Home Schepen Slagschepen en Slagkruisers Slagschip Kongō van de Japanse Keizerlijke Marine

Slagschip Kongō van de Japanse Keizerlijke Marine

Slagschip Kongō tijdens proefvaart op 14 november 1936 na tweede verbouwing, voor de kust van Tateyama.
De Japanse Kongō op zee tijdens proefvaart op 14 november 1936, voor de kust van Tateyama, na haar tweede verbouwing.

Het slagschip Kongō maakte deel uit van de Japanse Keizerlijke Marine en was het eerste schip van de gelijknamige Kongō-klasse. Oorspronkelijk ontworpen als een slagkruiser, werd het schip gebouwd in Groot-Brittannië en later in Japan meerdere malen gemoderniseerd. Door deze verbouwingen kon het schip dienstdoen als snel slagschip tijdens de Tweede Wereldoorlog. Kongō nam deel aan meerdere belangrijke maritieme operaties in de Stille Oceaan. Het schip combineerde hoge snelheid met zware bewapening, maar kende beperkingen op het gebied van bepantsering en elektronische systemen. In 1944 werd het schip tot zinken gebracht door een Amerikaanse onderzeeër.

Ontwerp en constructie

Kongō werd ontworpen door de Britse maritieme ingenieur George Thurston en gebouwd door Vickers Shipbuilding Company in Barrow-in-Furness. Het schip werd op 17 januari 1911 te water gelaten en was het laatste Japanse kapitaalschip dat buiten Japan werd gebouwd. De bouw maakte deel uit van een bredere Japanse maritieme modernisering na de voltooiing van het Britse slagschip HMS Invincible in 1908. De kiel werd gelegd in het kader van de Emergency Naval Expansion Bill van 1910.

Bij voltooiing in 1913 had Kongō een waterverplaatsing van ongeveer 27.500 ton. Na verschillende modernisaties groeide dit tot meer dan 36.000 ton. Oorspronkelijk beschikte het schip over 36 Yarrow-ketels en Parsons-stoomturbines, wat resulteerde in een topsnelheid van ongeveer 27,5 knopen. Tijdens de latere reconstructies werden deze vervangen door modernere Kampon-ketels en tandwieloverbrengingen, wat de snelheid verhoogde tot ruim 30 knopen.

De lengte van het schip werd verlengd tot 222 meter en de breedte tot 31 meter. De diepgang bedroeg 9,7 meter. Deze aanpassingen waren noodzakelijk om het schip in staat te stellen te opereren naast moderne vliegdekschepen. Na voltooiing van de tweede modernisatie in 1937 werd Kongō officieel geclassificeerd als een snel slagschip.

Bewapening

De hoofdartillerie van Kongō bestond uit acht 14-inch (356 mm) kanonnen, geplaatst in vier tweelingtorens. Deze kanonnen konden zowel pantserdoorborende als hoogexplosieve granaten afvuren. Het maximale bereik bedroeg ruim 35 kilometer. Elk kanon had een vuursnelheid van ongeveer twee schoten per minuut en een levensduur van circa 250 tot 280 granaten.

De secundaire bewapening werd tijdens de diensttijd verschillende keren aangepast. Oorspronkelijk had het schip zestien 6-inch (152 mm) kanonnen in enkele kazematten, acht 3-inch (76 mm) luchtafweerkanonnen en acht 533 mm torpedobuizen. In de jaren dertig werden de oudere luchtafweerkanonnen vervangen door acht 127 mm dual-purpose kanonnen, geschikt voor zowel luchtdoelen als oppervlakteschepen. Daarnaast werden er gedurende de oorlogsjaren meer dan 100 Type 96 25 mm luchtafweerkanonnen toegevoegd in diverse configuraties van enkele, dubbele en drievoudige opstellingen.

Tijdens de latere fasen van de oorlog beschikte Kongō niet langer over torpedobuizen, maar werd het luchtafweersysteem verder uitgebreid om het hoofd te bieden aan toenemende dreiging vanuit de lucht.

