Nobutake Kondō: Japanse admiraal tijdens WOII

Nobutake Kondo was een Japanse admiraal die tussen 1907 en 1945 uitgroeide tot een van de leidende operationele bevelhebbers van de Keizerlijke Japanse Marine. Als commandant van de 2e Vloot stond hij aan het hoofd van de maritieme strijdkrachten tijdens de Japanse opmars in Zuidoost-Azië, nam hij deel aan de Midway-operatie en voerde hij bevel tijdens de gevechten rond Guadalcanal, waar het Japanse offensief op zee zijn grens bereikte.

Vroege leven en opleiding

Marineacademie en eerste plaatsingen

Nobutake Kondo werd geboren op 25 september 1886 in Osaka. Hij volgde zijn opleiding aan de Keizerlijke Japanse Marineacademie en studeerde in november 1907 af als beste van zijn lichting. Die lichting telde 172 cadetten. Het resultaat gaf hem vanaf het begin een sterke positie binnen een officierskorps dat veel waarde hechtte aan studieprestaties, technische scholing en discipline. In deze jaren ontwikkelde Japan zijn marine verder naar Britse en andere westerse voorbeelden, waardoor jonge officieren niet alleen zeemanschap leerden, maar ook moderne vuurleiding, organisatie en vlootleer.

Als adelborst en daarna als vaandrig diende Kondo op meerdere oorlogsschepen. Hij voer onder meer op de kruiser Aso, de torpedobootjager Kisaragi en het slagschip Kongō. Die vroege plaatsingen waren van belang omdat zij hem vertrouwd maakten met verschillende onderdelen van de vloot. Een officier die zowel op kruisers, torpedoschepen als slagschepen had gediend, kende de praktische verschillen tussen verkenning, escorte, artilleriegevecht en vlootmanoeuvre. Dat brede dienstverleden sloot later goed aan bij functies waarin coördinatie tussen meerdere eskaders nodig was.

Britse ervaring en verdere vorming

Van 1912 tot 1913 was Kondo als marineattaché verbonden aan het Verenigd Koninkrijk. Voor Japan was dat een logische stap, omdat de Royal Navy in die periode gold als het voornaamste voorbeeld voor grote zeemachten. De attachéfunctie bracht hem in aanraking met Britse organisatievormen, opleidingsmethoden en opvattingen over vlootoptreden. Na zijn terugkeer in Japan diende hij kort op het slagschip Fusō en kreeg hij vervolgens stafaanstellingen. Daarmee verschoof zijn loopbaan al vroeg van uitsluitend scheepsdienst naar een combinatie van operationele ervaring en beleidswerk.

Deelname aan de Eerste Wereldoorlog

Tijdens de Eerste Wereldoorlog vervulde Kondo vooral functies binnen de bestaande bevels- en opleidingsstructuur van de Japanse marine. Japan leverde in die oorlog geen bijdrage in de vorm van grote slagschipgevechten zoals in de Noordzee, maar de marine bleef wel actief bij escortes, beveiliging van zeewegen en het handhaven van Japanse invloed in Aziatische wateren. Binnen die context werkte Kondo aan taken die samenhingen met vuurleiding, operationele voorbereiding en stafdienst.

In 1916 werd hij hoofd artillerieofficier op de kruiser Akitsushima. Die functie vergde technische kennis, nauwkeurigheid en inzicht in de inzet van scheepsgeschut. Vervolgens bezocht hij het Naval Staff College, een opleiding die voor de hogere Japanse marineleiding van groot belang was. In december 1919 volgde zijn bevordering tot luitenant-commandant. De oorlogsjaren leverden hem dus minder bekendheid op dan zijn latere commando’s, maar zij vormden wel de fase waarin hij zich ontwikkelde van een goed opgeleide dekofficier tot een stafmilitair met uitzicht op hogere functies.

Interbellum: opkomst binnen de Keizerlijke Marine

Duitsland, hofdienst en onderwijs

Na de oorlog zette Kondo zijn ontwikkeling voort binnen zowel diplomatieke als militaire functies. Van 1920 tot 1923 maakte hij deel uit van de Japanse delegatie in Duitsland die toezicht hield op de naleving van bepalingen uit het Verdrag van Versailles. Deze aanstelling had een diplomatiek karakter, maar paste tegelijk bij de internationale rol die de Japanse marine in het interbellum nastreefde. Voor officieren als Kondo was dit een manier om buitenlandse ontwikkelingen te volgen en ervaring op te doen buiten de eigen vlootorganisatie.

