei 1940.
In illegale kranten en latere verzetsliteratuur werd de strijd aangehaald als toonbeeld dat Nederlanders bereid waren te vechten voor hun vrijheid. Het verhaal van majoor Landzaat die zijn laatste kogel verschiet, of van soldaten die drie dagen lang de Duitse hordes tegenhouden, werd onderdeel van de oorlogsmythologie – vergelijkbaar met hoe men in andere landen spreekt over hun “laatste stand”. Hoewel soms geromantiseerd, bevatten deze verhalen een kern van waarheid en boden ze troost en trots in donkere tijden.
Militair Ereveld Grebbeberg
Een zeer tastbaar element van de herinnering bevindt zich op de Grebbeberg zelf: het Militair Ereveld Grebbeberg. Meteen na de slag begonnen Nederlandse en Duitse militairen met het begraven van de gesneuvelden op en rond de heuvel. Beide zijden begroeven hun doden in provisorische graven. De Duitse autoriteiten stonden toe dat de Nederlandse gesneuvelden verzameld werden op een centrale begraafplaats op de Grebbeberg, uit respect en ook om hygiënische redenen.
Al op 28 mei 1940 werd door de Nederlanders een voorlopige dodenlijst opgesteld van degenen die op de Grebbeberg ter aarde besteld waren. In dat eerste register stonden 388 namen van Nederlandse militairen die in de slag waren gevallen en daar begraven lagen. Het terrein van de Grebbeberg werd daarmee de eerste militaire erebegraafplaats in Nederland uit de Tweede Wereldoorlog.

Oprichting van gedenktekens
In de jaren van de Duitse bezetting werd het ereveld enigszins onderhouden, zij het sober. Er werden al snel monumentjes opgericht: zo plaatsten regimenten die zwaar geleden hadden, zoals het 8e, 10e en 22e Regiment Infanterie, gedenktekens op de Grebbeberg ter ere van hun gevallenen. Deze betonnen zuilen en platen bevatten de namen van honderden gevallenen en spreuken als “Den Vaderlant Ghetrouwe” – een oud Nederlands motto van trouw aan het vaderland.
De symboliek werd ook door de bezetter onderkend: men liet het toe als een vorm van militaire eer, maar grootschalige herdenkingen waren niet mogelijk in bezettingstijd.
Na de bevrijding
Na de bevrijding in 1945 kreeg de Grebbeberg officieel de status van nationaal militair ereveld. Er was behoefte om de gesneuvelde militairen van mei 1940 – vaak gezien als de eerste gevallenen voor de vrijheid – op een waardige wijze te eren.
Het Nationaal Legermonument Grebbeberg werd in 1946 opgericht om zorg te dragen voor de herdenkingsplaats. Veel Nederlandse militairen die elders in het land in mei 1940 sneuvelden en eerst lokaal begraven waren, werden in latere jaren herbegraven op de Grebbeberg. Dit leidde ertoe dat het aantal graven groeide van ruim 400 direct na de strijd tot meer dan 800 graven nu.
Op het ereveld liggen voornamelijk soldaten die vielen tijdens de Slag om de Grebbeberg en enkele omliggende gevechten. Duitse gesneuvelden die er aanvankelijk lagen, zijn in de jaren ’50 herbegraven op het Duitse oorlogskerkhof Ysselsteyn in Limburg.
Conclusie
De Slag om de Grebbeberg in mei 1940 markeert een tragisch maar belangrijk hoofdstuk in de Nederlandse geschiedenis. Militair gezien toonde het de beperkingen van een ontoereikend uitgerust leger, maar ook de moed waarmee is gevochten. Strategisch was de Grebbeberg geen einddoel van de Duitse operatie, maar onderdeel van een bredere opmars van Legergroep B richting het westen van Nederland. Het werkelijke zwaartepunt lag bij Rotterdam en de grote rivieren, waar de Duitsers de aanvoerlijnen en mogelijke aansluiting van het British Expeditionary Force en het Franse 7e Leger wilden blokkeren. De uiteindelijke doorbraak bij de Grebbeberg bevestigde de Duitse overmacht, maar ook de kwetsbaarheid van de Nederlandse defensieplanning.
De slag maakte pijnlijk duidelijk hoe kwetsbaar Nederland was na decennia van bezuiniging, verouderde doctrines en overschat vertrouwen in neutraliteit. Toch slaagde een deel van het Nederlandse leger erin om onder grote druk drie dagen stand te houden tegen een numeriek en technologisch superieure vijand. Dat is geen kleinigheid. De gevechten bij de Grebbeberg, en met name de vasthoudendheid van officieren als majoor Landzaat en kapitein Gelderman, zijn voorbeelden van plichtsbesef en militair leiderschap binnen een strategisch vrijwel onhoudbare situatie.
Politiek leidde de slag, samen met andere gebeurtenissen tijdens de Duitse inval, tot de beslissing tot capitulatie. Voor de burgerbevolking betekende de strijd evacuatie, verlies en vernieling. In bredere zin groeide de Grebbeberg uit tot een nationaal symbool van verzet en herinnering. De lessen blijven actueel: paraatheid, samenhangende commandovoering en strategisch inzicht bepalen uiteindelijk de uitkomst van militaire operaties.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding 1: No machine-readable author provided. NielsB assumed (based on copyright claims)., CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons
- Afbeelding 2: NielsB, CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons
- Brongers, E.H. (2002). Grebbelinie 1940. Soesterberg: Uitgeverij Aspekt. ISBN 9789059110830.
🛈 Let op: deze bron is informatief, maar wordt onder historici als niet altijd objectief beoordeeld en moet kritisch worden gelezen. - Amersfoort, H., & Kamphuis, P. (2005). Mei 1940: De strijd op Nederlands grondgebied. Den Haag: Sdu Uitgevers. ISBN 9789085061603.
- De Jong, L. (1969). Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 3: Mei ’40. Den Haag: Staatsuitgeverij. ISBN 9789029505031.
- Minjon, S. (2015). Slag om de Grebbeberg: Strijd om Wageningen en Rhenen in mei 1940. Utrecht: Matrijs. ISBN 9789053454893.
- Het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) biedt uitgebreide archieven en analyses van de Slag om de Grebbeberg, inclusief ooggetuigenverslagen en militaire rapporten.
- Winkelman, H.G. (1946). Verslag van de Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht betreffende de oorlogshandelingen der Koninklijke Landmacht in Nederland 10–15 mei 1940. ’s-Gravenhage: Staatsdrukkerij. JSTOR 10.2307/4585787.
- Bronnen Mei1940