Bepantsering

In haar oorspronkelijke ontwerp als slagkruiser beschikte Kongō over beperkte bepantsering. De hoofdgordel langs de waterlijn was 152 tot 203 mm dik. Tijdens de modernisaties werd deze verstevigd tot een uniforme dikte van 203 mm. De dekbepantsering varieerde van 25 mm tot 70 mm, afhankelijk van de sectie.

De barbettes, die de kanonnen en munitie liften beschermden, hadden een dikte van 229 mm. De torentoppen werden beschermd door pantserplaten van 254 mm aan de voorzijde en 229 mm aan de zijkanten. De versterkingen waren gericht op bescherming tegen granaatinslagen en torpedoschade, maar bleven in vergelijking met moderne slagschepen van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk beperkt.

Tijdens de eerste grote modernisatie in de jaren 1930 werden anti-torpedobulges toegevoegd om de weerstand tegen onderwaterexplosies te verbeteren. Deze maatregelen boden echter slechts gedeeltelijke bescherming en waren onvoldoende tegen moderne geallieerde torpedo’s.

 

 

Sensoren en dataverwerking

In de beginjaren beschikte Kongō niet over elektronische detectiemiddelen. De waarneming en vuurleiding werden uitgevoerd via optische instrumenten zoals verrekijkers, optische afstandsmeters en waarnemingsvliegtuigen. Nachtoperaties of gevechten bij slechte zichtbaarheid waren hierdoor beperkt in effectiviteit.

Pas in 1943 werd begonnen met de installatie van radars. Kongō kreeg een Type 21 luchtwaarschuwingsradar, die werkte op een golflengte van 1,5 meter en een bereik had van circa 80 tot 100 kilometer voor hoge luchtdoelen. De nauwkeurigheid van deze radar was beperkt, wat het moeilijk maakte om doelen te volgen of vuurleiding te ondersteunen.

In 1944 werd het schip uitgerust met een Type 22 oppervlaktezoekradar. Deze werkte op 10 cm golflengte, met een bereik van 35 tot 40 kilometer tegen schepen. Deze radar leverde een verbetering ten opzichte van eerdere types, maar bleef ver achter bij de geallieerde systemen. Eveneens werd een Type 13 luchtwaarschuwingsradar geïnstalleerd met een bereik van ongeveer 100 kilometer, maar ook deze radar kende een lage directionele precisie.

Kongō beschikte niet over sonar of onderwaterdetectiesystemen zoals hydrofonen. Ook was er geen sprake van een Combat Information Center (CIC), een centraal systeem dat binnenkomende sensorinformatie combineert en verwerkt voor tactische coördinatie. Hierdoor ontbrak centrale besluitvorming op basis van geïntegreerde gegevens. De interpretatie van radarwaarnemingen en vuurleiding vond plaats op lokaal niveau, los van een gecentraliseerd overzicht.

Vanaf 1943 gold het ontbreken van een CIC als een ernstige tekortkoming in de maritieme oorlogsvoering. Slagschepen zonder dit systeem konden niet alleen onvoldoende reageren op luchtaanvallen en onderzeebootdreiging, maar konden ook hun taak als coördinerend schip binnen een vlootformatie niet effectief uitvoeren. De aansturing van begeleidende schepen werd hierdoor bemoeilijkt. Ondanks haar bewapening en snelheid was Kongō operationeel verouderd en beperkt inzetbaar in moderne gecombineerde vlootoperaties. De Japanse marine onderkende deze structurele achterstand in coördinatie en dataverwerking echter pas laat, waardoor oudere slagschepen als Kongō bleven functioneren op basis van tactieken en technologieën die in de loop van de oorlog steeds minder effectief bleken.

 

Modificaties

Kongō onderging twee grote modernisaties gedurende haar loopbaan. De eerste begon in 1929 en werd afgerond in 1931. Tijdens deze verbouwing werd de horizontale bepantsering boven de munitieruimtes versterkt, en de rompsstructuur werd verbeterd met anti-torpedobulges. Alle 36 Yarrow-ketels werden vervangen door zestien moderne ketels. De voortstuwing werd aangepast door de installatie van Brown-Curtis tandwieloverbrengingen. De voorste schoorsteen werd verwijderd, de achterste verlengd. Deze aanpassingen verhoogden de snelheid tot 29 knopen, waarna het schip werd geclassificeerd als slagschip.