Na zijn terugkeer diende hij korte tijd op het slagschip Mutsu. Op 1 december 1923 werd hij bevorderd tot commandant. Kort daarna, in 1924, volgde zijn benoeming tot adjudant van kroonprins Hirohito. Die hofdienst versterkte zijn positie binnen de hogere staats- en marinekringen. Daarna werkte hij als instructeur aan de Keizerlijke Marineacademie en later aan het Naval War College. Daarmee kreeg zijn loopbaan een dubbel karakter: hij was niet alleen uitvoerend officier, maar ook docent en opleider van toekomstige marinecommandanten.

Bevel over oorlogsschepen en stafposities

Tussen 1929 en 1930 voerde Kondo het bevel over de zware kruiser Kako. Van 1932 tot 1933 was hij commandant van het slagschip Kongō. Deze commando’s waren van gewicht, omdat kruisers en snelle slagschepen een belangrijke rol speelden in de Japanse vlootopvatting van de jaren dertig. Bevel over zulke schepen gold als voorbereiding op vlagofficiersfuncties. In november 1933 werd hij schout-bij-nacht en tevens hoofdinstructeur aan het Naval War College. Vanaf dat moment behoorde hij duidelijk tot de hogere laag van de marineleiding.

In maart 1935 werd Kondo chef-staf van de Gecombineerde Vloot. Later kreeg hij een plaats binnen de Marine Generale Staf en in 1937 volgde zijn bevordering tot viceadmiraal. Deze functies brachten hem dicht bij de kern van de Japanse maritieme besluitvorming. Hij hield zich bezig met planning, opleiding, operaties en de afstemming tussen vlootcommando’s en de centrale staf. Zijn loopbaan laat daardoor zien hoe de Japanse marine in het interbellum sterk leunde op officieren die zowel zee-ervaring als uitgebreide stafvorming hadden.

Operaties in Zuid-China

Na het uitbreken van de Tweede Chinees-Japanse Oorlog kreeg Kondo bevel over de 5e Vloot. In die functie was hij betrokken bij operaties voor de bezetting van Hainan en bij acties voor de kust van Guangdong, waaronder Swatow. Deze inzet laat zien dat zijn ervaring niet beperkt bleef tot stafwerk. De 5e Vloot ondersteunde landingen, kustbeheersing en maritieme afscherming in Zuid-China. Voor Japan waren dat geen losse acties, maar onderdelen van een bredere poging om kustgebieden, aanvoerlijnen en steunpunten onder controle te brengen.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog

De 2e Vloot en de zuidelijke opmars

Op 1 september 1941 werd Kondo benoemd tot commandant van de 2e Vloot. Bij het uitbreken van de oorlog tegen de geallieerden kreeg deze vloot een centrale plaats in de Japanse zuidelijke operaties en trad Kondo op als maritiem bevelhebber van de Zuidelijke Expeditiemacht op zee. Vanuit zijn vlaggenschip Atago gaf hij leiding aan een groot deel van de afscherming rond de invasies van Malaya, de Filipijnen en Nederlands-Indië. Onder zijn algemene leiding stonden ook de operaties die uitmondden in de Japanse doorbraak in de Javazee en de bezetting van Java.

Zijn commando speelde ook een rol bij de operaties in de Indische Oceaan in het voorjaar van 1942. De Japanse marine probeerde daar de geallieerde aanwezigheid terug te dringen en de zeeverbindingen van Groot-Brittannië in Zuid-Azië te verstoren. Kondo stond in deze fase aan het hoofd van een zeer omvangrijke strijdmacht. De eerste oorlogsmaanden bevestigden zijn plaats in de bovenste laag van de Japanse operationele bevelstructuur. Binnen de Gecombineerde Vloot gold de 2e Vloot als een zelfstandig inzetbare slagkracht voor grote operaties op afstand.

Midway-operatie

In juni 1942 voerde Kondo bevel over de bezettings- en afschermingsgroep van de Midway-operatie. Zijn taak was anders dan die van de Japanse vliegdekschepen onder Nagumo. Waar de carriers de eerste luchtstrijd moesten leveren, was Kondo verantwoordelijk voor het deel van de operatie dat de landing en verdere beveiliging van Midway mogelijk moest maken. Zijn groep bestond uit zware oppervlakteschepen, ondersteunende eenheden en de middelen die nodig waren om een bezetting te dekken als het lucht- en zeebeeld gunstig bleef.