De tweede verbouwing vond plaats tussen 1935 en 1937. Tijdens deze reconstructie werd het achterschip verlengd met 7,9 meter, en de ketelinstallatie werd opnieuw vervangen door elf oliegestookte Kampon-ketels. Ook werden moderne tandwielaangedreven turbines geïnstalleerd. Het brugdek werd volledig herbouwd volgens de pagodastijl en er werden katapults voor verkenningsvliegtuigen toegevoegd. De snelheid steeg tot boven de 30 knopen, waarna Kongō officieel werd geclassificeerd als snel slagschip.

Naast deze grote reconstructies werd de luchtafweer tijdens de oorlogsjaren versterkt met meerdere 25 mm Type 96 luchtafweerkanonnen, en vanaf 1943 werd het schip voorzien van radarapparatuur.

Status schip tijdens de oorlog

Bij het begin van de oorlog in de Stille Oceaan was Kongō operationeel en werd zij ingezet binnen de Derde Slagschipdivisie. Haar snelheid maakte het mogelijk om te opereren in combinatie met vliegdekschepen en andere snelle eenheden. Ondanks haar hoge snelheid en bewapening bleef Kongō kwetsbaar vanwege haar relatief lichte bepantsering, beperkte luchtafweer en gebrekkige elektronische detectie.

Vanaf 1943 was het ontbreken van een Combat Information Center (CIC) en sonarapparatuur een duidelijk nadeel. Hoewel het schip uitgerust werd met meerdere radarinstallaties, zoals de Type 21, Type 22 en Type 13, bleef de effectiviteit hiervan beperkt in vergelijking met geallieerde systemen. In combinatie met de verouderde bepantsering werd Kongō vanaf dat moment als operationeel verouderd beschouwd, volgens de militaire normen van die tijd.

Gedurende de oorlog werd het schip regelmatig onderhouden en aangepast, onder meer in Sasebo en Kure. Hoewel het technisch en tactisch was ingehaald door nieuwere slagschepen, bleef Kongō tot november 1944 actief in de Japanse vloot.

Operationele geschiedenis

1941–1942: Zuidelijke campagne en Indische Oceaan

Aan het begin van de oorlog in de Grote Oceaan maakte Kongō deel uit van de Derde Slagschipdivisie, samen met haar zusterschip Haruna. Eind november 1941 verliet het schip de thuishaven en voer in zuidelijke richting als onderdeel van de Zuiderlijke Strijdkrachten, met als doel het ondersteunen van de Japanse landingen in Thailand, Malaya en de Filipijnen. Tijdens deze operatie hoefde Kongō geen direct gevecht aan te gaan met vijandelijke slagschepen, aangezien de Britse slagschepen Prince of Wales en Repulse al vroeg in de campagne tot zinken werden gebracht door Japanse vliegtuigen.

In januari en februari 1942 voerde Kongō meerdere ondersteunende acties uit, waaronder dekking van luchtoperaties bij Ambon en Java. Het schip nam op 7 maart deel aan het beschieten van Christmas Island. In april 1942 vormde Kongō, samen met Haruna en diverse vliegdekschepen, een onderdeel van de Japanse aanvalsmacht in de Indische Oceaan. Tijdens deze actie werden de Britse kruisers Dorsetshire en Cornwall en het vliegdekschip Hermes vernietigd. Kongō werd op 9 april zelf nog aangevallen door bommenwerpers maar bleef ongedeerd. Na afloop keerde het schip terug naar Japan.

In juni 1942 nam Kongō deel aan de Slag bij Midway, maar zonder direct contact met de vijand. Het schip maakte deel uit van de ondersteunende eenheden die bedoeld waren om de landing op Midway te dekken. Door het verlies van vier Japanse vliegdekschepen werd de operatie voortijdig afgebroken. Na de terugkeer in Japan werd Kongō gemoderniseerd met onder meer radarapparatuur en versterkte luchtafweer.