De uitkomst van de slag maakte die taak echter onuitvoerbaar. Nadat Japan vier vliegdekschepen had verloren, werd de landing op Midway afgelast. Kondo’s eenheden kwamen daardoor niet tot de beslissende bezettingsactie waarvoor zij waren samengesteld. De nederlaag bij Midway betekende meer dan het verlies van enkele schepen. Voor de Japanse marine was het een strategische omslag, omdat het initiatief op zee minder zeker werd en volgende operaties onder ongunstiger voorwaarden moesten plaatsvinden.

Salomonseilanden en Guadalcanal

Na Midway bleef Kondo een centrale bevelhebber in de strijd rond de Salomonseilanden. Zijn vloot nam deel aan de gevechten bij de Oostelijke Salomonseilanden in augustus 1942 en bij de Santa Cruz-eilanden in oktober 1942. In beide gevallen ging het om een combinatie van lucht- en vlootstrijd, met als doel de Amerikaanse aanvoer naar Guadalcanal te verstoren en de Japanse positie in het gebied te behouden. Voor een commandant als Kondo was dit een veeleisende vorm van oorlogvoering, omdat oppervlakte-eenheden, carriers, verkenning en transportbegeleiding nauw op elkaar moesten aansluiten.

De zwaarste beproeving volgde in november 1942 tijdens de zeeslagen rond Guadalcanal. Nadat een eerdere Japanse poging om Henderson Field uit te schakelen niet het gewenste resultaat had opgeleverd, kreeg Kondo de opdracht een nieuwe aanval te leiden. In de nacht van 14 op 15 november voer hij mee op de zware kruiser Atago en zette hij onder meer het slagschip Kirishima in voor een bombardement op het vliegveld. Het plan was bedoeld om Amerikaanse luchtmacht op Guadalcanal te verzwakken en zo de aanvoer van Japanse versterkingen mogelijk te maken.

De operatie mislukte toen Kondo’s strijdmacht in de duisternis werd onderschept door de Amerikaanse slagschepen Washington en South Dakota. In het daaropvolgende gevecht ging Kirishima verloren en werd het bombardement op Henderson Field niet uitgevoerd zoals voorzien. Ook de Japanse transportinspanningen leden zware schade. Deze uitkomst had gevolgen die verder reikten dan één nachtelijk treffen. Vanaf dit moment werd het voor Japan steeds moeilijker om rond Guadalcanal het zee- en luchtoverwicht terug te winnen.

Verschuiving naar hogere functies

Vanaf oktober 1942 bekleedde Kondo naast zijn operationele taken ook de functie van plaatsvervangend commandant van de Gecombineerde Vloot. Na de gevechten rond Guadalcanal verschoof zijn loopbaan geleidelijk weg van het directe zeecommando. Op 29 april 1943 werd hij bevorderd tot admiraal. Vanaf december 1943 stond hij aan het hoofd van de China Area Fleet en in mei 1945 trad hij toe tot de Supreme War Council. Daarmee verschoof zijn werkterrein van uitvoerend bevel op zee naar bredere adviserende en bestuurlijke verantwoordelijkheid in een fase waarin Japan militair steeds verder in het defensief raakte.

Na de oorlog

Na de Japanse overgave werd Kondo op 5 september 1945 overgeplaatst naar de reserve. Daarmee eindigde formeel een marinecarrière van bijna vier decennia. Anders dan sommige andere hoge bevelhebbers werd hij niet vervolgd als oorlogsmisdadiger. Wel bleef zijn naam verbonden aan de leiding van de marine in de jaren van Japanse expansie en nederlaag. Zijn rol werd daarom ook na 1945 vooral beoordeeld in samenhang met het beleid en de operaties van de Keizerlijke Japanse Marine als geheel.

In november 1947 kwam hij in aanmerking voor uitsluiting van openbare functies in het kader van de zuiveringsmaatregelen van de geallieerde bezettingsautoriteiten. Daarna trad hij niet meer op de voorgrond in politiek, bestuur of defensie. Hij overleed op 19 februari 1953. Zijn naoorlogse leven was daardoor kort en teruggetrokken, in tegenstelling tot zijn openbare loopbaan vóór 1945, waarin hij langdurig deel uitmaakte van de hoogste maritieme bevelsstructuur van Japan.

Militaire Rangen

Kondo doorliep de gebruikelijke loopbaan van een Japanse marineofficier en bereikte uiteindelijk de rang van admiraal. Uit publiek beschikbare loopbaanoverzichten komt de volgende bevorderingslijn naar voren: 1908 vaandrig, 1919 luitenant-commandant, 1923 commandant, 1927 kapitein, 1933 schout-bij-nacht, 1937 viceadmiraal en 1943 admiraal. Tussen zijn afstuderen in 1907 en de bevordering van 1919 doorliep hij daarnaast de lagere officiersrangen die voor een beroepsmarine gebruikelijk waren. De bevorderingen weerspiegelen niet alleen anciënniteit, maar ook zijn plaatsingen op opleidingsinstituten, scheepscommando’s en centrale stafposten.

Onderscheidingen

Tijdens zijn loopbaan ontving Kondo keizerlijke onderscheidingen en hofrangen. Tot de onderscheidingen die met zijn naam worden verbonden behoren de Orde van de Rijzende Zon, de Orde van de Gouden Wouw en de Orde van de Heilige Schat. Daarnaast ontving hij civiele hofrangen binnen het oude Japanse staatsstelsel. Die hofrangen hadden een ceremoniële en hiërarchische betekenis en stonden los van operationeel militair gezag.

De in zijn loopbaan vermelde civiele rangen waren 1909: 正八位 (Shōhachii), 1914: 正七位 (Shōshichii), 1924: 正六位 (Shōrokui), 1941: 正四位 (Shōshii), 1943: 従三位 (Jusanmi) en 1945: 正三位 (Shōsanmi). Samen laten zij zien hoe militaire dienst, hofrang en staatsorde in het keizerlijke Japan met elkaar verweven waren. Voor hoge officieren waren zulke rangen een teken van status binnen het rijk, niet van een afzonderlijk commando op zee.

Conclusie

Nobutake Kondo behoorde tot de Japanse marineofficieren die hun loopbaan opbouwden via een combinatie van academische vorming, internationale ervaring, scheepscommando en stafdienst. Die mix bracht hem van de Marineacademie naar hoge functies binnen de Gecombineerde Vloot en uiteindelijk naar het bevel over de 2e Vloot. In de eerste fase van de oorlog tegen de geallieerden stond hij aan het hoofd van operaties die Japan snelle maritieme successen opleverden in Zuidoost-Azië en de Indische Oceaan.

Tegelijk laat zijn loopbaan ook de grenzen van de Japanse zeemacht zien. Bij Midway verdween het strategische initiatief, en bij Guadalcanal bleek dat Japan moeite had om verlies aan vliegdekschepen, transportschepen en ervaren bemanningen op te vangen. Kondo bleef daarna wel een hoge admiraal, maar zijn functie verschoof naar de top van een marine die steeds minder ruimte had om de oorlog op eigen voorwaarden te voeren. Daarmee biedt zijn loopbaan een duidelijk overzicht van de opkomst, de uitbreiding en de terugslag van de Keizerlijke Japanse Marine in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Admiraal Nobutake Kondō, public domain via wiki commons
  2. D’Albas, Andrieu (1965). Death of a Navy: Japanese Naval Action in World War II. New York: Devin-Adair Pub. ISBN 0-8159-5302-X.
  3. Dull, Paul S. (1978). A Battle History of the Imperial Japanese Navy, 1941-1945. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-097-1.
  4. Dupuy, Trevor N.; Bongard, David L.; Johnson, Curt (1992). Encyclopedia of Military Biography. London: I.B. Tauris & Co Ltd. ISBN 1-85043-569-3.
  5. Parrish, Thomas; Marshall, S. L. A. (1978). The Simon and Schuster Encyclopedia of World War II. New York: Simon & Schuster. ISBN 0-671-24277-6.
  6. Van der Vat, Dan (1992). Pacific Campaign: The U.S.-Japanese Naval War 1941-1945. New York: Simon & Schuster. ISBN 0-671-79217-2.
  7. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946
Previous articleHagelkorn: Duitse geleide wapens en bommen 1914-1945
Next articleRichard Geoffrey Pine-Coffin: Britse bataljonschef
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in de Tweede Wereldoorlog. Sommigen hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring en strategisch inzicht mee, terwijl anderen een academische of wetenschappelijke opleiding hebben gevolgd, zoals aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) of in historisch onderzoek. Deze combinatie van expertise zorgt voor diepgaande, goed onderbouwde artikelen die zowel feitelijk accuraat als analytisch sterk zijn. De redactie streeft ernaar om objectieve en goed gedocumenteerde informatie te bieden, waarbij kennis en ervaring samenkomen om een genuanceerd beeld te schetsen van deze ingrijpende periode in de geschiedenis.