1942: Campagne bij Guadalcanal

In augustus 1942 begonnen Amerikaanse mariniers met een landing op Guadalcanal. Als reactie hierop stuurde de Japanse marine meerdere eenheden naar het gebied, waaronder Kongō. Het schip werd ingezet als onderdeel van de bombardementstroepen die trachtten het Amerikaanse vliegveld Henderson Field uit te schakelen.

Op de nacht van 13 op 14 oktober 1942 voerden Kongō en Haruna een grootschalig artilleriebombardement uit op het vliegveld. In minder dan anderhalf uur tijd vuurde Kongō meer dan 470 granaten af. Deze actie vernietigde brandstofopslag, beschadigde vliegtuigen en infrastructuur en legde de luchtoperaties tijdelijk stil. Toch was het effect niet blijvend, aangezien Amerikaanse grondtroepen het vliegveld snel herstelden.

Later in oktober nam Kongō deel aan ondersteunende acties tijdens de Slag bij de Santa Cruz-eilanden. Hoewel ze werd aangevallen door torpedobommenwerpers, werd ze niet geraakt. In november begeleidde het schip transportkonvooien en nam het deel aan afleidingsmanoeuvres tijdens de Slag bij Guadalcanal. Na deze periode keerde Kongō terug naar de basis op Truk, waar zij de rest van het jaar bleef.

1943: Beperkte inzet en reactieve operaties

In 1943 was Kongō voornamelijk gestationeerd in Truk en andere Japanse marinebases. Ze werd meerdere malen ingezet als reactie op geallieerde luchtaanvallen op buitenposten in de Stille Oceaan. Begin mei werd Kongō verplaatst naar Yokosuka in verband met de Amerikaanse operatie op Attu in de Aleoeten, maar deze missie werd afgebroken zonder gevechtscontact.

Op 17 oktober 1943 maakte Kongō deel uit van een grote Japanse taskforce die werd uitgezonden na Amerikaanse aanvallen op Wake Island. Deze eenheid bestond uit vijf slagschepen, meerdere vliegdekschepen, kruisers en torpedobootjagers. De Amerikanen trokken zich terug voordat er contact plaatsvond. Eind 1943 keerde Kongō terug naar Japan voor onderhoud en versterking van haar luchtafweer.

1944: Slag om de Filipijnen en ondergang

In juni 1944 nam Kongō deel aan de Slag om de Filipijnenzee als onderdeel van de voorhoede van de Japanse vloot. Haar taak was het escorteren van vliegdekschepen en andere hoofdstrijdkrachten. Ondanks meerdere luchtaanvallen bleef Kongō ongedeerd. Na de slag werd haar luchtafweer verder versterkt met extra 25 mm geschut.

In oktober 1944 nam Kongō deel aan Operatie Sho-Go, de Japanse tegenaanval op de Amerikaanse landing op Leyte. Ze maakte deel uit van de Centrale Strijdmacht onder leiding van vice-admiraal Kurita. Deze vloot vertrok van Brunei en werd op 23 oktober aangevallen door Amerikaanse onderzeeërs. Kongō bleef ongedeerd, maar de kruisers Atago en Maya werden tot zinken gebracht.

Op 25 oktober nam Kongō deel aan de Slag bij Samar. Tijdens deze slag trof de Japanse vloot onverwacht een eskader van Amerikaanse escortevliegdekschepen, destroyers en destroyer escorts. Kongō vuurde haar hoofdgeschut af op lange afstand, en scoorde vermoedelijk treffers op de escortevernietiger USS Heermann. Later in het gevecht vuurde zij ook op de USS Samuel B. Roberts, die uiteindelijk tot zinken werd gebracht. De exacte bijdrage van Kongō is niet definitief vastgesteld, mede vanwege slechte zichtomstandigheden en overlappende vuuropdrachten van andere schepen.

Na het gevecht keerde Kongō terug naar Brunei. Op 16 november begon het schip, samen met Nagato, Yamato en enkele torpedobootjagers, aan de terugtocht naar Japan. In de vroege ochtend van 21 november werd de formatie waargenomen door de Amerikaanse onderzeeër USS Sealion in de Straat van Formosa. Sealion vuurde een salvo torpedo’s af op Kongō. Twee torpedo’s raakten het schip aan stuurboordzijde. Een derde torpedo trof de torpedobootjager Urakaze, die met man en muis zonk.

Kongō kon aanvankelijk nog voortvaren met 16 knopen, maar de schade bleek ernstiger dan gedacht. Toen het schip afzakte tot 11 knopen werd besloten koers te zetten naar Keelung op Formosa. Enkele uren later ontstond een zware slagzij van 45 graden. Het bevel tot evacuatie werd gegeven, maar voordat de bemanning volledig van boord was, explodeerde de voorste munitieruimte. Kongō zonk op 21 november 1944. Meer dan 1.200 bemanningsleden, waaronder de commandant en de divisiecommandant, kwamen om het leven.

 

 

Conclusie

Kongō was het oudste slagschip dat in actieve dienst bleef binnen de Japanse Keizerlijke Marine tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hoewel het schip door twee grote modernisaties werd aangepast aan de technische standaarden van het interbellum, bleef de operationele structuur beperkt tot optische vuurleiding en decentrale besluitvorming. Door haar snelheid kon Kongō nog worden ingezet in combinatie met vliegdekschepen, maar als coördinerend slagschip voldeed zij vanaf 1943 niet langer aan de eisen van moderne oorlogvoering.

Het ontbreken van een Combat Information Center (CIC) en de afwezigheid van geïntegreerde dataverwerking maakten het onmogelijk om vlootbewegingen effectief te coördineren of tijdig te reageren op vijandelijke acties. De radarinstallaties die later werden toegevoegd, functioneerden geïsoleerd en boden daardoor onvoldoende tactisch voordeel. Slagschepen zoals Kongō konden hierdoor hun rol als leidend element binnen een taskforce niet meer vervullen. Terwijl de geallieerde marinesystemen informatie centraal verwerkten, bleef de Japanse besluitvorming versnipperd.

Kongō bleef tot eind 1944 actief in operationele eenheden, maar haar inzet vond plaats onder omstandigheden waarin zij structureel was ingehaald door de technologische en organisatorische ontwikkelingen van de vijand. De ondergang van het schip op 21 november 1944, als gevolg van torpedotreffers van een Amerikaanse onderzeeër, maakte zichtbaar hoe kwetsbaar oudere slagschepen waren geworden in een maritiem strijdtoneel dat steeds sterker werd gedomineerd door informatie, coördinatie en geïntegreerde vuurleiding.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Unknown authorUnknown author; assumed official photographer as this a high-quality photo unlikely to be taken by an amateur and the IJN severely restricted professional photography of its ships after World War I., Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Jackson, Robert (2000). The World’s Great Battleships. Dallas: Brown Books. ISBN 1-897884-60-5
  3. Stille, Mark (2008). Imperial Japanese Navy Battleship 1941–1945. Oxford: Osprey Publishing. ISBN 978-1-84603-280-6
  4. Gardiner, Robert; Gray, Randal (1985). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1906–1921. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-907-3
  5. McCurtie, Francis (1989). Jane’s Fighting Ships of World War II. London: Bracken Books. ISBN 1-85170-194-X
  6. Mitchell, Richard H. (1996). Political Bribery in Japan. Honolulu: University of Hawaii Press. ISBN 978-0824818197
  7. Lundgren, Robert (2014). The World Wonder’d: What Really Happened Off Samar. Nimble Books. ISBN 978-1-60888-046-1
  8. Lengerer, Hans; Ahlberg, Lars (2019). Capital Ships of the Imperial Japanese Navy 1868–1945. Vol. I. Zagreb: Despot Infinitus. ISBN 978-953-8218-26-2
  9. Wheeler, Keith (1980). War Under the Pacific. New York: Time-Life Books. ISBN 0-8094-3376-1
  10. Willmott, H. P. (2002). The Second World War in the Far East. Smithsonian Books. ISBN 1-58834-192-5
  11. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946